HOOFDSTUK II. DE LEVENSMIDDELENVOORZIENINGEN.
Reading edition
§ 1. Beperking van den uitvoer.
De oorlogstoestand heeft op bij uitstek voelbare wijze aan ieder duidelijk gemaakt, welk een beteekenis het ongestoord interlocaal en internationaal verkeer voor het economische leven in de moderne maatschappij heeft. Toen in de eerste weken van Augustus 1914 het verkeer hokte, stonden alle economische vragen op eens onder een gansch ander licht, dan in normale omstandigheden en verlangden zij een gansch andere oplossing. Door de spoorwegvordering stond het goederenverkeer te land in die weken vrijwel stil; het scheepvaartverkeer was lam gelegd, niet alleen door de onzekerheid omtrent het lot dat aan ons land zou worden beschoren, maar ook door de onbekende gevaren waaraan de oorlog ter zee de scheepvaart, inzonderheid op de Noordzee, zou kunnen blootstellen. De binnenschipperij miste als terugslag van den stilstand in de groote scheepvaart en in het goederenvervoer op de spoorwegen voeding en werk. Daarbij kwam dat er gegronde vrees heerschte voor kolengebrek, zoo niet voor kolennood. Tot overmaat van ramp ontwrichtten de maatregelen, die door de oorlogvoerenden, in de eerste plaats door Engeland als feitelijk beheerscher der zee werden genomen, het internationaal verkeer geheel en al. Dit een en ander legde aan de Regeering, inzonderheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel den plicht op, vóór alles er voor te zorgen, dat geen gebrek aan de noodige levensmiddelen zou ontstaan. Daarbij had zij het hoofd koel te houden en moest zij zich niet laten meesleepen, tot het nemen van goed bedoelde maar in hun gevolgen bedenkelijke maatregelen, waarop zoowel in als buiten de Staten-Generaal werd aangedrongen.
Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:
„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp, waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het geval is.
„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet was, waarbij onder zekere voorwaarden,—wij kunnen zeer goed begrijpen, in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou, toch niet streng zou kunnen toepassen—aan de bevolking die het noodig had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet alleen het verkeer—dat nu reeds wat den internationalen handel en het kredietwezen betreft, zeer verstoord is—maar ook de kleinhandel op zeer bedenkelijke wijze verstoord worden.
„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden, leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet durf voorstellen”.
In de Eerste Kamer werd door den heer Polak een overeenkomstige aandrang geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.
Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870, bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver, steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof verschillende soorten van levensmiddelen.
Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.
In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht. „Zonder eenigen twijfel zullen—zoo voerden verschillende leden aan—in geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand, dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst, die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.
De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.
„Door eenige leden—zoo zegt het Voorloopig Verslag—werd als een bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij, ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt, geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”
En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken. Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton eau!”
De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.
Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel,—het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te houden.
Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet, althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.
Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst geschiedde.
Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen, indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar. Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden en is sedertdien verboden gebleven.
Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed, niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst, toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander element in het geding. „Het blijkt,—zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914—dat er onder deze omstandigheden een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed, zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.” Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad. Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer, krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd, gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.
Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken. Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde, omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet tegenspreken.
Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40% voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren, van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld op ƒ 48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die uitvoering behulpzaam zijn.
Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën; de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad, en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.
Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst, die er mede was te verdienen.
Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde, grootendeels onmogelijk had gemaakt.
Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van 1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was, zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de suikerraffinaderijen.
Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50. Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen het kind van de rekening te laten worden.
In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer gevaarlijken weg.
Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der Regeering zou—zoo redeneerde men—een klein deel van het land (hier de zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden binnen ieders bereik liggende groente.
Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had laten leiden, zou—om slechts één voorbeeld te noemen—onze rijstreserve over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep van rijstpellers en rijsthandelaars.
Niet minder dan door de zooeven bedoelde beschouwing, werd ik getroffen door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ 70 millioen werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw, ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren, dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede groepen der bevolking nog grooter worden zou.
Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen, komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder gevaar.
Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben gedaan.
De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.
Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept, schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest, welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een haas noodig.
Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife fest!”
Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden, indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen, doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.
De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen, kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer. Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf, dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.
De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet, dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een weelde-artikel werd.
Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October 1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen, niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen. De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October 1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim) uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd; voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.
Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product, dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.
De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld, dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.
„Men moet niet vergeten—zoo zeide ik—, dat, zonder dat de menschen willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien te hebben, ik zal niet zeggen zien met een vergrootglas, maar met een vergrootglas weergeven. Zoo is er aan mijn Departement een brief ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87 stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199 stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”
Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking, waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, het algemeene volksbelang is, een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt. Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.
Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund. Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest. Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.
Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren, bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd „speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.
Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te nemen.
Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte. Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus 1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging gevoel.
Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens op het oogenblik niet meer juist zijn.”
Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat—zooals uit de volgende hoofdstukken blijken zal—veel heeft bijgedragen tot het niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a. i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden worden uitgeput.”
Om tot die slotsom te komen, was de enquête niet noodig geweest. Het groote bezwaar van zulke spoedopnemingen is, dat men er zich niet op kan verlaten. Men moet daarbij aan de burgemeesters allerlei vragen doen, voor welker beantwoording zij de gegevens evenzeer missen als de Regeering zelve en die zij slechts behoorlijk zouden kunnen beantwoorden, als zij de beschikking hadden over personeel, dat voor zulk een onderzoek geschoold is en dat dit na de noodige voorbereiding en met de noodige omzichtigheid leiden en uitvoeren kan. Zooals de zaak geschieden moest, kreeg men niet veel meer dan een verzameling persoonlijke meeningen van burgemeesters, van welke het geraden was niet dan een critisch gebruik te maken.
Voortdurend trachtte het Departement van Landbouw zich, ook na die enquête, zoo goed mogelijk van den stand der verschillende voedingsmiddelen op de hoogte te houden. Steeds was daarbij critiek op de ontvangen gegevens uiterst geraden. Gold het artikelen, zooals rogge, die de boeren liefst in het eigen bedrijf wilden gebruiken, dan hadden die gegevens de neiging beneden de werkelijkheid te blijven; gold het daarentegen artikelen, zooals aardappelen, waarvan een gedeelte over de grens kon worden gelaten, dat absoluut en percentsgewijze hooger was, naar gelang de voorraad meer overschreed hetgeen voor binnenlandsch verbruik gereserveerd moest blijven, dan moest men rekenen met de neiging de werkelijkheid te flatteeren. Men moet ook deze moeilijkheid niet onderschatten bij het beoordeelen en veroordeelen van tekortkomingen van het Departement van Landbouw in de vervulling van zijn even moeilijke als buitengewone taak ten aanzien van de levensmiddelenvoorziening.
Na de suiker, de boter, de kaas en de aardappelen kwamen het varkensvleesch, de eieren en allerlei groenten aan de beurt. Daarbij werd de regeling voor de suiker, telkens met de afwijkingen, welke de aard van het product noodig of wenschelijk maakte, tot voorbeeld genomen. Er werden percentages vastgesteld, die hier te lande moesten blijven en Rijksbureaux opgericht ter regeling en controleering der uitvoerconsenten.
