DAISY EN DEMI.
Reading edition
Ik vind niet, dat ik mijn plicht heb gedaan als nederig geschiedschrijfster van de familie March, als ik niet ten minste één hoofdstuk gewijd heb aan de twee kostbaarste en belangrijkste leden. Daisy en Demi hadden nu de jaren des onderscheids bereikt, want in dezen vluggen tijd staan kinderen van drie of vier jaar reeds op hun recht, en handhaven het ook, hetgeen meer is, dan menig ouder mensen kan.
Indien ooit een tweelingpaar gevaar liep van bedorven te worden, waren het wel deze twee babbelende Brookesjes. Natuurlijk waren zij de merkwaardigste kinderen, die ooit geboren werden; hetgeen wel daaruit blijkt, dat zij liepen, toen zij acht maanden oud waren, vloeiend spraken, toen zij hun eerste jaar voltooid hadden, en op tweejarigen leeftijd hun plaats aan tafel innamen, en zich zoo ordentelijk gedroegen, dat allen, die het zagen, er verbaasd over stonden.
Daisy vroeg toen zij drie jaar oud was reeds om een “naaiertje” en maakte met vier steken een zakje; ook begon zij een huishouding in ’t buffet, en sprong zoo behendig om met een microscopisch kookkacheltje, dat Hanna’s oogen zich vulden met tranen van trots en vreugde, terwijl Demi zijn letters leerde bij zijn grootvader, die een nieuwe methode had uitgevonden, om hem het alphabet te onderwijzen, en wel door de letters te vormen met zijn armen en beenen,—een vereeniging dus van hoofd- en lichaamsgymnastiek. De jongen ontwikkelde vroeg een werktuigkundig genie, dat zijn vader verrukte, en zijn moeder veel zorg veroorzaakte, want hij trachtte elke machine, die hij zag, na te bootsen, en hield de kinderkamer in een chaotische verwarring met zijn “naaimasine,” een geheimzinnig samenstel van touwen, stoelen, spelden en klosjes, die de wieltjes moesten voorstellen. Een anderen keer hing hij een mand over den rug van een leuningstoel, waarin hij tevergeefs zijn al te goedhartig zusje trachtte op te hijschen, dat zich met vrouwelijke devotie op haar hoofdje liet stompen, totdat zij door haar moeder bevrijd werd, waarop de jonge uitvinder verontwaardigd riep: “Maar Moes, dat is mijn takel, en ik hijsch haar op.”
Hoewel de tweelingen zeer van karakter verschilden, konden zij toch uitmuntend met elkander overweg, en kibbelden zelden meer dan driemaal per dag. Natuurlijk speelde Demi den baas over Daisy en verdedigde haar ridderlijk tegen elken anderen aanrander, terwijl Daisy zich de rol van galeislaaf getroostte en haar broertje aanbad, als het eenig volmaakte schepsel ter wereld. Een rooskleurig, mollig, blijhartig zieltje was Daisy, die den weg vond tot ieders hart, en zich daar een plaatsje wist te veroveren. Een van die innemende kinderen, die gemaakt schijnen, om gekust en geknuffeld, als kleine afgodjes vereerd, en bij alle feestelijke gelegenheden tot ieders bewondering vertoond te worden. Haar kleine deugden waren zoo allerliefst, dat zij heusch engelachtig zou zijn geweest, zoo zij niet door een paar stoute trekjes nu en dan getoond had een echt natuurlijk menschenkind te zijn. In haar wereld was het altijd mooi weer, en elken morgen huppelde zij in haar nachtjaponnetje naar het raam om naar buiten te zien, en riep dan onveranderlijk, of het regende of de zon scheen: “Hoed! na buiten! na buiten!” Ieder, dien zij zag, beschouwde zij als vriend, en zij bood vreemden zoo vertrouwend een kusje, dat de meest hardnekkige oude vrijer verteederd werd, en kindervrienden volslagen kinderaanbidders werden.
“Itte hou van ajjemaai,” zei zij eens, en stak de armpjes uit, met haar lepel in de eene en haar kroesje in de andere hand, alsof zij de gansche wereld wilde omarmen en aan haar hartje drukken.
