← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK VI. DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.

Reading edition

§ 1. De Staatsleening 1914.

Toen de oorlog uitbrak, was de economische toestand van het land goed; de toestand van ’s Rijks schatkist slecht. Zoo kan men met een enkel woord uitdrukken, hoe het in Augustus 1914 hier te lande gesteld was. Nederland had een tijdperk van groote welvaart doorgemaakt, doch terzelfder tijd had men geworsteld met voortdurende tekorten op de Staatsbegrooting. Wel is waar werden die geraamde tekorten in werkelijkheid telkens ingehaald en was er, met uitzondering van het jaar 1908, waarin de opbrengst der belastingen onder den invloed stond van de pas doorgemaakte crisis, een zoodanig grootere opbrengst der middelen boven de raming, dat het geraamde tekort in een werkelijk overschot omsloeg, maar dit gunstige kasresultaat werd alleen bereikt, doordien tot het jaar 1913 toe, de Staatsbegrooting nog niet werd gedrukt door de verschillende uitgaven op sociaal gebied, die bij groot verschil in uitgangspunt over hetgeen op dit terrein te doen valt, bij groot verschil ook ten aanzien van den omvang en den aard der maatregelen, waarom het gaat, algemeen noodzakelijk werden geacht. Waren de ouderdomsrenten volgens de Invaliditeitswet-Talma—om slechts één voorbeeld te noemen—in plaats van op 9 December met 1 Januari 1913 begonnen, dan zou het overschot op den dienst van 1913 ten bedrage van omstreeks ƒ 4 millioen, zijn omgeslagen in een tekort van ƒ 6 à ƒ 7 millioen.

Bij het optreden van het Ministerie Cort van der Linden moest er op gerekend worden, dat voor ƒ 25 à ƒ 30 millioen nieuwe belastingen ter bestrijding van uitgaven voor den gewonen dienst zouden moeten worden opgelegd, waarin voor een deel zou worden bijgedragen door de Rijksinkomstenbelasting, waarvan het ontwerp als dankbaar aanvaard onderdeel van de nalatenschap der vorige Regeering werd overgenomen. Doch toen ik, na in October 1914 te zijn opgetreden als Minister van Financiën, den toestand wat meer in bijzonderheden naging, kwam ik tot de weinig bemoedigende ontdekking, dat, zonder misrekening in de te verwachten uitgaven, mede in verband met het sociaal program van het Kabinet, niet ƒ 25 à ƒ 30 millioen aan nieuwe middelen zou moeten worden gevonden, met inbegrip van de inkomstenbelasting, maar niet minder dan omstreeks ƒ 60 millioen, nadat de inkomstenbelasting reeds was in rekening gebracht. Toen ik op 10 December 1914, sprekende in de Tweede Kamer, dit cijfer noemde, sloeg aan enkele kamerleden waarschijnlijk wel eenigszins de schrik om het hart. Maar mijn nadere verklaring daarvan gaf geen aanleiding tot critiek. Het was van hetgeen ik dien dag zeide haast het eenige, dat niet gecritiseerd werd; alleen werd mij tegemoet gevoerd, dat ik niet ƒ 60 maar ƒ 70 millioen had moeten noemen, als bedrag waarin, afgezien van de uitgaven als gevolg van den oorlogstoestand, voorzien zou moeten worden.

Het is mijn bedoeling niet, hier op den algemeenen toestand van ’s Rijks kas in te gaan noch op hetgeen door mij werd voorgesteld ter voorziening van het tekort dat de gewone dienst der Staatsbegrooting bij normale ontwikkeling der staatswerkzaamheid op sociaal gebied, speciaal ten aanzien van het onderwijs en het verzekeringswezen en in verband met de uitgaven voor de verdediging zoowel van Nederlandsch-Indië als van het moederland en ter verbetering van land- en waterwegen in de komende jaren, onvermijdelijk zal te zien geven, tenzij het gat wordt gestopt door invoering van nieuwe en verhooging van bestaande belastingen. Dat onderwerp ligt buiten het bestek van dit boek. Ik maak er slechts melding van om de tegenstelling, waarmede ik dit hoofdstuk begon, eenigszins toe te lichten. Hier heb ik alleen te maken met de uitgaven van het Rijk als gevolg van den oorlogstoestand en met de wijze waarop dekking van die uitgaven werd gezocht en gevonden.

Zoodra de oorlog was uitgebroken en het duidelijk was, dat het land voor ongekend hooge buitengewone uitgaven zou komen te staan, werden de reeds opgemaakte begrootingen, die eerst ongewijzigd moesten worden ingediend, herzien en zooveel mogelijk besnoeid. Veel heeft dat niet kunnen baten. Groote bezuinigingen waren niet aan te brengen. Een der hoofdzaken was, dat alle uitgaven voor niet periodieke salarisverhoogingen van ambtenaren werden geschrapt. Een goed jaar later moest, als gevolg van de toenemende duurte van levensmiddelen, een tegenovergestelde weg worden bewandeld en moesten duurtetoeslagen worden toegekend. Uit hetgeen ik in hoofdstuk II opmerkte, is duidelijk gebleken, dat ik geen groot voorstander daarvan ben en in oorlogstijd veel meer gevoel voor een politiek, die de prijzen binnen redelijke grenzen houdt. Toen de maatregelen in deze richting getroffen, de prijsstijging niet voldoende konden beletten, kon de Regeering den aandrang tot het geven van een duurtetoeslag niet langer weerstaan. Zulk een toeslag werd toegezegd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad bij de behandeling der Staatsbegrooting voor 1916. Die toezegging werd verwezenlijkt, nadat ik als minister was afgetreden. De duurtetoeslag der Rijksambtenaren verhoogt de buitengewone uitgaven van den oorlogstoestand met omstreeks ƒ 2 millioen.

Doch ik loop door deze mededeeling op de gebeurtenissen en hun financieele gevolgen vooruit. De eerste weken van de mobilisatie brachten natuurlijk verschillende niet periodiek weerkeerende kosten mede en waren dus de duurste. Vandaar dat zij in de eerste maand op ongeveer ƒ 20 millioen te staan kwam. Normaal, voor zoover men bij een zoo buitengewonen toestand van normaal kan spreken, was de uitgaaf voor het leger omstreeks ƒ 500.000 per dag. Na de eerste maand waren de kosten van den oorlogstoestand in totaal op omstreeks ƒ 20 millioen per maand te stellen. Later werden zij hooger, zoowel door de verder gaande sociale maatregelen, men denke—om slechts een voorbeeld te noemen—aan de bruinbroodregeling, als door de stijging van verschillende prijzen en, in verband daarmede, ook door de verhooging der vergoedingen voor gezinnen van gemobiliseerden. Er moest toen gerekend worden met omstreeks ƒ 22 millioen per maand. Het zou mij niet verwonderen, als thans de crisisuitgaven gemiddeld maandelijks het bedrag van ƒ 25 millioen naderen. Rekenend met gemiddeld ƒ 21 millioen per maand over alle verloopen oorlogsmaanden, komt men er toe, dat de oorlogstoestand gedurende de twee oorlogsjaren, welke op het oogenblik dat ik dit schrijf, juist verstreken zijn, de schatkist op een crisis-uitgaaf van rond een half milliard zijn te staan gekomen.

Dat het zulk een vaart zou loopen, kon men in den aanvang niet vermoeden, maar wel was het duidelijk dat, waar men voor onbepaalden tijd voor een ongekend groote extra-uitgaaf stond, maatregelen tot dekking daarvan niet mochten uitblijven. Te meer was dit noodig, omdat bij het uitbreken van den oorlog niet alleen ’s Rijks financieele toestand, zooals ik vermeldde, niet al te sterk was, maar ook over den toestand van ’s Rijks kas niet te roemen viel. In het voorjaar van 1914 was de uitgifte van een leening door en ten laste van Nederlandsch-Indië tot een bedrag van ƒ 100 millioen in voorbereiding. De oorlog haalde in de eerste maanden door dit leeningsplan een streep, zooals hij door zooveel goede voornemens gedaan heeft. Dit was voor de Nederlandsche schatkist een tegenvaller. Zoolang Nederlandsch-Indië niet door eigen leeningsgeld in de dekking zijner buitengewone uitgaven kon voorzien, steunde het daarvoor op de schatkist van het moederland, welke bij het uitbreken van den oorlog aan het Ned. Indische Gouvernement ongeveer ƒ 60 millioen had voorgeschoten. In verband daarmede waren er toen ongeveer ƒ 69 millioen schatkistbiljetten en schatkistpromessen in omloop, die voor het grootste deel waren geplaatst bij de Nederlandsche Bank. In totaal was de vlottende schuld toen omstreeks ƒ 84 millioen; men moest er op rekenen dat die schuld, als zij niet werd geconsolideerd, met omstreeks ƒ 20 millioen per maand zou stijgen. Die rekening werd door de feiten geheel bevestigd. Op 1 December was de vlottende schuld, met inbegrip van de toen uitstaande zilverbons, gestegen tot ruim ƒ 152 millioen en zij zou nog omstreeks ƒ 7 millioen hooger zijn geweest, indien niet tot dit bedrag winst was gemaakt op het zilvergeld, dat ten beloope van ruim ƒ 14 millioen sedert 1 Augustus was aangemaakt en in omloop gebracht.

Daar het schatkistpapier voor het grootste deel, rechtstreeks of indirect, bij de Nederlandsche Bank terecht kwam, moest de schatkist, indien de vlottende schuld niet werd geconsolideerd, allengs meer op de Bank steunen. Dit mocht de Regeering niet lijdelijk toezien. Indien zij doorging met in zoo hooge mate gebruik te maken van de diensten der Bank, zou ’s Rijks financieele toestand bedenkelijk en daarmede ’s lands veiligheid in groot gevaar zijn geweest, indien ons land onverhoopt in den oorlog mocht worden betrokken. Hierin moest worden voorzien. Men behoorde de weerkracht van het land naar alle kanten zoo groot mogelijk te maken; niet minder dan de militaire moest de financieele weerkracht gericht zijn op het oorlogsgevaar, waaraan het land blootstond.

Reeds aanstonds werd aan de Staten-Generaal een oorlogscrediet gevraagd van 50 millioen, dat den 3den Augustus 1914 verleend werd; den 7den Augustus werd dit verhoogd met ƒ 5 millioen voor Marine en den 16den October met op nieuw ƒ 50 millioen voor het Departement van Oorlog; dat was eerst het begin.

Zelfs al ware te voorzien geweest, dat de toevloed van goud uit het buitenland zoo groot zou worden, als het geval is geweest—en dat kon door niemand worden voorzien—,zelfs dan zou men met het laten oploopen der vlottende schuld niet verantwoord zijn geweest. Zoo zag de Regeering het terecht in. De geleidelijke verbetering in den toestand van de Nederlandsche Bank, die van September 1914 af was waar te nemen, mocht haar niet weerhouden, de medewerking der Staten-Generaal te vragen voor haar voorstel tot consolidatie der vlottende schuld.

Dat voorstel was niet het product van een invallende gedachte, en het vasthouden daaraan niet toe te schrijven aan stijfhoofdigheid van een enkelen regeeringspersoon. Het was het resultaat van herhaalde uitvoerige besprekingen in den Ministerraad en met leidende personen uit de bankwereld. Reeds in September 1914 had in het gebouw, waarin het Ministerie van Binnenlandsche Zaken destijds tijdelijk was ondergebracht, een vergadering plaats, welke geleid werd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en waarin ook de Minister van Financiën en ik tegenwoordig waren. Daartoe waren met den president van de Nederlandsche Bank en den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, vertegenwoordigers van de geheele „haute finance” uitgenoodigd. Van regeeringszijde werd daar met een enkel woord de toestand, die trouwens aan de heeren volkomen bekend was, ter inleiding uiteengezet. Bij de bespreking die volgde, kwam het denkbeeld der heffing in eens, dat toen nog niet was gelanceerd geworden, niet ter tafel. Wel werd door eenige bankiers in overweging gegeven een leening, des noods een gedwongen leening, te sluiten voor korten termijn bijv. voor twee of drie jaar en de financiën definitief te regelen, zoodra de oorlogstoestand zou voorbij zijn. Dat denkbeeld, dat later in de Kamer ook eenige voorstanders bleek te hebben, werd van de zijde van de Regeering terstond afgewezen. Dit kon wel niet anders. Ware men er op ingegaan en had Nederland een korte leening van drie jaren gesloten, dan had het terstond na het einde van den oorlog, wanneer, gelijk algemeen werd en wordt voorzien, er van alle kanten een buitengewoon sterke vraag op de geldmarkt zal opkomen, een beroep op die markt moeten doen. Het oorlogsgevaar zou dan geweken zijn en het in oorlogstijd geldend motief voor het, zoo noodig, uitschrijven eener gedwongen leening, dat de schatkist ter wille van de veiligheid van het land het geld, waaraan zij behoefte heeft, moet krijgen, had dan geen dienst meer kunnen doen. Het effect van het volgen van dien raad zou geweest zijn, dat na den oorlog de bankiers den toestand geheel zouden hebben beheerscht en dat de Regeering dan met handen en voeten aan de „haute finance” zou zijn gebonden geweest. Hiermede bedoel ik niet, dat de financiers die dezen raad gaven, het waren er slechts zeer enkelen, hun advies uit eigen belang gaven. Ik wil gaarne aannemen, dat dit daarbij niet medesprak en dat zij de zaak alleen anders inzagen dan de Regeering. Deze echter zag haar in, gelijk ik hier aangaf, en liet daarom aanstonds blijken, dat zij die oplossing niet wenschte te aanvaarden.