Bij het stellen der uitvoerverboden en het regelen der uitvoerconsenten werd dankbaar gebruik gemaakt van de adviezen der in hoofdstuk V nader te bespreken subcommissie uit het Kon. Nat. Steuncomité, welke zich tot taak gesteld had, mede te werken aan het weder op gang brengen van het verkeer en de productie en daarmede de fourageering der bevolking te verzekeren. Op initiatief van den heer Posthuma als 2en Voorzitter van dat comité werd de fourageeringscommissie den 5en Januari 1915 omgezet in de algemeen bekend geworden Commissie voor de voeding van mensch en dier. Deze werd samengesteld uit: de voorzitters der hieronder te bespreken roggecommissies en der provinciale bemiddelingsbureaux van het Nederlandsch Landbouw-comité, den secretaris van den Nederlandschen Tuinbouwraad, den voorzitter van den Middenstandsbond, de voorzitters van de vereenigingen of bonden van bakkers, aardappelhandelaars en slagers, de directeuren van de distributiebureaux van graan en meel en van boter en kaas; de verbruikers waren er in vertegenwoordigd door den voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond. Vanwege het Kon. Nat. Steuncomité werden aan de Commissie toegevoegd: de voorzitter van de commissie van uitvoering, de algemeene secretaris en eenige adjunct-secretarissen. De samenstelling van de Commissie was dus zeer veelzijdig en gaf alle waarborgen van deskundigheid; echter was tegenover de verschillende producenten en handelaars het verbruikersbelang wel wat zwak vertegenwoordigd. De stem van den voorzitter van den Nederlandschen Coöperatieven Bond kon tegen het groote aantal stemmen van vertegenwoordigers van producenten- of handelaarsbelangen niet opwegen. Het voorzitterschap werd opgedragen aan den heer Mr. J. T. Linthorst Homan te Assen, lid van de Commissie van uitvoering van het Kon. Nat. Steuncomité, en voorzitter van het Nederlandsch Landbouwcomité, die van het begin van den oorlogstoestand af met groote toewijding zijn krachten aan het land beschikbaar heeft gesteld en nog stelt.
In zijne rede tot installatie der commissie wees de heer Posthuma er op, dat de commissie het middelpunt zou vormen van de verschillende provinciale en plaatselijke bureaux en commissies, welke verzorging van onderdeelen van het voedingsvraagstuk ten doel hadden.
„Provinciaal plegen de bestaande roggecommissies en de bemiddelingsbureaux voor den Nederlandschen Landbouw overleg met elkander—zoo werd in die installatierede de te vervullen taak omschreven—inzake alle vraagstukken de voeding van mensch en dier betreffend. Van dit overleg wordt verwacht, dat wederzijds het beste inzicht wordt verkregen òf in elkanders belang òf in hetgeen voor het algemeen belang de meest juiste maatregel moet geacht worden te zijn. Stilzwijgend wordt aangenomen, dat men provinciaal een uitvoerend comité vormt, dat de beslissing neemt in die zaken, waarvoor de voorzitters van de roggecommissie of het bemiddelingsbureau het niet noodig oordeelen de leden hunner commissie op te roepen. Het is bepaald wenschelijk dat door zoo’n provinciaal uitvoerend comité getracht wordt de medewerking te verkrijgen van de plaatselijke organisatiën, waarvan de voorzitters der landelijke organisatiën in de Commissie voor de voeding van mensch en dier van het Kon. Nat. Steuncomité zijn opgenomen. Noodzakelijk is, dat iedere provinciale commissie een adres heeft, waaraan alles de provincie betreffende kan worden gezonden.
„Verwacht wordt, dat het op deze wijze voor de Regeering mogelijk zal zijn, van het Kon. Nat. Steuncomité inlichtingen te verkrijgen, waarin de verschillende belangen die de verschillende provinciën dikwijls hebben, geheel tot uiting komen.
„De Regeering heeft het voornemen vele malen hetzij van het bureau, hetzij van het bureau versterkt door voor een bepaalde vraag meer aangewezen leden, advies te vragen en vertrouwt, dat bij vragen van algemeenen aard of het landsbelang rakende, door het bureau dezer commissie het advies der provinciale comités zal worden gevraagd.”
De Commissie voor de voeding van mensch en dier is bedoeld als een commissie van advies en zij kon trouwens niet anders bedoeld zijn, daar zij geen tijdelijk regeeringsinstituut is, maar een schepping en een onderdeel van het Kon. Nat. Steuncomité dat, hoewel het met de Regeering in zeer nauwe betrekking staat, toch een particuliere vereeniging is, aan welke geen regeeringsdaden kunnen worden opgedragen. Practisch heeft het zich echter zoodanig ontwikkeld, dat de commissie niet slechts over de uitvoerconsenten advies geeft, maar feitelijk de uitvoering der consentenregelingen onder verantwoordelijkheid van den Minister van Landbouw in handen heeft. Uit den aard der zaak moet zij daarbij steeds voeling houden met de Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij, waarover ik in hoofdstuk V spreek.
De Commissie voor de voeding van mensch en dier werd echter niet alleen gesteld aan het hoofd der consentenafgiften, ook de leiding der distributie van de levensmiddelen, waarover de Regeering de beschikking kreeg, werd haar toevertrouwd. In de circulaire van 29 September 1915 aan de burgemeesters, waarin door den Minister van Landbouw de hoofdtrekken van een nieuw plan van levensmiddelendistributie werden uiteengezet, naar aanleiding van de hieronder nog eenigszins nader te bespreken omzetting der Rijksbureaux voor distributie van verschillende levensmiddelen in vereenigingen van belanghebbenden, welke onder een van Regeeringswege georganiseerd toezicht werken, werd medegedeeld dat de centrale leiding van die nieuw georganiseerde levensmiddelendistributie was opgedragen aan „de Commissie voor de voeding van mensch en dier uit het Kon. Nat. Steuncomité, door welke commissie een algemeen administratiekantoor wordt ingesteld.
„De verstrekking van de in aanmerking komende levensmiddelen geschiedt voor de onderscheidene gemeenten door tusschenkomst van dit administratiekantoor. Hierdoor wordt het dubbele voordeel verkregen, dat voor alle artikelen door de gemeenten slechts aan één adres behoeft geschreven te worden en het administratiekantoor zich niet, als de thans bestaande distributiebureaux, met een steeds grooter wordend getal afnemers, doch enkel met de gemeenten in verbinding behoeft te stellen.”
Staatsrechtelijk was het zeker niet onberispelijk, dat de leiding van de distributie van verschillende etenswaren, welke Rijkseigendom waren geworden, tusschen de gemeenten, die daaraan behoefte hadden, werd opgedragen aan een niet-publiekrechtelijk georganiseerd centraal distributiebureau. Deze fout werd trouwens spoedig hersteld door de omzetting van het centraal distributiebureau van de Commissie voor de voeding van mensch en dier in een Rijksbureau. Practisch was, afgezien van de karakterverandering der afzonderlijke distributiebureaux voor de verschillende levensmiddelen—waarover aanstonds,—het brengen van onderling verband tusschen die uit den nood der tijden ontsproten instellingen en het organiseeren daarvan onder een centraal hoofdbureau zonder twijfel een verbetering. Dat de ervaring, welke met de levensmiddelendistributie werd opgedaan, toch vaak zoo weinig bemoedigend was, mag aan de in September 1915 tot stand gebrachte reorganisatie niet worden geweten; die ervaring was verre van onverdeeld gunstig, ondanks de door die reorganisatie aangebrachte verbetering.
De hoofdmoeilijkheid waarmede men bij de Rijkslevensmiddelendistributie heeft te kampen gehad, kon door centralisatie van den distributiedienst hoogstens iets worden verminderd; ondervangen worden kon zij daardoor niet. Zij was inhaerent aan de omstandigheid, dat de levensmiddelen, die gedistribueerd moesten worden, Rijkseigendom waren geworden, d. w. z. dat zij, vóór zij door tusschenkomst van den kleinhandel (en de slagers) onder het bereik van de verbruikers werden gebracht, eerst, zij het ook in tijd vaak slechts zeer kort, aan het handelsverkeer werden onttrokken. Terwijl het lot zijner waren in normale tijden den groothandelaar en den grossier onverschillig zijn kan, als zij hem maar betaald worden, mocht het der Regeering, hier als groothandelaar of grossier optredend, juist niet onverschillig zijn, wat er met het goed gebeurde. Haar geheele optreden op dit gebied was alleen gerechtvaardigd als middel om de goederen, waar het om ging, tegen billijken prijs aan de verbruikers te brengen. De geheele organisatie moest er dus op ingericht zijn, zoo goed mogelijk te waarborgen, dat dit doel ook zou worden bereikt, m.a.w. dat de waren, welke onder de machtssfeer van het Centrale Rijksdistributiebureau en zijne vertakkingen kwamen, die machtssfeer eerst zouden kunnen verlaten op het oogenblik, dat zij in handen gekomen waren van de verbruikers, voor wie zij bestemd waren. De taak, waarvoor het distributiebureau stond, was het wegvloeien dier goederen tusschen het beginpunt, de overgang in Rijkseigendom, en het eindpunt, het in handen gekomen zijn van den verbruiker, te verhinderen. Dat was daarom zoo moeilijk, omdat bij de distributie gebruik gemaakt worden moest van de tusschenkomst van hen, die gewoon zijn deze rol in het maatschappelijk leven, maar dan voor eigen rekening, te vervullen, grossiers en winkeliers (en slagers). Den tusschenhandel voorbijgaan was onmogelijk. Zoowel direct practische als algemeen sociale overwegingen verzetten zich daartegen. Maar aangezien de prijzen, waarvoor de regeeringswaren afgeleverd moesten worden, lager, in sommige gevallen zeer aanzienlijk lager waren, dan die, welke de grossiers en winkeliers konden bedingen voor waren van dezelfde kwaliteit, die op hun weg naar het verbruikende publiek geen oogenblik het particuliere verkeer hadden verlaten, was het bij uitstek moeilijk er voor te zorgen, dat de regeeringskaas, de regeeringseieren, de regeeringsgroenten enz. op hun weg naar den verbruiker niet afdwaalden en aan hun bestemming werden onttrokken. De contrôle tot het tegengaan van dergelijke hoogst hinderlijke verdwijningen was bij het eene product minder moeilijk dan bij het andere. Geheel afdoende kon zij nergens zijn. Het enkele feit dat zulke lekken telkens opnieuw aan het licht kwamen, was teleurstellend voor de verbruikers, ontstemmend voor hen, die hun waren beneden den handelsprijs hadden moeten afstaan, en ontmoedigend voor de organen, welke tot taak hadden de distributie te verzorgen. Hinc illae lacrimae!
Geheel had men het euvel, ook bij eene andere regeling, niet den kop kunnen indrukken. Maar men had toch twee belangrijke factoren, die tot vergrooting van het kwaad leidden, kunnen uitschakelen. Een daarvan hangt ten nauwste samen met de verandering in rechtskarakter, welke men bij de gevolgde regeling het te distribueeren goed deed ondergaan, vóór het in distributie kwam. Op welke wijze men die verandering naar mijne meening had kunnen ontgaan, kan ik eerst nader uiteenzetten, als ik in de volgende paragraaf de hoofdtrekken van de levensmiddelenwet van 3 Augustus 1914 zal hebben besproken[2]. De andere factor ligt hierin, dat de hoeveelheid der aan de distributie-organen ter beschikking gestelde regeeringswaren niet afhankelijk was van den omvang der behoefte daaraan, maar van den omvang van het exportbedrijf in de branche, welke in die waren handel dreef. Hierdoor ontbrak elk innerlijk verband tusschen aanbod en vraag in de Rijksdistributieorganisatie en was er nu eens een relatief te veel dan weer een absoluut te kort, dat desorganiseerend werken moest en desorganiseerend gewerkt heeft, ook al heeft men, zooals bijv. bij de regeeringsvarkens, maatregelen genomen om het nadeelig gevolg van het ontbreken van dat innerlijk verband zoo goed mogelijk te neutraliseeren.
Deze tweede factor in de moeilijkheden, welke bij de distributie der regeeringswaren werden ondervonden, staat in den nauwsten samenhang met een principieel verschil tusschen de beperking van den uitvoer en de regeling der uitvoerconsenten bij de suiker en bij de andere producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt, welke in allengs versnellend tempo volgden. Dat verschil bestaat hierin, dat ten aanzien van de suiker in het algemeen werd bepaald, welk deel hier te lande moest blijven en welk deel kon worden uitgevoerd en voorts in het algemeen een maximumprijs voor de binnenslands blijvende suiker werd vastgesteld, terwijl daarentegen de boteruitvoerregeling zoodanig werd ingericht, dat telkens tegenover het uitvoerconsent een zekere hoeveelheid boter tegen een van regeeringswege vastgestelden prijs voor de binnenlandsche consumptie aan het Rijk moest worden afgestaan. In deze afwijking van de suikeruitvoerregeling ligt de principieele fout. Zij werd reeds begaan onder mijn bewind als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel; mijne critiek treft dus ook mijzelven. Hoe meer regelingen intusschen in den geest van de boter- en kaasbureaux werden getroffen en hoe langer zij werkten, des te sterker kwam de fout naar voren en des te duidelijker moest het worden, dat het zaak was haar weg te nemen.
Door het vastkoppelen van de vorming van een voorraad voor binnenlandsch verbruik aan de afgifte van consenten voor den uitvoer, ging die voorraad met den omvang van den export op en neer en hield de aanvulling of vernieuwing daarvan op, zoodra door maatregelen van onze eigen Regeering of van die van het land, waarheen de uitvoer voornamelijk ging, in dien uitvoer tijdelijk stilstand intrad. Een voorbeeld daarvan geeft de Achtste Nota betreffende den Economischen Toestand:
„Het bleek noodzakelijk den geheelen uitvoer van kaas stop te zetten, hetgeen geschiedde vanaf 24 October tot en met 7 December 1915. Het gevolg daarvan was natuurlijk[3], dat gedurende dit tijdsverloop ook geen zoogenaamde regeeringskaas meer beschikbaar werd gesteld”,—werd in die Nota opgemerkt. Het wekt reeds eenige verwondering, dat men bij het neerschrijven van die opmerking niet tevens inzag, dat men op den verkeerden weg was en dat het noodig was de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens, regeeringskaas, regeeringseieren, regeeringsgroenten enz. op andere wijze te regelen. Maar nog meer trof het mij, dat eenige maanden later, in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp tot beschikbaarstelling van ƒ 20 millioen voor de volksvoeding, als iets dat volkomen in den haak is, werd geschreven: „Het behoeft geen betoog, dat in de periode welke wij thans ingaan of reeds zijn ingegaan, de uitvoer van verschillende onzer producten belangrijk zal verminderen en daardoor, afgezien nog van de hoogere productiekosten, den producent de voor het binnenlandsch verbruik opgeëischte waren duurder zullen moeten worden betaald[4];” en enkele regels verder: „voor die waren, waarvan geen uitvoer en dus geen (automatische) beschikbaarstelling door de bekende vereenigingen plaats heeft, zal....” enz.
Die uitlatingen toch leggen den vinger op de principiëele fout van de regeling (een fout, die—ik herhaal het—ook voor mijne rekening komt), zonder dat uit de aanwijzing daarvan de conclusie wordt getrokken, dat het dus noodig is verandering aan te brengen. Het deel van den geheelen voorraad, dat voor binnenlandsch verbruik beschikbaar wordt gehouden, moet niet afhangen van hetgeen ten uitvoer wordt aangeboden, maar het deel van dien voorraad, dat ten uitvoer kan worden toegelaten, moet afhangen van het deel, dat voor het binnenlandsch verbruik gereserveerd moet blijven. Zoolang de uitvoer tamelijk geregeld zijn gang ging, had de fout in het punt van uitgang der uitvoerregelingen geen practische gevolgen van overwegende beteekenis. Maar zoodra kwam er niet stilstand of vertraging daarin of die fout moest zich wreken. In stede van zich te haasten, haar zoo goed mogelijk te herstellen, beriep men er zich op, als op iets natuurlijks en leidde er zelfs de averechtsche conclusie uit af, dat als er minder werd uitgevoerd, voor den voorraad die voor binnenlandsch verbruik werd opgeëischt, dus duurder zou moeten worden betaald, boven en behalve hetgeen volkomen terecht moet worden vergoed ter compensatie van hoogere productiekosten. Na hetgeen ik zooeven[5] over het verband van oorlogswinst en uitvoerbeperking zeide, behoef ik hier niet nog eens te betoogen, waarom ik die conclusie onjuist acht. De bedoelde Memorie van Toelichting wijst er op, dat men aan de afdeeling Landbouw van het Departement het spoor eenigszins bijster is geworden.
Een ander principieel bezwaar, dat, zooals ik reeds aangaf, ook practisch nadeelige gevolgen heeft, treft de regeling krachtens welke de exporteurs van ten uitvoer verboden levensmiddelen hun uitvoerconsenten als het ware moeten koopen voor een prijs, bestaande in het overdragen aan het Rijk van een deel hunner waar beneden de marktwaarde, welk deel door tusschenkomst van de distributiebureaux, later van de distributievereenigingen en van het Rijks-Centraal Distributiebureau, aan de burgemeesters, die zulke levensmiddelen aanvroegen, ter beschikking wordt gesteld.
Onwettig zijn die regelingen niet, daar de exporteurs tegenover het consent dat zij ontvangen, vrijwillig een bepaald deel van hun voorraad tegen een bepaalden prijs afstaan. Maar die vrijwilligheid is slechts zeer betrekkelijk; in werkelijkheid wordt het voor het binnenlandsch verbruik beschikbaar gestelde deel afgedwongen, doordien het afstaan daarvan voorwaarde is voor het verkrijgen van het uitvoerconsent, m. a. w. voor de exporteurs voorwaarde is voor de uitoefening van hun bedrijf.
Het is reeds niet zonder bedenking, dat zulk een dwang wordt opgelegd zonder dat de overheid, die daaraan in normale omstandigheden niet zou denken, in den oorlogstoestand, welke dien dwang volkomen wettigt, zich kan beroepen op een uitdrukkelijk daartoe verleende wettelijke bevoegdheid. Misschien meer nog dan in gewone tijden is het in oorlogstijd, als de Regeering telkens in het economisch leven gevoelig ingrijpen moet, wenschelijk, zoo niet noodig, dat zij die den greep der overheid gevoelen, niet kunnen twijfelen aan het goed recht daartoe en dat geen voedsel wordt gegeven aan een, gelukkig geheel ongerechtvaardigd, maar toch onder abnormale toestanden met abnormale regeeringsinmenging zoo licht opkomend gevoel van te zijn overgegeven aan willekeur, in stede van te moeten bukken voor de wet van het inwendig oorlogsrecht.
Bij de regeling welke de beschikbaarstelling van voorraden voor binnenlandsch verbruik vastkoppelde aan de afgifte van consenten voor uitvoer, bleef wel de mogelijkheid open, gebruik te maken van de bevoegdheid tot ingrijpen, aan de Regeering uitdrukkelijk gegeven bij de wet tot het tegengaan van vasthouding en prijsopdrijving van waren, welke ik in de volgende paragraaf bespreek, maar bij de toepassing der geschetste consentenregeling werd er als het ware stilzwijgend van uitgegaan, dat zoolang zij in stand gehouden werd, tot inbezitneming van de aan haar onderworpen exportartikelen krachtens de levensmiddelenwet niet zou worden overgegaan. Zóó vatten niet alleen belanghebbenden het op, maar ook de Regeering kwam, blijkens haar handelingen, in die gedachtensfeer. Dit is geen verwijt aan den Minister van Landbouw; het niet gebruik maken van de bevoegdheden door de levensmiddelenwet gegeven, was zoozeer saamgeweven met de gansche regeling der uitvoerconsenten, dat het wèl hanteeren daarvan nauwlijks oirbaar zou zijn geweest, zoolang de consentenregeling bestond en voor zoover zij door belanghebbenden behoorlijk werd nageleefd. Echter pleit ook dit haast onvermijdelijk gevolg wèl tegen de regeling zelve. Men had, zooals ik in de volgende paragraaf nog nader denk te motiveeren, beter gedaan zich aan de wettelijke bevoegdheden te houden dan, met de beste bedoelingen en hier en daar ook langen tijd wel met gunstig gevolg, zich te begeven op den gevaarlijken weg der extralegale, zoogenaamd vrijwillige, maar inderdaad door den nood der omstandigheden afgedwongen beschikbaarstellingen.
Hier heeft bovendien de eerste stap geleid tot een haast logisch noodzakelijke consequentie, die principieel alweer iets verder van den rechten weg af voerde en die practisch weinig voldaan heeft. Daarmede doel ik op het tweede deel van de in September 1915 doorgevoerde reorganisatie van de regeling der uitvoerconsenten. Zooeven wees ik er reeds op, dat het eerste deel daarvan, namelijk het brengen van verband tusschen de verschillende consenteninstituten, een verbetering was. Ditzelfde kan m. i. niet worden getuigd van het andere deel dier reorganisatie, namelijk de vervanging der Regeeringsbureaux op den uitvoer van voedingsmiddelen door vereenigingen van belanghebbenden, welke werkten onder toezicht van commissies, waarvan de leden door den Minister van Landbouw werden benoemd. Waar bij de geheele regeling der uitvoerconsenten allengs het privaatrechtelijk beginsel van het „do ut des” meer op den voorgrond kwam, kon de uitvoering daarvan practisch inderdaad beter worden toevertrouwd aan privaatrechtelijke vereenigingen van belanghebbenden, dan aan krachtens hun oorsprong (tijdelijke) staatsrechtelijke bureaux. Die vereenigingen van belanghebbenden konden met de individueele exporteurs veel beter onderhandelen, zoowel over het voor binnenlandsch verbruik beschikbaar te stellen quantum tegenover elken uitvoer, als over den prijs, waarvoor de beschikbaar te stellen hoeveelheden moesten worden afgestaan. Een nadeel was echter, dat door haar den hoofdinvloed te geven op de uitvoering der regeling, het groepsbelang der exporteurs van een bepaald voedingsmiddel veel te sterk op den voorgrond kwam tegenover het algemeen belang van den consument. Het boven[6] aangestipte bezwaar der onwillekeurige eenzijdigheid van speciale vakdeskundigen, deed zich hier in sterk verhoogde mate gelden. De door den Minister benoemde commissies van toezicht konden dat bezwaar wel temperen en zij hebben het ook stellig wel getemperd; wegnemen konden zij het niet. Daartoe lag het te veel in het wezen der geheele uitvoerregeling.
Het denkbeeld om in die commissies van toezicht een overwegende plaats toe te kennen aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer heeft heel wat critiek ondervonden. Toch is het verklaarbaar genoeg, hoe het Departement van Landbouw daartoe is gekomen, al wil ik aanstonds toegeven, dat het geen gelukkig denkbeeld was en dat de ervaring, welke er mede is opgedaan, niet gunstig kan worden genoemd. Er werden in de Tweede Kamer zeer vaak klachten geuit, waaruit bleek, dat de klagende volksvertegenwoordigers de moeilijkheden, welke de Regeering bij haar noodgedrongen optreden op een haar zoo vreemd terrein ondervond, veel te gering schatten. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat dit bij den heer Posthuma het denkbeeld deed rijpen, de volksvertegenwoordigers nader bij de zaak te brengen en hen de moeilijkheden daarvan te doen proeven. Er werd inderdaad mede bereikt, dat verschillende Kamerleden meer inzicht in die moeilijkheden kregen, maar dit voordeel werd voor een te hoogen prijs gekocht. Eenerzijds was het gevolg, dat de voorzittende Kamerleden van de commissies van toezicht op den uitvoer van land- en tuinbouwproducten zich eenigszins begonnen te gevoelen en te gedragen als onder-ministertjes, die, zonder verantwoordelijk te zijn, mochten meeregeeren; en anderzijds dat de werkelijke Minister, in verband daarmede, de teugels van het bewind niet zoo vast in handen kon houden, als juist in den abnormaal moeilijken oorlogstijd dubbel noodig was. De verantwoordelijkheid raakte feitelijk eenigszins verdeeld, hoewel zij staatsrechtelijk natuurlijk uitsluitend op den Minister bleef rusten. Het eindresultaat was, dat toen tot overmaat van ramp de Minister van Landbouw door ongesteldheid tijdelijk buiten gevecht gesteld werd, de feitelijke en de grondwettelijke verantwoordelijkheid zich nauwelijks meer dekten en er een practische veelhoofdigheid in het bestuur der levensmiddelenvoorziening kwam, die den wagen geheel uit het spoor bracht. De bevolking begon, niet geheel ten onrechte, beangst te worden en de Minister van Binnenlandsche Zaken, optredende als feitelijk interimair Minister van Landbouw, werd genoodzaakt tot forsch ingrijpen om den wagen weer aan het rollen te brengen. Op een helaas voor de bevolking wat zeer voelbare wijze werd zoodoende weer eens door de ervaring bevestigd, dat gedeelde verantwoordelijkheid geen verantwoordelijkheid is.
En niet slechts de verbruikers waren beangst en ontstemd, ook de boeren waren ontevreden. De grondtoon van hun ontevredenheid was verbolgenheid over het feit, dat zij niet zooveel oorlogswinst konden maken als zonder beperking van den uitvoer het geval zou zijn geweest. In zoover was die ontevredenheid menschelijk, maar onredelijk. Na hetgeen ik boven[7] over oorlogswinst en beperking daarvan door uitvoerverboden schreef, behoef ik dit oordeel hier niet opnieuw te staven. Ik zou daardoor slechts in herhaling vervallen.
Daarnaast hadden de boeren een andere grief, die alleszins reden van bestaan had. Ik maakte er reeds melding van, hoe de uitvoerregeling bij de kaas op mislukking uitliep. Met de andere voedingsartikelen, waarvoor een analoge regeling was getroffen, ging het over het algemeen wel beter, maar toch waren ook hier te veel lekken. En te dikwijls is het voorgekomen, dat producten, die door de boeren tegen matigen prijs moesten worden afgestaan om voor het overige van hun voorraad uitvoerconsent te verkrijgen, in stede van hun bestemming te bereiken, werden opgekocht door tusschenhandelaars, die toch gelegenheid zagen ze met grove winst over de grenzen te krijgen of ze als vrij goed binnenslands te verkoopen. Dat de boeren daartegen in opstand kwamen, is niet slechts menschelijk, maar volkomen gerechtvaardigd tevens. De oorlogstoestand heeft een aantal knoeiende beunhazen gekweekt, die door allerhande practijken, welke nu eens lijnrecht tegen de wet ingaan, dan weer langs de grens der strafbaarheid heenglijden, alle maatregelen, welke in het belang der volksvoeding moeten worden genomen, in de uitvoering bemoeilijken. Deze schadelijke parasieten, die wel voornamelijk maar helaas niet uitsluitend onder de gelegenheidshandelaars worden aangetroffen, zijn een ware nachtmerrie voor de Regeering. Voor den Minister van Landbouw zijn zij wat de smokkelaars zijn voor den Minister van Financiën. Voortdurend moet tegen hen strijd worden gevoerd. Hun optreden heeft er meer dan iets anders toe geleid, dat de regeeringsbureaux tot het afgeven van consenten, werden vervangen door vereenigingen van belanghebbenden, werkende onder contrôle van commissies van toezicht, en deel uitmakende van de over het heele land vertakte organisatie der Rijks-levensmiddelendistributie. Die verandering in de regeling is echter evenmin voldoende geweest om het kwaad te keeren.
Niemand beelde zich in, dat men dit euvel geheel den kop zal kunnen indrukken. Het is een voortdurende strijd, waarbij na elken nieuwen maatregel de beunhaas en de smokkelaar nieuwe wegen vinden, om dien te ontduiken. Dat het hen, die een deel van hun waar tegen betrekkelijk lagen prijs moeten afstaan, grootelijks ontstemt, wanneer zij ontdekken, dat anderen zich daarmede onrechtmatig verrijken, is volkomen begrijpelijk; zij zouden sukkels zijn, indien het anders ware. Die ontstemming kan men den boeren dan ook waarlijk niet kwalijk nemen. In dit opzicht beginnen zij eerst ongelijk te krijgen, als zij wegens de knoeierijen en ontduikingen, waartegen men wel den strijd kan en moet aanbinden, maar die men niet geheel verhinderen kan, het geheele ingrijpen der Regeering veroordeelen. Alleen dan zou hun conclusie te dezen aanzien gerechtvaardigd zijn, indien de Regeering niet voortdurend deed wat in haar vermogen is, om dat geknoei zooveel mogelijk tegen te gaan, of indien zij daartegenover zóó machteloos stond, dat zij wel den boeren een deel van hun kans op oorlogswinst wegnam, maar daarmede de volksvoeding weinig of niet hielp. Ja, dan zou men zich aan de zijde der pruttelende boeren moeten stellen. Een ingrijpen dat zijn doel niet bereikt en alleen de boeren zou beletten zooveel winst te maken, als zij anders zouden kunnen doen, zou inderdaad zich zelf veroordeelen.
Maar zoo erg is het gelukkig niet. Uit de bovenstaande bladzijden blijkt voldoende, dat ik geen onverdeeld bewonderaar ben van de regeling der uitvoerconsenten en de fouten daarvan niet wil verbloemen, maar al zou het effect zonder die fouten grooter zijn geweest en al moet worden erkend, dat er lekken zijn, welke men niet heeft weten te stoppen, toch is die voorziening niet gelijk te stellen met water gieten in een bodemloos vat. Verre van dien. Ondanks alles heeft zij zeer nuttig gewerkt. In de eerste plaats mag dankbaar worden gewag gemaakt van hetgeen geschied is met de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens; daardoor is het varkensvleesch op groote schaal gebleven binnen het bereik ook van de kleinere beurzen. Daarnaast mogen ook de regeeringsboter, de regeeringsgroenten en zeker ook de regeeringsvisch worden genoemd, al heeft het met die groenten wel eens leelijk gehokt.
Niet op inkrimping en nog minder op ontijdige opheffing der beperkingen van den uitvoer van levensmiddelen, waarvan het land meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte noodig is, moet voorloopig worden aangestuurd. Niet wegwerpen van het in den oorlogstijd onmisbare, omdat het gebreken heeft, maar rusteloos en gestadig zoeken naar- en aanbrengen van verbetering daarin, principieel en practisch. Dat is wat de buitengewone toestanden vragen; dat is ook wat de Regeering onverpoosd nastreeft en wat zij beter zal bereiken, naar gelang zij 1º. zich meer rekenschap geeft zoowel van de principieele beteekenis harer daden, als van de onwillekeurige partijdigheid van belanghebbende raadgevers en medewerkers, ook al zijn dezen volkomen te goeder trouw, en 2º. bij de uitvoering harer maatregelen zelve de teugels vaster in handen houdt.
Voor zoover ik in de voorafgaande bladzijden ook critiek liet hooren, heb ik dat niet gedaan zonder schroom. Echter treft mijn critiek voor een deel ook mijzelven. Maar wat mij vooral mijne aarzeling deed overwinnen, was de overweging dat de levensmiddelenvoorziening van zoo groot belang is en ook na het sluiten van den vrede nog eenigen tijd blijven zal, dat andere overwegingen daarvoor moeten wijken. Hieronder[8] zal nog nader blijken hoezeer mijn critiek een opbouwend karakter heeft.
Tot besluit van deze paragraaf nog een enkel woord over de regeeringsvisch. Regeeringsvisch is niet alleen natuurwetenschappelijk iets anders dan regeeringsboter, regeeringsvarkens of regeeringsgroenten. Hij wijkt daarvan ook af door een ietwat anderen oorsprong als regeeringswaar. In het begin van de oorlogscrisis had het allen schijn, dat het moeilijk zijn zou, voor de producenten der visscherij het gewone afzetgebied te vinden. Het Kon. Nat. Steuncomité trachtte toen niet zonder succes mosselen, welke anders grootendeels worden uitgevoerd, met name naar België, hier te lande als volksvoedsel ingang te doen vinden. Het richtte daartoe den 17den October 1914 een circulaire aan de plaatselijke comités en riep ook de tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin in, om de medewerking der burgemeesters te verkrijgen ter algemeene verspreiding van dat stuk. Daarin werden zelfs recepten gegeven, hoe de mosselen op verschillende wijze bereid kunnen worden. Tevens werd toen, op initiatief van het Comité, te Tholen een Centraal Bureau opgericht voor de bevordering van den afzet van Zeeuwsche mosselen. Door dat bureau werden mosselen tegen zeer lagen prijs aangeboden. Weldra greep ook de Regeering in en werd een poging gedaan om meer in het algemeen het verbruik van producten der visscherij onder de bevolking van ons eigen land te bevorderen. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand, welke van Januari 1915 dagteekent, wordt daarvan gezegd:
„Opgericht werd een Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten, dat onder leiding is gesteld van de visscherijinspectie in samenwerking met de vertegenwoordigers der visscherijorganisaties. Dit bureau, gevestigd te Amsterdam, stichtte daar een vischbakkerij, waarin reeds groote hoeveelheden spiering gebakken worden, welke aan het leger, aan vluchtelingen- en interneeringskampen en ook aan de gemeente Amsterdam geleverd werden. Deze laat het product in een aantal winkels verkoopen. Ook organiseerde het bureau reeds den verkoop van versche spiering door venters, terwijl het bovendien aan verschillende gemeentebesturen advies gaf over den inkoop van visch van gemeentewege, of de inrichting van gemeentelijke vischmarkten.”
In een latere Nota schrijft de Minister van Landbouw:
„Het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten zette in het 2e kwartaal van dit jaar (1915) met succes zijn werkzaamheden voort.
„Toen de spieringaanvoer minderde, werd voor de bakkerij ook eerst Zuiderzeeharing en later vooral Noordzeevisch door bemiddeling van het Centraal Bureau verkocht, hetzij doordat te Amsterdam en ’s Gravenhage vanwege het bureau zelf in marktkramen en halletjes verkocht werd, hetzij door levering aan gemeenten.
„Het aantal gemeentebesturen, dat door tusschenkomst van het bureau visch betrok, was aan het einde van het kwartaal tot 49 gestegen.
„Tijdens de stagnatie van de trawlvisch-aanvoer door moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening der stoomtrawlers en het mijnengevaar, werd door het Centraal Bureau ook aal verkocht, hetgeen ten goede kwam aan de visscherij in de Zuidhollandsche stroomen en benedenrivieren.”
Uit deze mededeelingen blijkt zonneklaar, dat de oorsprong van dit centraal bureau heel anders is dan die van de andere distributiebureaux. Terwijl deze laatste werden opgericht ter voorziening in de behoefte van verbruikers, was het bij het vischbureau juist andersom gesteld. De verbruikers profiteerden wel van het bureau, maar dit was een gelukkig gevolg van het eigenlijke doel: hulpverleening aan de in moeilijkheden geraakte visscherij. Indien het zoo gebleven was, zou ik van deze aangelegenheid hier in het geheel niet hebben gesproken en de zaak behandeld hebben in hoofdstuk V, waar ik de takken van ons volksbestaan gedurende de oorlogscrisis bespreek.
In den loop van het jaar 1915 werden echter ten aanzien van de visscherij, met uitzondering van enkele onderdeelen, met name de mossel- en de oestervisscherij, de bordjes verhangen. Van noodlijdend werd de visscherij, inzonderheid de trawl- en de haringvisscherij, ongekend winstgevend door eene buitengewone toeneming van de buitenlandsche (Duitsche) vraag. Zij kwam toen in een overeenkomstige positie als de exporteurs van boter, kaas, varkensvleesch, groenten enz. In verband daarmede werd in November 1915 een Zeevischvereeniging opgericht, om een deel van de aangevoerde kleine trawlvisch en zekere hoeveelheden haring ter beschikking te stellen voor binnenlandsch verbruik. Met die verandering in den toestand kwam de regeeringsvisch in hetzelfde schuitje met de regeeringsgroente. De afwijkende oorsprong heeft echter op de distributie van die visch een gunstig gevolg gehad.
§ 2. De levensmiddelenwet.
Zelfs al was de regeling der uitvoerverboden en -consenten zonder gebreken geweest, dan zou zij toch niet voldoende geweest zijn. Om aan de bevolking het verkrijgen der benoodigde levensmiddelen tegen niet te hoog opgedreven prijzen te waarborgen, was meer noodig.
Zooals in de inleiding werd in herinnering gebracht, gaven de huisvrouwen in het laatst van Juli en in de eerste dagen van Augustus 1914 uiting aan den schrik, die haar op het vernemen der berichten omtrent het uitbreken van den oorlog om het hart sloeg, door de winkels van eetbare waren te bestormen en voorraden van allerlei levensmiddelen en huishoudelijke verbruiksartikelen in te slaan. Dit gaf aanleiding dat sommige winkels werden uitverkocht en dat hier en daar fancy-prijzen werden gevraagd, welke, in den schrik welke de bevolking bevangen had, gereedelijk werden betaald door de koopsters, die daartoe in staat waren. Deze uiting van oorlogspaniek was tegelijk zóó onverwacht en zóó hevig, dat daartegen zonder verwijl moest worden opgekomen. Zij gaf aan het kamerlid Schaper den 31en Juli 1914 aanleiding, aan de Regeering de schriftelijke vraag te stellen, wat zij tot het tegengaan van prijsopdrijving van levensbenoodigdheden dacht te doen. Die vraag werd door Het Volk in het nummer van Vrijdag-avond 31 Juli bekend gemaakt en den volgenden ochtend overgenomen in de ochtend-edities van de groote dagbladen. Daardoor nam ik er kennis van, nog voordat mij het officieele bericht van den Voorzitter der Tweede Kamer daaromtrent bereikte. Ook zonder dat die vraag gesteld was, zou men de prijsopdrijving niet ongestoord haar gang hebben laten gaan; dit neemt intusschen niet weg, dat het bloote doen der vraag reeds nuttig werkte. De Regeering had in die dagen als het ware naar alle zijden tegelijk te zien en te voorzien. Het was haar niet mogelijk alles wat er omging en voorziening vereischte, zelve waar te nemen. Veel was er, dat zij hetzij uit de dagbladen, hetzij uit vragen of mededeelingen van belanghebbenden of belangstellenden vernemen moest. Door de vraag van den heer Schaper werd haar aandacht bijtijds gevestigd op het gevaar, dat ten aanzien der prijsopdrijving van levensmiddelen dreigde.
Het was aanstonds duidelijk dat de bestaande onteigeningswet niet voldoende was om het opkomende gevaar te keeren en dat het langs den weg van uitbreiding dier wet gekeerd worden moest. Zaterdag ochtend onder het gaan naar het Ministerie overwoog ik de hoofdpunten van hetgeen hier noodig was. Daar gekomen, zette ik die hoofdpunten op het papier als schema voor een wetsontwerp met een korte Memorie van Toelichting. Aan den chef der afdeeling Handel werd door mij opgedragen, ze in den vereischten vorm te gieten en daaromtrent voor zooveel noodig de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie te raadplegen. Persoonlijk besprak ik de zaak met den heer Cort van der Linden, van wien het ontwerp, daar het een aanvulling van de onteigeningswet betrof, formeel in de eerste plaats moest uitgaan. Naar aanleiding van opmerkingen van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie werd het stuk, dat tegen den middag in zijn eersten vorm gereed was gekomen, voor zooveel noodig gewijzigd en aangevuld. Hoewel ’s middags ook een belangrijke en vrij langdurige vergadering met personen uit de financieele wereld moest worden gehouden, was het toch omstreeks 7 uur ’s avonds zoover, dat ik aan de Koningin een audiëntie kon aanvragen om het ontwerp aan H. M. voor te leggen. De Koningin, die in die dagen met allerlei spoedzaken door Hare verschillende grondwettelijke raadslieden werd overstelpt, had den Voorzitter van den Ministerraad doen weten, dat alle leden van het Kabinet konden verzoeken in gehoor te worden ontvangen, zoo dikwijls zij dit voor dringende aangelegenheden noodig oordeelden. Bovendien had H. M. er voor gezorgd, dat voortdurend een der ambtenaren van Haar Kabinet ten Paleize aanwezig was, om de verdere behandeling van urgente stukken zooveel mogelijk te bespoedigen. Hoewel aan het ontwerp onophoudelijk was gewerkt, werd het toch ongeveer negen uur ’s avonds, vóórdat ik het stuk in den vorm, waarin het aan de Koningin kon worden voorgelegd, naar het Paleis kon medenemen. Toen ik met een enkel woord de strekking van het ontwerp uiteenzette, zeide de Koningin mij, dat Zij dienzelfden dag zeer was getroffen door de bestorming van winkels, welke Zij zelve had opgemerkt en dat Zij met genoegen zag, dat terstond een maatregel was voorbereid om het hieruit te duchten gevaar te keeren. Hoewel hetgeen ten Paleize binnenskamers tusschen de Koningin en een van Haar raadslieden wordt besproken, geheim is en behoort te blijven, ben ik wel niet onbescheiden en verklap ik geen staatsgeheim door te dezer zake een tipje van den sluier, die om zulke besprekingen hangt, op te lichten. Hare Majesteit gaf mij verlof het ontwerp uit Haar naam onverwijld naar den Raad van State om advies te zenden en teekende voorloopig het exemplaar, dat ik achterliet, boven op het stuk af, opdat de Directeur van Haar Kabinet daaruit voorloopig reeds Haar instemming met het ontwerp zou zien. Zoo werkte in die gedenkwaardige dagen ieder, de Koningin aan het hoofd, mede om den gang van zaken te bespoedigen en werd over formaliteiten, die vertraging teweegbrengen, heengestapt.
Intusschen was de Ministerraad van acht uur af bijeen ter behandeling van verschillende dringende onderwerpen en waren in een afzonderlijke kamer van het Ministerie van Justitie eenige ambtenaren van dat Departement en van die van Landbouw en van Binnenlandsche Zaken samengekomen, om het ontwerp nog nader onder handen te nemen, naar aanleiding van de opmerkingen, welke de Raad van State mocht maken. Toen ik in het gebouw van het Departement van Justitie, waar de Ministerraad pleegt te vergaderen, gekomen was, ging ik eerst naar de kamer van den Secretaris-Generaal. Daar vertelden mij de heeren, die er met het zooeven aangewezen doel samengekomen waren, dat de Raad van State uiteen was gegaan en den volgenden ochtend opnieuw zou vergaderen. Aangezien het ontwerp van zeer urgenten aard was en, zoo eenigszins mogelijk, behandeld moest worden in de vergadering van de Tweede Kamer, die Maandag 3 Augustus bijeenkwam, kon ik die mededeeling niet eenvoudig voor kennisgeving aannemen. Telefonisch kreeg ik er den hoofdcommies die in het gebouw van den Raad van State achtergebleven was, toe, dat hij den waarnemenden vice-voorzitter van den Raad (de heer Röell was kort te voren overleden en een nieuwe vice-voorzitter was nog niet benoemd) zou mededeelen, dat er een bij uitstek dringend ontwerp was ingekomen en dat de Regeering het zeer op prijs zou stellen, als zij nog dienzelfden avond of nacht het advies van den Raad daaromtrent zou kunnen ontvangen. De waarnemende voorzitter bleek aanstonds bereid zijne medewerking te verleenen. De leden van den Raad van State werden terstond voor een spoedvergadering op denzelfden avond opgeroepen en des nachts omstreeks half één of één uur kwam het advies in. De Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie waren met mij in de vergaderzaal van den Ministerraad gebleven ter behandeling van het ontwerp naar aanleiding van het in aantocht zijnde advies. De zooeven genoemde ambtenaren hadden het intusschen nog eens zorgvuldig van alle kanten bekeken, zoodat de slotredactie, toen het advies van den Raad van State ingekomen was, spoedig kon worden vastgesteld. Het ontwerp kon nu den volgenden ochtend aan de Tweede Kamer worden aangeboden en zóó tijdig aan de leden van de beide kamers worden rondgezonden, dat zij er nog vóór de vergadering op Maandag den 3den Augustus van konden kennis nemen. Na formeel in de afdeelingen te zijn onderzocht, werd het nog denzelfden dag met eenige andere zeer urgente wetsontwerpen door beide Kamers der Staten-Generaal aangenomen; des avonds verscheen het, door de Koningin bekrachtigd, in het Staatsblad. Sneller levensloop, van het eerste stadium der overweging van zijn inhoud tot zijn metamorphose als van kracht zijnde wet toe, heeft wel nooit een wetsontwerp gehad.
De strekking kan ik het eenvoudigst duidelijk maken door het overnemen van de Memorie van Toelichting.
De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen, dringend noodzakelijk.
In de eerste plaats is reeds thans, nu de buitengewone toestand slechts enkele dagen duurt, gebleken, dat onder de bevolking zich een vrees verspreidt, dat binnenkort het moeilijk zal vallen levensmiddelen of handelswaren naar gelang van de behoefte in te koopen en dat dientengevolge hier en daar men tot buitengewone inkoopen overgaat.
Die buitengewone inkoopen zouden niet alleen de prijzen in het algemeen kunnen opdrijven en daardoor pogingen van speculanten om prijsstijging in de hand te werken, kunnen bevorderen, maar ook gevaar kunnen doen ontstaan, dat bij mogelijk in de toekomst blijkend krap zijn van voorraden van sommige artikelen, er gebrek voor sommigen naast overvloed voor anderen zou zijn.
De wettelijke maatregel welke wordt voorgesteld, wordt in hoofdzaak als een preventieve bedoeld. Juist daarom zal hij gemakkelijk doorvoerbaar moeten zijn.
De maatregel bestaat hierin, dat na artikel 76 van de Onteigeningswet eenige bepalingen worden opgenomen, krachtens welke na machtiging van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel de burgemeesters bevoegd zullen zijn, in de gemeente aanwezige levensmiddelen en grondstoffen van levensmiddelen alsmede huishoudelijke artikelen en brandstoffen voor de gemeente in bezit te nemen, en deze aan de gemeentenaren tegen redelijke prijzen ter beschikking te stellen, terwijl de schadeloosstelling voor de in bezit genomen artikelen zal worden geregeld in den geest van die bij de vordering van paarden (zie artikel 27 van het Koninklijk Besluit van 10 November 1892, Staatsblad no. 253, laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 16 December 1902, Staatsblad no. 222).
De bedoelde machtiging van den Minister zal in het algemeen voor het geheele land of, al dan niet op verzoek, voor bepaalde gemeenten kunnen worden verleend.
De kern van deze korte toelichting ligt in de alinea, waarin wordt gezegd dat de maatregel de bedoeling heeft preventief te werken. Bij het overwegen van hetgeen tegen prijsopdrijving en speculatieve vasthouding van waren te doen was, heb ik vooral gezocht naar een middel, dat door zijn preventieve werking zoowel betrekkelijk gemakkelijk hanteerbaar zou zijn, als afdoende zou wezen ter voorkoming of afwering van het gevaar dat niet alleen werd geducht, maar het hoofd reeds begon op te steken.
De beoogde preventieve werking mocht reeds worden verwacht van het bloote feit, dat aan den Minister van Landbouw gedurende den oorlog bij de wet de noodige macht werd verleend tot ingrijpen door tusschenkomst van de burgemeesters, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelde. Zij die levensmiddelen en andere in de wet genoemde goederen met speculatieve doeleinden wilden achterhouden of ongemotiveerd hooge prijzen daarvoor vroegen, waren van het oogenblik dat de wet tot stand gekomen was, gewaarschuwd, dat zij, indien hun bedrijf aan het licht kwam, gevaar liepen hun voorraden onteigend te zien. Zij konden wel nagaan, dat hun dan geen buitensporig hooge schadeloosstelling zou worden toegekend, zoodat het niet vrijwillig zich onderwerpen aan den drang der wet tot beschikbaarstelling hunner voorraden tegen redelijke prijzen, een gevaarlijke speculatie zijn zou.
Toch zou de wet moeilijk zijn te hanteeren geweest, als telkens het middel van inbezitneming door den burgemeester bij elke poging tot vasthouding of tot prijsopdrijving van de bedoelde waren in toepassing had moeten zijn gebracht. Van het eerste oogenblik dat de zaak door mij werd overwogen, zocht ik dan ook naar een uitweg, waarlangs de inbezitneming kon worden beperkt tot de gevallen, waarin medewerking van de belanghebbenden, na eene algemeene of individueele waarschuwing, achterwege bleef. Daartoe werd bepaald, dat indien hij, onder wien de burgemeester in de wet genoemde waren in bezit wil nemen, onmiddellijk ten genoege van het hoofd der gemeente aanbiedt, zelf op door dezen goedgekeurde wijze die goederen ter beschikking te stellen tegen prijzen, die niet te boven gaan de daarvoor door den Minister van Landbouw bepaalde bedragen, de inbezitneming kan worden opgeschort.
Practisch gesproken kwam deze bepaling hierop neer, dat de winkeliers en andere handelaars, die hunne voorraden levensmiddelen enz. verkochten tegen niet hoogere prijzen dan door den Minister van Landbouw zouden worden vastgesteld, geen gevaar liepen van inbezitneming hunner voorraden. Op grond daarvan werden reeds vóórdat de wet was aangenomen, op Zondag 2 Augustus, bij voorbaat prijslijsten voor de meest belangrijke levensmiddelen en brandstoffen vastgesteld, voor het geval het ontwerp onveranderd tot wet zou worden verheven. Opdat de burgemeesters aanstonds, als de wet in werking zou zijn getreden, zouden weten wat van hen werd verwacht, werd denzelfden dag door mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij een gezamenlijke circulaire tot hen gericht, waarin de strekking van het ontwerp (en dus eventueel van de wet) werd uiteengezet en eenige wenken werden gegeven voor de toepassing. De op 2 Augustus opgemaakte lijsten werden terstond na het in werking treden der wet openlijk bekend gemaakt. Dat zij herhaaldelijk moesten worden herzien, aangevuld en door nieuwe lijsten vervangen, is zoo van zelf sprekend, dat het nauwelijks vermelding behoeft.
De zooeven bedoelde bepaling heeft, voornamelijk in de eerste maanden van den oorlogstijd, de daarvan verwachte uitwerking niet gemist. Zij is in de handen der burgemeesters, vooral van die der grootere steden, een wapen geweest om verschillende regelingen op het gebied der levensmiddelenvoorziening door te zetten, zonder dat het tot inbezitneming en tot distributie van gemeentewege behoefde te komen. Bij den langen duur van den oorlogstoestand gaf de toepassing der levensmiddelenwet aanleiding tot telkens nieuwe vragen. Zoo bleek vrij spoedig, dat niet volstaan kon worden met het stellen van een enkelen maximum-prijs voor verschillende artikelen, maar dat onderscheiden moest worden tusschen groothandels- en détailprijzen. Natuurlijk werd dit van het begin af wel ingezien, maar men meende aanvankelijk met het stellen van maximale détailprijzen te kunnen volstaan en aan de burgemeesters het ingrijpen te kunnen overlaten, zoo dikwijls naar hun oordeel in verband met die prijzen in hunne gemeente te hooge groothandelsprijzen werden gevraagd.
In een der op 3 Augustus 1914 door mij tot de burgemeesters gerichte circulaires werd hieromtrent gezegd: „Ik maak van deze gelegenheid gebruik om er Uwe aandacht op te vestigen, dat deze lijst (die bij de circulaire was gevoegd) maximum-prijzen bevat voor den verkoop in het klein. Bij verkoop in het groot zou dus al het eischen van prijzen die lager zijn dan de in de lijst vermelde, aanleiding kunnen geven tot optreden Uwerzijds, wanneer de gevraagde prijzen sedert kort aanmerkelijk zijn verhoogd.” Later zijn voor een aantal artikelen zoowel maximale groothandels- als kleinhandelsprijzen vastgesteld. Het spreekt wel van zelf, dat bij deze materie aan de overheid, aan den Minister zoowel als aan de burgemeesters, de handen vaak wat verkeerd stonden. In normale tijden kan en moet de overheid de regeling van verkoopprijzen aan de belanghebbenden overlaten, die dit tot stand brengen, geleid in de eerste plaats door vraag en aanbod en daarnaast ook door gewoonte en ervaring, als resultaat van een aantal elkander doorkruisende factoren, welke in het vrije verkeer bij de bepaling van détailprijzen hun invloed mede doen gelden.
Toen de oorlogstoestand eenigen tijd had geduurd, werd het stellen van maximum-prijzen nog moeilijker, omdat er allengs meer mede gerekend moest worden, dat de productie- of de aanschaffingskosten der waren boven het normale waren gestegen en het niet zoo heel eenvoudig was, zonder eenerzijds onbillijkheden te begaan en zonder anderzijds de wet illusoir te maken, in de te stellen maxima met de verhooging van productie- of aanschaffingskosten in de juiste maat rekening te houden. Dit een en ander heeft de prijszettingen verzwaard naar gelang de oorlogstoestand langer aanhield.
Hoewel, gelijk zooeven werd opgemerkt, de wet zoodanig was ingericht, dat het middel der inbezitneming in den regel als stok achter de deur voldoende effect had om vrijwillige regelingen tusschen de burgemeesters en de belanghebbenden tot stand te doen komen, waarbij de eerstgenoemden meestal uit eigen beweging maar somtijds ook in opdracht van de Regeering handelden, toch kon de inbezitneming zelve niet steeds worden ontgaan. In den aanvang moest tot dezen maatregel eenige malen worden overgegaan ten aanzien van tarwe en rogge; eerst geschiedde het plaatselijk met voorraden tarwe, niet lang daarna op grooter schaal zoowel ten aanzien van tarwe als van rogge. Die inbezitnemingen geschiedden natuurlijk zonder aanzien des persoons van den eigenaar van het in bezit te nemen goed. Het deed er derhalve ook niet toe of die eigenaars Nederlanders dan wel vreemdelingen waren. Toch hebben enkele Duitsche belanghebbenden, wier in Rotterdam liggende tarwevoorraden onteigend werden, bij hunne regeering de stelling willen doen ingang vinden, dat met die inbezitnemingen art. 7 van de Rijnvaartakte, dat de vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, zou zijn geschonden. Die bewering gaat mank aan beide beenen, waarop zij zou moeten loopen.
In de eerste plaats werd niets in beslag genomen, dat als doorvoergoed moest worden aangemerkt. Bedriegt mijne herinnering mij niet zeer, dan betrof de kwestie enkele partijen tarwe, die in Rotterdam ter beurze verkocht waren of verkocht zouden worden. Uit dit enkele feit blijkt reeds dat, zoo die partijen al aan Duitschers behoorden of aan Duitschers waren verkocht, zij, zelfs als uit de Duitsche woonplaats des eigenaars of koopers zonder meer de bestemming voor vervoer naar Duitschland had moeten worden afgeleid, bestemd waren voor uitvoer en niet voor doorvoer. Het betrof hier goederen welke overeenkomstig de geldende handelsusantiën in het vrije verkeer waren ingevoerd en die, na hier daarin te zijn gekomen, de bestemming kregen naar elders te worden uitgevoerd. Die bestemming nu konden de bedoelde partijen tarwe niet bereiken, omdat uitvoer daarvan reeds van 1 Augustus 1914 af verboden was. Dat een uitvoerverbod ook uitvoer over den Rijn treft en de Rijnvaartakte niettemin geheel intact laat, is niet voor betwisting vatbaar en is dan ook van Duitsche zijde niet betwist.
Maar gesteld eens, de feitelijke toestand ware anders en de in bezit genomen tarwe wèl doorvoergoed geweest, dan nog zou die inbezitneming aan de stipte uitvoering der Rijnvaartakte van de zijde der Nederlandsche Regeering niets hebben tekort gedaan. Het feit dat dit verdrag den vrijen doorvoer op den Rijn waarborgt, neemt niet weg, dat ten doorvoer bestemde goederen, zoolang zij op het Nederlandsche gedeelte van den Rijn varende zijn, zich bevinden op Nederlandsch territoir en onderworpen zijn aan de Nederlandsche wetten. Daartoe behoort ook de wet van 3 Augustus 1914 ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren. Worden volgens die wet goederen onteigend, dan geschiedt dit door den Staat krachtens zijn souvereiniteitsrecht op eigen territoir, dat hij tegenover elk en een iegelijk kan doen gelden. Het gevolg van zulk eene onteigening is, dat het goed overgaat in het bezit van de overheid, welke de wet aanwijst en dat deze nu verder de bestemming van het goed bepaalt. De onteigende partijen tarwe, die vóór de inbezitneming aan Duitschers behoorden, verloren op het oogenblik der inbezitneming de bestemming, welke die rechthebbenden daaraan hadden gegeven. Aangenomen dus, hoewel het feitelijk niet aldus gesteld was, dat die Duitsche rechthebbenden zonder met de geldende handelsusantiën en met de wettelijke voorschriften voor doorvoergoed in strijd te zijn, die waren voor doorvoer naar Duitschland hadden bestemd, was toch de doorvoerbestemming verdwenen op het oogenblik dat de goederen bij de inbezitneming overeenkomstig de wet door de Nederlandsche overheid, van den nieuwen eigenaar, hier de Regeering, een andere bestemming kregen.