Toen zij grooter werd, gevoelde haar moeder, dat de “Duiventil” bizonder gezegend was in het bezit van een kleine bewoonster, even opgeruimd en liefhebbend als die, welke zooveel zonneschijn in het ouderlijk huis had verspreid, en haar vurig gebed was, dat haar een verlies mocht bespaard worden als dat, hetwelk hen onlangs had leeren inzien, dat zij onwetend een engel geherbergd hadden. Haar grootvader noemde haar meermalen “Bets” en haar grootmoeder waakte over haar met een onvermoeide zorg, alsof zij eenig vroeger verzuim had goed te maken, dat geen ander oog dan het hare kon ontdekken.
Demi was als een echt Yankee van onderzoekenden aard; hij verlangde alles te weten, en werd dikwijls boos, omdat hij niet altijd een voldoend antwoord kon krijgen op zijn aanhoudend: “Waarom?”
Ook bleek hij min of meer philosophisch “aangelegd”, tot groote vreugd van zijn grootvader, die socratische gesprekken met hem hield, waarbij het wijze ventje van tijd tot tijd vragen deed, die de vrouwelijke familieleden in de uiterste verbazing brachten.
“Wat maakt mijn beenen aan het loopen, Opa?” vroeg de jonge wijsgeer, en bekeek op zekeren avond na een laatste stoeipartij met een peinzend gezicht die beweeglijke lichaamsdeelen.
“Je kleine wilsvermogen, Demi,” antwoordde de wijze, oude heer, het blonde kopje liefkoozend.
“Wat is klein wilsvermogen?”
“Dat is iets, dat je lichaam in beweging brengt, evenals de veer de radertjes in mijn horloge doet loopen, zooals ik je laatst gewezen heb.”
“Doe me eens open; ik wou me eens zien opwinden.”
“Dat kan ik niet, evenmin als jij het horloge kon openmaken. God windt je op, en je blijft in beweging, totdat hij je doet stilstaan.”
“Wat aardig!” en Demi’s bruine oogen werden grooter en helderder bij die nieuwe gedachte: “Word ik opgewonden, net als je horloge.”
“Ja, maar ik kan je niet wijzen hoe; want dat is gebeurd, zonder dat iemand het kon zien.”
Demi betastte zijn rug, alsof hij verwachtte, dat die op een horlogekast zou gelijken, en zei toen ernstig: “Ik denk dat God het doet, als ik slaap.”
Hierop volgde een uiteenzetting, waar hij zoo aandachtig naar luisterde, dat zijn bezorgde grootmoeder waarschuwde:
“Zeg eens man, vind je het wel verstandig over zulke dingen te spreken met zoo’n klein kind? Hij krijgt rimpels boven zijn oogen, en gaat de meest onmogelijke vragen doen.”
“Als hij oud genoeg is om de vragen te doen, is hij ook oud genoeg om er goede antwoorden op te krijgen. Ik breng hem de gedachten niet in het hoofd, maar tracht de denkbeelden die er in zijn, voor hem op te klaren. Die kinderen zijn wijzer dan wij, en ik twijfel er niet aan, of de jongen begrijpt ieder woord, dat ik hem gezegd heb. Zeg mij eens, Demi, waar zit je wilsvermogen?”
Had de jongen evenals Alcibiades geantwoord: “Bij de goden, Socrates, ik kan het u niet zeggen,” dan zou zijn grootvader niet verwonderd zijn geweest; maar toen hij, na een oogenblik op éen been gestaan te hebben als een peinzende jonge ooievaar, op een toon van vaste overtuiging antwoordde: “In mijn buikje,” kon de oude heer niet anders doen dan hartelijk met Grootmama lachen, en een eind maken aan het onderwijs in de metaphysica.
Er zou reden geweest zijn voor moederlijke bezorgdheid, zoo Demi niet overtuigende bewijzen had gegeven van zijn echten jongensaard, zoowel als van een philosophischen geest; want het gebeurde wel eens na een gesprek, (hetgeen Hanna met een bedenkelijk hoofdschudden deed profeteeren: “Dat kind is niet lang voor deze aarde,”) dat hij een wilde bui kreeg, en haar vrees tot rust bracht, door een paar van die guitenstreken, waarmee lieve, vuile, ondeugende, kleine bengels het hart hunner ouders vervroolijken.