Er werd in die bijeenkomst voorts nog heel wat gesproken over het bedrag, dat geleend zou moeten worden. De Regeering, die de bijeenkomst had belegd om bij de leidende persoonlijkheden uit de financieele wereld haar licht op te steken, had op dat oogenblik nog geen gevestigde opinie omtrent het bedrag dat geleend zou moeten worden. Alleen zooveel stond reeds toen wel vast, dat de uit te schrijven leening niet lager dan ƒ 150 à ƒ 200 millioen zou moeten zijn. Ook de groote bankiers waren in September 1914 met zulk een som nog niet vertrouwd. Zij wezen er op, hoe steeds in veel kleinere leeningen van den Nederlandschen staat voor een aanzienlijk bedrag door buitenlandsche huizen was ingeschreven. Nu die medewerking ontbrak, zou het al veel zijn, als binnenslands omstreeks ƒ 40 millioen zou zijn te plaatsen. Toen het bleek, dat de in de eerste plaats deskundigen zulk een weinig bemoedigenden kijk op den toestand hadden, werd hun ook gevraagd, wat zij verwachtten van het uitschrijven eener gedwongen leening, indien een vrijwillige niet mocht slagen. Zooals van zelf spreekt, waren allen het er over eens, dat het voor het staatscrediet hoogst bedenkelijk zijn zou, als het tot een gedwongen leening zou moeten komen. Hieromtrent maakte ook de Regeering zich niet de minste illusie. Als stok achter de deur werd daarentegen de gedwongen leening niet ondienstig geoordeeld. Maar zelfs met dat dreigement als prikkel tot deelneming, durfde men de opbrengst eener uit te schrijven leening niet op hooger dan omstreeks ƒ 60 millioen begrooten. Bij de beoordeeling van dit advies vergete men intusschen niet, dat het gegeven werd in September 1914, onder den verschen indruk van de heftige crisis, die de geldmarkt in Augustus had doorgemaakt. Ieder onzer heeft in den oorlogstoestand, en vooral in de eerste maanden daarvan, zeer snel geleefd.

Toen ik op 24 October 1914 den heer Bertling als Minister van Financiën had vervangen, werden de verdere besprekingen ter voorbereiding van de eerste oorlogsleening door mij gevoerd, waarbij ik voortdurend werd bijgestaan door den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer Mr. A. van Gijn, destijds Thesaurier-Generaal. Er werd overleg gepleegd ook met vertegenwoordigers van de kleinere bankinstellingen, met name met die van provinciale kantoren, alsmede met de directies van de grootere levensverzekeringmaatschappijen. Bovendien werd nog herhaaldelijk overlegd zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met dien der Nederlandsche Handel-Maatschappij. Al die besprekingen stemden de Regeering allengs wel optimistischer over het resultaat, dat van een groote oorlogsleening was te verwachten, maar hetgeen ik hier laat volgen uit de Nota, welke door mij op 6 November 1914 aan de Kamer werd overgelegd, bewijst toch wel dat ik—en de geheele Regeering met mij—omtrent den te verwachten uitslag zeer in onzekerheid verkeerde.

„Het oordeel van de verschillende geraadpleegde groepen was, wat de kansen eener geheel vrijwillige leening aangaat, vrij eenstemmig. Daarentegen oordeelden de vertegenwoordigers der bankinstellingen, die meer over het geheel land verspreid zijn, vrij optimistisch over eene leening, die door wettelijken dwang zou worden gesteund. Van de grootere levensverzekeringmaatschappijen kreeg ondergeteekende den indruk, dat indien het mogelijk zal blijken, dat deze op niet te bezwarende wijze een deel harer reserves zullen kunnen beleenen, een niet onbelangrijke medewerking van die zijde voor zulk eene leening is te verwachten.

„Uit een en ander meent ondergeteekende te mogen afleiden, dat de kans op het slagen eener vrijwillige leening toch niet geheel uitgesloten is te achten, wanneer het geldbeleggend publiek beseft, dat indien de leening niet vrijwillig wordt genomen, de deelneming daaraan onder alsdan minder gunstige voorwaarden zal worden opgelegd. Onder deze omstandigheden meent de Regeering het uitschrijven eener vrijwillige leening althans te moeten beproeven. Echter moet zij in dat geval toch aan den wetgever terstond de machtiging vragen het deelnemen aan eene leening aan de meervermogenden op te leggen, indien of voor zoover de vrijwillige leening niet mocht slagen.”

Intusschen was ongeveer een maand voordat deze Nota aan de Tweede Kamer werd gezonden, de Regeering verrast door het denkbeeld, door Dr. Bos in de Octoberaflevering van de Vragen des Tijds opgeworpen en in de November-aflevering van dat tijdschrift nader uiteengezet, dat de oorlogsuitgaven niet zouden worden bestreden uit een leening, maar uit een heffing in eens. Voor alle leden van het Kabinet was dit een verrassing; niemand hunner wist of kon vermoeden, dat een zoo radicaal van haar eigen voornemens omtrent de dekking der oorlogsuitgaven afwijkend denkbeeld in het publiek zou worden geworpen. Toen het eenmaal was gelanceerd, kreeg het terstond grooten aanhang. Met uitzondering van de vrij-liberalen, grepen alle groepen van de linkerzijde het aan, en er werd terstond, vooral door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten, een krachtige propaganda voor gemaakt. De leuze „in eens er af” werkte aanstekelijk en haar zegetocht onder een groot deel van het publiek werd niet weinig bevorderd, toen een onzer grootste industrieelen, die ook op politiek een bekende figuur is, de heer D. W. Stork, zich bij haar aansloot.

Er was evenwel een zeer belangrijk onderscheid niet alleen tusschen de wijze waarop de heer Stork het denkbeeld aanprees en de agitatie, welke ten gunste daarvan door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten werd gewekt; ook hetgeen er mee beoogd werd, was bij den heer Stork hemelsbreed verschillend van wat Dr. Bos en de democraten wilden. De heer Stork meende, dat men de vermogenden wel in eens voor de oorlogsuitgaven kon en mocht laten opkomen, maar dat men hen daartegenover dan ook in de eerste 10 jaar niet met nieuwe belastingen zou moeten bespringen. Hij gaf voor de vermogenden de voorkeur aan het in eens worden uitgebraden boven het „être brulés à petit feu”. In dien gedachtengang vond hij steun bij den oud-president van den Hoogen Raad Mr. Eyssell, die zijn denkbeeld aanprees op een wijze, welke zelfs den heer Stork wel het hoofd zal hebben doen schudden.

Lijnrecht daartegen in ging hetgeen de democratische voorstanders van de heffing in eens daarmede bedoelden. Zij zagen daarin het middel om van de oorlogslasten in eens af te komen en zoodoende de baan vrij te houden tot het opleggen ook en in de eerste plaats aan de vermogenden, van de lasten welke opgelegd zullen moeten worden ter bestrijding van de kosten der sociale maatregelen, die in het belang der arbeidende klasse en der volksontwikkeling in de toekomst noodig zullen zijn.

Indien de Regeering in de noodzakelijkheid was gekomen tusschen die beide standpunten te kiezen, zou zij zich zeker niet aan de zijde van den heer Stork hebben geplaatst. De regeling van de dekking der lasten van den oorlogstoestand moest, ook naar haar oordeel, in de eerste plaats aan dezen eisch voldoen, dat zij de medewerking van den Staat aan de maatschappelijke ontwikkeling, voor zoover deze daartoe geroepen is, zoo min mogelijk mocht belemmeren. Te dezen aanzien was er eenstemmigheid tusschen de Regeering en de democratische voorstanders van de heffing in eens, al was er verschil over enkele der maatregelen, welke daartoe van staatswege zouden moeten worden getroffen. De vraag was echter, of de dekking der oorlogsuitgaven door een in betrekkelijk korten termijn af te lossen leening niet uit financieel-technisch oogpunt de voorkeur verdiende en of daardoor de bevolking in haar geheel niet meer zou worden gebaat, dan door eene heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen, hoe aanlokkelijk het denkbeeld van zulk een heffing voor de groote meerderheid, die er niet in zou hebben bij te dragen, ook wezen mocht. Geheel in overeenstemming met het oordeel mijner ambtgenooten heb ik tegen de sterk opkomende strooming ten gunste eener heffing in eens, aan de dekking der kosten van den oorlogstoestand door een leening op niet te langen termijn vastgehouden. Ik zal niet in den breede terugtreden in den daarover gevoerden strijd. De hoofdpunten daarvan moet ik echter in herinnering brengen.

Nadat met de Nederlandsche Bank in beginsel was overeengekomen over eene gemakkelijke beleenbaarheid van de uit te geven obligaties, werd een wetsontwerp opgemaakt tot het aangaan van een leening van ƒ 275 millioen tegen een rente van 5%, welke zou worden geamortiseerd in 15 jaar en binnen 6 jaar niet convertabel zijn zou. Ter bestrijding van de uitgaven voor rente en aflossing van die leening zou jaarlijks, gedurende 15 jaar, noodig zijn ƒ 261⁄2 millioen, boven en behalve hetgeen zal moeten worden opgebracht tot dekking van het tekort op den gewonen dienst.

De moeilijkheid waarvoor de Regeering ten aanzien van de wijze van dekking dezer ƒ 261⁄2 millioen was geplaatst, was vooral hierom zoo groot, omdat men onder den indruk van het oorlogsgevaar, dat vooral in 1914 zwaar drukte, zonder eenige afspraak gekomen was tot een politiek bestand, en dat men door die dekking voor te stellen op een wijze, welke het volgen van een principieele lijn in de belastingpolitiek zou aanduiden, onvermijdelijk tot principieele debatten aanleiding zou hebben gegeven. De Regeering mocht van haar zijde zulk een debat, waardoor het bestand zou zijn verbroken, niet uitlokken.

„Deze overweging—zoo zeide ik in de zooeven aangehaalde Nota—heeft de Regeering tot het inzicht geleid, dat zij voor de dekking van de thans noodige leening geen nieuwe belastingen moest voorstellen, maar zich moest bepalen tot opcentenheffing, gedurende het tijdvak, waarvoor de leening loopen zal. Zij is voornemens voor te stellen, dat geheven zullen worden 20 opcenten op alle directe belastingen zonder onderscheid, op de successiebelasting, den wijnaccijns en den suikeraccijns. Wat den suikeraccijns betreft echter met dien verstande, dat de hoofdsom daarvan zal worden verlaagd van ƒ 27 tot ƒ 22.50, waardoor het bedrag voorloopig gelijk blijft en toch voldaan wordt aan de bedoeling der wet op het zoogenaamde „suikerpotje”, zoodat voortaan hetgeen het gedistilleerd meer zal opbrengen dan ƒ 25,2 millioen, onder de gewone middelen zal worden gebracht. Eene algemeene opcentenheffing op de zegelrechten stuit af op practische bezwaren. Daartegenover ligt het in de bedoeling 50 opcenten te heffen op het zegel voor buitenlandsche effecten. Wanneer voorts op de registratierechten, de hypotheekrechten en op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en den gedistilleerd-accijns 10 opcenten worden geheven, zullen deze opcenten, bijeengenomen, voldoende opleveren voor rente en aflossing der leening. Ruim de helft zal dan worden opgebracht door de directe belastingen en het successierecht.

„Ondergeteekende ontveinst zich allerminst, dat tegen zulk eene wijze van dekking allerlei bezwaren zijn aan te voeren. Men houde echter in het oog, dat het hier geen opcenten geldt tot dekking van een tekort op de gewone jaarlijksche begrooting, maar opcenten, die voor 15 jaar vastliggen, en die ook zullen worden geheven van belastingen, die voor de heffingen, waarop zij thans zullen rusten, in de plaats zullen komen.”

Met dit laatste werd vooral gedoeld op de inkomstenbelasting, welke voor de bedrijfsbelasting zou in de plaats komen. Aan de bovenstaande verklaring van de beweegredenen, die tot het voorstellen van dit opcentenstelsel hadden geleid, werd nog eens uitdrukkelijk toegevoegd, dat ik een andere wijze van dekking zou hebben voorgesteld, als ik er niet mede had moeten rekenen, dat mijn eigen belastingdenkbeelden principieele strijdvragen zouden hebben doen ontbranden en als ik mij niet verplicht had geacht, zooveel mogelijk naar politieke kleurloosheid te streven.

