LUIE LAURENCE.
Reading edition
Laurie ging naar Nice, met het plan er een week te blijven, maar hij bleef er een maand. Hij had genoeg gekregen van het alleen reizen, en de vertrouwelijke omgang met Amy scheen een huiselijke bekoorlijkheid te geven aan de vreemde omgeving, waarvan zij deel uitmaakte. Hij had het eigenlijk gemist, dat er in den laatsten tijd geen werk van hem gemaakt werd, zooals hij gewoon was, en nu kreeg hij er weer een proefje van,—want geen vleierijen van vreemden, hoe aangenaam ook, waren hem half zoo welgevallig als de zusterlijke bewondering van de meisjes thuis. Amy had hem nooit zoo willen “bederven” als de anderen, maar zij was heel blij hem nu te zien, en klampte zich als ’t ware aan hem vast, als de vertegenwoordiger van het dierbaar gezin, waarnaar zij meer verlangde, dan zij wel wilde bekennen. Zeer natuurlijk vonden ze troost in elkanders gezelschap en waren ze veel te zamen, reden, wandelden, dansten of verbeuzelden hun tijd—want niemand kan, tijdens het badseizoen te Nice, veel uitvoeren. Maar terwijl zij zich schijnbaar op de meest zorgelooze manier vermaakten, deden zij toch halfbewust allerlei ontdekkingen, en vormden zij een oordeel over elkander. Amy rees dagelijks in de schatting van haar vriend; maar hij daalde in de hare, en beiden gevoelden de waarheid, voordat er nog een woord over was uitgesproken. Amy zocht te behagen en slaagde er in,—want zij was dankbaar voor de vele vriendelijkheden, die hij haar bewees, en beloonde hem met die kleine dienstbewijzen, waaraan vrouwelijke vrouwen zulk een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid weten bij te zetten. Laurie spande zich hoegenaamd niet in, maar liet zich zoo gemakkelijk mogelijk met den stroom voortdrijven, terwijl hij zijn best deed om het verleden te vergeten en een gevoel had, alsof alle vrouwen hem een vriendelijk woord schuldig waren, omdat éen meisje koel tegen hem geweest was. Het viel hem niet moeilijk gul te zijn; hij zou Amy graag alle aardigheden uit Nice gegeven hebben, als zij ze had willen aannemen,—maar onderwijl gevoelde hij, dat hij de meening, die zij omtrent hem koesterde, niet kon veranderen, en hij was eigenlijk min of meer bang voor de scherpe blauwe oogen, die hem met een half-droevige, half-verachtelijke verwondering schenen waar te nemen.
“Al de anderen zijn vandaag naar Monaco gegaan, maar ik bleef liever thuis om brieven te schrijven. Ze zijn nu af, en ik ga naar Valrosa, schetsen; ga je soms mee?” vroeg Amy, op een mooien dag, toen Laurie als naar gewoonte tegen den middag aan kwam slenteren.
“Och, ja; maar is het niet te warm voor zoo’n lange wandeling?” antwoordde hij dralend,—want het koele salon zag er uitlokkend uit na den gloeienden zonneschijn daarbuiten.
“Ik was van plan het wagentje te nemen, en Baptiste kan rijden, zoodat je niets te doen zult hebben dan je parasol op te houden en te zorgen dat je handschoenen schoon blijven,” antwoordde Amy, met een spottenden blik naar de vlekkelooze glaceetjes, die Laurie’s zwakke punt waren.
“Dan ga ik met alle genoegen mee,” en hij stak zijn hand uit voor haar schetsboek. Maar zij nam het onder den arm met een scherp: “Vermoei je niet; het is volstrekt niet te zwaar voor mij, maar jij ziet er uit, alsof het je te veel zou zijn.”
Laurie trok de wenkbrauwen op en volgde dood op zijn gemak, terwijl zij naar beneden vloog; maar toen zij in het rijtuig zaten, nam hij zelf de teugels, zoodat er voor den kleinen Baptiste niets anders overbleef dan zijn armen over elkander te slaan en op zijn bankje in slaap te vallen.
De twee kibbelden nooit; Amy was “te wel-opgevoed,” en Laurie op dit oogenblik te lui; hij gluurde dus na een poosje met een onderzoekenden blik onder den rand van haar hoed; zij antwoordde met een glimlach en zij reden samen voort in de meest vriendschappelijke stemming.