Meta hield er een opvoedingsstelsel op na en trachtte er zich aan te houden; maar welke moeder was ooit bestand tegen de lieve glimlachjes, de schrandere uitvluchten, of de kalme brutaliteit van miniatuur-mannetjes en -vrouwtjes, die zoo vroeg reeds toonen, dat zij slimme rotjes zijn? “Geen rozijnen meer, Demi, je zoudt er ziek van worden,” zei Mama tot het kereltje, dat met onverdroten ijver zijn diensten in de keuken aanbood, telkens wanneer er een plumpudding gemaakt moest worden.
“Ik ben wel graag ziek.”
“Ja, maar ik ben er niets op gesteld; ga dus maar in den tuin, en help Daisy zandtaartjes maken.”
Hij vertrok met tegenzin, maar zijn grieven bleven hem kwellen, en toen er na een poosje gelegenheid was om ze te verhelpen, was hij Mama te slim af door een wel overlegd plan.
“Ziezoo, nu zijn jullie zoete kinderen geweest, en zal ik met je spelen, wat je maar wilt,” zei Meta, haar kleine helpers mee naar boven troonend, toen de pudding veilig in den ketel danste.
“Heusch, Moes?” vroeg Demi met een heerlijke, invallende gedachte.
“Ja, heusch, wat je maar wilt,” antwoordde de kortzichtige moeder, terwijl zij zich gereed maakte “Drie jonge Eendjes” een keer of zes te zingen, of met het tweetal koekjes te gaan koopen, ondanks den harden wind. Maar Demi dreef haar in ’t nauw door het kalme antwoord: “Dan zullen wij nu al de rozijnen gaan opeten.”
Tante Dodo was de geliefkoosde speelkameraad en vertrouwde der twee kinderen, en het drietal keerde het kleine huisje dikwijls onderste boven.
Tante Amy was nog slechts een naam voor hen; van tante Betsy behielden zij een vriendelijke herinnering, maar tante Dodo was de levende werkelijkheid, en haar toonden ze een zeldzame aanhankelijkheid,—voor welke eer zij hun hoogst dankbaar was.
Maar wanneer mijnheer Bhaer een bezoek bracht, verwaarloosde Jo haar speelmakkertjes, zoodat droefheid en teleurstelling hun kleine harten dan vervulden. Daisy, die het liefst speelde, dat zij zoentjes aan het gezelschap verkocht, verloor nu hare beste klant, en sloeg bankroet; Demi ontdekte weldra met kinderlijke scherpzinnigheid, dat Dodo veel liever “speelde” met den “beereman” dan met hem; maar hoe gegriefd ook, verborg hij zijn smart, want hij kon het niet over zich verkrijgen een mededinger te beleedigen, die zoo’n grooten voorraad chocola in zijn jaszak verborgen hield, en ook een horloge bezat, dat uit de buitenste kast genomen en door vurige bewonderaars vrij geschud mocht worden.
Sommige menschen zouden deze heerlijke privilegiën als omkooping beschouwd hebben, maar Demi zag het niet in dat licht, en bleef met peinzende vriendelijkheid in de nabijheid van den “beereman”, terwijl Daisy reeds bij zijn derde bezoek haar klein hartje voor hem opende, zijn schouder als haar troon, zijn arm als haar toevlucht, en zijn geschenken als schatten van onberekenbare waarde beschouwde.
Somtijds worden heeren wel eens vervuld met een plotselinge bewondering voor de jeugdige familieleden van dames, die zij met hun opmerkzaamheid vereeren; maar die voorgewende vriendschap gaat hun niet natuurlijk af, en brengt niemand op het dwaalspoor. Mijnheer Bhaer’s hartelijkheid evenwel was oprecht zoowel als doeltreffend,—want eerlijkheid duurt het langst, zoowel in liefdes- als in rechtszaken. Hij was een van die menschen, die zich dadelijk thuis gevoelen met kinderen, en zag er op zijn best uit, wanneer de kleine gezichtjes een aardig contrast vormden met zijn mannelijke trekken. Zijn bezigheden, welke die ook zijn mochten, hielden hem overdag vast, maar zelden ging de avond voorbij zonder dat hij aankwam,—en dan vroeg hij altijd naar mijnheer March; dus geloof ik wel, dat de oude heer de aantrekkingskracht moest wezen. Die voortreffelijke vader verbeeldde zich tenminste, dat hij het was, en genoot van lange discussies met den verwanten geest, totdat een toevallig gezegde van zijn scherper opmerkenden kleinzoon hem plotseling beter inlichtte.