De opcentenregeling werd, als gevolg van het overleg met de Tweede Kamer, in dien zin veranderd en verbeterd, dat de opcenten op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en het successierecht vervielen en daartegenover die op de bedrijfsbelasting (later op de Rijksinkomstenbelasting) en de vermogensbelasting van 20 op 33 gebracht werden.

De Nota, waaruit ik zooeven enkele gedeelten overnam, was een gevolg van een bijeenkomst, welke op 30 October 1914, op verzoek van de voorzitters der Kamerclubs, onder presidium van den Voorzitter van de Tweede Kamer met hen werd gehouden. De Regeering was daar vertegenwoordigd door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij, als Minister van Financiën. In die bijeenkomst werd door de voorstanders van de heffing in eens hun denkbeeld verdedigd en zetten de heer Cort van der Linden en ik in hoofdtrekken uiteen, hoe de Regeering zich voorstelde de oorlogsuitgaven te dekken en waarom zij met het denkbeeld der heffing in eens niet kon meegaan. Ter vergemakkelijking van de gedachtenwisseling zegde ik aan het slot dier bijeenkomst toe, de plannen der Regeering in een Nota uiteen te zetten. Op verzoek van de voorzitters der verschillende Kamerclubs werd de Nota geheim gehouden, omdat men het niet gewenscht achtte tot publicatie over te gaan, zoolang nog niet zou zijn gebleken in hoever toenadering tusschen de Regeering en de voorstanders van de heffing in eens mogelijk zou zijn. Nadat de Nota als geheim stuk aan de kamerleden was rondgezonden, had er op 14 November 1914 een tweede vergadering plaats, waar dezelfde personen tegenwoordig waren. Resultaat daarvan was, dat de termijn van zes jaar, waarbinnen de voor te stellen leening niet zou kunnen worden geconverteerd, tot drie jaar werd teruggebracht en dat in het wetsontwerp, dat op 16 November werd ingediend, uitdrukkelijk werd bepaald, dat uiterlijk vóór 1 Januari 1920 een voorstel tot herziening of tot bestendiging der bepalingen omtrent de dekking van rente en aflossing bij de Tweede Kamer zou moeten worden ingediend. „In verband met de periodieke verkiezingen van 1917—zoo schreef ik in de Memorie van Toelichting—kon deze termijn zich niet aansluiten bij dien van de uitsluiting der conversie.”

Bij de behandeling van het ontwerp-leeningswet in de afdeelingen bleek men in de Tweede Kamer over dit punt anders te denken en er van de zijde van die voorstanders der heffing in eens, die tot toenadering tot het standpunt der Regeering gedurende den oorlogstijd wel geneigd waren, voorts op gesteld te zijn, dat de opcentenheffing slechts voor drie jaar zou worden geregeld, zoodat vóór 1 Januari 1917 een voorstel van wet zou moeten worden ingediend ter bepaling of, na afloop van die drie jaar, de opcentenheffingen zouden worden bestendigd, herzien of door eene heffing in eens of op andere wijze vervangen zouden worden. Bij het mondeling overleg met de Commissie van Rapporteurs verklaarde ik mij bereid, als bewijs van toenadering van de zijde der Regeering, de verlangde wijziging in het ontwerp aan te brengen. Ik betwijfel wel eenigszins of allen die den aandrang op mij oefenden om den termijn van 1 Januari 1920 tot 1 Januari 1917 in te korten, thans—indien zij er ongepraejudiceerd nog eens over konden oordeelen,—dien aandrang zouden herhalen.

Verder kon de Regeering in haar toenadering niet gaan. In de Nota, welke, toen de reden waarom haar aanvankelijke geheimhouding door de voorzitters der Kamerclubs was verzocht, vervallen was, als bijlage bij de Memorie van Toelichting bij het leeningsontwerp was gevoegd, werd het denkbeeld der heffing in eens afgewezen. „Ten slotte nog een kort woord—zoo schreef ik daar—waarom de Regeering niet heeft kunnen treden in het denkbeeld, het door de omstandigheden benoodigde geld te vinden door de heffing in eens van een oorlogsbelasting. Naar hare overtuiging heeft dat denkbeeld overwegende bezwaren zoowel van practischen als van meer principieelen aard. Principieel schijnt het niet wel gerechtvaardigd buitengewone uitgaven, die in het belang van het geheele volk noodzakelijk zijn, te doen dragen door een betrekkelijk zeer kleine groep van meervermogenden. Practisch schijnt het ongeraden, om, waar straks voor maatregelen van socialen aard, voor verbetering van het volksonderwijs, voor bijlegging van den strijd op onderwijsgebied, voor de verdediging der koloniën, in één woord voor verhooging van de volkskracht en van ’s lands weerbaarheid, nieuwe belastingen zullen moeten worden opgelegd, en daarin het vermogen, zonder twijfel, een belangrijk deel zal hebben bij te dragen, nu op eenmaal aan de vermogens een aderlating te doen ondergaan van 275 millioen. Daarbij komt dat zulk een belasting thans, nu, evenals ook voorheen in oorlogsjaren het geval was, de vermogens bij uitstek groote schommelingen ondergaan, nu sommige rijken zoo al niet arm dan toch veel minder rijk worden en verschillende niet of weinig bezittenden plotseling vermogens vergaren, die nog niet voor het oog van de belastingambtenaren zichtbaar zijn, een oorlogsbelasting van een zoo hoog bedrag als noodig is, al bijzonder ongelijk treffen zou. Velen die onder de omstandigheden toch reeds zwaar gebukt gaan, zouden daardoor nog dieper zinken en anderen die eerst thans bezig zijn vermogend te worden en wier draagkracht veel grooter is, zouden daarvan bevrijd blijven. Aan dat bezwaar is ook niet te ontkomen door in de eenmalige oorlogsbelasting ook de hoogere bedrijfsinkomsten te treffen. Zal een oorlogsbelasting als waarom het hier gaat, voldoende opbrengen, dan zullen alle daarin aangeslagen vermogens een groot deel van hun opbrengst van een enkel jaar moeten afstaan en de grootere zelfs sommen moeten betalen, die de opbrengst van een enkel jaar ver overtreffen. Bij de groote inkomens uit bedrijf kan hiervan geen sprake zijn. Deze zullen toch slechts voor een relatief klein deel in de eenmalige oorlogsbelasting aangeslagen kunnen worden. Haar mede in die belasting trekken, is verklaarbaar als uiting van rechtvaardigheids- en billjkheidszin; voor de opbrengst der belasting en dus voor de bepaling van het heffingspercentage der vermogens doet het weinig ter zake. Vandaar dan ook dat het tot wegneming en zelfs verzachting van het zooeven ontwikkelde bezwaar zeer weinig kan bijdragen.”

Voorts werd er nog eens op gewezen, dat de heffing in eens niet zou strooken met het politiek bestand en dat, al kon de Regeering niet beletten, dat anderen een principieel debat op het gebied der financieele politiek zouden ontketenen, zij zelve voor het uitlokken daarvan de verantwoordelijkheid niet wilde dragen.

Nauwlijks was het leeningsontwerp verschenen, of er werd van sociaaldemocratische zoowel als van vrijzinnigdemocratische zijde een groote agitatie daartegen en voor het denkbeeld der heffing in eens gewekt. Niet alleen de pers dier partijen en enkele kleinere bladen van liberale richting vergaten, dat er nog oorlogsgevaar was en maakten propaganda tegen de Regeering en haar voorstel, zonder zich te bekommeren om de politieke gevolgen, welke die propaganda kon hebben. Er werden volksvergaderingen belegd, waarin het ontwerp werd gebrandmerkt als een schandaal, als het begin van een uitputtingspolitiek der Regeering en met name van den Minister van Financiën jegens de armen. Mij werd beginselverzaking, heulen met de rechterzijde, loopen aan den leiband van Dr. Kuyper verweten en meer vriendelijks van dien aard voor de voeten geworpen.

Het Voorloopig Verslag, dat op 2 December werd vastgesteld en dat naast détailpunten, op enkele waarvan ik nog terugkom, zooals van zelf spreekt ook een pleidooi voor de heffing in eens bevatte, werd op 3 December aan de leden van de Kamer rondgedeeld. Het werd zonder verwijl door mij beantwoord. De Memorie van Antwoord werd den 4den December aan de Tweede Kamer ingezonden en den volgenden dag aan de leden rondgedeeld. Tot het betrachten van dien grooten spoed werd ik geleid door de dubbele overweging, dat aan de in het land gewekte agitatie zoo spoedig mogelijk een einde moest komen, en vooral ook dat de inschrijving op de voorgestelde leening, zoo eenigszins mogelijk in de eerste dagen van het jaar 1915 zou moeten openstaan, wilde men het meest geschikte oogenblik daarvoor niet ongebruikt laten voorbijgaan. In het mondeling debat, dat van 8 tot 11 December duurde, veroordeelde ik de gevoerde agitatie streng, als misplaatst in den nog altijd zeer gespannen internationalen toestand. Verder legde ik in die rede vooral den nadruk op den economischen kant van het moeilijke en voor behandeling in volksvergaderingen geheel ongeschikte financieele vraagstuk der dekking van oorlogsuitgaven door leening of door heffing eener eenmalige oorlogsbelasting. Het door mij in de vergadering van 10 December geleverde betoog had tot hoofdstrekking er op te wijzen, hoezeer naast de financieel-technische bezwaren tegen het denkbeeld der heffing in eens, de verwezenlijking daarvan bedenkelijk zou zijn wegens den last dien het op een aantal ondernemingen leggen zou. Ik wees er op, dat men bij dit vraagstuk niet alleen en niet in de eerste plaats mocht denken aan den rentenier, maar zijn aandacht vooral had te schenken aan de vermogens die in ondernemingen zijn vastgelegd en waaraan niet een meer of minder aanzienlijk percentage kan worden onttrokken, zonder de credietbehoefte van die ondernemingen te vergrooten. In verband daarmede vestigde ik er de aandacht op, welk een nadeelig gevolg dit zou moeten hebben, nu de credietbehoefte als gevolg van den oorlogstoestand toch reeds zoozeer was uitgezet en nu te verwachten was, dat de groote schommelingen in de conjunctuur na het einde van den oorlog (een einde dat toen vrijwel algemeen spoediger werd verwacht dan het helaas komen wil) eerst waarschijnlijk een tijdperk van fictieven opbloei zouden teweeg brengen, die spoedig op een crisis van ongekende heftigheid zou moeten uitloopen. Onder zulke omstandigheden de credietbehoefte der ondernemingen nog te vergrooten door het onttrekken van kapitaal ter wille van de schatkist, zou—zoo betoogde ik verder—inzonderheid gevaarlijk kunnen worden voor de ondernemingen, die nog juist op de grens der winstgevendheid staan en voor welke zulk een nieuwe schok, vooral in de bewogen tijden, die wij ook op economisch gebied doormaken, noodlottig zou kunnen worden. Op die wijze trachtte ik duidelijk te maken, dat de voorstanders der heffing in eens zich de zaak veel te eenvoudig hadden voorgesteld, de indirecte economische gevolgen daarvan niet voldoende hadden overwogen en niet hadden bedacht, dat zulk een heffing, wanneer zij tot omstreeks ƒ 300 millioen zou moeten worden opgevoerd, wel verre van geheel langs de arbeidersbevolking heen te gaan, handel en nijverheid voor nieuwe moeilijkheden stellen zou, de zwakkere ondernemingen zou kunnen doen vallen of tot inkrimping van het bedrijf noodzaken, en indirect zou kunnen bijdragen tot vergrooting der werkloosheid, die toen toch al zoo buitengewoon groot was.

Daartegenover stelde ik, dat de onderneming die, uit vrees van te worden aangeslagen in de gedwongen leening, zelfs als het haar minder convenieerde, deelnam in de oorlogsleening, daartegenover staatsobligatiën zou ontvangen, welke zij, zoo noodig, terstond kon beleenen en dat de ondernemingen aan welke dit in het geheel niet paste, zich van zelf wel van inschrijving zouden onthouden. In een crisistijd, zoo was het hoofdpunt van mijn betoog, is het crediet van den staat heel wat grooter dan dat van particuliere ondernemingen en vooral van de minder gunstig gestelde daaronder; in zulk een tijd zou het niet verantwoord zijn, den staat te ontheffen van de noodzakelijkheid een beroep op de credietmarkt te doen, als daarvan het onvermijdelijk gevolg zou wezen dat een aantal industrieelen en handelaars gedwongen zou worden tot voor hen zooveel bezwarender credietoperaties om den voor afschrijving in eens te zwaren aanslag in de eenmalige oorlogsbelasting over een grooter of kleiner aantal jaren te verdeelen. Een heffing in eens kan, ook al gaat zij tot zeer hoog bedrag, economisch verdedigbaar zijn, als het land in oorlog is of met oorlog bedreigd wordt en het er om gaat zijn zelfstandigheid te bewaren. Zoolang met zulk een gevaar wel moet worden gerekend, maar het nog niet voor de deur staat en er kans is er aan te ontkomen, is zulk een heffing, zoodra zij een matig bedrag te boven gaat, economisch niet verantwoord, in een crisistijd minder dan ooit.