Het was een mooi ritje, langs kronkelende wegen, rijk aan schilderachtige kijkjes, die zoo’n genot zijn voor schoonheidlievende oogen. Hier een oud klooster, waaruit hun het plechtig gezang der monniken tegemoet kwam. Daar een schaapherder, die met een soort van houten schoenen aan, bloote beenen, een puntigen hoed, en zijn buis over den éénen schouder geworpen, op een steen zat fluit te spelen, terwijl zijn geiten tusschen de rotsen huppelden of aan zijn voeten lagen. Muiskleurige ezels, beladen met manden vol verschgesneden gras, trokken hen voorbij, begeleid door een aardig boerenmeisje met een capaline over het hoofd, en gezeten tusschen de groene hoopen, of door een oude vrouw, die al voortgaande met haar spinrokken spon. Bruine, zachtoogige kinderen kwamen naar buiten loopen uit de vreemdsoortige steenen hutten, om hun ruikertjes of oranjeappels met tak en al aan te bieden. Knoestige olijfboomen beschaduwden de heuvels met hun donkergroen gebladerte, gouden vruchten prijkten in de boomgaarden, en groote vuurroode anemonen omzoomden de wegen, terwijl de Zee-Alpen zich, achter groene hellingen en spitse hoogten, scherp en wit afteekenden tegen den blauwen Italiaanschen hemel.
Valrosa verdiende zijn naam wel, want in dat klimaat, waar voortdurend zomerwarmte heerscht, bloeiden de rozen overal. Zij hingen tusschen de staven van het groote ijzeren hek, waar zij den voorbijgangers een liefelijk welkom toeriepen, stonden aan beide zijden van de laan, die zich, tusschen citroenboomen en vederachtige palmen door, een weg baande naar de villa op den heuvel. Ieder schaduwrijk plekje, waar zitplaatsen den wandelaar tot rust uitnoodigden, was schier onder rozen bedolven, in iedere koele grot lachte een marmeren nimf u toe van uit haar bloemenpracht, en elke fontein weerkaatste donkere witte of rozeroode rozen, die zich in het water spiegelden, als verheugden ze zich over hun eigen schoonheid. Rozen bedekten de muren van het huis, versierden de kroonlijsten, slingerden zich om de pilaren, en tierden welig langs de balustrade van het ruime terras, vanwaar men het uitzicht had op de zonnige Middellandsche zee en de met witte muren omgeven stad aan de kust.
“Wat een ideaal plekje, vind je niet? Heb je ooit zulke rozen gezien?” vroeg Amy, en bleef stilstaan op het terras, om van het uitzicht te genieten en den heerlijken bloemengeur, die een zacht windje haar toevoerde, in te ademen.
“Neen, en ’k heb ook nooit zulke doorns gevoeld,” antwoordde Laurie, met zijn duim in den mond, na een vergeefsche poging om een eenzame donkerroode roos te bemachtigen, die juist buiten zijn bereik hing.
“Probeer het wat lager, en pluk die, waar geen doorns aan zitten,” zei Amy, behendig drie van de roomkleurige roosjes plukkende, die den muur achter haar bedekten. Zij stak ze in zijn knoopsgat als een vredesteeken, en hij bekeek ze een oogenblik met een vreemde uitdrukking op zijn gezicht, want in het Italiaansche deel van zijn natuur leefde een sprankje bijgeloovigheid, en hij bevond zich toen juist in dien staat van half zoete, half bittere melancholie, waarin jonge menschen aan alle mogelijke kleinigheden een diepere beteekenis hechten, en voedsel voor de verbeelding vinden, in al het hun omringende. Bij het grijpen naar de doornachtige roode roos had hij aan Jo gedacht, want levendige kleuren stonden haar goed, en zij had dikwijls zulke rozen gedragen, uit de broeikas thuis. De bleeke rozen, die Amy hem gaf, waren van de soort, die de Italianen in de handen hunner dooden leggen,—nooit in bruidskransen vlechten,—en gedurende een seconde vroeg hij zich af, of het soms een voorteeken voor Jo of voor hemzelf zou wezen. Maar het volgend oogenblik kreeg zijn Amerikaansch gezond verstand de overhand boven zijn sentimentaliteit, en hij lachte hartelijker dan Amy nog van hem gehoord had.
“’t Is een goede raad,—je deed beter hem op te volgen en je vingers te sparen,” zei zij, in de veronderstelling, dat hij om haar opmerking lachte.
“Dank je, dat zal ik doen,” antwoordde hij in gekheid—en een paar maanden later deed hij het in ernst.
“Laurie, wanneer ga je weer naar je Grootvader?” vroeg ze na een poosje, terwijl ze op een rustieke bank ging zitten.
“Heel gauw.”
“Dat heb je in de laatste drie weken al wel twaalf maal gezegd.”
“Wel mogelijk; korte antwoorden zijn ’t gemakkelijkst.”
“Hij verwacht je, en je moest nu heusch eens gaan.”
“Bizonder gastvrij. Maar ’k weet wel dat ik gaan moet.”
“Waarom doe je ’t dan niet?”
“Natuurlijke verdorvenheid, denk ik.”
“Natuurlijke luiheid, meen je. Het is werkelijk verschrikkelijk!” en Amy keek verontwaardigd.
“Niet zoo erg als het schijnt, want ik zou hem maar plagen, als ik bij hem was; ik kan dus even goed blijven en jou een beetje langer plagen—jij kunt het beter verdragen, en eigenlijk geloof ik, dat jij het wel prettig vindt!” Waarna Laurie over den breeden rand van de balustrade ging hangen.
