ALLEEN.
Reading edition
Het was gemakkelijk de belofte af te leggen, zichzelf te verloochenen, toen de gansche ziel vervuld was van een ander, en hart en gemoed geheiligd werden door een liefelijk voorbeeld; maar toen de moed-in-sprekende stem zweeg, de dagelijksche lessen opgehouden hadden, de beminde zieke was heengegaan, en er niets scheen overgebleven dan droefheid en eenzaamheid, vond Jo het heel moeilijk haar belofte te houden.
Hoe kon zij “Vader en Moeder vertroosten,” terwijl haar eigen hart pijn deed van het onophoudelijk verlangen naar haar zuster; hoe kon zij “het huis gezellig maken,” nu alle licht en warmte en aantrekkelijkheid er uit geweken waren, nu Betsy haar oude thuis verwisseld had voor een nieuw; en waar ter wereld kon zij “eenig nuttig en aangenaam werk vinden,” dat de plaats kon innemen van de liefdediensten, die hun eigen belooning met zich hadden gebracht? Zij trachtte haar plicht te doen, maar ’t ging op een troostelooze wijze, in ’t blinde weg en kwam er in stilte gedurig tegen in opstand, want het scheen haar zoo onrechtvaardig toe, dat het weinige genot, dat zij had, nog verminderd, haar lasten vermeerderd, en haar leven al moeilijker en moeilijker moest worden. Sommige menschen kregen niets dan zonneschijn, anderen daarentegen niets dan schaduw; het was niet billijk, want zij streefde, meer dan Amy misschien, naar volmaking, maar kreeg nooit een belooning, niets dan teleurstelling, leed en hard werk.
Arme Jo, het waren donkere dagen voor haar, want een gevoel van wanhoop maakte zich van haar meester, als zij zich voorstelde, hoe zij haar leven zou moeten slijten in dat stille huis, opgaande in nietige zorgen, van tijd tot tijd een paar armzalige genoegens, en een plicht vóór zich, die nooit lichter scheen te zullen worden. “Ik kàn het niet, ik ben niet gemaakt voor zoo’n leven, en ik weet dat ik mij nog eens op een goeien dag van alles losruk en iets wanhopigs doe, als de een of ander mij niet komt helpen,” zei zij tot zichzelf, toen haar eerste pogingen mislukten en zij in den somberen, ellendigen geestestoestand verviel, die zoo dikwijls intreedt, wanneer een sterke wil zich in het onvermijdelijke moet schikken.
Maar er kwamen wel “iemanden” om haar te helpen, hoewel Jo niet dadelijk oog had voor haar goede engelen, omdat zij haar in zoo welbekenden vorm verschenen, en die eenvoudige middelen gebruikten, die het best geschikt zijn voor ons, arme menschenkinderen. Meermalen schrikte zij ’s nachts op, meenende, dat Betsy haar riep, en als het zien van het ledige bed haar met niet te bedwingen droefheid deed uitroepen: “O, Bets! kom terug! kóm terug!” dan strekte zij haar smeekende armen niet te vergeefs uit; want evenmin als de geringste beweging van haar zusje ooit aan haar oor ontsnapt was, ontging een harer droeve klachten aan de moeder, die gereed stond hulp en troost te brengen, niet alleen met woorden, maar ook met de geduldige teederheid, die verzachting aanbrengt door een handdruk; met tranen, die de stomme getuigen waren van nóg dieper smart dan die van Jo, en met fluisterende woordjes, die meer zeiden dan gebeden, omdat hoopvolle onderwerping gepaard ging met natuurlijke droefheid. Onvergetelijke oogenblikken! wanneer zij in de stilte van den nacht van hart tot hart spraken en de droefheid tot een zegen werd, die hun smart heiligde en hun liefde versterkte. Toen Jo dit begon te gevoelen, scheen de last lichter te worden, de voorgeschreven plicht makkelijker te vervullen, en het leven leek minder zwaar te dragen, nu zij het beschouwde van uit de veilige schuilplaats in haar moeders armen.
Toen het gewonde hart eenige vertroosting had gevonden, daagde er ook hulp op voor den afgetobden geest; want op zekeren dag ging zij naar de studeerkamer, sloeg haar arm om het dierbare grijze hoofd, opgeheven om haar met een zachten glimlach te verwelkomen en verzocht ze nederig: “Vader, spreek met mij, zooals u gewoon was met Bets te spreken. Ik heb er meer behoefte aan dan zij, want ik ben niet half zoo goed!”