Naast en in aansluiting aan dit economisch betoog wees ik op de groote moeilijkheid om de aanslagen in een eenmalige oorlogsbelasting tot een zoo hoog bedrag, als noodig was, zonder groote misslagen en groote onbillijkheden te regelen. Om het argument, dat de leening met een daaraan verbonden opcentenheffing tot een bedrag van meer dan ƒ 26 millioen gedurende 15 jaar, den staat buiten de mogelijkheid zou stellen zijn taak op sociaal gebied in de toekomst naar behooren te vervullen, afdoende te weerleggen, ontvouwde ik aan het slot mijner rede de hoofdtrekken van een plan van belastinghervorming, dat de schatkist jaarlijks ongeveer ƒ 60 millioen meer inkomsten zou doen trekken. Dat plan kon ik, vóór het een jaar verder was, uitgewerkt aan de Staten-Generaal voorleggen.

Mijn rede kenmerkte zich zeker niet door groote vriendelijkheid jegens de voorstanders van de heffing in eens, maar men bedenke dat zij werd uitgesproken onder den indruk van de tegen het regeeringsvoorstel gewekte agitatie en van verontwaardiging over de lichtvaardige wijze, waarop in een tijdperk van oorlogsgevaar een zoo bij uitstek moeilijk financieel vraagstuk in volksvergaderingen was gebracht, waarbij de Regeering, wier taak waarlijk al zwaar genoeg was, niet alleen een spaak in het wiel werd gestoken, maar zij bovendien, juist terwijl zij het algemeen vertrouwen zoo hoog noodig had, bij een groot deel der bevolking verdacht werd gemaakt.

Vooral mijn verklaring dat van mij voorbereiding van een heffing in eens ter vervanging van de oorlogsopcenten niet te verwachten zou zijn, gaf ontstemming. De voorstanders van zulk een heffing zagen daarin van de zijde van de Regeering een terugkomen op het gesloten compromis, krachtens hetwelk de opcenten slechts voor drie jaar werden vastgesteld en vóór 1 Januari 1917 een nieuw dekkingsvoorstel moest worden gedaan. Reeds den volgenden dag had ik gelegenheid dit punt in een antwoord aan den heer Tydeman, die hoewel hij in de leeningskwestie aan de zijde der Regeering stond, mij te weinig meegaandheid had verweten, nader toe te lichten en te doen uitkomen, dat indien mijn ministerieele levensdraad niet ontijdig werd doorgesneden, het mijn taak zou zijn het nieuwe voorstel, dat vóór 1 Januari 1917 moet worden ingediend, voor te bereiden en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Aangezien ik voorzag, dat de groote credietstoornissen, die ik voor de eerste jaren na het einde der vijandelijkheden vreesde en nog vrees, vóór den tijd niet tot de geschiedenis zouden behooren, achtte ik mij verplicht de Kamer te waarschuwen, dat mijn toegeven op het punt der wettelijke mogelijkheid om reeds in 1917 de opcenten door een heffing in eens te vervangen, niet mocht worden opgevat als de opwekking eener gegronde verwachting, dat een voorstel tot die vervanging van mij zou uitgaan. Evenwel voegde ik er aanstonds aan toe, dat een voorstel om een deel der oorlogslasten, mits het niet te groot zijn zou, door een buitengewone oorlogsbelasting te dekken, bij mij niet op tegenstand zou stuiten.

In de Eerste Kamer, waar de heer Polak de heffing in eens verdedigde, maakte de heer Drucker, niet tot mijne verwondering maar wel tot mijn groote voldoening, zich van het standpunt dat de vrijzinnigdemocraten in de Tweede Kamer hadden ingenomen, geheel los. Deze afgevaardigde die, vóór hij van de Tweede Kamer naar de Eerste was overgestapt, op een wijze die ook buiten de kringen zijner partijgenooten hoog werd gewaardeerd, het voorzitterschap van de vrijzinnigdemocratische Kamerclub had bekleed, eindigde zijne rede aldus: „Onze mannen behoeven gelukkig nog niet te staan in de loopgraven en onderwaterzettingen, om de ellende van den oorlog aan den lijve te gevoelen. Onze vrouwen behoeven geen gesneuvelden te beweenen of gewonden te verplegen, maar laten wij Nederlanders, die nog de betrekkelijke weldaden van den vrede genieten, onze vaderlandsliefde toonen, doordat wij de Regeering, die in deze maanden de eer van het land hoog heeft gehouden en op voortreffelijke wijze onze economische belangen heeft behartigd, in staat stellen haar werk tot handhaving van onze zelfstandigheid en onzijdigheid, tot opbeuring van ons maatschappelijk leven, tot steun van zwakken en noodlijdenden, krachtdadig voort te zetten.”

De heer Drucker, die de in het land tegen het leeningsvoorstel gewekte agitatie niet minder sterk veroordeelde dan ik, had mij evenwel toegevoegd, dat ik beter had gedaan tegenover de voorstanders der heffing in eens minder agressief op te treden en de mogelijkheid van een toekomstig vergelijk meer open te laten. De heer van Nierop, die evenals de heer Drucker het ontwerp tegenover de agitatie voor de heffing in eens had in bescherming genomen en zich aan de zijde der Regeering had geschaard, had zich wat het laatste punt betreft, in gelijken geest uitgelaten. Dit gaf mij aanleiding dit punt nog wat uitvoeriger te bespreken dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. „Het kan zijn—zeide ik in mijn antwoord—dat ik mij iets te kras heb uitgelaten. Wanneer ik een enkele maal zondig naar een van beide kanten, overkomt het mij meer, dat ik zondig naar de zijde van het mij te kras uitdrukken dan het omgekeerde. Maar men heeft mij bovendien iets veel krassers laten zeggen, dan ik gezegd heb; vandaar dat een gedeelte van de oppositie, die tegen deze uiting in de Tweede Kamer is gekomen, niet ging tegen hetgeen ik gezegd heb, maar tegen hetgeen men mij in den mond heeft gelegd. Ik heb niet gezegd dat ik nooit zou komen tot het voorstellen van een heffing in eens. Neen, zoo voorzichtig ben ik toch ook nog wel.” Daarop resumeerde ik in het kort, wat ik in de Tweede Kamer had betoogd over de door mij voor de eerste jaren na den oorlog verwachte credietstoornissen, om dit deel van mijn antwoord aldus te eindigen: „En nu heb ik gedacht, dat ik juist zou handelen in den geest van overtuigde voorstanders van een heffing ineens, door hun te zeggen: ik ben door overweging van het voor en tegen tot de conclusie gekomen, dat in de eerste jaren, in de periode van groote economische schommelingen, waarvan niemand kan zeggen waartoe zij zullen leiden, het niet de tijd is om op te leggen een heffing in eens. Daarom, als gij, besliste voorstanders van een heffing in eens, meent, dat dit denkbeeld op financieel gebied alles overheerschend zijn moet, maak dan duidelijk, dat ik, ten gevolge van mijn opvatting, op dit punt—misschien op andere wel—niet meer uw vertrouwen heb, dan zal ik plaats maken voor een ander. Ik had gehoopt, dat men dit zou zien in het licht, waarin ik het nu stel en ik meen nu wel duidelijk gemaakt te hebben, dat er niet de minste agressieve bedoeling lag in hetgeen ik toen gezegd heb.

„Ik wil hier intusschen wel dit bijzeggen—ik heb dat ook gezegd aan den heer Tydeman—, dat wanneer het mogelijk mocht zijn te komen tot een overleg, ik dit zeer zou toejuichen. In 1917 zullen ongeveer 30 millioen zijn afgelost. Er blijven dan een, laat ons zeggen, 250 millioen over—het bedrag doet er niet toe—en indien er nu, behoudens een degelijke herziening van het middel der opcenten, waar ik mij met geen enkel woord tegen heb verklaard, een billijke regeling zou kunnen worden gevonden, waarbij men een matig bedrag zou dekken door een heffing in eens—het moet bescheiden afmetingen hebben, want anders vervallen wij weer in dezelfde moeilijkheid—,dan zou ik de eerste zijn om dit toe te juichen.”

Behalve over de hoofdkwestie: leening of heffing in eens, liepen de debatten in de Tweede Kamer ook over enkele punten die op zich zelf van groot belang waren, maar die toch tegenover de hoofdzaak op den achtergrond raakten. Ik breng daarvan alleen in herinnering de gedachtenwisseling over het gekozen rentetype en de samenstelling van het bedrag van ƒ 275 millioen, waarop de oorlogsleening werd gesteld.

Tegen de rente van 5% werd van verschillende zijden bezwaar gemaakt. Men vreesde als gevolg van de omstandigheid dat de Staat tegen een zoo hooge rente leende, een nadeeligen terugslag op den interest, die voor leeningen ten behoeve van particuliere instellingen en personen zou worden verlangd, en dat inzonderheid ook het hypothecair crediet daardoor in moeilijkheid zou komen. Bovendien meende men dat de spaarbanken zouden worden leeggezogen. Van de zijde der Regeering werd niet ontkend, dat de rente hoog was gesteld en dat daarvan eenigen invloed in ongunstige richting op het particuliere crediet was te verwachten. Ik bracht echter tegen de voorstellingen, welke daaromtrent uit de Kamer waren gegeven, in het midden, dat men den invloed dien de Staatsleening op den algemeenen rentestand hebben zou, overschatte en dat deze door nog een aantal andere factoren wordt bepaald. Reeds in den loop van 1915 bleek, dat dit juist gezien was. Natuurlijk zou de Regeering ook liever een 41⁄2% dan een 5% leening hebben voorgesteld. Gegeven den stand van de geldmarkt in de laatste maanden van 1914 en gehoord de adviezen uit zeer verschillende kringen van deskundigen, mocht zij ter wille van het welslagen der vrijwillige leening de rente niet beneden 5% stellen. Er was voor het staatscrediet te veel aan gelegen, dat het ultimum remedium van de gedwongen leening niet in toepassing zou behoeven te komen.

Het bedrag der vrijwillige leening werd van enkele zijden te hoog geacht. Voor zoover dit hieruit voortsproot, dat men een te optimistischen kijk had op den vermoedelijken duur van den oorlog, spreek ik er niet over. Niemand onzer heeft zich niet op een of ander punt in zijn verwachtingen ter zake van den oorlog bedrogen gezien. Van beteekenis daarentegen was de vraag, of ook geleend mocht worden ter goedmaking van mindere opbrengst van belastingen als gevolg van den oorlogstoestand. De Regeering stelde zich op het standpunt, dat zulk een vermindering van inkomsten als gevolg van de zeer buitengewone omstandigheden, ten aanzien van het dekkingsvraagstuk geheel op één lijn staat met verhooging van uitgaven als resultaat van diezelfde omstandigheden. Hiertegenover werd in het Voorloopig Verslag opgemerkt, dat het bedenkelijk is te leenen voor toekomstige jaartekorten. In het algemeen is voor zulk een bedenking alleszins reden. Maar een financieele toestand als door den oorlog werd in het leven geroepen en de invloed daarvan ook op de belastingen waren zoo geheel exceptioneel, dat hier niet mocht gesproken worden van leenen voor toekomstige jaartekorten. Men had hier te doen met leenen tot dekking van een der vele effecten van den oorlogstoestand. Als te verwachten inzinking der belastingopbrengst gedurende de jaren 1914-1917 werd een bedrag van ƒ 73 millioen gesteld. Dit was aan den veiligen kant gehouden. Als gevolg van de vrij spoedige en zeer verblijdende opleving van het bedrijfsleven, is die vermindering belangrijk minder geweest dan gevreesd werd. Zij zal, tenzij nieuwe stoornissen haar vergrooten over het genoemde tijdvak wel beneden de helft van het in November 1914 geraamde bedrag blijven.

