MIJNHEER EN MEVROUW.
Reading edition
“Madame Mère, kunt u mij als ’t u belieft mijn vrouw ook een half uurtje afstaan? Het goed is gekomen, en ik heb Amy’s Parijsche fraaiigheden wel wat door elkander gerommeld, want ik zocht iets, wat ik noodig heb,” zei Laurie den volgenden dag, toen hij de huiskamer binnenstapte, en mevrouw Laurence op haar moeder’s schoot zag zitten, alsof zij nog “het kleintje” was.
“Zeker, ga maar gauw, kindlief. Ik vergeet, dat je nog een ander thuis hebt dan dit,” en mevrouw March drukte de kleine hand, waaraan de trouwring prijkte, alsof zij vergiffenis vroeg voor haar moederlijke begeerigheid.
“Ik zou haar niet zijn komen halen, als ik het had kunnen laten, maar ik kan evenmin buiten mijn vrouw als een—”
“Weerhaan zonder wind kan,” vulde Jo aan, toen hij zweeg om een vergelijking te vinden. Jo was weer even dwaas als vroeger, sinds Teddy’s terugkomst.
“Juist, want Amy zorgt er voor, dat ik meestal West wijs met nu en dan een streekje Zuid; ik heb nog geen oogenblik naar het Oosten gewezen, sinds ik getrouwd ben, weet zelfs niet wat het Noorden is, maar ben altijd even koel en zacht—niet waar, mevrouw?”
“Allerliefst weer tot nu toe; ik weet niet hoelang het zal duren, maar ik ben niet erg bang voor stormen, want ik weet al wel een beetje hoe ik mijn schip moet besturen. Ga nu maar mee naar huis, dan zal ik wel eens naar je laarzentrekker zoeken; ik denk, dat je daarvoor mijn goed zoo overhoop hebt gehaald. Mannen zijn toch zoo hulpbehoevend, Moeder,” zei Amy beschermend, tot groot vermaak van haar echtgenoot.
“Wat zijn jullie van plan te gaan doen, als alles op orde is?” vroeg Jo, terwijl ze Amy’s mantel dichtknoopte, zooals zij het vroeger haar boezelaars deed.
“Wij hebben wel plannen gemaakt, maar zullen er voorloopig maar niet over spreken, omdat wij nog zulke nieuwe bezems zijn, maar wij zijn niet van zins te gaan luieren. Ik zal mij met zooveel ijver aan de zaken wijden, dat Grootvader in verrukking komt, en hem eens bewijzen, dat ik niet bedorven ben. Ik heb genoeg van ’t leegloopen, en ben van plan aan het werk te gaan als een man.”
“En wat gaat Amy doen?” informeerde mevrouw March, verheugd over Laurie’s beslistheid en de energie, waarmee hij sprak.
“Na overal beleefdheidsbezoeken te hebben afgelegd en onze elegante toiletten gelucht te hebben, zullen wij uw verbazing wekken door de ongedwongen gastvrijheid van ons huis, het schitterend gezelschap, dat wij om ons zullen verzamelen, en den weldadigen invloed, dien wij rechts en links zullen uitoefenen. Dat was immers uw voornemen, madame Récamier?” vroeg Laurie met schijnbaren ernst naar Amy ziende.
“De tijd zal het leeren. Kom maar mee, brutale plaaggeest en erger mijn familie maar niet door mij in hun bijzijn belachelijk te maken,” antwoordde Amy, vast besloten, dat zij een goede huisvrouw zou zijn, eer zij als gastvrouw haar salons opende.
“Wat schijnen die kinderen samen gelukkig te wezen!” zei mijnheer March, wien het moeilijk viel, zich na het vertrek van het jonge paar weer te verdiepen in zijn Aristoteles.
“Ja, en ik geloof, dat het duurzaam zal zijn,” voegde mevrouw March er bij, met het rustige gevoel van een loods, die een schip veilig de haven heeft binnengeleid.
“Daar ben ik zeker van. Gelukkige Amy!” zuchtte Jo, maar ze glimlachte vroolijk, toen professor Bhaer even later met een ongeduldigen ruk het hek openstootte.
Later op den avond, toen zijn geest gerustgesteld was over den laarzentrekker, riep Laurie eensklaps zijn vrouw toe, die heen en weer liep om haar nieuwe kunstschatten te schikken:
“Mevrouw Laurence.”
“Mylord?”
“Die man is van plan onze Jo te trouwen.”
“Ik hoop het; jij ook niet?”
“Wel, vrouwtje, ik vind hem ‘een juweel’ in den vollen zin des woords, maar ik wou dat hij wat jonger en flink wat rijker was.”