“Lieve kind, niets kan mij meer goed doen, dan dit,” antwoordde hij met bevende stem, en sloeg zijn armen om haar heen, alsof hij ook hulp behoefde en niet aarzelde er om te vragen. Toen zette Jo zich op Betsy’s kleine stoeltje dicht bij hem, en vertelde hem al haar bezwaren; hoe zij in opstand was geweest tegen God, hoe zij vruchteloos gestreden had en daardoor ontmoedigd was geworden, hoe klein haar geloof was, en hoe donker het leven haar dus toescheen, en hoe zij geheel en al in de war en bitter wanhopig gestemd raakte. Zij schonk hem haar heele vertrouwen, en hij schonk haar de hulp, die zij noodig had, en beiden vonden troost in die uitstorting des harten; want de tijd was gekomen, dat zij niet alleen samen spraken als vader en dochter, maar als vrienden, in staat elkander te helpen met wederkeerige sympathie en liefde. Dat waren gelukkige, ernstige uren in de oude studeerkamer, door Jo “de kerk voor één gemeentelid” genoemd: zij was daarna dan ook met nieuwen moed vervuld, opgeruimder van geest, en meer onderworpen van gemoed, want de ouders die een hunner kinderen geleerd hadden den dood zonder vrees tegemoet te gaan, deden nu al wat zij konden, om een tweede te leeren het leven te aanvaarden, zonder mismoedigheid of wantrouwen; met dankbaarheid te letten op de lichtzijden, en geen gelegenheid om nuttig te zijn, ongebruikt te laten voorbijgaan.
Er waren nog meer dingen, die Jo hielpen: nederige maar heilzame plichten, die er het hunne toe bijbrachten om haar op te wekken, en die zij langzamerhand leerde zien en waardeeren. Stoffer en theedoek konden haar nooit meer afkeer inboezemen zooals vroeger, want Bets had beide gehanteerd, en iets van haar huishoudelijken geest scheen het kleine stoffer- en blikje, dat nooit werd weggeworpen, te omzweven. Als zij ze gebruikte, betrapte Jo er zich op, dat zij soms de liedjes neuriede, die Bets placht te neuriën, en onwillekeurig volgde zij Betsy’s ordelijke gewoonten na, en liet ze haar oog gaan over al die kleinigheden, waardoor de kamers er netjes en frisch bleven uitzien, hetgeen een eerste stap was om het in huis wat vriendelijk en gezellig te maken. Ze besefte dit zelve niet, totdat Hanna haar hand eens een hartelijk drukje gaf en zei: “Goed, zorgzaam schepsel! je doet je best, dat we het lieve kind tenminste niet hoeven te missen, wat dat betreft. We zeggen er wel niks van, maar daarom zien we het toch wel, en onze lieve Heer zal je er voor zegenen; je zult zien, dat Hij het doet.”
Als zij zoo rustig samen zaten te naaien, merkte Jo telkens op, hoe haar zuster Meta zich ontwikkeld had; hoe degelijk zij kon praten, hoe goed zij thuis was in allerlei dingen, hoe echt vrouwelijk in gedachten en woorden, hoe gelukkig in man en kinderen, en hoeveel zij allen voor elkander waren.
“Het huwelijk is, wel beschouwd, toch een voorbeeldig ding. Ik zou wel eens willen weten, of ik half zoo zou ontluiken, als jij gedaan hebt, wanneer ik het eens probeerde; natuurlijk als de gelegenheid zich aanbood,” zei Jo, die een vlieger voor Demi zat te maken in de woelige kinderkamer.
“Dat is juist, wat je noodig zou hebben om den zachten vrouwelijken kant van je karakter te voorschijn te roepen, Jo. Jij hebt veel van een kastanje, stekelig van buiten, maar van binnen zoo zacht als zij, en met een zoete kern, als iemand die maar bereiken kon. Liefde zal je eenmaal wel leeren, je hart te toonen, en dan zal de ruwe borstel er wel afvallen.”
“De vorst doet den bolster van de kastanjes barsten, mevrouw Brooke, en er moet heel wat geschud worden, eer ze afvallen. Jongens gaan uit kastanjeplukken, en ik ben er niets op gesteld door hen in een zak gestopt te worden,” antwoordde Jo, met ijver voortplakkend aan den vlieger, die door geen wind ter wereld kon opgejaagd worden, want Daisy had er zichzelve bij wijze van staart aan vastgemaakt.