Voor de kosten van vluchtelingen werd een bedrag van ƒ 5 millioen gesteld. Wij zagen reeds[27] dat dit wel driemaal zoo veel zal beloopen. Voor de verschillende sociale oorlogsmaatregelen werd een bedrag van ƒ 60 millioen geraamd, waaronder een som van ƒ 25 millioen voor voorschotten aan gemeenten. Over dit laatste onderdeel was geen eenstemmigheid. Er werd aangevoerd, dat door het Rijk niet mocht worden geleend ter tegemoetkoming aan gemeenten, die leeningsgeld behoefden. Daartegenover stelde de Regeering zich op het standpunt, dat het veel beter was ook gemeenten (en provinciën) aan hetgeen deze strikt noodig hadden, tijdelijk te helpen tegen gelijke rente als het Rijk moest betalen, dan haar te verplichten tegen hooge rente eigen leeningen te sluiten, zoo zij daarin al zouden slagen. Veel oppositie vond dit standpunt ten slotte niet. Het vasthouden daaraan heeft tot het betrekkelijk gunstig verloop van de credietcrisis voor enkele gemeenten en provinciën veel bijgedragen. In den eersten tijd, toen er nog groote terughoudendheid bestond, het geld nog bij lange na niet zoo ruim was, als het later is geworden, en de onttrekking van een zoo belangrijk bedrag als de Staat door de leening tot zich trok, de moeilijkheid voor gemeenten en provinciën om leeningsgeld te vinden, nog vergrootte, is de hulp van den Staat aan enkele provinciën en aan eenige gemeenten, waaronder de grootste, zeer te stade gekomen. Het bedrag dat uit de opbrengst der leening aan provinciën en gemeenten werd toegezegd, beliep omstreeks half April 1915 zelfs iets meer dan ƒ 31 millioen, daarop werd tot ten naastebij ƒ 17 millioen uitbetaald. Zoodra echter het geld ruimer werd, kwam er een gunstige kentering. De provinciën en gemeenten konden toen voor zich zelf leenen en aan den Staat het haar verstrekte voorschot teruggeven. Dientengevolge zijn thans de uitstaande voorschotten tot beneden één millioen gedaald.

Met het bedrag van ƒ 35 millioen, dat van de ƒ 60 millioen voor kosten van maatregelen van socialen aard overbleef, nadat de gemeenten daaruit de voor haar geraamde som als voorschot zouden hebben genoten, zal het waarschijnlijk gaan als met de som die voor vluchtelingenhulp werd uitgetrokken. Hoe hoog die uitgaven van socialen aard wel loopen zullen, is nog niet bij benadering aan te geven. Het zou mij echter niet verwonderen, als zij per slot van rekening dichter bij de ƒ 70 dan bij de ƒ 35 millioen zullen blijken te liggen. De mobilisatiekosten werden tot 1 April 1915 op ƒ 135 millioen geschat. Die schatting is niet ver van de werkelijkheid gebleven.

Daar de som voor compensatie van belastinginzinking, zelfs als zij achteraf niet gebleken was aan den zeer voorzichtigen kant te zijn gesteld, niet terstond noodig was, en de uitgaven voor maatregelen van socialen aard eerst in de tweede helft van het jaar 1915 grootere verhoudingen begonnen aan te nemen, kon de opbrengst der leening langer toereiken dan tot April en was zij tot bestrijding der verschillende oorlogsuitgaven, waarvan die der mobilisatie het leeuwendeel vormden, tot omstreeks September 1915 voldoende.

Over de gedwongen leening behoef ik gelukkig niet veel te zeggen. Zij was alleen bedoeld als waarschuwing voor hetgeen te wachten zou staan, indien de vrijwillige leening niet althans het minimum zou opbrengen dat terstond noodig was. Hiervoor werd een bedrag van ƒ 150 millioen gesteld. In de gedwongen leening zouden alleen zij verplicht zijn tot deelneming die een vermogen hebben van ƒ 75,000 of meer, alsmede de naamlooze vennootschappen. Voor de laatste was de helft van de belastbare winst als eventueele verplichte deelneming gesteld; voor de particuliere personen werd de verplichting tot deelneming uitgedrukt in een progressief percentage van het bezit, dat voor vermogens van ƒ 75000 tot ƒ 100.000 op 1% en voor vermogens van ƒ 5 millioen en hooger op 7% werd bepaald. De inschrijvers op de vrijwillige leening kregen stortingsbewijzen, waarmede aan den eventueelen deelnemingsplicht in de gedwongen leening zou kunnen worden voldaan. De rente, die voor de gedwongen leening zou worden vergoed, werd op 4% gesteld.

Het leeningsontwerp werd in de Tweede Kamer met groote meerderheid aangenomen; de sociaaldemocraten en de vrijzinnigdemocraten, met uitzondering van den heer van Deventer, stemden tegen. In de Eerste Kamer werd zij zonder hoofdelijke stemming aangenomen, nadat de heer Polak had verklaard dat hij en zijn partijgenoot Van Kol er tegen waren. Den 23sten December werd de Leeningwet 1914 door de Koningin bekrachtigd.

De gelegenheid tot inschrijving was bij de wet zeer ruim gesteld. Zij kon geschieden bij betaalmeesters, ontvangers der directe belastingen en postkantoren. Terstond werden de noodige maatregelen genomen om de inschrijving in de eerste week van Januari 1915 te kunnen openstellen. Zij had plaats van 2 tot 11 Januari. Door de Regeering werd een uitnoodiging tot deelneming verspreid, welke door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij als Minister van Financiën werd onderteekend. Daarin werd met een beroep op de vaderlandsliefde van het Nederlandsche volk tot algemeene deelneming aan de leening opgewekt en het vertrouwen uitgesproken, dat het tot de gedwongen leening niet zou behoeven te komen. Die opwekking vond algemeen weerklank in de pers, die zich beijverde haar krachtig te steunen.

Den 28sten December werd voorts door mij als Minister van Financiën een uitgewerkte bekendmaking omtrent de wijze waarop de obligaties der Staatsleening bij de Nederlandsche Bank zouden kunnen worden beleend, in de Staatscourant openbaar gemaakt. Die beleening, waarvoor door de Nederlandsche Bank een surplus van slechts 5% verlangd werd, was voor de inschrijvers op de leening zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt.

Toen de inschrijving werd opengesteld, gaf de Koningin het voorbeeld. Niettegenstaande het Hare Majesteit niet mogelijk was een zoo groote som in eens los te maken en ook door Haar van het middel der beleening bij de Nederlandsche Bank zou moeten worden gebruik gemaakt, schreef Zij in voor een bedrag van 21⁄2 millioen. De Directeur van het Kabinet der Koningin kwam mij persoonlijk daarvan mededeeling doen. In de eerste dagen wilde het echter met de inschrijving niet vlotten. Op 8 Januari was nog slechts voor ƒ 86 millioen ingeschreven. Na overleg met den President van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die daaromtrent ook het gevoelen van enkele andere financiers had gevraagd, werd den volgenden dag door mij een communiqué aan de bladen gezonden, waarin op het traag inkomen der inschrijvingen werd gewezen. Hoe groot het effect van dat communiqué is geweest, is niet te zeggen. Zeker zou ook zonder dat de leening volteekend zijn, maar op het bedrag dat werd ingeschreven, heeft het ongetwijfeld invloed geoefend.

Er werd geteekend voor ruim ƒ 407 millioen, met het gevolg dat de inschrijvingen, nadat de kleinere preferente bedragen haar vol bedrag hadden gekregen, slechts voor 50 pct. konden worden toegewezen.

Aan de inschrijvers was bij de wet toegestaan het hun toegewezen bedrag in vier termijnen te voldoen, waarvan de eerste op 8 Februari, de laatste op 7 Juli verviel. Indien het totaal bedrag der leening niet noodig was geweest, had de laatste termijn onopgevorderd kunnen blijven. Deze bepaling verloor, toen de oorlog bleef aanhouden, haar waarde. De geheele betaling in termijnen bleek weinig noodig. Slechts een zeer kleine minderheid der inschrijvers maakte daarvan gebruik; in den loop van Februari werd reeds bijna ƒ 261 millioen gestort.

Ook van de beleening der stukken bij de Nederlandsche Rank werd veel minder gebruik gemaakt dan verwacht was. Het Verslag der Bank zegt daarvan: „Wij hadden ons ingericht op het aangaan van een zeer groot aantal beleeningen, ten einde de stortingen op de inschrijvingen voor rekening van het publiek te kunnen doen plaats vinden. De uitkomst ook hiervan is zeer medegevallen in zooverre, dat wij slechts een aantal van 4736 afzonderlijke beleeningen (inclusief voorschotten in rekening-courant) op deze Staats-obligatiën hebben behoeven te sluiten. Weliswaar op zich zelve nog een groot aantal, maar bij lange na niet zoo groot als waarop wij met onze organisatie hadden gerekend.”

De eerste oorlogsleening is een onbetwistbaar succes geweest en een gerechtvaardigde voldoening voor de Regeering tevens. Zij heeft een groot vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Staat, alsook in de wijze waarop het land in den oorlogstijd werd geregeerd, aan het licht gebracht.

§ 2. Verdere maatregelen op financieel gebied.

Toen bij de oorlogsleening van 1914 was gebleken, dat met vertrouwen een beroep op de geldmarkt mocht worden gedaan, werd spoedig de hand geslagen aan het inschrijven eener leening ten laste van Nederlandsch-Indië, opdat het Indische Gouvernement althans een deel van zijn schuld aan ’s Rijks schatkist zou kunnen afdoen. In Februari 1915 werd het ontwerp ingediend van een 5% leening ten laste van Nederlandsch-Indië groot ƒ 621⁄2 millioen, af te lossen in 25 gelijke jaarlijksche termijnen. Aangezien het hier de eerste leening gold, die door de Oost-Indische kolonie als afzonderlijk rechtspersoon werd aangegaan, was het zaak zich zoo veel mogelijk te waarborgen, dat dit beroep op de geldmarkt slagen zou. Daarom werd door den Minister van Koloniën, in overleg met mij, een overeenkomst getroffen met eenige bankiers onder leiding van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, welk consortium een gedeelte der leening overnam en zich de optie voorbehield voor het overige deel daarvan. Van die optie werd door het consortium gebruik gemaakt vóór de inschrijving voor het publiek werd geopend. Er was alle aanleiding zich op die wijze den steun der groote banken, die zich meer in het bijzonder met koloniale zaken bezig houden, te verzekeren. Een stok achter de deur, als bij de Staatsleening had dienst gedaan, kon hier niet worden gebruikt. Hoe het geldbeleggend publiek een leening ten laste van Nederlandsch Indië zou opnemen, was geheel onzeker; aangezien daarvoor nog nooit een beroep op de geldmarkt was gedaan, tastte men te dezen aanzien geheel in het duister. Toch heeft het gebruik maken van het bankiersconsortium tot eene minder aangename gedachtenwisseling in de Tweede Kamer aanleiding gegeven. De rede, door den Minister van Koloniën uitgesproken bij de behandeling van het ontwerp in de Tweede Kamer, had eenig misverstand doen ontstaan omtrent den aard der tusschenkomst welke door de bankiers werd verleend. De Minister had een beroep gedaan op de vaderlandsliefde en wel inzonderheid op het groote belang van Nederland als koloniale mogendheid, dat de eerste leening ten laste van het Rijk in de koloniën een succes zou zijn. Men verweet hem achteraf dat hij daarin te ver gegaan was en het belang van het land had verward met dat van de groep, welke de leening had overgenomen. Dit verwijt was ongegrond en getuigde van kortzichtigheid. De heer Pleyte had beter gedaan, zich met wat meer terughouding uit te laten, maar overigens waren zijn woorden, zoowel als de overeenkomst zelve met het bankiersconsortium, volkomen correct. Op het oogenblik dat hij zijne geïncrimineerde rede in de Kamer hield, was de leening nog niet in haar geheel overgenomen. Bovendien sprak het van zelf, dat hij niet mocht gewagen van het gegarandeerd zijn der leening, hetzij dan voor het geheel hetzij voor een grooter of kleiner deel. Het karakter van dergelijke garanties brengt mede, dat zij niet publiek mogen worden gemaakt anders zou de waarborg het succes der leening bederven; in stede van het te steunen. Zulke garanties blijven dan ook steeds binnenskamers; daaraan wordt hoogstens eerst à posteriori ruchtbaarheid gegeven. Ook al zou Nederlandsch-Indië er rechtstreeks geen gulden schade bij hebben geleden, als de leening eens niet was geslaagd, en al zou het volle nadeel van zulk een fiasco op het consortium zijn neergekomen, dan nog zou zulk een niet-slagen voor het crediet der koloniën zóó nadeelig zijn geweest, dat de Minister van Koloniën het volste recht had het groote algemeen belang van het welslagen der leening te doen uitkomen. Dit was niet alleen zijn recht, maar zelfs zijn plicht, consortium of geen consortium. Dat hij door de woorden, welke hij daarbij koos, bij sommigen misverstand wekte, is te betreuren geweest, maar dat is dan ook alles.