Amy schudde het hoofd, en opende haar schetsboek, met een uitdrukking van berusting op haar gezicht, maar nam zich toch voor “dien jongen” de les eens te lezen, en begon na een poosje opnieuw.
“Waar ben je op ’t oogenblik mee bezig?”
“Ik kijk naar hagedissen.”
“Och neen! Ik bedoel natuurlijk wat heb je voor plannen; wat denk je te gaan doen?”
“Een sigarette te rooken, als jij het toestaat.”
“Wat ben je toch vervelend! Ik houd niet van rooken, en ik permitteer het je alleen op voorwaarde, dat ik je in mijn schets mag opnemen; ik heb een figuur noodig.”
“Met alle genoegen. Hoe wil je mij hebben? In mijn volle lengte, of drie kwart, op mijn hoofd, of op mijn voeten? Als ik zoo vrij mag zijn je een wenk te geven, zou ik je een liggende houding aanraden; neem er dan jezelf mee in op, en noem de schets ‘Dolce far niente.’”
“Blijf maar zoo zitten en ga slapen, als je er lust in hebt. Ik ben van plan hard te werken,” antwoordde Amy met den meest mogelijken klem.
“Wat een heerlijk enthousiasme!” en hij leunde tegen een hooge urn, met een uitdrukking van volkomen tevredenheid op zijn gebruind gezicht.
“Wat zou Jo zeggen, als zij je nu zag?” vroeg Amy ongeduldig, in de hoop, dat zij hem zou kunnen wakker schudden door den naam van haar nog energiekere zuster te noemen.
“Als naar gewoonte: ‘Ga toch heen, Teddy; ik heb het druk.’” Hij lachte, toen hij dit zei, maar de lach was niet natuurlijk, en er trok een schaduw over zijn gezicht, want het uitspreken van dien geliefden naam, deed de wond schrijnen, die nog niet was geheeld.
Zoowel de toon als de schaduw trof Amy; zij had die reeds vroeger gehoord en gezien, en zij keek op, juist bijtijds om een nieuwe uitdrukking in Laurie’s oogen waar te nemen—een harden bitteren blik, vol smart, onvoldaanheid en spijt. De blik was voorbijgegaan, eer zij dien goed kon bestudeeren, en zijn gezicht had weer de gewone onverschillige plooi aangenomen. Zij sloeg hem een oogenblik met kunstenaarsgenot gade, en dacht, hoeveel hij toch van een Italiaan had, zooals hij zich daar in de zon lag te koesteren, met ongedekt hoofd en de oogen zoo droomerig en donker van kleur; want hij scheen haar vergeten te hebben en in gepeins verzonken te zijn.
“Je doet me denken aan de beeltenis van een jong ridder op zijn graftombe,” zei zij, zorgvuldig het welbesneden profiel teekenend, dat zoo goed tegen den donkeren steen uitkwam.
“Ik wou, dat ik het was!”
“Dat is een dwaze wensch, tenzij je je leven bedorven hebt. Je bent zoo veranderd, dat ik soms wel eens denk—” hier zweeg Amy, met een half verlegen, half onderzoekenden blik, die meer zeide dan haar onvoltooiden zin.
Laurie zag en begreep de hartelijke bezorgdheid, die zij aarzelde uit te spreken, en haar flink in de oogen ziende, antwoordde hij, zooals hij haar moeder zoo dikwijls geantwoord had:
“Alles in orde, mejuffrouw!”
Dat stelde haar tevreden, en maakte een einde aan de twijfelingen, die haar in den laatsten tijd dikwijls verontrust hadden. Het trof haar, en zij toonde dat, door op hartelijken toon te zeggen:
“Daar ben ik blij om! Ik dacht wel niet, dat je een erge losbol zou zijn geweest, maar ik was bang, dat je veel geld verspeeld zou hebben in dat verdorven Baden-Baden, je hart verloren aan de een of andere mooie getrouwde Fransche vrouw, of een andere dwaasheid begaan had, iets wat jongelui blijkbaar beschouwen als een noodzakelijk onderdeel van een buitenlandsch reisje. Blijf daar niet zoo in de zon hangen, maar kom hier liever op het gras liggen, en ‘laten w’eens vertrouwelijk zijn’, zooals Jo altijd zei, wanneer wij gezellig in het hoekje van de canapé gingen zitten om geheimen te vertellen.”
Laurie wierp zich gehoorzaam in het gras, en begon zich te vermaken met madeliefjes te steken tusschen het lint van Amy’s hoed, die op den grond lag.
“Ik ben een en al gehoor voor je geheimen,” zei hij met plotselinge belangstelling naar haar opkijkende.
“Ik heb niets te vertellen, jij mag beginnen.”