“Kom, Laurie, wees niet al te kieschkeurig en wereldschgezind. Als zij elkander liefhebben komt het er volstrekt niet op aan, hoe oud of hoe arm hij is. Vrouwen moeten nooit om geld trouw—” hier hield Amy plotseling op en zag haar man aan, die plagend zei:
“Zeker niet, hoewel heel aardige meisjes soms beweren, dat zij het vast van plan zijn. Als mijn geheugen mij niet bedriegt, beschouwde jij het eenmaal je plicht een rijk huwelijk te doen; dat verklaart misschien, hoe het komt, dat je een nietswaardige als mij hebt genomen.”
“O, mijn liefste man, denk dat toch als ’t je blieft niet! Ik vergat heelemaal dat je rijk was, toen ik ‘ja’ zei. Ik zou met je getrouwd zijn, al had je geen cent bezeten, en soms zou ik wel willen, dat je arm was, om je te kunnen toonen, hoe lief ik je heb,” en Amy, die zich heel waardig gedroeg in gezelschap, maar heel teeder was, wanneer niemand het zag, gaf hem een overtuigend bewijs van de oprechtheid harer woorden.
“Je gelooft toch niet wezenlijk, dat ik zoo’n geldzuchtig schepsel ben, als ik vroeger meende te zijn, wel? Het zou mijn hart breken, als je niet gelooven wou, dat ik even graag met je in ’t zelfde bootje zou varen, al moest je je kost verdienen met roeier te zijn op het meer.”
“Neen, zoo’n idioot ben ik niet! Hoe zou ik dat kunnen denken, terwijl je een rijker man om mijnentwil afgewezen hebt, en mij niet toe wilt staan, je de helft te koopen van wat ik wel zou willen, nu ik er het recht toe heb? Meisjes doen het elken dag, arme stakkerds! en leeren in hun jeugd dikwijls al, dat het een uitkomst voor hen is, maar jij hadt beter onderwijs gehad, en hoewel ik wel eens voor je gebeefd heb, werd ik toch niet teleurgesteld,—want de dochter deed de opvoeding van haar moeder eer aan. Toen ik dat gisteren tegen Moeder zei, keek ze zoo blij en dankbaar, alsof ik haar een wissel van een millioen had gegeven, voor een liefdadig doel. Zeg, je luistert heelemaal niet naar mijn zedekundige opmerkingen, mevrouw Laurence,”—en Laurie zweeg, want Amy was blijkbaar afgetrokken, hoewel zij hem strak aanzag.
“Jawel, en ik bewonder meteen het kuiltje in je kin. Ik wil je niet ijdel maken, maar ik moet bekennen, dat ik trotscher ben op mijn knappen echtgenoot, dan op al zijn geld. Lach niet—maar je neus is mij zoo’n groote troost,” en Amy liefkoosde het welbesneden lichaamsdeel met een gevoel van artistieke voldoening.
Laurie had al menig compliment gekregen in zijn leven, maar nooit een, dat zoo naar zijn genoegen was, zooals hij met daden toonde, hoewel hij om den bizonderen smaak van zijn vrouw lachte, terwijl ze langzaam vervolgde:
“Mag ik je eens iets vragen, man?”
“Natuurlijk wel.”
“Zou je het naar vinden, als Jo met mijnheer Bhaer trouwde?”
“O, zit daar de knoop? Ik dacht wel, dat er iets in dat kuiltje was, wat je niet beviel. Daar ik de zon best in ’t water kan zien schijnen en de gelukkigste kerel ter wereld ben, kan ik je eerlijk verklaren, dat ik op Jo’s bruiloft zal dansen, met een hart zoo licht als een veertje. Twijfel je er aan, mon mie?”
Amy keek hem aan en was voldaan; het laatste zweempje van naijverige vrees verdween voor altijd, en zij dankte hem met een van liefde en vertrouwen stralend gezicht.
“Ik wou, dat wij iets konden doen voor dien besten, ouden professor. Zouden wij niet een rijk bloedverwant kunnen verzinnen, die wel zoo goed wou zijn om in Duitschland te sterven, en hem een aardig fortuintje naliet?” bedacht Laurie, toen het tweetal arm in arm de lange zitkamer op en neer wandelde, zooals zij zoo graag deden, in herinnering aan den ouden tuin te Vevey.
“Jo zou er achter komen en alles bederven; zij is heel trotsch op hem, en zei gisteren, dat zij armoede iets moois vond.”