De eerste Indische leening is een groot succes geweest. Het volle bedrag daarvan werd in Nederland ingeschreven en de deelneming in Nederlandsch-Indië was haast even groot als die in het moederland. De Nederlandsche Bank had zich, evenals de Javasche Bank, bereid verklaard, de obligaties van de Nederlandsch-Indische leening op overeenkomstige wijze te beleenen, als met de obligaties der staatsleening was geschied. In zijn verslag over het boekjaar 1914/15 zegt het bestuur van de Nederlandsche Bank, na een mededeeling te hebben gedaan over de opengestelde beleeningsmogelijkheid en het resultaat der inschrijving te hebben vermeld: „Dit succes van een eerste leening van ons schoone Nederlandsch-Indische Rijk is niet genoeg te waardeeren, omdat daarmede op schitterende wijze het vertrouwen in de financieele kracht en de levensvatbaarheid van dit Koloniale Rijk is uitgesproken.”

Voor een eerste leening had men het bedrag niet grooter durven nemen, maar men wist dat het niet toereikend was. Het Nederlandsch-Indische gouvernement stond niet alleen bij de Nederlandsche schatkist in het krijt. Daar deze, in verband met de stortingen op de staatsleening, geen behoefte had aan kasmiddelen en zelfs eenige maanden bij de Nederlandsche Bank credit stond, werd slechts ongeveer de helft van de opbrengst der Nederlandsch-Indische leening gebruikt tot aflossing van schuld aan het moederland. In den loop van het jaar namen de kasbehoeften van het Nederlandsch-Indische gouvernement geleidelijk weer zoodanig toe, dat het aan de schatkist evenveel schuldig werd als vóór de leening van Maart 1915 het geval was geweest. Daar het bovendien nog voor verschillende buitengewone uitgaven geld behoefde, werd in het najaar begonnen met de voorbereiding van een tweede koloniale leening. Bij die voorbereiding drong ik aanvankelijk aan op de keuze van een 41⁄2 pct. rente, in verband met de verlaging van den rentestand als gevolg van de geldruimte. Mij werd echter verzekerd, dat een 41⁄2% leening in Indië weinig aftrek vinden zou en geen aanbeveling verdiende. Toen ik als Minister van Financiën aftrad, was over de rente van 5% al overeenstemming verkregen. Besloten werd, na hetgeen de eerste maal over het consortium voorgevallen was, niet op nieuw van de tusschenkomst van een garandeerende bankiersgroep gebruik te maken, maar daartegenover de inschrijving bij verschillende bankierskantoren open te stellen en, door hun een extra-provisie toe te kennen over de bedragen welke bij hen ingeschreven werden, de belangstelling van den geldhandel bij de tweede Indische leening te prikkelen. Zij werd geregeld bij de wet van 8 Juni 1916 en beliep ƒ 80 millioen; een op zich zelf hoog cijfer, maar dat met het oog op de behoeften van Nederlandsch-Indië toch niet hoog genoeg was. Het zal zeker niet zoo heel lang duren, vóór er een derde Indische leening zal moeten volgen. Ook de tweede Indische leening was een groot succes. De inschrijvingen uit Nederlandsch-Indië waren minder hoog dan de eerste maal, namelijk iets beneden ƒ 22 millioen; daarentegen werd in Nederland tot een bedrag van bijna ƒ 124 millioen ingeschreven.

Volledigheidshalve heb ik de Indische leeningen niet met stilzwijgen willen voorbijgaan, hoewel zij met den oorlogstoestand slechts in een zeer los verband staan. Ik keer nu tot de Nederlandsche schatkist terug. Aangezien de opbrengst der leening 1914 in September 1915 aan militaire en sociale oorlogsuitgaven was opgebruikt, moest op nieuw aan het vinden van geldmiddelen ter bestrijding der kosten van den steeds voortdurenden toestand van gewapenden vrede worden gedacht.

In de Memorie van Toelichting bij het door mijn opvolger aan het Ministerie van Financiën ingetrokken ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, dat bij Koninklijke boodschap van den 23sten October 1915 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, nam ik hieromtrent, alsmede omtrent de nieuwe bepaling der dekking van de leening 1914, welke voor 1 Januari 1917 moest zijn ingediend, het volgende op: „Ter voldoening aan het voorschrift van artikel 38 der Leeningwet 1914 is in het ontwerp ook geregeld, in hoever de krachtens die wet geheven opcenten ook na het jaar 1917 zullen worden bestendigd, of door eene heffing in eens of op andere wijze zullen worden vervangen.

„De heffing in eens kon daarbij geen dienst doen. Ondergeteekende acht het onnoodig de verschillende argumenten, door hem bij de behandeling der Leeningwet 1914 ter bestrijding van dit denkbeeld aangevoerd, hier opnieuw uiteen te zetten. En dit te meer, omdat, naar hij meent te mogen aannemen, zelfs de meest overtuigde voorstanders der heffing in eens zich wel niet meer aan de illusie zullen overgeven, dat zulk een heffing de leening 1914 nog zou kunnen vervangen. Nu de oorlog zooveel langer duurt dan over het algemeen verwacht werd en het reeds vaststaat, dat met de leening van 1914 de buitengewone kosten van den oorlogstoestand niet geheel zullen zijn te dekken, zal het denkbeeld eener heffing in eens overwogen kunnen en misschien wel moeten worden, als de tijd gekomen zal zijn de vraag te bespreken der dekking van de buitengewone defensie- en crisisuitgaven, die uit de leening 1914 niet meer konden worden bestreden. Het zal wel overbodig zijn te verzekeren, dat ondergeteekende de vraag der dekking van die hoogere uitgaven boven hetgeen uit de leening 1914 is te vinden, niet uit het oog verliest. Hij meent echter, dat het de voorkeur verdient thans daaromtrent nog geen voorstellen te doen en zelfs nog geen denkbeelden te opperen. Immers zal het vraagstuk der dekking dier hoogere buitengewone uitgaven ten nauwste samenhangen met het bedrag, waartoe zij zullen oploopen. Aangezien nu hieromtrent nog zelfs bij benadering niets is te bepalen of met grond te ramen, zou elk thans geopperd denkbeeld gevaar loopen door den loop der omstandigheden te worden ter zijde gesteld.

„Slechts meent ondergeteekende ten aanzien van dit hoogst belangrijke punt te mogen en te moeten opmerken, dat—naar hij hoopt—de omstandigheden zullen veroorloven met een voorstel tot regeling daarvan te wachten, totdat het geheel der kosten van den oorlogstoestand zal zijn te overzien. Mocht echter de toestand van gewapende neutraliteit nog langer duren dan tot het voorjaar van 1916, dan staat te vreezen dat een tweede voorstel tot bestrijding der kosten van den oorlogstoestand zal moeten worden gedaan, zonder dat dit het karakter van eindvoorstel zal kunnen dragen.

„Met het hier aangeroerde probleem staat tevens in verband het onderzoek, waarmede de bij Koninklijk besluit van 5 October 1915 no. 1, ingestelde Staatscommissie zich thans bezig houdt, omtrent de wijze waarop eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen of van vermogen als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen.”

Hieruit bleek wel reeds, dat het in mijn voornemen lag voor te stellen, de verdere oorlogslasten ten deele uit leening en ten deele uit een heffing in eens te dekken. In dien geest werden in December 1915 voorstellen voorbereid, welke in Januari 1916 om advies naar den Raad van State werden gezonden. Wachten tot de oorlog zou zijn geëindigd, bleek helaas niet mogelijk. Die voorstellen waren bij mijn aftreden nog niet van den Raad van State terug ontvangen, doch werden met enkele wijzigingen, meer nog in de toelichting dan in de ontwerpen zelf, door mijn opvolger overgenomen. Daarbij werd voorzien in een bedrag, dat geschat werd op ƒ 250 millioen, waarvan ongeveer ƒ 200 millioen zou noodig zijn voor de bestrijding der uitgaven van den oorlogstoestand tot in den zomer van 1916, en omstreeks ƒ 50 millioen zou kunnen strekken tot dekking van de tekorten op de staatsrekeningen over 1914 en volgende jaren, indien de uitgaven voor den oorlogstoestand na Augustus of September 1916 zouden kunnen ophouden, een stille hoop die helaas niet verwezenlijkt is.

Van die som zou ƒ 40 à ƒ 45 millioen zijn te vinden uit een oorlogswinstbelasting, omstreeks ƒ 80 millioen uit een (gesplitste) heffing in eens en ƒ 125 millioen uit een tweede oorlogsleening. Bij de voorbereiding der tweede oorlogsleening heb ik aanvankelijk het voornemen gehad, een leeningsvoorstel van wijder strekking met conversie der oude leeningen van lager rente-type uit te werken, in den geest van denkbeelden, die in het najaar van 1914 door enkele financiers waren ontwikkeld. Na een uitvoerig onderhoud hierover met de presidenten van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die mij dat denkbeeld ontrieden, liet ik het los. Daartegenover had ik het succes, dat de beide heeren hun aanvankelijk ongunstig advies over het kiezen van het 41⁄2% rentetype voor de nieuw uit te schrijven leening na ons onderhoud wijzigden en een schriftelijk rapport ten gunste van een leening van ƒ 125 millioen tegen een rente van 41⁄2% uitbrachten, onder voorwaarde dat die vrijwillige leening op nieuw door de machtiging van den wetgever tot het uitschrijven van een gedwongen leening zou worden gesteund, voor het geval zij niet mocht slagen. Na dat advies werd met den vereischten spoed aan de uitwerking van het leeningsontwerp begonnen, waarbij de leeningwet 1914 grootendeels werd gevolgd. Er was echter een groote moeilijkheid te overwinnen. Op 23 October 1915 waren een aantal belastingvoorstellen bij de Kamers ingezonden, die, als zij werden aangenomen, den belastingdruk voor de bestrijding der gewone Rijksuitgaven met ongeveer ƒ 60 millioen per jaar zouden vergrooten. Het ging niet wel aan, daarnaast nog een nieuwe belastingverhooging voor te stellen voor rente en aflossing van de nieuwe leening. De oplossing van deze moeilijkheid werd in deze richting gezocht en gevonden, dat rente en aflossing zouden geschieden uit het leeningfonds 1914, dat bij de Leeningwet van dat jaar was gevormd en waarin de opbrengst der oorlogsopcenten worden gestort. De aflossing der nieuwe leening werd behoudens een kleine jaarlijksche amortisatie van een 1⁄4% per jaar, verschoven tot na de aflossing der leening 1914, dus waarschijnlijk tot het jaar 1929.

Het leeningfonds wordt op die wijze bezwaard met een nieuwen last van ten naastebij ƒ 6 millioen. Mocht de opbrengst der opcenten, of der andere belastingen die daarvoor in de plaats zullen komen, niet voldoende zijn om het leeningfonds in staat te stellen, rente en aflossing van beide leeningen te bekostigen, dan zal het ontbrekende uit de gewone middelen aan dit fonds worden vergoed.

Kort na mijn aftreden kwam het tweede oorlogsleenings-ontwerp van den Raad van State terug en werd het, na hier en daar te zijn gewijzigd, aan de Tweede Kamer ingediend. Het ontmoette ditmaal geen principieelen tegenstand en werd, na een spoedige behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal, den 17den Maart 1916 tot wet verheven. De inschrijving werd opengesteld van 27 tot 29 Maart. Het succes was ook ditmaal groot. Er werd ingeschreven voor een bedrag van niet minder dan ruim ƒ 185 millioen. Een nieuw en afdoende bewijs van het ongeschokt vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Nederlandschen Staat en in het bijzonder ook in de leiding van ’s lands zaken in den oorlogstijd door de aan het bewind zijnde Regeering.

De heffing in eens werd gesplitst in twee belastingen. De eene bestond uit: a. een duplicaat heffing der vermogensbelasting over het dienstjaar 1916/7, b. een buitengewone progressieve heffing van de vermogens volgens een progressieschaal, die bij een vermogen van ƒ 50.000 begon en dan 0.2 pCt. van het vermogen boven ƒ 50.000 bedroeg, en die bij een vermogen van ƒ 10 millioen omstreeks 31⁄2% van het geheele vermogen uitmaakte; voorzichtigheidshalve was er aan toegevoegd dat de belasting niet hooger zou kunnen stijgen dan 6% van het vermogen. De vennootschappen zijn in deze oorlogsbelasting niet opgenomen; het onroerend goed wordt er in aangeslagen naar zijn verkoopwaarde. De andere oorlogsbelasting was een duplicaat-heffing van de inkomstenbelasting over het dienstjaar 1916/7. Daar de beide belastingen de bepaalde bestemming hadden, te dienen ter bestrijding van een deel der kosten van de verdediging van ’s lands souvereiniteit en neutraliteit, noemde ik ze, in overeenstemming met hetgeen ik in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, over de bestemmingsheffingen had ontwikkeld: Verdedigingsbelasting I en Verdedigingsbelasting II. Hoewel tegen de bestemmingsheffingen in het algemeen tal van bezwaren werden ontwikkeld, is het wel eigenaardig dat men tegen de eerste bestemmingsheffingen, welke aan de Staten-Generaal werden voorgelegd, geen bezwaren wegens haar karakter als zoodanig inbracht. Men zal het mij wel ten goede houden, dat ik daarover in stilte een oogenblik heb geglimlacht.