“Het spijt mij, te moeten zeggen, dat ik er geen een rijk ben. Ik dacht, dat jij misschien groot nieuws van huis hadt.”
“Ik heb je alles verteld wat er in mijn laatste brieven stond. Krijg jij niet dikwijls bericht? Ik dacht, dat Jo je wel vellen vol zou schrijven.”
“Zij heeft het druk; ik ben dan hier en dan daar, dus is het niet mogelijk, geregeld te correspondeeren, zooals je wel kunt begrijpen. Wanneer begin je aan je groot kunstgewrocht, Raphaella?” vroeg hij, eensklaps van onderwerp veranderende, na een korte pauze, waarin hij er over gepeinsd had, of Amy zijn geheim wist en er over verlangde te praten.
“Nooit!” antwoordde zij op droevigen maar beslisten toon. “Rome heeft alle ijdelheid uit mij verdreven, want na de wonderen die ik dáár gezien heb, voel ik mij te onbeteekenend om iets uit te richten, en heb ik in wanhoop al mijn dwaze luchtkasteelen laten varen.”
“Waarom; je hebt toch zooveel energie en talent?”
“Dat is juist de reden; omdat talent geen genie is, en de grootst mogelijke hoeveelheid energie het niet tot genie maken kan. Ik wil groot zijn, of niets. Een alledaagsche kladschilderes begeer ik niet te worden, en dus heb ik alle pogingen opgegeven.”
“En wat ben je dan van plan verder met jezelf te doen, als ik vragen mag?”
“Mijn andere talenten te polijsten en ‘een sieraad van de maatschappij te worden,’ als de gelegenheid mij daartoe ooit wordt geboden.”
Het was een karakteristiek gezegde en klonk overmoedig; maar vermetelheid hoort bij jonge menschen, en Amy’s eerzucht had een goeden grond. Laurie glimlachte, maar hij bewonderde de geestkracht, waarmee zij, nu een lang geliefd plan in duigen viel, zich een nieuw doel voor oogen stelde, en geen tijd verspilde met nutteloos klagen.
“Mooi! en hier komt nu, denk ik, Fred Vaughn in ’t spel?”
Amy zweeg bescheiden, maar een zekere uitdrukking op haar afgewend gezicht noopte Laurie te gaan zitten en ernstig te zeggen:
“Nu wou ik eens graag voor broer spelen, en een paar vragen doen. Mag ik?”
“Ik beloof niet, dat ik er op antwoorden zal.”
“Dat zal je gezicht wel doen, als je tong weigert. Je bent nog niet genoeg vrouw van de wereld om je gevoelens te verbergen, meisje! Ik heb verleden jaar praatjes gehoord over Fred en jou en ik voor mij geloof, dat, als hij niet zoo plotseling naar huis had moeten gaan, en zoo lang was opgehouden, er wel iets van zou gekomen zijn, is ’t niet zoo?”
“Dat kan ik moeilijk beantwoorden,” zei Amy stijf; maar haar oogen glinsterden verraderlijk en deden voldoende zien, dat zij haar macht kende en behagen schepte in die wetenschap.
“Je bent toch nog niet geëngageerd, hoop ik?” en Laurie keek eensklaps heel ernstig, zooals een ouderen broeder paste.
“Neen.”
“Maar je zult hem aannemen, als hij terugkomt en heel behoorlijk een knieval doet, is ’t niet?”
“Best mogelijk!”
“Je houdt dus heel veel van Fred?”
“Ik zou het zeker kunnen doen, als ik het probeerde.”
“Maar je bent niet van plan het te probeeren, voordat het geschikte oogenblik is aangebroken? Lieve hemel, wat een bovenaardsche voorzichtigheid! Hij is een goeie jongen, Amy, maar niet de man, dien ik dacht, dat jij zou liefhebben.”
“Hij is rijk, een ‘gentleman’ en heeft bizonder innemende manieren,”—begon Amy en ze trachtte heel koel en waardig te spreken, maar voelde zich toch min of meer beschaamd, in weerwil van de zuiverheid harer bedoelingen.
“Ik begrijp je—schoonheden, die in de wereld willen schitteren, hebben geld noodig, en dus ben je van plan een goed huwelijk te doen en er op die manier te komen? Heel juist en verstandig zeker, in de oogen van ‘men’, maar het klinkt vreemd uit den mond van een dochter van je moeder.”
“’t Is toch zoo!”
De kalme beslistheid, waarmee dit korte gezegde geuit werd, was in vreemd contrast met de jonge spreekster. Laurie gevoelde dit instinctmatig, en ging weer liggen, met een gevoel van teleurstelling, waarvan hij geen verklaring kon geven. Zijn blik en stilzwijgen, gevoegd bij zekere inwendige zelfbeschuldiging, hinderden Amy, en deden haar het besluit opvatten, hem zonder uitstel de les te lezen.
“Ik wou, dat je je eens wat aanpakte en je best deed wat levendiger te zijn,” viel zij scherp uit.