“Die lieve ziel, maar zij zal wel anders denken, als zij een geleerden echtvriend en een dozijn kleine professortjes of professorinnetjes heeft te onderhouden. Wij zullen ons er dan maar niet mee bemoeien, maar een goede kans afwachten, en ze een dienst bewijzen, zonder dat zij het weten. Ik heb aan Jo een deel van mijn opvoeding te danken, en zij vertrouwt altijd, dat menschen hun schulden eerlijk betalen; daar zal ik haar dus mee vangen.”
“Wat heerlijk toch, als je anderen kunt helpen! Dat was altijd een van mijn illusies: de macht te hebben om vrij te kunnen geven, en ik heb het aan jou te danken, dat die illusie werkelijkheid geworden is.”
“O, wij zullen een massa goed doen, hè, meisje? Er is een bepaalde soort van armoede, die ik bizonder graag help. De bedelaars op straat worden wel geholpen, maar arme, fatsoenlijke lui hebben het kwaad, omdat zij niet willen vragen en men hun niets durft aanbieden; toch zijn er wel duizend manieren om hen te helpen, als men het maar zoo kiesch weet te doen, dat ze er niet door beleedigd worden. Ik moet bekennen, dat ik liever een gentlemen help, die in ’t achterschip is geraakt, dan een bedelenden mooiprater, hoewel het eerste veel moeilijker is.”
“Omdat je zelf een gentlemen zijn moet om het te kunnen doen,” antwoordde het andere lid van de huiselijke bewonderings-vereeniging.
“Dank je, maar ik vrees, dat ik dat aardige complimentje niet verdien. Maar ik wou nog zeggen, dat ik, toen ik in het buitenland mijn tijd zoo verbeuzelde, veel talentvolle jongelui heb ontmoet, die zich alle mogelijke opofferingen getroostten en zware ontberingen verduurden, om eenmaal hun droomen verwezenlijkt te kunnen zien. Prachtige jongens waren sommige, die werkten als helden; zij waren wel arm en zonder vrienden, maar zoo vol moed, geduld en ambitie, dat ik mij over mezelf schaamde, en niets liever had gedaan dan ze eens goed voorthelpen. Zulke menschen te helpen is een genot, want hebben zij werkelijk talent, dan is het een eer ze te mogen steunen, opdat hun gaven niet verloren gaan, of uitdoven bij gebrek aan brandstof om het vuur levendig te houden; hebben zij het niet, dan nog is het een genot de arme jongens op te beuren, en ze, als zij het leeren inzien, voor wanhoop te bewaren.”
“Ja zeker; en er is nog een andere soort, die niet kan vragen, en in stilte lijdt; ik weet er iets van door ondervinding, want ik behoorde er toe, voordat jij me prinses maakte, zooals de koning in het sprookje het bedelmeisje. Eerzuchtige arme meisjes hebben een moeilijk leven, Laurie, en moeten dikwijls jeugd, gezondheid, en kostbare gelegenheden zien voorbijgaan, alleen omdat niemand ze helpt op het juiste oogenblik. De menschen zijn voor mij heel vriendelijk geweest, en als ik ooit meisjes zie tobben, zooals wij hebben moeten doen, zou ik graag mijn hand uitsteken en ze helpen, zooals ik geholpen ben.”
“Dat zul je, lieveling!” riep Laurie, en hij nam zich in ’t vuur van zijn menschlievenden ijver voor om een inrichting te stichten, uitsluitend ten voordeele van jonge meisjes met kunstenaarsaanleg. “Rijke menschen hebben geen recht om rustig neer te zitten en te genieten, of hun geld op te stapelen, om het later door hun erfgenamen te laten verkwisten. Het is niet half zoo verstandig een reeks legaten te vermaken na je dood, als het geld nuttig te gebruiken bij je leven, en het genot te hebben er je medemenschen gelukkig door te maken. Wij zullen een prettig leven hebben, en een extraatje voegen bij ons eigen geluk, door anderen ook een proefje te geven. Wil jij een kleine Dorcas zijn en rondgaan met een groote mand vol verkwikkingen, die je ronddeelt, en ze doen volgen door je goede daden?”
“Niets liever dan dat, als jij St. Maarten wilt zijn en ridderlijk je mantel deelen met den bedelaar.”
“Afgesproken! en wij zullen er zelf ’t meest bij winnen.”
Het jonge paar gaf elkander er de hand op en wandelde voort in het bewustzijn, dat hun gelukkig tehuis nog gelukkiger zou zijn, omdat zij andere huisgezinnen in hun overvloed wilden doen deelen, vol vertrouwen, dat hun eigen voeten vaster zouden voortgaan op het met bloemen bestrooide pad vóór hen, als zij oneffen paden voor anderen effenden, en overtuigd, dat hun harten steeds nauwer vereenigd zouden worden door een liefde, die met medelijden kon denken aan hen, die minder bevoorrecht waren dan zij.