In de Memorie van Toelichting, waarin de Verdedigingsbelasting I op een opbrengst van ƒ 50 millioen, die van de Verdedigingsbelasting II in opbrengst op ƒ 30 millioen werd geschat, werd uiteengezet hoe op deze wijze ieder die in de inkomstenbelasting of in de vermogensbelasting is aangeslagen, in de oorlogsbelasting zal bijdragen en hoe bij de voorgestelde regeling de grootste druk absoluut en relatief werd gelegd op de grootste vermogens, zonder dat deze in een buitensporigen last kon ontaarden. Opdat die last over 21⁄2 à 3 jaar zou kunnen worden verdeeld, werd in de beide wetsontwerpen opgenomen, dat zij zouden kunnen worden voldaan in 10 driemaandelijksche termijnen. Bij de behandeling der ontwerpen in de Tweede Kamer werden er enkele wijzigingen in gebracht, die ik, als van niet principieele beteekenis, onvermeld laat. Eén verandering van beteekenis werd echter aangebracht. Zij was van den heer de Geer afkomstig en werd door de Regeering overgenomen. De heffing van de verdedigingsbelastingen over één jaar met bevoegdheid tot betaling in zoodanige termijnen dat de druk over drie jaar kon worden verdeeld, werd veranderd in drie buitengewone jaarlijksche heffingen over de dienstjaren 1916/17, 1917/18, en 1918/19 ieder ongeveer tot 1⁄3 van het bedrag der aanvankelijk voorgestelde eenmalige belastingen. Deze verandering was een verbetering tevens. Daarbij kwam nog duidelijker uit, hoe de leuze „in eens er af”, zelfs voor zoover er een zoogenaamde heffing in eens werd opgelegd, inderdaad niet meer dan een leuze was, die bij toepassing met een voor principieele voorstanders moeilijk verduwbare hoeveelheid korreltjes zout moest worden genuttigd. Na eene uitvoerige gedachtenwisseling werden de beide wetsontwerpen in de vergaderingen van de Tweede Kamer van 27 en 28 Juni zonder hoofdelijke stemming aangenomen, na verwerping van het voorstel van de vrijzinnigdemocratische kamerclub tot heffing eener oorlogsbelasting, welke ƒ 200 millioen zou opbrengen. De Eerste Kamer nam de wetsontwerpen op 17 Augustus aan, nadat de heer de Vos van Steenwijk had opgemerkt, dat uit zijn stem voor de Verdedigingsbelasting I geen consequenties mochten worden getrokken ten aanzien van den aanslag der onroerende goederen in de jaarlijksche vermogensbelasting.

Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat het zooeven bedoelde wetsvoorstel van de vrijzinnigdemocratische leden van de Tweede Kamer in Januari 1916 werd ingediend. Het strekte tot heffing van een oorlogsbelasting tot een bedrag van ƒ 200 millioen. Aangezien dat voorstel reeds verworpen is, heb ik noch aanleiding noch lust er bij stil te staan. Het geven van „le coup de pied de l’âne” aan een gevallene, laat ik gaarne aan anderen over.

De Kamerleden, die zich er in hebben verheugd dat de thans door de Staten-Generaal aangenomen verdedigingsbelastingen bewijzen dat de Regeering de door mij in December 1914 ontwikkelde bezwaren tegen een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen heeft losgelaten, gun ik dat genoegen gaarne. Zij zullen mij, na hetgeen ik mededeelde over mijn aandeel in de voorbereiding daarvan, bovendien van inconsequentie kunnen betichten. Inderdaad kleven aan de Verdedigingsbelastingen, zooals zij door de Tweede Kamer aangenomen zijn, nog zeer ernstige fouten. Deze schuilen niet in de techniek der regelingen maar in het enkele feit, dat zulke hooge buitengewone belastingen moeten worden geheven in een zóó onzekeren tijd als wij thans doormaken, met zóó groote schommelingen in de vermogens. Maar ieder onpartijdig beoordeelaar zal wel inzien en erkennen, dat de economische bezwaren, welke ik, met het oog op de kapitalen die in ondernemingen zijn vastgesteld, ontwikkelde in verband met de te verwachten credietstoornissen, als er weer vrede zijn zal, aanmerkelijk veel minder wegen bij buitengewone heffingen, die gedurende drie jaar elk jaar ƒ 25 à ƒ 30 millioen zullen hebben op te brengen, dan bij een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen. Wie dat niet inziet, zal ik in de enkele regels die ik hier aan dit onderwerp wijden kan, daarvan niet overtuigen.

Men stond in het begin van het jaar voor de noodzakelijkheid op nieuw ƒ 250 millioen te vinden. Dat dit niet zou gaan zonder eenig bezwaar, sprak van zelf. Men had te zoeken naar een combinatie van maatregelen, welke dit in verband met elkander tot een minimum terugbrachten. Daartoe werden de leening van ƒ 125 millioen, de verdedigingsbelastingen en de zoo aanstonds met een enkel woord te bespreken oorlogswinstbelasting aan elkander gekoppeld. Op die wijze werd de benoodigde som voor de eene helft uit leeningsgeld, voor de andere uit belastingen gevonden. De belastingen werden bovendien nog gesplitst, zoodat geen enkele tot een al te buitensporig hoog bedrag behoefde te stijgen. Door de verandering, welke de verdedigingsbelastingen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ondergingen, werd die splitsing nog verder doorgevoerd en werd elke der drie jaar lang te heffen buitengewone verdedingsbelastingen niet alleen in opbrengst en in heffingspercentage ongeveer getierceerd, maar geschiedde dit, wegens den jaarlijks nieuwen aanslag, ook met de fouten, die elke dergelijke belasting onvermijdelijk aankleven en die in een oorlogstijd met belangrijke economische schommelingen nog heel wat grooter zijn, dan in normale tijden met vastere vermogens- en inkomensverhoudingen. Ik aarzel dan ook niet de in toepassing gebrachte combinatie zoo gelukkig te noemen, als de omstandigheden dit toelieten, en ik vlei mij tegenover deze laatste financieele operatie van het Rijk onpartijdig genoeg te staan, om mij bij dit oordeel niet te laten leiden door ingenomenheid met het aandeel, dat ik in het geestelijk vaderschap daarvan heb gehad.

Toch meen ik ook deze gelegenheid te baat te moeten nemen, om een woord van waarschuwing te doen hooren tegen het te ver doorgaan op den weg der heffingen in eens of in drieën, onder welken naam zij ook ten doop worden gehouden. Ik zal daartoe niet terugtreden in hetgeen ik hierboven[28] memoreerde over de economische nadeelen van hooge heffingen, die geheel of ten deele uit het bedrijfskapitaal van ondernemingen moeten betaald worden, in verband met de credietbehoefte der bedrijven, inzonderheid in oorlogstijd. Ook wil ik aannemen dat het overbodig is, er lang bij stil te staan, dat als heffingen van dien aard niet zeer exceptioneel blijven, zij de kip met de gouden eieren slachten. Belastingen moeten uit het jaarlijksch volksinkomen betaald kunnen worden en betaald worden. Zoodra zij zóó hoog loopen, dat zij het volkskapitaal aantasten, knagen zij aan ’s lands productievermogen en brengen zij ’s lands welvaart en ontwikkeling in gevaar. Belastingen die niet slechts naar het vermogen worden gemeten, maar ook uit het vermogen moeten worden gekweten, mogen des noods in zeer buitengewone omstandigheden worden opgelegd, als met ’s lands zelfstandigheid ook het volksvermogen met gevaar van schending of vernietiging door een buitenlandschen vijand wordt bedreigd. Zoodra zij buiten die grens treden en een blijvend of periodiek weerkeerend verschijnsel worden, tasten zij ’s lands economische toekomst in een harer meest onmisbare pijlers aan.

Hooge heffingen naar één criterium zijn op zich zelf bedenkelijk, ook al kleven daaraan de zooeven aangestipte algemeen economische bezwaren niet. Dit behoort tot de allereerste beginselen der belastingtechniek, maar het dreigt tot schade voor het land onder den indruk van den oorlogstoestand te worden vergeten. De oorlogstoestand heeft ons aan groote cijfers gewend; men spreekt thans over millioenen, zoo niet over milliarden, als vroeger over tonnen. Waar breedheid van opvatting en breedheid van zien nu niet juist de meest naar voren komende karaktertrekken van den gemiddelden Nederlander zijn, heeft dit ongetwijfeld een lichtzijde. Maar een schaduwzijde heeft het ook. Het leidt er toe, te meenen, dat men ook wel straffeloos zeer hooge belastingen naar een enkel criterium kan opleggen. Zeer merkbaar heeft de oorlog gedrongen in de richting van den impôt unique, van de eene en afdoende belasting die, geheven naar ieders draagkracht, alles opbrengt wat de Staat van zijn belastingplichtige onderdanen moet opvragen. Het denkbeeld van den impôt unique heeft altijd veel aantrekkingskracht gehad voor het groote publiek, waarvan niet kan worden verwacht dat het in de moeilijkheden der belastingtechniek is doorgedrongen. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het telkens weer opduikt. Het is ook zoo eenvoudig: men belast ieder naar zijn draagkracht, en daarmede uit. Ja, als men ieders draagkracht naar kenmerken, welke door den fiscus in theorie kunnen worden gemeten, kon vaststellen, en als men die theoretisch vastgestelde kenmerken, in werkelijkheid, des noods met een voor allen gelijke fout benaderen kon,—ja dan behoefde men zich het hoofd niet te breken met belastingstelsels. Maar de ervaring van eeuwen heeft geleerd, dat het er zóó niet mee gesteld is. Men kan wel rekening houden, en men houdt ook zoo goed mogelijk rekening, met de hoofdfactoren, welke de draagkracht der belastingplichtigen bepalen, maar die hoofdfactoren worden bij elken individueelen belastingplichtige doorkruist door een aantal nevenomstandigheden, welke de belastingwetgever niet in rekening kan brengen, en die toch op de resultante, de werkelijke draagkracht overwegenden invloed hebben. Men kan ook wel de hoofdfactoren, waarmede de belastingwetgever rekent, in de uitvoering meer of minder goed benaderen; maar de fout die daarbij wordt gemaakt, is bij lange na niet voor allen gelijk. De een woont voor den belastingambtenaar in een glazen huisje, de ander in een donkeren kelder. Ook voor de theoretisch meest rechtvaardige en billijke belasting geldt, dat de wetgever onvermijdelijk fouten maakt bij haar regeling en de belastingadministratie, even onvermijdelijk, die fouten nog verergert bij haar uitvoering. Daarom kleven aan elke belasting, ook aan de theoretisch beste, groote gebreken; gebreken die minder wegen naar gelang de opbrengst, welke er door moet worden verkregen, kleiner is, doch die toenemen in beteekenis, naar gelang men meer van haar verlangt. Ook al zou een belasting welke naar draagkracht bedoelt te heffen, wanneer van haar voor ons land ƒ 100 millioen of meer verlangd wordt, het kapitaal niet aantasten, dan nemen de technische fouten daarvan zoowel in de regeling als in die uitvoering zulke verhoudingen aan, dat zij voert tot de grootste ongelijkheden en de grofste onbillijkheden.

Dit dreigt zoozeer vergeten te worden, dat bij de waardeering, welke ik in de pers vrij algemeen mocht ondervinden voor mijn poging tot vernieuwing en versterking van ons belastingstelsel, haast even algemeen de opmerking was gevoegd, dat ik naar grooter eenvoud had moeten streven. Helaas is het er bij de belastingheffing zoodanig mede gesteld, dat men er met eenvoud niet komt, welke bekoring deze ook moge hebben voor het oog en welke streeling voor het gemoed. Alleen door heffing van verschillende belastingen naar velerlei kenmerken, kan men elke afzonderlijke belasting binnen zóó redelijke grenzen houden, dat de fouten ervan niet te groot worden en kan men bij zorgvuldige combinatie dier verschillende heffingen een stelsel verkrijgen, waarvan de gebreken in de onderdeelen elkander ten deele compenseeren en, voor zoover zij dit niet doen, geen afmetingen aannemen, welke billijkheidshalve niet toelaatbaar zijn.