“Probeer jij me dan eens wakker te schudden, als een beste meid.”
“Ik zou het best kunnen, als ik wou,” en zij zag er uit, alsof zij het op de kortste en bondigste manier zou willen aanpakken.
“Probeer het maar gerust, ik geef mijn toestemming,” antwoordde Laurie, die het heerlijk vond eens te kunnen plagen, nadat hij zich dat prettig tijdverdrijf zoo lang had moeten ontzeggen.
“Je zou binnen vijf minuten boos zijn.”
“Ik ben nooit boos op jou. Om vuur te slaan zijn er twee vuursteenen noodig; jij bent zoo koel en zacht als sneeuw.”
“Je weet niet, wat ik doen kan—als sneeuw goed toegepast wordt, doet zij iemand gloeien en tintelen. Je onverschilligheid is voor de helft aanstellerij; en als je maar eens ferm door elkaar geschud werd, zou je zien dat ik gelijk had.”
“Schud mij dan eens ferm door elkaar! ’t Zal mij geen pijn doen, en het is voor jou nog eens een pleziertje, zooals de reus zei, toen zijn kleine vrouw hem sloeg. Beschouw mij maar als een echtgenoot of een karpet, en sla, tot je er zelf moe van bent, als die soort van lichaamsoefening je goed doet.”
Daar zij nu werkelijk tot het uiterste geprikkeld was, en er hartelijk naar verlangde, dat hij die traagheid en onverschilligheid, die hem zoo totaal veranderd hadden, zou afschudden, scherpte Amy zoowel haar toon als haar potlood en begon:
“Flo en ik hebben een nieuwen naam voor je bedacht: ‘luie Laurence’, hoe bevalt je die?” Zij dacht, dat het hem onaangenaam zou aandoen, maar hij sloeg zijn handen boven zijn hoofd in elkander en zei onverstoord:
“Niet kwaad, ik dank de dames wel.”
“Wil ik je eens zeggen, hoe ik in alle oprechtheid over je denk?”
“Ik smacht er naar het te hooren.”
“Nu, ik veràcht je.”
Al had zij gezegd: “Ik haat je,” op een kregeligen of coquetten toon, hij zou gelachen en het wel aardig gevonden hebben; maar haar ernstige, bijna droevige stem deed hem de oogen opslaan en kortaf vragen:
“Waarom, als ik ’t weten mag?”
“Omdat jij, met alle kansen om goed, nuttig en gelukkig te zijn, aan je gebreken toegeeft en lui en karakterloos bent.”
“Krachtige taal, mejuffrouw.”
“Als ’t je bevalt, zal ik voortgaan.”
“Alstjeblieft, het is hoogst interessant.”
“Ik dacht wel, dat je er zoo over zou denken; zelfzuchtige menschen praten altijd graag over zichzelf.”
“Ben ik zelfzuchtig?” de vraag ontsnapte hem onwillekeurig en werd op verwonderden toon gedaan, want de enkele deugd waarop hij aanspraak meende te mogen maken, was grootmoedigheid.
“Ja, vreeselijk zelfzuchtig,” antwoordde Amy op een kalmen, koelen toon, die op dat oogenblik tweemaal zooveel indruk maakte als een heftige. “Ik zal het je bewijzen, want ik heb je bestudeerd, terwijl wij onzen tijd zoo prettig doorbrachten, en ik ben volstrekt niet tevreden over je. Je bent nu bijna zes maanden op reis, en hebt niets uitgevoerd dan tijd en geld verspillen en je vrienden teleurstellen.”
“Mag iemand dan niet eens plezier maken, na vier jaren lang hard gewerkt te hebben?”
“Je ziet er niet naar uit, of je veel plezier gehad hebt; in elk geval heeft het je, voor zoover ik kan nagaan, niet veel goed gedaan. Toen wij elkander voor het eerst zagen, zei ik, dat je er op vooruit was gegaan, maar nu neem ik dat terug, want ik vind je niet half zoo aardig, als toen ik van huis ging. Je bent verschrikkelijk lui geworden, houdt van babbelen, en verbeuzelt je tijd met onbeteekenende dingen. Je vindt het prettig je door nietsbeduidende menschen te laten fêteeren en bewonderen, in plaats van door verstandige menschen bemind en geacht te willen worden. Met geld, talent, een goede positie, gezondheid en schoonheid,—dat hoor je natuurlijk graag, ijdeltuit die je bent! maar het is de waarheid en dus moet ik het wel zeggen,—in ’t bezit en ’t genot van al die schatten, kun je geen andere bezigheid vinden dan lanterfanten, en in plaats van de man te zijn, dien je kon en moest zijn, ben je—” hier zweeg zij, met een blik, waarin zoowel teleurstelling als medelijden te lezen stonden.