Meta lachte, blij Jo’s vroegere opgeruimdheid weer te zien herleven, maar zij achtte het haar plicht, haar meening alle mogelijke kracht bij te zetten; en de zusterlijke gesprekken bleven niet zonder vrucht, vooral daar twee van Meta’s meest afdoende argumenten de kinderen waren, die Jo teeder liefhad. Sommige harten worden het best door droefheid ontsloten, en dat van Jo was bijna goed “voor den zak”; nog een beetje zonneschijn om de kastanje volkomen te rijpen en dan zou niet een jongen haar door ongeduldig schudden veroveren, maar een ernstig man de hand uitstrekken om haar zacht te ontdoen van den bolster, en den gaven, zoeten kern te bereiken. Had zij dit kunnen vermoeden, dan zou zij zich zeker teruggetrokken hebben en stekelachtiger dan ooit zijn geweest; gelukkig dacht zij niet veel over zichzelf, en viel ze, toen de tijd daar was, naar beneden.
Was zij de heldin van een zedekundigen roman geweest, dan zou zij in deze periode van haar leven misschien streng vroom zijn geworden, de wereld verzaakt hebben, en goeddoende de huizen langs zijn gegaan, met een eenvoudig hoedje op en haar zak vol tractaatjes. Maar Jo was geen heldin; zij was niets meer dan een gewoon meisje, dat met allerlei moeilijkheden te worstelen had, zooals honderd anderen, en zich, volgens haar natuur, afwisselend droevig, knorrig, lusteloos of vol energie toonde, al naar dat haar stemming meebracht. Jo was zoover gekomen, dat zij haar plichten leerde vervullen, en zich onbevredigd voelde, als zij dit niet deed, maar ze met blijdschap te vervullen—zie, dat was een tweede! Dikwijls had ze gezegd, dat zij “iets grootsch” wenschte te doen, het kwam er niet op aan, hoe moeilijk het ook was; en nu had zij haar wensch bereikt,—want wat was heerlijker dan haar leven te wijden aan Vader en Moeder, en het thuis zoo gelukkig voor hen te maken, als zij het vroeger voor háár gemaakt hadden? En zoo er bezwaren en moeilijkheden noodig waren om de waarde van dat streven te verhoogen, wat was zwaarder voor een rusteloos, eerzuchtig meisje, dan om eigen luchtkasteelen, plannen en wenschen op te geven, en blijmoedig voor anderen te leven?
“Waarom schrijf je niet eens weer wat? dat deed je toch altijd zoo graag,” zei haar moeder eens, toen Jo opnieuw een vlaag van groote moedeloosheid doorworstelde.
“Ik heb geen lust om te schrijven, en al had ik dat, niemand geeft toch iets om mijn verhalen.”
“Wij toch wel! Toe, schrijf eens iets voor ons, en bekommer je niet om het verdere publiek. Probeer het eens, mijn kind, ik geloof zeker, dat het je goed zou doen, en ons veel genoegen zou geven.”
“Ik geloof niet, dat het zal lukken.” Maar Jo haalde toch haar lessenaar voor den dag, om haar half voltooide manuscripten nog eens door te zien.
Een uur later keek haar moeder om het hoekje van de deur, en daar zat zij te schrijven, met haar zwarten boezelaar voor, en zoo geheel en al in haar bezigheid verdiept, dat mevrouw March glimlachte en stilletjes verdween, voldaan over de uitwerking van haar raad. Jo wist zelve niet, hoe het kwam, maar er was iets in het verhaal, dat aanstonds den weg vond tot het hart van hen, die het lazen; en toen de familie er over gelachen en geschreid had, zond haar vader het, zeer tegen haar zin, naar een der meest populaire tijdschriften. Tot haar groote verbazing werd het niet alleen betaald, maar er werd nog meer van haar hand verlangd. Brieven van verscheiden personen, wier lof eer was, volgden weldra; nieuwsbladen namen het verhaal over, en onbekenden zoowel als vrienden bewonderden het. Het maakte bizonder veel opgang voor zoo’n klein dingetje, en Jo was daar veel verbaasder over, dan toen haar roman tegelijkertijd geprezen en veroordeeld werd.
“Ik begrijp het niet; wat steekt er toch in dat eenvoudige geschiedenisje, dat het door de menschen zoo geroemd wordt?” vroeg zij met de grootste verwondering.
“Het bevat waarheid, Jo, dát is het geheim; humor en zuiver gevoel maken het boeiend, en je hebt eindelijk je genre gevonden, mijn kind; je hebt eerst het bittere gehad, nu volgt het zoete; doe je best, en wees even gelukkig over je succes als wij.”
“Als er iets goeds en waars is in hetgeen ik schrijf, dan heb ik dat niet uit mijzelf; ik heb het allemaal te danken aan u, en Moeder en Bets,” zei Jo, dieper geroerd door haars vaders woorden, dan door eenigen lof van de buitenwereld.
Zoo schreef Jo, geleerd door liefde en droefheid, haar kleine verhalen, en zond ze de wereld in, hopende er vrienden mee te maken voor hen en voor zich zelve. Zij ondervond, dat die bescheiden zwervelingen al heel vriendelijk ontvangen werden; zij werden hartelijk welkom geheeten, en zonden als rechtgeaarde, door de fortuin begunstigde kinderen, menig blijk daarvan aan hun moeder thuis.
Toen Amy en Laurie hun engagement berichtten, vreesde mevrouw March, dat Jo het moeilijk zou vinden er zich in te verblijden, maar haar vrees werd spoedig weggenomen, want hoewel Jo eerst heel ernstig keek, nam zij het heel kalm op, en was reeds vol hoop en plannen voor “de kinderen”, nog eer zij den brief tweemaal gelezen had. Het was een soort van geschreven duet, waarin ze elkaar om ’t hardst verheerlijkten; grappig om te lezen en aangenaam om te overdenken, want niemand had iets tegen dit verbond.
“U vindt het zeker wel plezierig, hè, Moeder?” vroeg Jo, de fijnbeschreven bladzijden neerleggend, terwijl zij haar moeder aankeek.
“Ja, ik hoopte, dat het zoo zijn zou, van het oogenblik af, waarop Amy schreef dat zij Fred bedankt had. Ik was er toen zeker van, dat iets beters, dan wat jij ‘de koopmansgeest’ noemt, in haar hart was gekomen, en een uiting hier en daar in haar brieven deed mij vermoeden, dat liefde en Laurie den palm zouden wegdragen.”
“Wat ziet u toch scherp, Moeder, en wat kunt u toch goed zwijgen; u hebt er nooit een enkel woord van tegen mij gezegd.”
“Moeders hebben scherpe oogen en een bescheiden tong noodig, als zij dochters hebben op te voeden. Ik was half bevreesd je die gedachte in het hoofd te brengen, want je mocht hen eens zijn gaan schrijven, om hen geluk te wenschen, voordat de zaak nog goed en wel in orde was.”
“Ik ben niet meer de flap-uit, die ik was; u kunt mij vertrouwen, ik ben nu wel ernstig en verstandig genoeg om iemands confidente te zijn.”
“Dat is waar, mijn kind, en ik zou je zeker tot de mijne gemaakt hebben, als ik niet ongerust was geweest, dat het je verdriet zou doen, te hooren, dat je ‘Teddy’ iemand anders had lief gekregen.”
“Maar Moeder, dacht u dan werkelijk, dat ik zoo dwaas en zelfzuchtig zou zijn, nadat ik zijn liefde had afgeslagen, toen die pas ontwaakt, en misschien het zuiverst was?”
“Ik wist, dat je het toen volkomen meende, Jo, maar in den laatsten tijd dacht ik wel eens, dat je hem, als hij terug kwam en je nog eens vroeg, misschien een ander antwoord zou geven. Vergeef het mij, kindlief, ik moet wel zien, dat je je heel eenzaam voelt, en er is soms een verlangende blik in je oogen, die mij tot in de ziel treft; daarom dacht ik, dat Laurie de ledige plaats wellicht zou kunnen vervullen, als hij het nu nog eens beproefde.”
“Neen, Moeder, het is beter zoo, en ik ben blij, dat Amy hem heeft leeren liefhebben; maar u hebt in één opzicht gelijk, ik voel mij eenzaam, en zou misschien als Teddy het weer gevraagd had, ‘ja’ gezegd hebben, niet omdat ik hem meer liefheb, dan toen hij wegging, maar omdat ik er meer om geef bemind te worden, dan toen.”
“Dat verheugt me, Jo, want het bewijst, dat je vooruitgaat. Er zijn er genoeg om je lief te hebben; doe dus je best tevreden te zijn met Vader en Moeder, zusters en broers, vrienden en kindertjes, totdat er iemand komt, die je meer dan iemand ter wereld liefheeft en je je belooning zal geven.”
“Moeders hebben op de allerbeste manier lief, maar ik wil het mijn moedertje wel in ’t oor fluisteren, dat ik ook graag andere soorten zou leeren kennen. Het is heel vreemd, maar hoe meer ik mij tevreden zoek te stellen met alle mogelijke genegenheden, des te meer behoeften schijn ik te krijgen. Ik had nooit gedacht, dat een hart zooveel kon bevatten—het mijne is zoo elastisch; het is nooit te vullen, geloof ik, en ik had vroeger toch volkomen genoeg aan mijn familie; ik begrijp het niet.”
“Ik wel,” en mevrouw March glimlachte veelbeteekenend, terwijl Jo den brief doorbladerde om nog eens te lezen wat Amy van Laurie schreef.
“Het is zoo’n heerlijk besef, dat iemand je liefheeft zooals Laurie; hij is niet sentimenteel, praat er niet veel over, maar ik zie en voel het in al wat hij zegt en doet, en het maakt mij zoo gelukkig, en zoo klein, dat ik hetzelfde meisje van vroeger niet meer schijn te wezen. Ik wist niet hoe goed en edelmoedig en teeder hij was, maar nu laat hij mij in zijn hart lezen, en zie ik, hoe vol het is van nobele opwellingen en hoop en plannen, en ik ben er toch zóó trotsch op, dat het mij toebehoort! Hij zegt, dat hij een gevoel heeft, alsof hij nu een voorspoedige levensreis zal maken, met mij aan boord als stuurman, en overvloed van liefde tot ballast. Ik bid er om, dat het zoo zijn mag, en doe mijn best, om alles te worden, wat hij denkt dat ik ben, want ik heb mijn ‘kapitein’ met hart en ziel lief, en zal hem nooit verlaten, zoolang God ons te zamen laat. O, Moeder, ik wist niet, dat de aarde den hemel zoo nabij kon zijn, als twee menschen elkander liefhebben en voor elkander leven!”
“En dat is onze koele, terughoudende, wereldsche Amy! Werkelijk, de liefde doet wonderen. Wat innig gelukkig moeten die twee zijn!” en Jo vouwde den brief met zorg dicht, zooals men een mooien roman zou dichtslaan, die den lezer geboeid heeft tot aan het einde, en hem dan weer alleen laat in de nuchtere werkelijkheid.
Na een oogenblik dwaalde Jo naar boven, want het regende en zij kon niet gaan wandelen. Een rustelooze geest bezielde haar, en het oude droevige gevoel maakte zich weer van haar meester; niet zoo bitter als vroeger, maar zij vroeg zich toch met pijnlijke verwondering af, waarom de eene zuster alles mocht hebben, wat zij maar begeerde, en de andere niets. Het was niet waar; dat wist zij wel, en zij trachtte de opwelling op zij te zetten, maar het natuurlijk verlangen naar liefde was sterk, en Amy’s geluk wekte den vurigen wensch in haar op, ook iemand met hart en ziel te kunnen liefhebben en haar leven aan hem te mogen wijden, zoolang God hen te zamen wilde laten.
Op den zolder, waar Jo’s doelloos omdwalen tot een einde kwam, stonden vier kleine kisten op een rij, alle geteekend met den naam der eigenares en alle gevuld met reliquien uit de kinder- en meisjesjaren, nu voor allen voorbij. Jo deed ze open en keek er eens in, en toen zij aan de hare kwam, leunde zij met de kin op den rand en staarde afgetrokken op den verwarden rommel, totdat een stapeltje oude leesboeken haar oog trof. Zij haalde ze te voorschijn, keek ze door, en leefde dien prettigen winter bij de vriendelijke mevrouw Kirke nog eens over. Eerst glimlachte ze, daarna keek zij peinzend, en toen zij een klein briefje tegenkwam van de hand van den professor, begonnen haar lippen te beven, de boeken gleden van haar schoot, en zij staarde op de vriendelijke woorden, alsof zij een nieuwe beteekenis voor haar kregen, en een teer plekje in haar hart aanraakten.
“Gij kunt mij verwachten, lieve vriendin, het kan misschien wel wat laat worden, maar ik zal zeker komen.”
“O, kwam hij maar, hij was altijd zoo vriendelijk, zoo goed, zoo geduldig met mij; mijn lieve oude Frits, ik heb hem niet half genoeg gewaardeerd toen ik hem had, maar wat zou ik hem nu niet graag eens willen zien, want iedereen schijnt van mij weg te gaan en ik blijf heel alleen.”
Zij hield het papiertje vast, alsof het een belofte was, die nog vervuld moest worden, leunde met het hoofd op een groote prullemand en schreide, alsof zij den regen daarbuiten gezelschap wilde houden. Was het alleen uit medelijden met zichzelf, uit verlatenheid, of neerslachtigheid? of was ’t het ontwaken van een gevoel, dat zijn tijd had afgewacht, met evenveel geduld als hij, die het inboezemde? Wie zal het zeggen?