Op zekeren avond bleef mijnheer Bhaer verbaasd staan op den drempel van de huiskamer, door het onverwachte schouwspel, dat zich aan zijn oog vertoonde. Op den grond uitgestrekt, stak mijnheer March de eerbiedwaardige beenen in de lucht, en naast hem, eveneens op zijn rugje, lag Demi, dezelfde houding nabootsende, met zijn dikke, stevige kuiten, beide zoo ernstig verdiept, dat zij niets van hun toeschouwers bemerkten, totdat mijnheer Bhaer zijn welluidenden lach deed hooren, en Jo met een beschaamd gezicht uitriep: “Vader, Vader, hier is de professor!” De zwarte beenen gingen naar omlaag, en het grijze hoofd kwam boven, terwijl de onderwijzer met onverstoorbare waardigheid zei:
“Goeien avond, mijnheer Bhaer. Excuseer mij voor een oogenblik; wij eindigen juist onze les. Nu, Demi, maak de letter, en noem hem eens.”
“Ik weet het!” en na eenige stuipachtige pogingen, namen de bruine beenen den vorm van een passer aan, en riep de schrandere leerling op zegevierenden toon: “’t is een V, Opa, ’t is een V!”
“Wat hebt gij vandaag gedaan, Bübchen?” vroeg mijnheer Bhaer, terwijl hij den buitelaar van den grond opnam.
“Ikke ben na Marietje geweest.”
“En wat deed jij daar?”
“Ik heb haar een zoentje gegeeft,” vertelde Demi, met ongekunstelde openhartigheid.
“Prut! jij vangt daarmede vroeg aan. Wat zeide het kleine Marietje daarvan?” informeerde mijnheer Bhaer, voortgaande den jeugdigen zondaar ter verantwoording te roepen, terwijl deze op zijn knie stond en zijn binnenzak doorzocht.
“O, zij vond het best, en zoende mij ook, en ik vond het ook prettig. Kleine jongens houden wel veel van kleine meisjes!” betuigde Demi, met een vollen mond en een gezicht, dat de grootste voldoening teekende.
“O, jou wijs aapje, wie heeft dat in je hoofd gebracht?” riep Jo, die over deze kinderlijke mededeeling even hartelijk lachte als de professor.
“’t Is niet in mijn hoofd, ’t is in mijn mond,” antwoordde Demi, en stak zijn tong uit, waarop een chocolaadje lag,—in de meening, dat zij lekkernijen in plaats van gedachten bedoelde.
“Jij moet iets voor jouw vriendinnetje bewaren; zoetigheid is voor meisjes, kereltje,” en mijnheer Bhaer presenteerde Jo ook een paar flikken met een blik, die haar deed bepeinzen, of chocolade niet de nektar was geweest, dien de goden dronken. Demi zag dien vriendelijken blik ook, werd er blijkbaar door getroffen, en vroeg onschuldig:
“Houden gróóte jongens ook van gróóte meisjes, ’fessor?”
Evenmin als de jonge Washington, kon mijnheer Bhaer een onwaarheid zeggen; daarom gaf hij het eenigszins vage antwoord, dat hij wel geloofde, dat zij het somtijds deden; op een toon, die mijnheer March den kleerborstel deed wegleggen, hem naar Jo’s afgewend gezicht deed kijken, en toen in zijn stoel neervallen; zoodat het er veel van had, alsof “het wijze aapje” in “Opa’s” hoofd een gedachte had doen opkomen, die zoowel zoet als zuur was.
Waarom Dodo, toen zij hem een half uur later in de provisiekast vond, hem bijna dooddrukte in een teedere omhelzing, in plaats van te knorren over die ongehoorzaamheid, en waarom zij deze nieuwe wijze van behandeling voortzette door de onverwachte gift van een beschuit met bessengelei, was een van de raadsels, waarover Demi’s klein verstand bleef suffen, doch dat hij onopgelost moest laten.