“De heilige Laurentius op een rooster,” voegde Laurie er bij, den zin kalm voltooiend. Maar de vermaning bleef toch niet zonder uitwerking, want zijn oogen stonden nu klaar en wakker en begonnen te glinsteren, en een half knorrige, half beleedigde uitdrukking nam de plaats in van de vroegere onverschilligheid.
“Ik dacht wel, dat je ’t zoo zou opnemen. Jullie mannen vertelt ons, dat wij engelen zijn, en álles van jullie maken kunnen, wat wij maar willen; maar niet zoodra trachten wij je in alle oprechtheid van dienst te zijn, of jullie lacht ons uit en wilt niet luisteren. Wel een bewijs hoeveel die vleierij waard is!” Amy sprak bitter en draaide den ongelukkigen martelaar aan haar voeten den rug toe.
Een oogenblik later kwam er een hand op haar papier, zoodat zij niet kon teekenen, en Laurie riep, met grappige nabootsing van een berouwvol kinderstemmetje:
“Ik zal zoet zijn, héél zoet!”
Maar Amy lachte niet, want zij meende het ernstig, en terwijl ze met haar potlood een tikje gaf op de hand die voor haar lag, zei zij strak:
“Schaam je je niet over zoo’n hand? Zij is zoo zacht en wit als die van een vrouw, en ziet er uit, alsof zij nooit iets anders uitvoert, dan Jouvin’s fijnste handschoenen dragen en bloemen voor dames plukken. Je bent, den hemel zij dank, geen fat, dus ben ik tenminste nog blij, dat er geen diamanten of groote zegelringen aan schitteren, alleen maar dat kleine oude ringetje, dat Jo je jaren geleden eens gaf. O, ik wou, dat zij hier was om mij te helpen.”
“Dàt wou ik ook!”
De hand verdween even plotseling als zij gekomen was, en het vuur, waarmee hij met haar wensch instemde, voldeed zelfs Amy. Terwijl ze op hem neerkeek, viel haar een nieuwe gedachte in—maar hij had zijn hoed half over zijn gezicht getrokken, als om het te verbergen, en zijn knevel bedekte zijn mond. Zij zag alleen, hoe zijn borst op en neer ging door een diepe ademhaling, die wel een zucht had kunnen zijn, en de hand, die het ringetje droeg, woelde in het gras, alsof zij iets verbergen moest, dat te kostbaar of te teeder was om besproken te worden. In een oogwenk kregen verschillende zinspelingen en kleinigheden vorm en beteekenis in Amy’s hoofd, en vertelden haar, wat haar zuster haar nooit had toevertrouwd. Zij herinnerde zich, dat Laurie nooit uit eigen beweging over Jo sprak; zij dacht aan de schaduw, die zooeven over zijn gezicht getrokken was, aan de verandering in zijn karakter, en het dragen van dat kleine oude ringetje—geen sieraad aan een flinke hand. Meisjes zijn vlug in het lezen van zulke teekenen en voelen, hoeveel zij zeggen. Daarbij had Amy zich al eens verbeeld, dat wellicht een liefdeshistorie de oorzaak was van die verandering, en nu was zij er zeker van; haar heldere oogen vulden zich met tranen, en toen zij weer sprak, was het op een zachten, vriendelijken toon.
“Ik weet wel, dat ik geen recht heb zoo tot je te spreken, Laurie; en als je niet de best gehumeurde jongen van de wereld was, zou je woedend op mij worden. Maar we zijn allemaal trotsch op je en houden zóóveel van je, dat ik niet goed velen kan, dat zij thuis even teleurgesteld in je zouden zijn, als ik het ben geweest—hoewel zij daar de verandering misschien beter zouden begrijpen.”
“Dat denk ik zeker,” klonk het van onder den hoed, op een grimmigen toon, maar die even roerend was als een half gesmoorde zou geweest zijn.
“Zij hadden ’t mij moeten schrijven, dan had ik je niet zoo hard toegesproken, terwijl ik juist meer dan ooit vriendelijk en geduldig had moeten zijn. Ik heb nooit van die juffrouw Randal gehouden, en nu haat ik haar!” zei slimme Amy, die zeker van haar zaak wilde zijn.
“Juffrouw Randal?!” Laurie gaf een duw aan zijn hoed, zoodat hij van zijn gezicht vloog, met een uitdrukking, die geen twijfel overliet aangaande zijn gevoelens jegens die jonge dame.
“O, neem me niet kwalijk, ik dacht—” hier zweeg zij diplomatisch.
“Niet waar! dat dacht je niet! Je wist heel goed, dat ik nooit om iemand gegeven heb, dan om Jo.” Laurie uitte dit op zijn ouden heftigen toon, zijn gezicht afkeerend terwijl hij sprak.
“Dat dacht ik eerst ook wel, maar omdat zij er nooit iets over schreven, en jij op reis ging, meende ik, dat ik mij vergist had. En wou Jo niet? Hé, ik heb altijd gedacht, dat zij vreeselijk veel van je hield!”
“Zij houdt ook wel van me, maar niet op de manier, die ik verlang; en ’t is maar gelukkig voor haar, dat zij mij niet liefhad, als ik dan toch zoo’n nietsbeteekenend, karakterloos wezen ben, als waarvoor jij me houdt. Maar dat is háár schuld, en dat kun je haar gerust vertellen.”
De harde, bittere uitdrukking kwam weer terug, toen hij dat zei, en het hinderde Amy, want zij wist niet welken balsem op de wond te leggen.
“Ik had ongelijk; ik wist het niet, en het spijt mij erg, dat ik me zoo boos op je gemaakt heb; maar ik wou tóch dat je het beter droeg, Teddy.”
“Noem me niet zoo! dat is háár naam voor me,” en Laurie hief de hand op, met een haastige beweging, om de woorden, op Jo’s half vriendelijken, half verwijtenden toon gesproken, tegen te houden. “Wacht tot je ’t zelf ondervonden hebt,” voegde hij er zachtjes bij, handenvol gras uittrekkende.
“Ik zou het manmoedig dragen, en mij in elk geval geacht maken, als ik niet bemind kon worden,” riep Amy, met de beslistheid van iemand, die er niets van af weet.
Nu vleide Laurie zich, dat hij het bizonder goed gedragen had,—hij had niet geklaagd, geen medelijden zoeken op te wekken, en was met zijn smart de wereld ingegaan, om die alléén de baas te worden. Amy’s woorden stelden de zaak in een nieuw licht, en hij zag voor de eerste maal in, dat het zwak en zelfzuchtig was, bij de eerste groote teleurstelling reeds den moed te verliezen, en zich over te geven aan sombere onverschilligheid. Hij had een gevoel, alsof hij plotseling uit een droom werd wakker geschud en onmogelijk den slaap weer kon vatten. Na een poosje kwam hij overeind, en vroeg langzaam:
“Denk je, dat Jo mij ook zou verachten?”
“Ja, als zij je nu zag, zou zij dat zeker. Zij heeft een afkeer van luie menschen. Waarom doe je niet iets kranigs, en dwing je haar niet, je lief te hebben?”
“Ik heb mijn best gedaan, maar ’t hielp niet.”
“Door te promoveeren, bedoel je? Dat was niets meer dan je plicht tegenover je grootvader. Het zou een schande zijn geweest, als je niet geslaagd was, na zooveel tijd en geld verspild te hebben, en terwijl iedereen wist, hoe goed je werken kon!”
“Ik bén niet geslaagd; je kunt zeggen wat je wilt, want Jo wou mij niet liefhebben,” begon Laurie, en liet mismoedig het hoofd op de hand rusten.
“Dat ben je wel, en dat zul je later zelf moeten erkennen,—want het deed je goed, en bewees, dat je, als je ’t maar probeerde, best iets ten uitvoer kon brengen. Als je je nu maar iets anders tot taak wou stellen, zou je gauw weer even opgewekt en gelukkig zijn als vroeger, en je verdriet vergeten.”
“Dat is onmogelijk!”
“Probeer het eerst en zie dan eens. Je hoeft de schouders niet op te trekken en te denken: ‘Wat weet zij van die dingen.’ Ik doe mij niets wijzer voor dan ik ben, maar ik let goed op, en ik zie vrij wat meer, dan je je kunt voorstellen. Ik stel altijd veel belang in de ondervindingen en de veranderlijkheid van andere menschen, en al kan ik er dikwijls geen verklaring van geven, onthoud en gebruik ik ze toch tot mijn eigen nut. Heb Jo je leven lang lief, als je daar lust in hebt,—maar laat je er niet door ten onder brengen,—want het is slecht om zoo veel goede gaven te veronachtzamen, omdat je de eene, waarop je je zinnen gezet hebt, niet krijgen kunt. Maar kom—ik zal je niet langer de les lezen, want ik weet, dat je je zult aangrijpen, en een man zijn, in weerwil van die hardvochtige Jo!”
Beiden zwegen een poosje. Laurie draaide het ringetje aan zijn vinger rond, en Amy legde de laatste hand aan de vluchtige schets, die zij al pratende gemaakt had. Daarna schoof zij die op zijn knie met de woorden:
“Hoe vind je dit?”
Hij keek en glimlachte—wat hij moeilijk laten kon, want het was uitstekend gedaan. De lange, luie gedaante op het gras, met het onverschillige gezicht, de half gesloten oogen, terwijl de eene hand een sigarette vasthield, waaruit een wolkje opsteeg, dat het hoofd van den droomer in rook hulde.
“Wat teeken je toch goed!” riep hij uit, met ongeveinsde verbazing en bewondering over haar bekwaamheid, en voegde er toen half lachend bij:
“Ja, dat bén ik.”
“Zooals je nu bent—dit is, zooals je wás,” en Amy legde een andere schets naast degene, die hij in de hand hield.
Zij was niet half zoo goed gelukt, maar er zat leven en geest in, wat menige fout goed maakte, en zij riep het verleden zoo levendig in de herinnering terug, dat het gezicht van den jongen man plotseling veranderde, toen hij de teekening bekeek. Het was niets dan een ruwe schets, voorstellende, hoe Laurie een paard temde; hoed en jas waren neergeworpen, en iedere lijn van de vlugge gestalte, de vastgesloten mond en de bevelende houding, gaven wilskracht en durf te kennen. Het mooie dier, juist overwonnen, boog zijn nek onder de sterk aangehaalde teugels, krabde met den eenen poot den grond op, en stak de ooren op, alsof het luisterde naar de stem van zijn meester. De verwarde manen van het paard en de strakke houding van den ruiter spraken van een plotseling stilhouden, na snelle beweging; van kracht en moed, jeugdig vuur, hetgeen een scherpe tegenstelling vormde met de achtelooze bevalligheid van de “Dolce far niente”-schets. Laurie zei niets, maar Amy zag, hoe hij van de eene teekening naar de andere keek, kleurde, en zijn lippen op elkander klemde, alsof hij de les, die zij hem gegeven had, begreep en aannam. Dat voldeed haar; en zonder een antwoord af te wachten, zei zij op haar gewonen, levendigen toon:
“Herinner je je dien dag nog, toen je het paard zou temmen, en wij er allemaal naar keken? Meta en Bets waren angstig, maar Jo danste, en klapte in de handen, en ik zat op het hek, en nam er een schets van. Ik vond die schets een paar dagen geleden in mijn portefeuille, werkte ze wat op, en bewaarde haar om ze je te laten zien.”
“Zeer verplicht! Je bent enorm veel vooruitgegaan, sedert dien tijd, en ik wensch er je geluk mee. Mag ik zoo vrij zijn je in dit ‘paradijs’ te herinneren, dat men om zes uren dineert in je hôtel?”
Dit zeggende stond Laurie op, gaf de teekeningen terug met een glimlach en een buiging, en keek op zijn horloge, als om haar te beduiden, dat er zelfs aan zedelessen een einde moet komen. Hij trachtte zijn vroegere trage, onverschillige houding weer aan te nemen, maar nu was het “aanstellerij”,—want de vermaning had meer uitgewerkt, dan hij zelf wilde erkennen. Amy gevoelde een zekere koelheid in zijn manieren, en zei tot zich zelve: “Nu heb ik hem beleedigd. Enfin, als ’t hem goed doet, ben ik er heel blij om; als hij nu ’t land aan me krijgt, spijt het mij; maar het was de waarheid, en ik kan er geen woord van terugnemen.”
Zij lachten en keuvelden den geheelen weg over naar huis; en de kleine Baptiste, die op het achterbankje zat, vond, dat monsieur en mademoiselle bizonder goed gehumeurd waren. Maar geen van beiden voelde zich recht op zijn gemak; de vriendschappelijke, openhartige toon was verstoord, er lag een schaduw over den zonneschijn, en er heerschte in beider hart een geheime ontstemming, in spijt van hun schijnbare vroolijkheid. “Zullen wij je van avond zien, mon frère?” vroeg Amy, toen zij aan de kamerdeur van haar tante afscheid namen.
“Ik heb ongelukkig een afspraak. Au revoir, mademoiselle,” en Laurie boog zich als om haar de hand te kussen op Fransche manier, hetgeen hem beter afging dan menig ander. Maar een zeker iets in zijn gezicht dwong Amy haastig te zeggen:
“Neen, Laurie, wees gewoon tegen me, en neem op de goede oude manier afscheid van me. Ik krijg liever één hartelijken Engelschen handdruk, dan al die flauwe, sentimenteele Fransche complimenten.”
“Dag, Amy,” en met deze woorden, gesproken op den toon dien zij graag hoorde, verliet Laurie haar, na een handdruk, bijna pijnlijk van hartelijkheid.
Den volgenden morgen ontving ze, in plaats van het gewone bezoek, een briefje, dat haar bij den aanvang deed glimlachen, maar bij het einde zuchten:
Mijn lieve Mentor!
Wees zoo goed je tante van mij goeden dag te zeggen, en verheug je, want “luie Laurence” is naar zijn grootvader gegaan, zooals een braven jongen betaamt. Heb een plezierigen winter, en mogen de goden je gezegende wittebroodsweken geven te Valrosa. Ik denk, dat het Fred ook goed zou doen, als hij eens wakker geschud werd. Zeg hem dat, met mijn gelukwenschen.
Steeds de uwe
TELEMACHUS.
“Beste jongen! Ik ben blij, dat hij gegaan is,” zei Amy met een goedkeurenden glimlach, maar het volgende oogenblik betrok haar gezicht, toen zij de leege kamer rondkeek, en voegde zij er met een onwillekeurigen zucht bij:
“Ja, ik ben blij, maar wat zál ik hem missen!”