Deze overweging heeft mij ook eenigszins huiverig gemaakt voor de oorlogswinstbelasting. Na hetgeen ik over de oorlogswinsten en het recht van den staat om daarin in te grijpen in hoofdstuk II[29] zeide, zal het wel duidelijk zijn, dat die huivering niet voortsproot uit vrees de oorlogswinsttrekkers in de kosten van den oorlogstoestand te doen bijdragen. De grondgedachte van de oorlogswinstbelasting is zóó gezond: zij draagt haar rechtvaardiging zóó duidelijk op het voorhoofd, dat elk debat daarover geheel overbodig is. Principieel is zij haast volmaakt. Maar de regeling ervan is zonder groote fouten niet te treffen, en de benadering der feiten, die benaderd moeten worden, zal slechts zoo gebrekkig kunnen geschieden, dat het resultaat vol onbillijkheid zijn moet. Wanneer het hierbij nu gold een belasting, die ƒ 10 of ƒ 20 millioen moest opbrengen en waarbij men zich bepaalde van de oorlogswinsten die men aanwijzen en aanpakken kan, 5 tot 10% voor den Staat af te nemen, zou het wel te betreuren zijn, dat daarnaast een aantal oorlogswinsttrekkers zich aan den greep van den fiscus wisten te onttrekken, maar zou men zich daarover niet al te warm behoeven te maken. Maar zulk een kleine oorlogswinstbelasting wilde niemand. Pakt men de oorlogswinsten aan, dan moet men het flink doen, dan behooren zij in de kosten van den oorlogstoestand een som bij te dragen die zoden aan den dijk zet. Flink of niet, moest hier het parool zijn.

Deze overwegingen brachten er mij toe, zoodra ik als Minister van Financiën optrad, een poging te doen om althans een belangrijk deel der oorlogswinsten bij de bron te treffen. Daartoe strekte het ontwerp van wet dat bij Koninklijke boodschap van 2 November 1914 werd ingediend en dat bedoelde een uitvoerrecht te heffen van 8% over de verkoopwaarde van uitgevoerde goederen in het land waarheen zij uitgevoerd werden, met een maximum van 50% van de daarmede te maken winst.

In de Memorie van Toelichting bij dat ontwerp zeide ik o.m.: „Niettegenstaande den algemeen gedrukten toestand van handel en verkeer, is de buitenlandsche vraag naar sommige artikelen evenwel zóó groot, dat de prijs daarvan belangrijk boven het normale peil is gestegen en dat zij die dergelijke artikelen in voorraad hebben of voortbrengen kunnen, buitengewone winsten maken.

„Het is billijk dat zij die in zulk een bevoorrechte positie verkeeren, althans een deel der winsten, die zij maken, aan de schatkist afstaan. Te meer is daartoe aanleiding nu dezelfde omstandigheden, welke die gelukkige exporteurs zulke voordeelen bezorgen, den Staat tot het doen van buitengewoon zware uitgaven nopen.

„Vandaar dat de heffing van een uitvoerrecht, dat onder gewone omstandigheden geheel in strijd zou zijn met gezonde begrippen van handels- en financieele politiek, thans alleszins is gerechtvaardigd. Dit is evenwel slechts het geval onder de voorwaarde dat de heffing op tweeërlei wijze aan de noodige beperking zij gebonden. In tijd behoort de heffing beperkt te zijn tot zoolang er oorlogsgevaar bestaat of althans een normale toestand nog niet is teruggekeerd. In omvang moet de heffing begrensd zijn, omdat zij aan den uitvoer van een aantal artikelen, die niet in prijs zijn gestegen (dit aantal is thans heel wat kleiner dan het in het laatst van 1914 was) en welker uitvoer toch reeds ongewone bezwaren ondervindt, geen nieuwe hinderpalen in den weg mag leggen.”

In de afdeelingen van de Tweede Kamer werd het ontwerp, blijkens het Voorloopig Verslag, bedolven onder een stortvloed van theoretische en practische bezwaren. Onder gewone omstandigheden zou mij dit geen aanleiding hebben gegeven daarmede op de vlucht te gaan. In het land vierde toen echter de agitatie tegen het leeningsontwerp en voor de heffing in eens hoogtij. Het was niet gewenscht de Regeering in den persoon van den Minister van Financiën nog meer kwetsbaar te maken door de heffing der uitvoerrechten op oorlogswinstgoederen door te zetten en daardoor gevaar te loopen een nieuwe agitatie te ontketenen. Er moest rust komen, ook om het resultaat van de oorlogsleening niet in de waagschaal te stellen. Van daar dat ik aan de Koningin machtiging verzocht het ontwerp in te trekken. Nadat ik die machtiging bekomen had, geschiedde de intrekking op 8 Januari 1915.

Had de Tweede Kamer bij gelegenheid der schriftelijke behandeling van het uitvoerrecht op oorlogswinstgoederen zich wat minder afwerend gedragen, ’s Rijks schatkist zou thans een groot aantal millioenen rijker of, beter gezegd, minder arm hebben kunnen zijn.

Na die ervaring liet ik de oorlogswinsten voorloopig met rust. Ik had de handen vol aan de herziening en versterking van ons belastingstelsel, een arbeid dien ik mij had opgelegd om het onmisbare financieele fundament te construeeren voor hetgeen den Staat in de komende jaren te wachten staat, wil hij de ontwikkeling van ’s lands welvaart en kracht naar eisch steunen en bevorderen. Intusschen werd het trekken van oorlogswinsten door verschillende groepen der bevolking steeds duidelijker zichtbaar en steeg, begrijpelijkerwijze, het algemeene verlangen, dat de Staat in den vorm van belasting een deel daarvan tot zich trekken zou.

Dit gaf mij aanleiding in September 1915 aan Hare Majesteit voor te stellen een commissie te benoemen tot het onderzoeken op welke wijze eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen, als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen, met opdracht haar verslag met de noodige wetsvoorstellen uit te brengen aan den Minister van Financiën. Tot voorzitter werd benoemd Dr. D. Bos, het bekende en betreurde lid van de Tweede Kamer. Als leden werden aangewezen, naast eenige hoofdambtenaren der belastingen en leden van de Eerste en de Tweede Kamer, gekozen uit de verschillende politieke groepen, een aantal personen uit alle hoofdtakken van ’s lands bedrijfsleven. De Regeering hoopte op die wijze niet alleen een wetsontwerp te zullen verkrijgen, waarbij met de eigenaardigheden der verschillende soorten van oorlogswinsten zou zijn rekening gehouden, maar ook een eenigszins betrouwbare raming te ontvangen van de te verwachten opbrengst der voor te stellen heffing. Ten aanzien van het tweede deel is zij bedrogen uitgekomen. Ook de Staatscommissie voor de oorlogswinstbelasting heeft zich aan zulk een raming niet gewaagd. Het cijfer dat daarvoor in de Memorie van Toelichting bij het tweede leeningsontwerp gesteld wordt, maakt er geen aanspraak op, een eigenlijk ramingscijfer te zijn. Ik zou dit niet zeggen, als het niet van mijzelven afkomstig was en dus ook voorafging aan de indiening van het verslag der Staatscommissie aan den Minister van Financiën. Dat cijfer werd aldus gevonden. Er is ƒ 250 millioen noodig; daarvan wordt ƒ 125 millioen gevonden uit leening; ƒ 80 à ƒ 85 millioen uit de beide verdedigingsbelastingen, dus de oorlogswinstbelasting moet ƒ 40 à ƒ 45 millioen opbrengen. Of zij zoo vriendelijk zijn zal, die opdracht te vervullen, zal de toekomst moeten leeren.

Bij mijn aftreden was de Staatscommissie met haar onderzoek nog niet gereed. Den 23en Februari diende zij haar verslag aan mijn opvolger in. De secretaris der commissie, de heer J. M. J. Schepper, die een verdienstelijke commentaar op de Wet op de Oorlogswinstbelasting het licht deed zien, schrijft over hetgeen er met het ontwerp der Staatscommissie voorviel, het volgende: „De Minister bracht in het door de Staatscommissie als vrucht van haren arbeid aangeboden ontwerp geen groote wijzigingen. Naast een paar veranderingen van redactioneelen of louter formeelen aard, werd het tarief gewijzigd. De Staatscommissie had het bedrag der belasting op 25 pct. gesteld, met een algemeenen aftrek van ƒ 1000, en bij natuurlijke personen een degressie voor de inkomstenvermeerderingen beneden ƒ 20.000 tot 10 pct. toe. De Minister kon zich met de degressie niet vereenigen, maar stelde den algemeenen aftrek op ƒ 2000 (Bij de Nota van Wijzigingen, die de Memorie van Antwoord vergezelde, is voor inkomsten- of winstvermeerderingen beneden ƒ 2500 de aftrek op ƒ 1000 gesteld en het tarief op 10%). Verder werd het percentage verhoogd en op 30 bepaald, om het Rijk in de gelegenheid te stellen aan de gemeenten wier financiën tengevolge van den oorlogstoestand in de war zijn, uit de opbrengst dezer belasting een uitkeering te doen. Den 10den Maart werd het aldus gewijzigde ontwerp bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Den 18en Mei nam de Tweede Kamer het ontwerp zonder hoofdelijke stemming aan, nadat het nog eenige wijziging had ondergaan. Den 21en Juni werd het—eveneens zonder hoofdelijke stemming—door de Eerste Kamer goedgekeurd en daarna door de Koningin bekrachtigd”. Zoo kwam de Wet op de Oorlogswinstbelasting van 22 Juni 1916 tot stand.

De oorlogswinstbelasting is, zooals wel van zelf spreekt, alleen bedoeld als heffing in oorlogstijd. Nadat de oorlogstoestand zal zijn geëindigd moet een wetsvoorstel worden ingediend, om haar te doen vervallen. Op de bijzonderheden harer regeling ga ik niet in. Haar beginsel wordt algemeen als rechtvaardig erkend en haar uitwerking is met veel zorg en met veel kennis van zaken geschied. Toch heb ik op de boven aangevoerde gronden geen onbeperkt vertrouwen in de billijkheid harer werking, noch in het bedrag dat zij zal opbrengen. De oorlogswinsten der vennootschappen zal zij weten te vinden en te treffen; daarentegen vrees ik dat een groot deel der oorlogswinsten van particuliere handelslieden, industrieelen en landbouwers door haar niet zullen worden bereikt. Wordt dit vermoeden bewaarheid, dan zal zij leiden tot ontstemming en zal haar opbrengst onder den invloed van dat gebrek staan. Ware dit niet het geval, dan zou het zooeven genoemde cijfer van ƒ 40 à ƒ 45 millioen waarschijnlijk wel meer dan verdubbeld, zoo niet verdrievoudigd kunnen worden. Niemand zal het meer toejuichen dan ik, indien de uitkomst mijne niet al te hoog gestemde verwachtingen zal beschamen.

De oorlogstoestand is nog niet ten einde. Nog steeds verlangt hij van het Rijk offers, die, in stede van geleidelijk lager te worden, voortdurend klimmen. Hoe lang dat nog zal duren, en hoe hoog die offers zullen stijgen, kan niemand zeggen. Maar zelfs al mocht dit meevallen en al mochten de buitengewone belastingen, die reeds wet zijn geworden of die de Staten-Generaal hebben gepasseerd, veel meer opbrengen dan waarop gerekend wordt, dan nog zal er meer geld noodig zijn, veel meer geld dan kan worden opgebracht door de belastingen uit mijn algemeen herzieningsplan, welke thans bij de Staten-Generaal in behandeling zijn.

Wat de krijg, als hij eindelijk zal zijn geëindigd, over Europa en inzonderheid over ons land brengen zal—wie zal het zeggen? Te dien aanzien staan wij allen voor een groot vraagteeken. Slechts zooveel is zeker, er zal een tijdperk aanbreken van haast onbegrensde mogelijkheden, maar ook van haast onbegrensde gevaren. Of door Nederland die mogelijkheden begrepen, die gevaren omzeild zullen worden, zal—indien wij buiten den oorlog mogen blijven—in de eerste plaats afhangen van de energie onzer industrieelen, zeevaarders, boeren en handelaars, en wel vooral van de jongeren onder hen, die nog hun ganschen mannen-leeftijd voor zich hebben. Naast energie zal breedheid van inzicht en opvatting in de naaste toekomst meer dan ooit noodig zijn.

Maar opdat Nederland met grooter kracht zal te voorschijn komen uit de geweldige omwenteling, welke de oorlog bezig is over Europa te brengen, zal daarnaast ook noodig zijn, dat de Staat het zijne tot ontwikkeling en verhooging van de volkskracht bijdrage. Daartoe zal hij geld, veel geld behoeven. Aan alle regeeringen van de komende jaren, uit welke partij zij zullen voortkomen, door welke beginselen zij zullen worden gedragen, zal de Nederlandsche Maagd steeds als een harer eerste eischen stellen: „faites moi de bonnes finances!”

’s Lands toekomst hangt af in de eerste plaats van het inzicht, den durf en de energie, van het kennen en kunnen zijner zonen, maar daarnaast ook van hetgeen de Staat, door zwakkeren te steunen, overmachtigen in toom te houden en regelend, ordenend en helpend op te treden, er toe kan bijdragen, om de kracht, die in de lagere lagen des volks al te vaak sluimert en verdrukt wordt, en onder dien druk al te vaak in verkeerde richting wordt geperst, tot volle ontplooiing te doen komen en haar er toe te leiden zich dienstbaar te maken aan de verhooging van Neerlands welvaart en Neerlands bloei.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings