← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK IV. GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD.

Reading edition

§ 1. De paniek en haar meest urgente bestrijdingsmaatregelen.

Ware ik in het neerschrijven mijner herinneringen en indrukken naar chronologische volgorde te werk gegaan, dan zou dit hoofdstuk als eerste in de rij zijn geplaatst. Immers de algemeene beroering zette in op de beurs; maatregelen naar aanleiding daarvan moesten worden genomen, zelfs nog vóór tot mobilisatie besloten werd. De beurs heeft met den barometer gemeen, dat zij bij kleine schommelingen in den atmospherischen druk vaak miswijst en hem die te veel op haar aanwijzingen vertrouwt, de kans doet loopen bedrogen uit te komen. Maar evenmin als de orkaan uitblijft, wanneer de barometer plotseling sterk daalt, evenmin blijft groote maatschappelijke beroering uit, als de beurs plotseling onrustig wordt. De beurs maakt wel eens kleine storingen. Groote storingen maakt zij niet; zij ondergaat die en kondigt ze aan, zonder er meer schuld aan te hebben, dan een lage barometerstand aan het slechte weer. Zoo ging het thans meer dan ooit.

Bij de voortschrijding der maatschappelijke ontwikkeling, het ingewikkelder en onderling samenhangender worden van de onderdeelen van het raderwerk der maatschappelijke samenleving wordt het onderlinge vertrouwen een factor van steeds grooter beteekenis. Vertrouwen nu in het economische fundament dier samenleving is synoniem met crediet. Niet alleen hij die geld ter leen geeft, ook hij die ter beurze een obligatie koopt in een staatsleening of een aandeel in een Amerikaansche spoorwegonderneming, geeft crediet. Het verschil is alleen, dat in het eene geval credietgever en credietnemer wat dichter bij elkaar staan dan in het andere. Brengen groote politieke of maatschappelijke gebeurtenissen plotseling onrust, dan wordt het onderlinge vertrouwen dat, algemeen genomen, een der hoofdpijlers is waarop de onderbouw der moderne maatschappelijke samenleving rust, geschokt en maakt het plaats voor een algemeen angstgevoel. Evenals het in het algemeen onmisbaar onderling vertrouwen in bijzondere gevallen vaak misplaatst of overdreven is, zoo gaat het ook met het algemeen wantrouwen, dat er bij dreigende maatschappelijke onheilen voor in de plaats treedt. Het verschil is alleen, dat misplaatst vertrouwen in bijzondere gevallen slechts dengene treft, die te goedgeloovig was, en dat een plotseling opkomend algemeen wantrouwen een der pijlers van het tegenwoordig maatschappelijk leven aan het wankelen brengt.

Hetgeen zich op de beurs in dagen van groote politieke of maatschappelijke beroering afspeelt, dringt ver buiten de beurskringen zelve door. Niet ieder koopt effecten; het aantal speculanten is gelukkig nog kleiner dan het aantal beleggers; maar als de belegger en de speculant beangst worden, is dat een teeken dat de pijler van het crediet niet meer voldoende draagt. Wordt de onrust zóó groot, dat zij tot beurssluiting leidt, dan doet deze sluiting dien pijler niet vallen, maar is zij het teeken, dat hij op vallen staat en dat daarmede het heele zakenleven met ontreddering wordt bedreigd. En komt het eens zoover, dan heeft zulk een gebeurtenis, door de wisselwerking, die in de maatschappelijke samenleving nooit ontbreekt, het noodlottig gevolg, dat zij de onrust vermeerdert, welke haar veroorzaakte.

Dat is de groote, ver buiten beurskringen reikende beteekenis geweest van hetgeen op 28 Juli 1914, onder den invloed van de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië en van de onweerswolken, welke zich in verband daarmede aan den internationalen politieken hemel samenpakten, op de Amsterdamsche effectenbeurs geschiedde. De beurs werd gesloten niet als gevolg van een weloverwogen besluit van haar bestuur, maar onder den onweerstaanbaren drang der leden, die—bevreesd voor het opkomende onweer—hun zaken in den steek lieten en, in overdrachtelijken zin, hun heil zochten in de vlucht. Het was het hijschen van den stormbal, ten teeken dat een economische orkaan in aantocht was en dat de pijler van het crediet zou vallen, zoo hij niet werd geschraagd.

Men heeft de paniek die de Amsterdamsche beurs op 28 Juli 1914 beving, wel toegeschreven aan het daar geldend prolongatiestelsel. Zij die aldus oordeelden, drongen niet tot het wezen der zaak door. Het crediet dreigde niet tegen den grond te worden geslingerd, omdat het prolongatiestelsel zijn dienst weigerde; het prolongatie-stelsel kon zijn dienst niet langer doen, omdat het crediet op omvallen stond. Met verschillen van enkele dagen waren of werden ook de beurzen te Weenen, Parijs, Brussel, Frankfort, Berlijn, Londen, New-York gesloten. Door de beurssluiting te Amsterdam aan de fouten van het prolongatiestelsel toe te schrijven, doet men dit stelsel onrecht, door er te veel eer aan te bewijzen.

Onmiddellijk na de beurssluiting staken de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten de hoofden bij elkaar, om het wankel geworden crediet te ondersteunen. Aan volledig herstel viel zelfs niet te denken. De leiding bij al hetgeen zoowel in de eerste dagen van de crisis als daarna geschiedde tot steun van de geldmarkt was bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, dank zij de voortvarendheid van haar president, den heer C. J. K. van Aalst. De heer Van Aalst is een homo novus in de Amsterdamsche bankierswereld. Wel telt hij niemand minder dan Admiraal de Ruyter onder zijn voorvaderen, afstammen van de oude Amsterdamsche handelspatriciers doet hij echter niet; maar door zijn helderen blik, zijn koopmansgaven en zijn „pushing power” was hij reeds vóór den oorlog zoozeer primus inter pares geworden, dat bij het uitbreken van de crisis de veldheerstaf hem als het ware van zelf in de hand viel.

Nadat de beurssluiting op 28 Juli het bestuur der Vereeniging voor den Effectenhandel overvallen had, noodigde dit den volgenden ochtend den waarnemenden president van de Nederlandsche Bank (de president bracht zijn vacantie in Zwitserland door en had nog niet kunnen terugkeeren), den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij en den voorzitter van de Kamer van Koophandel uit tot een bijeenkomst ter beraadslaging over hetgeen gedaan moest worden. Aangezien de tijd te kort was om vóór het openingsuur reeds daarmede gereed te zijn, werd besloten de effectenbeurs voor dien dag gesloten te houden. ’s Middags had ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij een groote vergadering plaats van de voornaamste bankiers en commissionnairs in effecten, die door de genoemde heeren was voorbereid en waarin, mede als gevolg van het overleg gepleegd met de Nederlandsche Bank, een syndicaat gevormd werd van ƒ 25 millioen, om door het beschikbaar stellen van gelden voor prolongatiën als anderszins den effectenhandel te steunen. Als voorwaarde werd gesteld, dat de effectenbeurs den volgenden dag weer zou worden geopend. Het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel was hiermede accoord gegaan. Men had echter de beteekenis en de diepte van de crisis onderschat. Het meerendeel der in prolongatie gegeven effecten was, als gevolg van de vrees voor het onheil, dat over de wereld dreigde te komen, zóó diep in koers gezonken, dat beursopening, welke de mogelijkheid van aanzegging van prolongatieposten met zich zou brengen, voor vele beursbezoekers doodend zou zijn geweest. De commissionnairs in effecten vreesden van de beursopening „afslachting” op groote schaal. Den 30sten waren velen hunner reeds ’s morgens vroeg ter beurze; hun vrees voor de onheilen, die van heropening der beurs het gevolg zouden zijn, en hun aandrang om ze te voorkomen, waren zóó groot, dat het bestuur zwichten moest. De beurs bleef gesloten; het syndicaat kwam niet tot stand. Het was een daad van eigen rechting van de commissionnairs geldnemers,—een daad die onder minder abnormale omstandigheden volstrekt onverdedigbaar zou zijn geweest, maar die nu als uiting van noodweer verklaarbaar was en spoedig door den loop van zaken gerechtvaardigd zou worden.

Nu moest opnieuw raad geschaft worden. Onder de leiding van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij kwamen de voornaamste bankiers ten kantore dier maatschappij opnieuw bijeen. De besprekingen, welke in hun bijeenkomst werden gehouden, hadden ten gevolge, dat de heer Van Aalst den voorzitter van den Ministerraad telefonisch op de hoogte bracht van den toestand en door zijn tusschenkomst den Minister van Financiën en den Minister van Landbouw, als Minister tevens van den handel, verzocht in de vergadering van bankiers te komen, opdat overleg met hen en met de Nederlandsche Bank zou kunnen worden gepleegd over hetgeen door samenwerking tusschen de Regeering en de „haute finance” zou kunnen geschieden, om aan de eischen van het oogenblik te gemoet te komen. De Ministerraad vergaderde in die dagen dagelijks, hij was zelfs bijna permanent bijeen. Het was dus geen groot toeval, dat het telefonisch gesprek van den heer Van Aalst met den heer Cort van der Linden plaats had terwijl de Ministerraad bijeen was. Men begreep terstond, dat hier zeer groote economische belangen op het spel stonden en dat aan het verzoek gevolg moest worden gegeven. De heer Bertling en ik verlieten den Raad en gingen met den eersten trein, dien wij nemen konden, naar Amsterdam.

Ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij gekomen, vonden wij daar de vertegenwoordigers van de Amsterdamsche bankwereld bijeen. Ons werd bij monde van den heer Van Aalst medegedeeld, wat er den vorigen dag en denzelfden ochtend was geschied. Daaraan werd toegevoegd, dat nu de berichten uit het buitenland sedert den vorigen dag zooveel dreigender waren geworden en de toestand op de geheele geld- en effectenmarkt dientengevolge zooveel ernstiger was, aan heropening van de beurs vooreerst niet meer kon worden gedacht. Daarvan uitgaande, waren maatregelen beraamd om aan de credietbehoeften van handel en nijverheid te kunnen voldoen buiten de beurs om, en dat wel op zoodanige wijze, dat het speculatieve crediet geheel zou worden uitgeschakeld en alleen in reëele credietbehoeften zou worden voorzien. Het plan was een algemeen syndicaat daartoe te vormen, dat over ten minste ƒ 200 millioen zou kunnen beschikken. Men was hierover al in voorloopige besprekingen getreden met de Directie van de Nederlandsche Bank, welke zich in beginsel tot medewerking bereid had verklaard. Echter deed zich daarbij een moeilijkheid voor. Hoewel de positie van de Nederlandsche Bank voor normale omstandigheden zeer krachtig was (zij had in Juli 1914 een beschikbaar metaalsaldo van ruim 371⁄2 millioen), was toch te voorzien, dat nu het geheele credietwezen tijdelijk bij de Bank zou worden geconcentreerd, een uitzetting van de bankbiljettencirculatie daarvan het gevolg zou wezen, waarbij de metaaldekking wel eens onvoldoende zou kunnen blijken. Men achtte het dus voorzichtig zoo niet noodzakelijk, dat haar verplichte metaaldekking, welke volgens het bankoctrooi bestaat in een bij Koninklijk besluit, op voordracht van de directie der Bank, bepaalde verhouding tot het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening courant saldo’s, zou worden herzien. Alleen onder die voorwaarde zou haar vermogen om als centrale credietinstelling in den crisistijd op te treden, de vereischte rekbaarheid krijgen. Sedert 1864 was die verhouding twee vijfden van het bedrag dier obligo’s geweest; in overweging werd gegeven, dat die dekking tot een vijfde gedeelte zou worden verminderd.

Nadat wij de uiteenzetting hadden gehoord, verklaarden wij ons bereid over deze vermindering van de metaaldekking met de directie der Nederlandsche Bank te spreken en eventueel, op haar voorstel, daartoe het noodige te doen. Evenwel werd door ons opgemerkt, dat men bij het nemen van dien maatregel, er wel op bedacht moest zijn, dat hij tot geen wegvloeiing van goud naar het buitenland zou mogen leiden. Ons werd op die opmerking geantwoord, dat men ook hieromtrent reeds van gedachten had gewisseld. De aanwezige bankiers verklaarden, dat zij geen goudzendingen naar het buitenland zouden doen en daarvoor ook niet hun tusschenkomst zouden verleenen, maar zij erkenden dat zulk een verklaring niet voldoende was. Er moest tegelijk met de vermindering van de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank een uitvoerverbod van goud worden uitgevaardigd. Hierin lag een groote moeilijkheid. Daar de gebeurtenissen elkander zoo bliksemsnel opvolgden, moest de Nederlandsche Bank zonder verwijl gereed staan, om te voldoen aan eene te verwachten uitzetting harer bankbiljetten circulatie, die het normale hoogtepunt daarvan ver zou overschrijden. Uit dien hoofde was oogenblikkelijke vermindering van de verplichte metaaldekking noodig en deze kon gevaarlijk zijn, indien zij niet met een verbod van gouduitvoer gepaard ging. De moeilijkheid nu was, dat de Regeering tot zulk een verbod geen bevoegdheid had.

Het zal wel geen verwondering wekken, dat mijn ambtgenoot van Financiën en ik er tegen op zagen de verantwoordelijkheid te dragen van een maatregel waartoe, naar wij wisten, de Regeering onbevoegd was. Na eenig heen en weer praten kwamen wij tot de volgende oplossing. Indien het onderhoud, dat met de directie van de Nederlandsche Bank zou worden gevoerd, er toe zou leiden, dat van die directie een voorstel zou uitgaan tot vermindering der metaaldekking en indien ook zij van oordeel was, dat met die vermindering een onmiddellijk verbod van gouduitvoer moest gepaard gaan, zouden wij onze ambtgenooten trachten te overtuigen van de noodzakelijkheid om de verantwoordelijkheid van zulk een extra-legaal verbod te dragen. Wij knoopten hieraan echter de voorwaarde vast, dat zoowel de directie van de Bank als de ter vergadering aanwezige bankiers des avonds in den Ministerraad zouden komen en de zaak daar zouden voordragen, opdat de verantwoordelijkheid voor een zóó buitengewone daad niet alleen formeel maar in werkelijkheid voor dien geheelen Raad zou komen.

Nadat dit voorloopig resultaat werd bereikt, hadden de Minister van Financiën en ik, in het bijzijn van enkele der heeren, met wie wij ten kantore van de Nederlandsche Handel-Maatschappij hadden vergaderd, in het gebouw der Nederlandsche Bank een bijeenkomst met de directie. Daar werd ons bevestigd, wat wij in de pas verlaten vergadering hadden gehoord. De directie van de circulatiebank zou, overeenkomstig de wet, een voorstel doen ter vermindering van de verplichte metaaldekking. Zij verklaarde zich bereid met de andere heeren des avonds naar Den Haag te komen, om in verband daarmede, de noodzakelijkheid van een onverwijld verbod van gouduitvoer te bepleiten.

In den Haag teruggekeerd, brachten wij den Ministerraad op de hoogte. Deze vergaderde des avonds opnieuw. In den laten avond deed zich toen het in onze staatkundige geschiedenis wel nooit voorgekomen geval voor, dat de vergadering van den Raad door een zoo groot aantal personen werd bijgewoond, dat uit verschillende kamers van het Departement van Justitie stoelen en banken moesten worden bijeengehaald, opdat de heeren althans konden zitten.

Ter vergadering van den Ministerraad voerde de heer Van Aalst het woord uit naam van de aanwezige bankiers; daarna werd, in aansluiting aan het door hem gesprokene, door den heer Van Heukelom, als waarnemend president van de Nederlandsche Bank, de noodzakelijkheid van het nemen van de zooeven uiteengezette maatregelen betoogd.

Zoowel des middags op de bijeenkomsten te Amsterdam als des avonds in de vergadering van den Ministerraad was bovendien de wenschelijkheid besproken, aan de Regeering de bevoegdheid te geven, zoo dit onverhoopt noodig mocht blijken, de verplichting van de Bank om hare biljetten bij aanbieding te betalen, in den oorlogstijd op te schorten. Waar de toestand zóó onzeker was en de gebeurtenissen elkaar zóó snel opvolgden, moest gerekend worden met de mogelijkheid, dat de Nederlandsche Bank in moeilijkheden zou kunnen geraken, indien zij in een tijd, waarin zulke buitengewone beroepen op haar hulp als centrale credietinstelling werden gedaan, verplicht zou kunnen worden tevens groote bedragen aan bankbiljetten te verzilveren. Niemand ontveinsde zich welk een diepen indruk het zou maken, indien de Regeering van zulk een bevoegdheid gebruik zou moeten maken, maar dit nam niet weg dat, waar men de mogelijkheid voorzag, dat het daartoe zou moeten komen, het toch voor het geval die mogelijkheid onverhoopt eens werkelijkheid mocht worden, niet slechts gewenscht maar noodig was, dat de opschorting der uitbetaling wettelijk was geregeld. Het schriftelijk verzoek van de Bank aan de Regeering tot het voorstellen van dien maatregel werd dien nacht nog opgemaakt en onmiddellijk aan haar ter hand gesteld.

Nadat de bankiers en de directie van de Nederlandsche Bank de vergadering hadden verlaten, besloot de Ministerraad, overtuigd van de noodzakelijkheid, dat de Regeering naar vermogen zou medewerken tot herstel van het geschokte crediet, aan de Koningin voor te stellen: de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank van twee vijfden op een vijfde terug te brengen; den gouduitvoer te verbieden, en een wetsvoorstel in te dienen tot wijziging van het bankoctrooi op het punt van de betaalbaarheid der bankbiljetten. Het gevolg van een en ander was, dat reeds den volgenden dag twee Koninklijke besluiten werden afgekondigd; één tot verbod van den uitvoer van gouden munt en goudmuntmateriaal en één betreffende de verplichte metaaldekking van de Nederlandsche Bank, terwijl voorts een ontwerp van wet werd ingediend, betreffende de mogelijkheid van opschorting der verplichte betaling van de bankbiljetten.

In het bovenstaande vindt men tevens de verklaring hoe het kwam, dat het verbod van gouduitvoer de medeonderteekening draagt van alle leden van den Ministerraad. Het wetsontwerp tot wijziging van het octrooi der Nederlandsche Bank, wat betreft de betaalbaarheid van hare biljetten, verkreeg den 3den Augustus kracht van wet. De wet van denzelfden dag op de uitvoerverboden hield tevens een terugwerkende bekrachtiging in van hetgeen de Regeering eigenmachtig ten aanzien van den uitvoer van goud had gedaan.

Na den Ministerraad van 30 Juli werd aan het Nederlandsch-Indische Gouvernement telegrafisch opgedragen ten aanzien van de Javasche Bank overeenkomstige maatregelen te treffen als voor de Nederlandsche Bank genomen of voorgesteld waren.

Van de bevoegdheid aan de Regeering bij de eerstgenoemde wet gegeven, om de betaalbaarheid der bankbiljetten zoo noodig op te schorten, behoefde gelukkig geen gebruik te worden gemaakt. Daarentegen bleek de halveering van de verplichte metaaldekking spoedig geen overvoorzichtigheidsmaatregel te zijn geweest. Het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 zegt hiervan: „De uitkomst heeft geleerd, dat deze vermindering inderdaad tijdelijk noodzakelijk is geweest; immers de dekking is tijdelijk teruggeloopen tot beneden 40% (laagste percentage 32.59% op 16 October 1914). De emissiekracht der Bank was door dit Besluit zeer belangrijk toegenomen, hetgeen zeker eene groote gerustheid voor de gemeenschap is geweest. Reeds vrij spoedig was het percentage van 40 pct. metaaldekking wederom bereikt (op 12 December 1914) en werd zelfs de dekking bijna doorloopend sterker, om op 31 Maart 1915 tot ruim 52% op te loopen.” In het boekjaar 1915/16 namen de dekking en dus ook het beschikbare metaalsaldo nog zeer aanmerkelijk toe. Op het eind van het boekjaar 1914/15 bedroeg dat saldo ongeveer 1691⁄2 millioen; op het eind van 1915/16 omstreeks 373 millioen. Op de hoofdoorzaken van de toeneming van den goudvoorraad kom ik hieronder terug.

Eerst moet ik nog melding maken van hetgeen verder onverwijld noodzakelijk was ter ontspanning van de geld- en credietcrisis. De onrust die op de beurs reeds in het laatst van Juli geleid had tot de paniek, waarvan haar sluiting het resultaat was, kwam heel spoedig daarna op allerlei wijzen over heel het land tot uiting. De meest algemeene en tegelijk voor het geregeld verkeer gevaarlijkste uiting van het angstgevoel, dat zich van het publiek had meester gemaakt, was het onttrekken van zilver aan de circulatie en het oppotten van alles wat men aan gereed geld machtig kon worden. Bijna ieder werd in de eerste week van Augustus 1914 een Warenar. Helaas was de voorraad gemunt zilver bij de Nederlandsche Bank bij den aanvang der crisis zeer klein; op 25 Juli bedroeg hij slechts ruim 8 millioen gulden. De oorzaken van dien beperkten voorraad zilvergeld bespreek ik niet. Dat zou mij te ver in het verleden terugvoeren; genoeg dat de groote behoefte aan zilvergeld in Nederlandsch-Indië daartoe veel heeft bijgedragen. Die betrekkelijk kleine voorraad zilvergeld slonk in een week tijds, deels ten gevolge van grootere behoefte aan ruilmiddel als uitvloeisel van de stoornis in het crediet, maar vooral tengevolge van het oppotten van zilver, tot beneden 3 millioen. Aan redding in den nood door het in circulatie brengen van goud viel niet te denken; daardoor zou de positie van de Nederlandsche Bank zijn verzwakt, zonder dat het iets zou hebben gebaat. Meer nog dan het zilver zou de gouden munt zijn opgepot, en er was bovendien vooral behoefte aan ruilmiddel van kleinere waarde dan het gouden tientje of het gouden vijfje.

Reeds aanstonds toen de wegvloeiing van zilver zich openbaarde, werd tusschen de directie van de Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën van gedachten gewisseld over hetgeen gedaan kon worden om in de behoefte aan kleiner ruilmiddel tegemoet te komen. De Nederlandsche Bank kon daarin door de uitgifte van klein bankpapier niet voorzien, daar het bankoctrooi haar uitgifte van biljetten tot een lager bedrag dan ƒ 10 verbiedt. Men wist geen anderen uitweg dan dat de staat tijdelijk papieren geld in kleine coupures zou uitgeven. Voor men in beginsel het er over eens was geworden, dat daartoe zou moeten worden overgegaan, was het noodig verschillende punten betreffende de uitvoering van het denkbeeld mondeling te bespreken. Daartoe zouden de president van de Nederlandsche Bank, die terstond uit Zwitserland was teruggekomen, en de president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij met den Minister van Financiën op den avond van den 3den Augustus eene bijeenkomst hebben.

Aangezien zulke zaken in die dagen geregeld tusschen den Minister van Financiën en mij, als Minister van Handel, besproken werden, vroeg mijn ambtgenoot mij bij die bijeenkomst tegenwoordig te zijn. Des avonds omstreeks elf uur stapten wij van huis. De Amsterdamsche heeren hadden getelefoneerd, dat zij ongeveer half twaalf zouden komen. De bijeenkomst zou plaats hebben in de Kamer van den Thesaurier-Generaal, den tegenwoordigen Minister van Financiën, die, toen wij aankwamen, reeds aanwezig was. Wij moesten echter wachten tot omstreeks half een voor de heeren uit Amsterdam aankwamen. Het was in de drukste dagen van de mobilisatie; per trein konden zij dus niet komen en zij hadden oponthoud gehad onderweg door het springen van een band van hun automobiel. Wij begonnen al wat te wanhopen, toen de heeren eindelijk, vergezeld van den heer A. L. Kulenkamp Lemmers, den Agent van het Ministerie van Financiën, aankwamen. Nauwelijks hadden wij tijd gehad om te verklaren, dat wij het in principe over de uitgifte van klein papier van Regeeringswege eens waren, of de heer Van Aalst vloog naar de telefoon om Maastricht op te roepen. Van Amsterdam uit was er namelijk voor gezorgd, dat de telefoon te Maastricht tot ’s nachts half een zou open blijven; het was dus hoog tijd, dat er verbinding gevraagd werd. Om geen tijd te verliezen, had men zich ’s middags reeds, van Amsterdam uit, met de vraag der papierlevering bezig gehouden,—waarbij was gebleken dat de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek te Maastricht in staat was het noodige terstond te leveren. Voor veel heen en weer praten over de keuze van een leverancier was geen tijd. De Minister van Financiën ging er dan ook mede accoord, dat het benoodigde papier terstond telefonisch aan de genoemde fabriek zou worden besteld. Hetgeen door den heer Van Aalst, sprekende namens den Minister van Financiën, geschiedde.

Bij die gelegenheid bleek ons spoedig dat de directeur der papierfabriek te Maastricht een voorzichtig man is, die niet over één nacht ijs loopt. De aandeelhouders van zijne vennootschap hebben reden hem in eere te houden. Geen kwartier nadat het bedoelde telefonisch gesprek was gevoerd, werd de Thesaurier-Generaal uit Maastricht opgescheld en vroeg de directeur der fabriek, of hij inderdaad met het Ministerie van Financiën gesproken had. Nadat de papierkwestie geregeld was, moest de vraag over de grootte der stukken behandeld worden. Na eenig overleg werd besloten, coupures te maken van ƒ 1.—, ƒ 2.50 en ƒ 5. Daarna moest worden beslist, hoe het tijdelijke papieren geld zou heeten. Daarover was men het spoedig eens; de naam „zilverbon” werd gekozen als kort en sprekend. Maar toen kwam het groote vraagstuk: hoe zou men een voldoend aantal van die bons in enkele dagen gedrukt krijgen, zóó dat namaak daarvan niet al te gemakkelijk zijn zou? De agent van het Ministerie van Financiën had zich daaromtrent reeds voorloopig in verbinding gesteld met de firma J. H. de Bussy te Amsterdam. Hij had van die firma eenige „gronden” en modellen meegekregen, die moeilijk zouden zijn te vervalschen. Na eenig wikken en wegen werd een keus gemaakt en werden model en kleur van de verschillende soorten van zilverbons bepaald. In hoofdzaak werd gevolgd het model der vroegere zoogenaamde „kasorders” van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ter Oostkust van Sumatra. Ook werd de vraag behandeld of de bons genummerd zouden worden. Door mij werd er zeer op aangedrongen, dat dit ter vermindering van het vervalschingsgevaar zou geschieden. Toen mij echter den volgenden dag werd medegedeeld, dat de nummering zooveel vertraging in de aflevering zou brengen, dat per dag in plaats van 700.000 stuks, slechts 300.000 stuks zouden kunnen worden gemaakt, gaf ik mij gewonnen. De behoefte aan ruilmiddel was zoo uitermate dringend, dat hetgeen niet volstrekt noodzakelijk was, achterwege moest blijven, zoodra het vertraging van beteekenis zou veroorzaken.

Daar het bankoctrooi aan den Staat, op straffe van verlies van de voordeelen, welke het aan den Staat toekent, verbiedt muntpapier uit te geven, moest vastgesteld worden, dat de Bank de zilverbons niet zou beschouwen als muntpapier in den zin dier wet, omdat zij slechts een tijdelijk hulpmiddel zouden zijn, niet uitgegeven met de bedoeling om geld te verschaffen aan den Staat. Echter moest de Staat begrijpelijkerwijze de verplichting op zich nemen, de zilverbons in te trekken, zoodra de Nederlandsche Bank voldoende zilver ter beschikking van de Regeering zou kunnen stellen, ter inwisseling daarvan. Hoewel men het omtrent dit punt van den aanvang af geheel eens was, moest het toch vastgesteld worden. Dit geschiedde in een correspondentie met de directie der Bank.

Toen eenmaal de zaak zelve zoover was voorbereid, was het wetsontwerp dat aan de Staten-Generaal moest worden ingediend, aangezien de Regeering zonder machtiging van den wetgever geen bevoegdheid had tot uitgifte van papieren geld, spoedig gereed. Den volgenden dag werd het aan het Departement van Financiën in orde gemaakt en om advies naar den Raad van State gezonden. Op 5 Augustus werd het aan de Tweede Kamer aangeboden. Den volgenden dag werd het in spoedvergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal behandeld en aangenomen. Nog denzelfden dag bekrachtigde de Koningin het ontwerp en verscheen de wet tot uitgifte van zilverbons tot een bedrag van ten hoogste ƒ 25 millioen in het Staatsblad, onmiddellijk gevolgd door het Koninklijk besluit tot vaststelling van den uiterlijken vorm en de hoeveelheid van elke soort der uit te geven bons.

Doordien men alles wat op de uitvoering van den maatregel betrekking had, terstond met den meest mogelijken spoed had ter hand genomen, vertrouwende dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, was het mogelijk Vrijdag 7 Augustus reeds voor een bedrag van ruim ƒ 1.700.000 aan zilverbons in omloop te brengen. Dat om dit te bereiken de uiterste inspanning van allen, die bij de vervaardiging, de controle en de uitgifte betrokken waren, noodig was, behoeft wel niet te worden gezegd. Zelfs met die inspanning was het resultaat nog niet voldoende, maar het gaf toch verlichting. De heele week had men onder gemis aan klein geld gezucht en daarvan de moeilijkheden ondervonden: in winkels, aan de postkantoren, aan de spoorwegstations, letterlijk overal. Het op zilvergeld beluste publiek trachtte bovendien overal waar het maar kon, daarvan wat machtig te worden door niet met gepast geld te betalen, maar bankbiljetten aan te bieden, waarop wisselgeld terug moest worden gegeven. Dit kunstmiddeltje leidde weer tot den maatregel van tegenweer, dat aan stations, postkantoren enz. niet anders dan gepast geld werd aangenomen en dat in koffiehuizen en winkels dit voorbeeld werd gevolgd, voor zoover niet met bons werd verrekend. In één woord, in de week van 3-8 Augustus 1914 was het alledaagsche verkeer geheel ontredderd door gebrek aan voldoende klein ruilmiddel. Zoo sterk was dit het geval, dat verschillende gemeente-besturen het niet durfden laten aankomen op de maatregelen van Rijkswege, die men in voorbereiding wist en, deels in overleg met de Regeering, deels geheel op eigen gezag gemeentelijke bons uitgaven.

In theorie was daartegen veel, zoo niet alles te zeggen. De veelsoortigheid van papier, dat op die wijze in enkele gemeenten in omloop kwam, moest wel verwarrend op het muntwezen werken; maar.... hoe ongewenscht ook, het was noodig. De toestand was de heele week al zoo slecht geweest als hij maar wezen kon; den Zaterdag, den dag waarop overal arbeidsloonen moesten worden betaald, kon men op die manier niet ingaan. De Regeering was niet bij machte meer te doen, dan zij deed, en dat was, hoe uiterst verdienstelijk de praestatie met de aflevering der zilverbons op zich zelf ook was, niet genoeg. Men moest dus wel over alle bezwaren heenstappen en zag met vreugde, zij het ook gemengd met eenigen weemoed, dat de gemeenten waar de meeste arbeidsloonen te betalen waren, zich zelf hielpen. Zoo is men den critieken Zaterdag, 8 Augustus, doorgekomen. Het zal wel niet overal even gemakkelijk zijn gegaan, maar men kwam er door. Toen was het gevaar geweken. De volgende week konden zilverbons in genoegzaam getal beschikbaar worden gesteld. Hoe noodig de maatregel wel was, kan men afleiden uit het feit, dat van 7 Augustus tot half September omstreeks ƒ 19 millioen aan zilverbons in het verkeer werd opgenomen. Sedert dien is het bedrag geleidelijk verminderd. De bons van ƒ 5 waren niet in trek; de uitgifte daarvan werd spoedig gestaakt.

Toen in het begin van 1915 de namaak der zilverbons onrustbarende afmetingen aannam, werd besloten de oorspronkelijke stukken door andere te vervangen, die zorgvuldiger konden zijn voorbereid en beter afgewerkt en daardoor niet alleen sierlijker waren van uiterlijk, maar ook meer waarborg boden tegen valschheid. Daarbij werden voor de ingetrokken zilverbons van ƒ 1 geen nieuwe in de plaats gesteld. Men bepaalde zich tot stukken van ƒ 2.50. Toen er in April 1916 weer een klein paniekje kwam, openbaarde zich dit opnieuw in onttrekking van zilver aan de circulatie en moest mijn opvolger als Minister van Financiën zijn toevlucht weer nemen tot de uitgifte van zilverbons ook van een gulden.

Men heeft het intusschen niet bij den aanmaak van zilverbons gelaten. Ook aan het gemunt zilver heeft men terstond zijn aandacht gewijd. Door tusschenkomst van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij werden groote aankoopen van zilver voor den Staat gedaan en aan ’s Rijks Munt werd voorbeeldig gewerkt om den voorraad gemunt zilver aan te vullen. Maar het was echte Sisyphus-arbeid. Toen ik het Departement van Financiën verliet, was er sedert het begin van de crisis voor ruim ƒ 30 millioen zilvergeld aangemunt, maar steeds vloeide het weer uit de circulatie weg. De honger naar zilvergeld was onverzadiglijk. Wel was in verband daarmede het bedrag der in omloop zijnde zilverbons tot omstreeks ƒ 6 millioen teruggebracht, maar zelfs als men dit in aanmerking neemt, was het in omloop verkeerend en vastgehouden gemunt zilver, met inbegrip van de zilverbons, ruim 50 pct. hooger dan de normale behoefte.

Toen het hoogtepunt der geldcrisis achter ons lag, en men den toestand weer meester was geworden, werd op 17 Augustus 1914 door het Departement van Financiën de medewerking van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, opdat de gemeentelijke bons, welke nu niet meer noodig waren, zoo spoedig mogelijk uit het verkeer zouden worden genomen. De gemeenten, die waarlijk niet voor haar genoegen tot het uitgeven van eigen bons waren overgegaan, gaven hieraan gereedelijk gehoor, met het gevolg dat die bons spoedig tot de geschiedenis behoorden.

Intusschen had het gebrek aan zilver in de week van 3 tot 8 Augustus nog tot een anderen zeer bedenkelijken misstand geleid. De omstandigheid dat men bankbiljetten niet meer aan postkantoren, stations enz. in betaling kon geven, als men kleinere sommen te betalen had en wisselgeld terug moest hebben, gaf er aanleiding toe, dat een deel van het publiek in den waan begon te verkeeren, dat ze geen vertrouwen meer verdienden. Eenige minder kieskeurigen onder de zilverpotters, die de leer van keizer Vespasianus omtrent den oorsprong van het geld waren toegedaan, als men het maar binnen kreeg, maakten van dat volkomen onredelijk, maar uit de algemeene paniekstemming verklaarbare wantrouwen in de credietwaardigheid van de Nederlandsche Bank gebruik om hun beangste medeburgers af te zetten, door bankbiljetten van tien gulden ter inwisseling tegen ƒ 9, ƒ 8 of nog minder aan te nemen. Enkele schaamden zich zelfs niet die afzetterij, in de dagen van den zilvergeldnood, openlijk als bedrijf aan te kondigen en uit te oefenen.

Door geruststellende openbare mededeelingen van de Regeering en van enkele gemeentebesturen werd al het mogelijke gedaan om het vertrouwen te doen terugkeeren en tegen de afzetterij, waarvan ik zoo even sprak, te waarschuwen. De pers, die op slechts enkele hooge uitzonderingen na, gedurende den geheelen oorlogstijd en vooral in de zoo critieke eerste weken, steeds bereid was de Regeering met haar invloed te steunen, droeg daartoe met al haar krachten bij. Dit een en ander miste zijn effect niet, maar toch zou een ware ramp over ons land zijn gekomen, indien er op 8 Augustus niet genoeg ruilmiddel was geweest om de loonen te betalen. Onder het neerschrijven hiervan ontsnapt mij nu nog een zucht van verlichting bij de gedachte, dat men met vereende krachten er in slaagde die ramp te bezweren.

Sprekende in de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914, zeide ik onder den indruk van het nieuwe gevaar, dat het hoofd had opgestoken en dat het publiek, als het zijn kalmte niet had verloren, zich zelf en de Regeering had kunnen besparen:

„Er zijn blijkbaar een aantal personen, die meenen dat zij zich zelf op het oogenblik helpen door zooveel mogelijk zilver-ruilmiddel aan het verkeer te onttrekken en weg te bergen. Ik zou wenschen dat elk in eigen kring, en de pers in breeden kring, toch ieder tracht te overtuigen dat hij, door dat te doen, niet alleen zeer schaadt het algemeen belang, maar per slot van rekening ook zich zelf. Wat er op het oogenblik gebeurt met het onttrekken van zilver aan het verkeer is in hooge mate ernstig en door niets gemotiveerd.

„Tot nog toe was het onverstandig, maar het ziet er uit of het weldra misdadig zou kunnen worden. En wanneer het mocht blijken dat een deel van het Nederlandsch publiek, op hetwelk wij allen toch wel recht hebben een beroep te doen, doorgaat met op deze wijze het belang van het volk te schaden, dan zal de Regeering zeker niet aarzelen om met de middelen die zij heeft of, voor zoover zij op het oogenblik nog geen middelen heeft, met de middelen die zij dan zal voorstellen, zoo krachtig mogelijk daartegen in te gaan.

„Er is aan de Regeering ook ter oore gekomen, dat gewetenlooze individuen nu reeds er een bedrijf van maken, om de goedgeloovige gemeente, welke inderdaad vreest, dat de bankbiljetten niet meer hun volle waarde zouden hebben, haar goed bankpapier af te nemen tegen minderen prijs in zilver.

„Ik aarzel niet dat te noemen gewetenloos en op dit kritieke oogenblik voor ons land zóó ernstig, dat, indien dit in eenige mate mocht doorgaan, de Regeering geen oogenblik zal aarzelen door krachtig in te grijpen, het tegen te gaan.”

Gelukkig behoefde het daartoe niet te komen. Wel bleef een deel van het publiek aan het opzamelen van zilvergeld, maar het vertrouwen in de bankbiljetten keerde toch spoedig geheel terug. Ook de zilverbons kwamen onder den drang der omstandigheden zonder moeite in het verkeer. Dit neemt niet weg, dat er in enkele gevallen daarmede moeilijkheden werden ondervonden. Een winkelier in Den Haag plakte zelfs op zijn winkelraam aan, dat zilverbons niet in betaling werden genomen. Zoodra ik dat hoorde, verzocht ik den burgemeester den heelen winkelvoorraad krachtens de levensmiddelenwet in beslag te nemen, daar het niet aannemen van wettig betaalmiddel wel de ergste vorm van prijsopdrijving is. De schadevergoeding zou dan dien vijand der zilverbons uitsluitend in dat geld zijn uitbetaald. Toen de man werd gewaarschuwd en begon te begrijpen wat hem boven het hoofd hing, koos hij eieren voor zijn geld, of liever: zilverbons voor zijn eieren, en gaf hij zijne oppositie tegen den zilverbon op.

Een duidelijk beeld van de snel stijgende maar ook spoedig gelukkig weer dalende lijn van het algemeen wantrouwen in de eerste oorlogsweek geven de cijfers der opvragingen bij de Rijkspostspaarbank. Het normale getal opvragingen bij die instelling is per dag omstreeks 800 tot een bedrag van ƒ 200.000. In de ergste crisisdagen beliep het aantal en het bedrag der aanvragen tot terugbetaling:

op aantal bedrag

Juli 29 1.408 362.000

„ 30 2.871 1.035.000

„ 31 6.874 2.585.000

Augustus 1 13.771 4.821.000

„ 3 11.228 3.718.000

„ 4 1.607 515.000

„ 5 1.777 518.000

„ 6 1.289 336.000

„ 7 696 176.000

Toen de storm opstak, was het noodig dat ook hier maatregelen werden genomen. Op 30 Juli verscheen een communiqué in de dagbladen, den spaarders waarschuwende tegen geheel ongemotiveerde ongerustheid, daar de Staat den inleggers de teruggaaf hunner inlagen waarborgt. Toen de run niettemin toenam, was het noodig de Rijkspostspaarbank tegen dien stroom in zoover te beveiligen, dat de termijn van verplichte uitbetaling werd verlengd en zoodoende tijd werd verkregen om aan de aanvragen daartoe geleidelijk te kunnen voldoen. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 3 Augustus de termijn der verplichte terugbetaling van 14 dagen op zes maanden gebracht, met dien verstande dat binnen dien termijn ten hoogste ƒ 25 in één week zou worden uitbetaald. Toen bleek dat die maatregel tot misverstand aanleiding gaf en het publiek daaruit las, dat iedere inlegger op de Rijkspostspaarbank zes maanden op de terugbetaling van zijn spaarpenningen zou moeten wachten, gaf de Directie een communiqué aan de dagbladen, waarin duidelijk gemaakt werd, dat die termijn alleen als uiterste termijn bedoeld en gesteld was, doch dat daarbinnen de terugbetalingen geleidelijk zouden geschieden. Aangezien spoedig bleek dat de meeste aanvragers hun spaargeld eigenlijk niet terugverlangden, maar alleen hadden gehandeld onder den invloed van de algemeene ongerustheid, werd hun op 8 Augustus door de Directie medegedeeld, dat hun aanvraag als vervallen zou worden beschouwd, indien zij niet werd herhaald. Een even nuttige als practische maatregel. Op 13 Augustus werd medegedeeld dat niet of niet voldoende gemotiveerde aanvragen voorloopig zouden worden ter zijde gelegd, maar dat terstond ƒ 25 per week zou verkregen kunnen worden. Den 19den werd bericht dat alle aanvragen tot terugbetaling weer dadelijk in behandeling zouden komen; den 20sten dat de aanvragen verder niet meer behoefden te worden gemotiveerd, en den 24sten dat de termijn van afdoening van niet met redenen omkleede aanvragen werd teruggebracht op zeven dagen. De snelle opeenvolging van de dagteekeningen dezer maatregelen en communiqués geeft een duidelijk en zeer overzichtelijk beeld zoowel van de plotselinge zenuwachtigheid van het publiek als van den spoedigen terugkeer tot bezinning.

Geheel in dezelfde lijn als de maatregelen van de Rijkspostspaarbank lag hetgeen gedaan werd door den Bond voor den Geld- en Effectenhandel in de Provincie. Het bestuur van dezen bond had zich Zaterdag 1 Augustus met mij in verbinding gesteld en wendde zich den volgenden ochtend ook tot de directie van de Nederlandsche Bank, daar het van het geschokte vertrouwen en van de plotseling opgekomen zucht tot oppotten van geld niet slechts voor de leden van de vereeniging maar ook voor het publiek onheilen vreesde, als niet door de provinciale bankiers één lijn werd getrokken tegenover reeds begonnen en nog meer te verwachten zenuwachtige opvragingen van geld. Als gevolg van de besprekingen met mij en met de directie van de Bank, verzocht het bestuur van den Bond op Zondag 2 Augustus per circulaire aan zijne leden „zich bij het doen van uitbetalingen te beperken tot hetgeen noodig is voor levensonderhoud, werkloonen of onafwijsbare verplichtingen.”

Men heeft achteraf den Provincialen Bond en zijn bestuur daarover hard gevallen. Die grief is ongerechtvaardigd. Wat dat bestuur deed, lag geheel in de lijn der maatregelen, die zoowel door de Regeering als door de Nederlandsche Bank en den Geldhandel te Amsterdam tot beperking der speculatie en tot intooming van het oppotten van geld werden genomen of bevorderd. Voor die circulaire, welke zich geheel aansluit bij de gedragslijn door de Regeering en de Directie dezer Rijksinstelling ten aanzien van de Rijkspostspaarbank gevolgd, dragen èn de Regeering èn de Nederlandsche Bank mede de moreele verantwoordelijkheid. Ik voor mijn deel aanvaard die zonder voorbehoud. De Amsterdamsche bankiers, die in de eerste crisisdagen een overeenkomstige gedragslijn volgden, maar die daarvan spoediger dan hun collega’s in de provincie konden afwijken, toen zij uit den aard der zaak het eerst aan bod waren bij de hulp, welke de Vereeniging voor den Geldhandel verleende, hadden niet noodig dit bij circulaire bekend te maken. Ook zij waren echter in den aanvang terughoudend in het doen hunner uitbetalingen. Diegenen onder hen die dit schijnen vergeten te hebben, vergeten daarmede tevens, dat zij tegenover alle maatregelen, die genomen moesten worden om ongewenschte speculatie en oppotting van geld tegen te gaan, onverantwoordelijk zouden hebben gehandeld door hun medewerking daaraan te onttrekken. Zij deden beter, dan zij het zich achteraf nog herinneren.

Formeel was de terughoudendheid der bankiers in het doen van terugbetalingen weinig minder bedenkelijk dan de beurssluiting was geweest. Het was ook een daad van eigen richting, maar met dit verschil dat hier de Regeering en de Nederlandsche Bank vooraf in de zaak waren gekend en dat de heeren wisten in den geest van beide te handelen, door te doen gelijk zij deden. Ter moreele rechtvaardiging van hun daad van eigen richting, die gelijk stond met het zich eigenmachtig toekennen van een beperkt moratorium, behoeft niet uitsluitend een beroep te worden gedaan op het: „nood breekt wetten”. Het algemeen belang wees in de eerste dagen van Augustus in de richting, welke de bankiers uit eigen lijfsbehoud insloegen.

Niet alleen zouden verschillende bankiers en commissionnairs in effecten anders gevaar hebben geloopen, individueel hun betalingen te hebben moeten staken, hetgeen tot een débacle in de financieele wereld zou hebben geleid, waarvan het effect een nog grootere stoornis in het crediet, een nog hooger oplaaien van algemeen wantrouwen zou zijn geweest. Tegenweer was in dit geval, al gold ook hier dat „charité bien ordonnée commence par soi-même”, uit dien hoofde tevens in het algemeen belang. In de vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 zeide ik hieromtrent: „Daardoor wordt verkregen dat het beschikbaar kredietmiddel ook beschikbaar blijft alleen en uitsluitend voor hen bij wie en voor zoover er werkelijk behoefte aan bestaat, en wordt tegengegaan, voor zoover het eenigszins kan, elke poging om nu van de abnormale toestanden van dezen tijd gebruik te maken om later door speculatie rijk te worden. Of dit in alle opzichten gelukken zal, dat kan niemand zeggen, maar ik wil dit toch constateeren, dat evengoed de groote bankiers als de organisatie van het bankwezen in de provincie met de Regeering eens van zin niet alleen, maar eensgezind handelen om alle dergelijke pogingen van het kredietwezen misbruik te maken en zich te verrijken ten koste van het geheele volk, tegen te gaan zooveel het kan en daarmede te gelijk in de werkelijke kredietbehoeften te voorzien, zoover het maar eenigszins mogelijk is.”

Toen er, gelukkig spoedig, ontspanning kwam, volgden de provinciale bankiers, na overleg met de Regeering, dezelfde gedragslijn die door de Rijkspostspaarbank werd aangenomen. Den 15den Augustus berichtte het bestuur van den Provincialen Bond aan zijne leden, dat het in strijd zou zijn met de bedoelingen van den genomen maatregel, indien betalingen werden geweigerd, noodig voor de verplichtingen of de voortzetting van het gewone bedrijf der cliënten. Spoedig daarna ging het bij de uitbetaling van deposito’s en rekening-courant saldo’s weer geheel normaal in zijn werk.

Zooals ik reeds met een enkel woord aanstipte, waren de Amsterdamsche bankiers nog spoediger dan hun collega’s in de provincie in staat, hun terughoudendheid bij het voldoen aan opvragingen, die geen voldoend economisch motief hadden, te laten varen. Het syndicaat van de groote bankiers dat zou gevormd worden, tot een bedrag van ten minste ƒ 200 millioen, indien de Regeering bereid was de boven behandelde maatregelen te nemen tot versterking van de positie van de Nederlandsche Bank, kwam reeds tot stand voordat die maatregelen door de wet waren bekrachtigd. Men herinnert zich dat op 30 Juli laat in den avond de directie van de Nederlandsche Bank en de voornaamste bankiers in de vergadering van den Ministerraad waren verschenen. Wat er daarna door de groote bankiers geschiedde, ontleen ik aan het verslag van de Nederlandsche Handel-Maatschappij over het boekjaar 1914:

„Vrijdag den 31sten Juli hadden te onzen kantore wederom uitvoerige besprekingen tusschen de voornaamste bankiers en met de Directie van De Nederlandsche Bank plaats, welke tot diep in den nacht voortduurden.

„Het resultaat van deze besprekingen is geweest, dat den 1sten Augustus in de dagbladen kon worden medegedeeld, dat een steun-syndicaat van ƒ 200 millioen was tot stand gekomen.

„Dit syndicaat, dat zich de medewerking van de reeds bestaande, rechtspersoonlijkheid bezittende „Vereeniging voor den Geldhandel” verzekerde, verschafte aan deze Vereeniging bij De Nederlandsche Bank een crediet van ƒ 200 millioen, ten aanzien waarvan het syndicaat zich voor 20% van de opgenomen voorschotten, tot een maximum van ƒ 40 millioen borg stelde.

„In deze ƒ 40 millioen werd door ons deelgenomen voor een bedrag van ƒ 8 millioen. Verder namen daarin deel de volgende instellingen en firma’s: Rotterdamsche Bankvereeniging, Amsterdamsche Bank, Twentsche Bankvereeniging, B. W. Blijdenstein & Co., Hope & Co., Van Loon & Co., Nederlandsch-Indische Handelsbank, Lippmann, Rosenthal & Co., Incasso-Bank, R. Mees & Zoonen, Wertheim & Gompertz, Adolph Boissevain & Co., Gebrs. Teixeira de Mattos, A. van Hoboken & Co., Internationale Crediet- en Handelsvereeniging „Rotterdam”, Van Eeghen & Co., Wiegman’s Bank, De Wissel- en Effectenbank, Disconto-Maatschappij, Marx & Co.’s Bank, Vermeer & Co. en Nederlandsch-Indische Escompto-Maatschappij.

„Hierdoor werd bereikt, dat de noodige middelen beschikbaar waren, om aan allen, die zakelijke zekerheid konden aanbieden, Zoo noodig hulp te verschaffen.”

Zoowel over de beteekenis van de „Vereeniging voor den Geldhandel”, waarvan het voorzitterschap aan den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd toegekend, als over den moreelen steun, welke door de Regeering bij haar wedergeboorte was verleend, bestond misverstand. Men meende dat met den getroffen maatregel de Vereeniging voor den Geldhandel alleen de „haute finance” en den groothandel helpen zou. Al zou het onjuist zijn te ontkennen, dat bij de groote bankiers niet even goed als bij hunne vakgenooten uit de provincie de overweging gold, welke in het zooeven door mij aangehaalde Fransche spreekwoord wordt uitgedrukt, toch had de Vereeniging voor den Geldhandel niet de bedoeling uitsluitend voor het groote bankwezen en den groothandel werkzaam te zijn en verspreidde haar werkzaamheid zich ook inderdaad over veel ruimeren kring. Tot tweemaal toe achtte ik het noodig omtrent de beteekenis dier vereeniging in de Tweede Kamer misverstanden uit den weg te ruimen. Op 3 Augustus zeide ik daaromtrent: „Van het oogenblik af, dat de toestand dreigde zoo kritiek te worden als hij op het oogenblik is, is er van uit de bankwereld verband gezocht en connectie verkregen met de Regeering, en de Regeering heeft zich bij monde van den Minister van Financiën, van den Minister van Justitie en van mij, bereid verklaard om in overleg met de verschillende organen van ons geld- en kredietwezen te treden en aan den toestand, voor zoover het maar eenigszins mogelijk is en zoolang het mogelijk is, het hoofd te bieden. En nu is de voorstelling, alsof door de getroffen regeling alleen zou worden geholpen de groothandel gelukkig niet juist en ik kan er bij zeggen dat, wanneer ik den indruk had gekregen, dat door de zeer bijzondere maatregelen die genomen zijn, door het Koninklijk besluit tot verandering van de dekking der Nederlandsche Bank en tot verandering van het octrooi, alleen de groothandel zou worden geholpen, ik gemeend zou hebben, dat de Regeering niet verantwoord was. Maar om het krediet ook voor den kleinhandel, ook voor den landbouw en de groote en kleine nijverheid zoo goed mogelijk in dezen kritieken tijd in staat te stellen te voldoen aan zijn taak, moet in de allereerste plaats de centrale, de groote kredietorganisatie in staat zijn om aan de verschillende gewettigde aanvragen te voldoen.

„Met bijzonder veel genoegen kan ik hier verklaren, dat er is verkregen overeenstemming tusschen het bestuur van de Nederlandsche Bank, een consortium van groote bankiers en de commissionnairs in effecten in de provincie en de Regeering om een regeling te treffen, waarbij aan alle gewettigde kredietaanvragen in den tegenwoordigen tijd zal worden voldaan, voor zoover dit met de bestaande kredietmiddelen mogelijk is.”

Het misverstand was daarmede echter niet uit den weg geruimd. Een vraag van Dr. Bos gaf mij aanleiding in de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus 1914, nadat het ontwerp van wet op de zilverbons zonder mondelinge beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming was aangenomen, nog op te merken: „Men meent dat het syndicaat eigenlijk speciaal is opgericht en speciaal werkt ten gunste van den effectenhandel, van den geldhandel en niet van den goederenhandel en, voor zoover het dan nog voor den goederenhandel zou zijn, alleen voor den groothandel. Laat ik herhalen in eenigszins andere woorden hetzelfde wat ik reeds Maandag gezegd heb, toen ik deze zaak besprak. De Regeering zou ongetwijfeld niet hebben medegewerkt tot het nemen van de zeer buitengewone maatregelen, die genomen zijn om het kredietwezen zoo goed mogelijk in stand te houden, indien zij niet de overtuiging had, dat volstrekt niet alleen de geldhandel, volstrekt niet alleen de groothandel, maar dat èn de goederenhandel èn de geldhandel èn de kleinhandel èn de groothandel, natuurlijk voor zoover het kan, zullen worden geholpen. Er is in dit opzicht inderdaad eenig misverstand ontstaan, en nu is in de advertentie, die hedenmorgen in de verschillende bladen heeft gestaan, een advertentie, die ook een gevolg is van de besprekingen, die reeds weer plaats gehad hebben met het consortium, zoo duidelijk mogelijk door dat consortium aangegeven, dat het inderdaad even goed voor den goederenhandel als voor den geldhandel werkt.

„In die advertentie lees ik het volgende: De ondergeteekenden berichten, dat de voorschotten welke de Vereeniging voor den Geldhandel verstrekt, worden verleend tegen goed te keuren fondsen, ceelen, wissels, promessen, hypothecaire zekerheid, en andere zakelijke waarborgen, aan alle handelaren, industrieelen, particulieren, spaarbanken en andere instellingen, waar ook in Nederland gevestigd, welke onder de bestaande omstandigheden geld behoeven”.

De grief dat de Vereeniging voor den Geldhandel wel wat langzaam te werk ging bij het verleenen van haar hulp, kon ik niet tegenspreken. Ook al werd de noodzakelijkheid van zorgvuldig onderzoek van elke bij haar inkomende aanvraag, een onderzoek dat in nauwe samenwerking met de Nederlandsche Bank moest geschieden, volmondig erkend, had men toch mogen rekenen op een snellere afdoening van zaken dan in werkelijkheid plaats had. Als Minister van Handel heb ik in die dagen op het betrachten van grooteren spoed bij het behandelen der credietaanvragen meermalen aangedrongen, zoowel bij de Vereeniging voor den Geldhandel als bij de Nederlandsche Bank.

Omtrent de wijze waarop de aanvragen behandeld werden, schrijft het Verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15: „De Nederlandsche Bank heeft in haar gebouw lokaliteiten beschikbaar gesteld voor de Vereeniging, alwaar deze een eigen kantoor inrichtte met bijzondere boekhouding. Alle aanvragen om steun moesten bij het Bestuur dezer Vereeniging worden ingediend, waartoe elken werkdag, gedurende de gewone kantooruren door dit Bestuur zitting werd gehouden. Een eerste onderzoek werd dan door het Bestuur van de Vereeniging v. d. Geldhandel naar die aanvragen ingesteld, waarna deze door het Bestuur der Vereeniging met praeadvies werden overgebracht bij de Directie van De Nederlandsche Bank ter verdere zelfstandige beslissing.

„Bij inwilliging van het verzoek stelde De Nederlandsche Bank het geld ter beschikking van de Vereeniging voor de goedgekeurde aanvrage. Als zekerheid voor deze verleende credieten werden in groote verscheidenheid roerende goederen in onderpand genomen, waaronder dikwijls zaken, welke in gewone omstandigheden voor onderpand bij de Bank niet in aanmerking kwamen; bovendien werden ook als onderpand aangenomen onroerende goederen, welke met een hypotheek ter verzekering van het voorschot werden belast, en ook grossen van hypotheek.

„Op deze wijze werd het mogelijk met behulp van De Nederlandsche Bank in werkelijk dringende gevallen ook geld op hypotheek of op beleening van grossen van hypotheek te krijgen, niettegenstaande het bedrijf der gewone hypotheekbanken door de crisis was stop gezet.”

De werkzaamheid van de Vereeniging voor den Geldhandel kreeg intusschen bij lange na niet zulk een omvang als waarop was gerekend. In het verslag van de Nederlandsche Bank over het boekjaar 1914/15 wordt hiervan gezegd: „De Vereeniging voor den Geldhandel had tot 31 Maart 1915 voor een bedrag van ƒ 31.867.477,50 aan voorschotten in allerlei richting toegezegd, waarvan was opgenomen ƒ 23.512.306,845 en wederom afgelost ƒ 10.782.431,04; dit cijfer is dus gebleven verre beneden de ƒ 200 millioen, aanvankelijk als maximum voor een hulpverschaffing in die richting gesteld. Deze cijfers op zichzelven geven echter geen juist beeld van de werkzaamheden der Vereeniging; immers zij heeft haar intermediair verleend voor aanvragen tot een belangrijk grooter bedrag, welke evenwel.... zijn teruggebracht bij de gewone bankrelaties. Vooral in dit opzicht heeft de dagelijksche samenwerking van den „Geldhandel” met De Nederlandsche Bank een heilzame uitwerking voor het crediet in Nederland gehad. Zoowel kleine handelaars, scheepswerven, industrieelen, alsook zeer groote groepen van handel, landbouw en industrie hebben van deze samenwerking en voorlichting kunnen profiteeren, om langs normale wegen weder het noodige bedrijfscrediet te verkrijgen, toen voor velen hunner het verloop van de crisis uit andere oorzaken gunstiger bleek te worden dan eerst was verwacht en zij dientengevolge buitengewone credietfaciliteiten als van den „Geldhandel” niet noodig hadden. Verschillende anderen kwamen zelfs in zóó veel beter omstandigheden, dat zij den aangevraagden steun in het geheel niet meer behoefden.”

Hieruit blijkt genoeg, welk een gunstige uitwerking het heeft gehad, dat de vooraanstaande mannen van den geldhandel zonder verwijl, zoodra de crisis losbrak, maatregelen namen om in de credietbehoefte van handel, landbouw en nijverheid te voorzien. Zooals ook de president van de Nederlandsche Bank opmerkt, is de beteekenis van dat initiatief niet slechts af te meten naar den omvang der werkzaamheden van de daaruit voortgekomen organisatie van het crisiscrediet, maar ten minste evenzeer naar den kalmeerenden invloed, dien het enkele feit van het optreden van de Vereeniging voor den Geldhandel heeft gehad. Het werkte als olie op de crisis-golven.

Intusschen had het aanvankelijk een groote schaduwzijde. Het crediet dat verleend werd, kwam den credietbehoevenden op een bij uitstek hooge rente te staan. Toen de crisis was ingetreden, de effectenbeurs was gesloten en het gewone crediet tijdelijk was stop gezet, had dit tot gevolg, dat bij de bepaling der rente voor de credietzaken, welke door de Vereeniging voor den Geldhandel werden afgesloten, uitgegaan werd van de renteberekening der Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant. Daar die Vereeniging het geld voor de credieten, welke zij gaf, zooals werd uiteengezet, van de Nederlandsche Bank ontving, kon zij voor haar eigen renteberekening geen anderen grondslag nemen. Doch ook de Vereeniging voor den Effectenhandel ging dien weg op. Ook zij bepaalde, dat bij de berekening van prolongatierente van de rente der Nederlandsche Bank voor voorschotten en rekening-courant zou worden uitgegaan. Deze was door de directie op 29 Juli eerst tot 6% verhoogd en op 1 Augustus op 7% gebracht. Hierboven werd 2% berekend, bovendien moesten de debiteuren van prolongatieposten nog 1 per mille per maand betalen aan den commissionnair in effecten. Het crediet kwam dus in de eerste weken van Augustus aan de debiteuren op meer dan 10 pct. per jaar te staan. Dat was inderdaad veel te hoog, zelfs de omstandigheden in aanmerking genomen. Van verschillende zijden ontving de Regeering daarover klachten en in de pers werd op deze groote schaduwzijde van de hulp, welke aan de credietbehoevenden werd verleend, met meer of minder scherpte de aandacht gevestigd. Dit gaf mij aanleiding tot het houden van eenige besprekingen zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met den president van de Vereeniging voor den Geldhandel. Bij den laatste werd met goed gevolg aangedrongen op verlaging van het rentesurplus van 2% dat boven de bankrente geëischt werd.

Minder gemakkelijk ging het de directie van de Nederlandsche Bank tot verlaging van haar renteberekeningen te bewegen. Zij stelde zich op het voor normale omstandigheden volkomen juiste standpunt, dat zij in haar rentepolitiek vrij moest zijn en zich niet kon noch mocht laten leiden door overwegingen, ontleend aan de rente, welke voor beursoperaties of voor andere credietzaken door particuliere bankiers of commissionnairs wordt berekend. Het spreekt wel van zelf, dat de Regeering dit standpunt van de Nederlandsche Bank in beginsel volkomen eerbiedigde. Een circulatiebank, die in de eerste plaats heeft te zorgen voor de volstrekte betrouwbaarheid van het door haar uitgegeven papier, heeft in het normale verkeer vooral rekening te houden met de fluctuaties in haar eigen goudvoorraad en met hetgeen vreemde circulatiebanken doen, hetzij om goud tot zich te trekken hetzij om voor tijdelijken overvloed van goud een uitweg te vinden. Voorts zal zij, ook in verband met hare moreele verantwoordelijkheid als centrale credietinstelling, vooral in crisistijd alles doen wat in haar vermogen is, om de speculatie in toom te houden of althans niet onwillekeurig aan te wakkeren.

In normale tijden nemen zulke overwegingen bij de directie der Nederlandsche Bank de allereerste plaats in en moeten zij dit doen. Maar met het uitbreken van den oorlog werden de omstandigheden op eenmaal geheel abnormaal, ook voor de Nederlandsche Bank. Uitvoer van goud was overal verboden; overwegingen ontleend aan de goudfluctuatie waren dien ten gevolge uitgeschakeld. Het hoog houden der rente ter beperking van de speculatie was bovendien in deze crisis niet noodig. Beursspeculaties waren uitgesloten, omdat er geen beurs werd gehouden, en voor zoover er crediet werd verleend, werd er, grootendeels met dagelijksche medewerking van de Nederlandsche Bank zelf, voor gezorgd, dat dit slechts zou geschieden voor de reëele behoeften van handel, landbouw en nijverheid en dat credietoperaties met speculatieve oogmerken niet in aanmerking zouden komen.

Daarentegen was de Nederlandsche Bank in de crisis, veel meer nog dan in normale omstandigheden, het middelpunt geworden van het geheele credietwezen, en leidde dit er o.m. ook toe, dat over heel de linie de bankrente de leiding kreeg. Dit was een even onvermijdelijk gevolg van den toestand als de groote tijdelijke concentratie van het credietwezen zelf. Maar dit bracht voor de Bank de verplichting met zich, andere overwegingen bij de vaststelling der door haar te berekenen rentevergoedingen te doen gelden, dan waaraan zij gewoon is in de eerste plaats waarde te hechten. Zoo iets kost bij een veelhoofdige directie altijd eenige moeite. Bij mijne besprekingen met den president van de Nederlandsche Bank werd vooral op die groote verandering in den toestand door mij de nadruk gelegd, alsook op de fundamenteele wijzigingen in de overwegingen van de Nederlandsche Bank bij de bepaling van haar rentepolitiek, welke daarvan, zoolang de toestand op de credietmarkt bleef, gelijk hij in Augustus 1914 was, het noodzakelijk gevolg moesten wezen. In principe bestond daarover tusschen den heer Vissering en mij niet veel verschil van gevoelen, maar de president van de Bank was wat huiverig voor de aanvaarding van de consequenties, waartoe afwijking van de gewone regelen zou kunnen leiden. Intusschen kostte het niet veel moeite het Bankbestuur tot zijn eerste renteverlaging te brengen, welke den 14den Augustus plaats had en welke 1⁄2 pct. bedroeg voor beleeningen en voor voorschotten in rekening-courant. Meer overredingskracht was noodig om haar over te halen tot de tweede verlaging, welke op 20 Augustus volgde en een vol procent over de geheele lijn bedroeg. De rente voor beleeningen was daarmede teruggebracht tot 5% en die voor voorschotten in rekening courant tot 51⁄2%.

Nog voordat op grond van de Beurswet de bepaling der prolongatierente in handen van den Minister van Financiën was gesteld, was de Vereeniging voor den Effectenhandel er toe overgegaan, daarvoor het surplus van 2% boven de bankrente in te trekken en, zooals ik reeds opmerkte, had de Vereeniging voor den Geldhandel de marge van 2% voor de door haar bemiddeling afgesloten wordende posten reeds spoedig verlaagd. Ten gevolge van een en ander was de crisis-rentestand in het eind van Augustus tot omstreeks 61⁄2% gedaald. Dit gaf mij aanleiding, mij bij de behandeling der Beurswet, zoowel in de schriftelijke stukken als bij de mondelinge beraadslagingen, te verzetten tegen een uit de Tweede Kamer gekomen wensch, dat de Minister van Financiën, zoolang die wet zou gelden, in het algemeen bevoegd zou zijn een maximale rente vast te stellen voor nieuwe credietoperaties. Naar aanleiding van dien wensch en van het door mij daartegenover ingenomen standpunt, werd in het Verslag over de besprekingen tusschen de Commissie van Rapporteurs en mij geschreven: „Voor vordering van hooge renten behoefde naar de meening des Ministers niet gevreesd te worden. Wel is waar werden voor eenige weken hooge renten voor beleeningen gevergd, maar al zeer spoedig zijn, ofschoon er geen wettelijke dwang mogelijk was, die renten tot een in de bestaande omstandigheden matig te achten bedrag teruggebracht.”

Later was bemoeiing van de Regeering met rentebepalingen, buiten de uitvoering der Beurswet, niet meer noodig. Hiertoe heeft zeer medegewerkt de in den loop van 1915 voortdurend toegenomen ruimte van geld. Deze heeft van zelf ook ten gevolge gehad, dat de particuliere banken veel minder op de Nederlandsche Bank behoefden te steunen dan in de eerste weken der crisis en dat de door hen berekende rentevergoedingen konden worden losgemaakt en feitelijk los werden van de bankrente. Reeds in de laatste maanden van 1914 begonnen in den geldhandel meer gewone toestanden terug te keeren. Die beweging heeft zich in 1915 zeer geaccentueerd.

Nog een oogenblik moet ik thans stilstaan bij de uitbreiding der circulatie van bankbiljetten als gevolg van de crisis. De automatische centraliseering van het credietwezen bij de Nederlandsche Bank leidde bij het uitbreken der crisis tot een even plotselinge als ongekende verhooging van de vraag naar bankbiljetten. Op 25 Juli 1914 stond een bedrag aan bankpapier uit van ƒ 310 millioen, op 7 Augustus was dit reeds toegenomen tot ƒ 461 millioen. De reserve aan biljetten bij de Bank was op zulk een ongekende verhooging van de vraag niet berekend. Met groote snelheid werden daarom hulpbiljetten aangemaakt en in omloop gebracht, die later weer door gewoon bankpapier zijn vervangen. De bankbiljetten-circulatie is echter niet slechts in de eerste crisisweken toegenomen, zij is in den oorlogstijd voortdurend stijgende gebleven en bedroeg op 31 Maart 1916 reeds meer dan ƒ 600 millioen. Het is evenwel minder juist hier te spreken van biljettencirculatie. Voor een niet onbelangrijk deel, dat wel niet ver van de ƒ 200 millioen zal afwijken, is de ongekend groote uitgifte van bankbiljetten niet te verklaren uit grootere behoefte aan ruilmiddel dan onder normale omstandigheden, maar uit het vasthouden en wegbergen daarvan. Met de bankbiljetten is het gegaan als met het zilvergeld; een groot gedeelte daarvan is opgepot. Of dit alleen moet worden beschouwd als een uiting van een nog niet geheel overwonnen gevoel van onzekerheid, dan wel of de terughouding ook aan speculatieve overwegingen moet worden toegeschreven, is moeilijk te zeggen. Bij de vasthouding van bankbiljetten zal speculatieve overweging, vooral het gereed staan, als eens bij den vrede groote veranderingen zullen komen in de conjunctuur, een grootere rol spelen dan bij het wegbergen van zilvergeld. Ook dragen zoowel de welvaart, welke de oorlog speciaal onder de boeren gebracht heeft, als de vrees voor het bekend worden van gemaakte oorlogswinsten daartoe bij.

Ware het bedrag aan uitstaande biljetten niet zoo buitengewoon groot geweest en gebleven, dan zou langzamerhand de toestand zich wat de metaaldekking betreft, zoodanig gewijzigd hebben, dat die dekking in stede van beneden 40% te dalen, zooals in den aanvang het geval was, tot zelfs boven 100% zou zijn gestegen. Nu is zij, ondanks de groote uitzetting van de bankbiljettenuitgifte, toch tot bijna 80% geklommen. De groote goudtoevoer is een zoo merkwaardig verschijnsel in het totaal der invloeden van den oorlogstoestand op de economische omstandigheden en wijkt zoozeer af van de vrees voor wegstrooming van goud, die in den aanvang moest worden gekoesterd, dat ik er niet stilzwijgend aan mag voorbijgaan. Hij staat in nauw verband met de groote depreciatie der buitenlandsche valuta tegenover den Nederlandschen gulden, of anders gezegd, met de groote waardevermeerdering van den Nederlandschen gulden tegenover bijna alle buitenlandsche munteenheden in het internationaal verkeer. Beide verschijnselen hebben tot dieper liggende oorzaak de toeneming van Nederlandsche vorderingen op het buitenland, voortspruitende uit verkoop van goederen en van effecten en uit het vervallen van coupons en dividenden van buitenlandsche fondsen, zonder dat die vorderingen door voldoenden verkoop van goederen en effecten uit den vreemde aan Nederland werd gecompenseerd.

Op het Nederlandsch effectenbezit heeft de oorlog in verblijdenden zin gewerkt, in zoover dat een groot deel van de Nederlandsche fondsen, die vóór den oorlog door buitenlanders werden bezeten, naar Nederland zijn teruggevloeid en dat daartegenover veel Amerikaansche fondsen in verband met de groote rijzing daarvan zijn uitgestooten. Daardoor is het belang van de Nederlandsche effectenbezitters bij buitenlandsche ondernemingen kleiner, dat bij Nederlandsche ondernemingen grooter geworden. Mocht dit leiden tot eene blijvende verlevendiging van de belangstelling onzer beleggers in Nederlandsche waarden, dan zou dat een onvermengd voordeel zijn.

De beweging, waarop ik wees, heeft eenerzijds den gulden tegenover den dollar gesteund en er toe medegewerkt, dat de dollar zelfs gedeprecieerd werd, anderzijds de depreciatie van de andere buitenlandsche valuta, inzonderheid van de mark en de kroon eenigszins tegengehouden. Voor verhindering van die depreciatie was de aangewezen factor in het internationaal economisch verkeer in den oorlogstijd bij lange na niet sterk genoeg. Ook de invoer uit den vreemde van enkele hulpstoffen van nijverheid en landbouw, zooals steenkool, kunstmest en dergelijke, was daarvoor niet voldoende. Ware de effectenverkoop naar Amerika niet zoo levendig geweest, dan zou afstand van goud aan Amerika, vooral in verband met de groote aankoopen van graan door de Regeering, niet hebben kunnen uitblijven. Nu kwam zelfs van daar goud naar ons land. De groote toevloeiing van dit edel metaal kwam uit de oorlogvoerende landen, Duitschland en Oostenrijk vooraan, ondanks de credieten welke beide landen hier afsloten om de depreciatie hunner valuta zooveel mogelijk tegen te gaan. Wel was er overal, behalve in Amerika, verbod van gouduitvoer, maar ten gevolge van de aankoopen vooral van land- en tuinbouwproducten in ons land, zonder dat een eenigszins daarmede equivaleerende verkoop van goederen daartegenover stond, was men tegen wil en dank wel verplicht uitzonderingen daarop toe te laten om te verhoeden, dat de waarde van de eigen munt tegenover die van den gulden nog meer zou vallen en daardoor hetgeen men, gedwongen door de omstandigheden, hier koopen moest, dus nog duurder zou te staan komen. De economische aantrekkingskracht voor goud van het groote agio van den Nederlandschen gulden bleek sterker te zijn zelfs dan wettelijke uitvoerverboden. Dit is vooral hierom merkwaardig, omdat men in de oorlogvoerende landen, inzonderheid in Duitschland, zich alle denkbare moeite gaf om, ter versterking van de financieele positie van het land, een zoo groot mogelijken goudvoorraad in de kelders der centrale circulatiebank bijeen te zamelen en te bewaren. De goudtoevloeiing naar ons land bewijst hoe economische krachten, al worden zij nog zoo aan banden gelegd, door staatswetten slechts tot zekere grenzen in toom gehouden kunnen worden.

§ 2. Het middenstandscrediet.

Onder de bevolkingsgroepen, die door het uitbreken van den oorlog zeer werden bedreigd, neemt de kleine handeldrijvende en industrieele middenstand een eerste plaats in. Deze klasse van personen werd van twee kanten getroffen. Door den schok welken het geheele economische leven ontving, verminderde zoowel de koopkracht als de kooplust van een groot deel der bevolking. Dit kon niet nalaten den middenstand te treffen, vooral diegenen onder hen, die onder het volk afname hunner producten vonden, alsmede hen, wier waren in meerdere of mindere mate onder de weeldeartikelen gerangschikt kunnen worden. Bovendien leden zij onder de groote credietcrisis. Als gevolg daarvan konden zij veelal slechts contant betrekken, wat zij onder normale omstandigheden tegen betaling na één of meer maanden hadden kunnen afnemen, terwijl vooral in den eersten tijd hunne vorderingen niet of uiterst slecht binnenkwamen. Hun toestand was door de samenwerking dezer ongunstige oorzaken in den aanvang der crisis bijzonder hachelijk. Aan de eerste dier oorzaken viel rechtstreeks niets te verhelpen; alleen mocht worden verwacht, dat de middenstand er de gunstige terugwerking van zou ondervinden, als het mocht gelukken door het samenstel van maatregelen, welke de Regeering in overleg en in samenwerking met verschillende particuliere personen en organisaties nam, den algemeenen economischen toestand te verbeteren. Die verwachting is uitgekomen. Ook heeft de kleinhandel in sommige weeldeartikelen zich zelfs opmerkelijk snel hersteld als gevolg van het ontstaan van een groep oorlogswinsttrekkers, die, zooals dat met „nouveaux riches” gewoonlijk het geval is, behoefte hadden hun welstand ook uiterlijk ten toon te spreiden. De vermindering der werkloosheid als gevolg van de verbetering der conjunctuur, waartoe ook de verschillende maatregelen, welke op die vermindering gericht waren, het hunne hebben bijgedragen, kwam wat later ook aan den middenstand in de volksbuurten ten goede. In de Nota over den Economischen Toestand in het begin van het jaar 1916 kon dan ook worden vermeld: „De toenemende koopkracht van een groot deel van het publiek oefende een gunstigen invloed uit op den gang van zaken in het winkeliersbedrijf. Dit gold voornamelijk de winkels, die de meer gegoede kringen bedienen. De vermindering der werkloosheid verbeterde den toestand der kleinere winkeliers, die vooral in de eerste maanden der crisis met ernstige moeilijkheden te kampen hadden.” Maar in de Nota betreffende dien toestand in Juli 1915 moest toch nog geschreven worden: „De slechte toestand in tal van groote steden heeft een nadeeligen invloed op den kleinen winkelstand aldaar, die met moeite het hoofd boven water houdt.”

Het lag dus voor de hand dat de Regeering, die overal had te helpen en te steunen om de zaken op gang te houden, ook den handeldrijvenden en den industrieelen middenstand niet vergeten mocht. Trouwens reeds aanstonds bij het begin van de crisis stegen noodkreten uit de organisaties van den middenstand op en namen deze gelukkigerwijze zelven het initiatief om althans in de credietbehoeften der winkeliers te voorzien. De Vereeniging voor den Geldhandel kon deze categorie van handeldrijvenden niet helpen; zij toch verlangde als waarborg voor hare credieten zakelijk onderpand: beleening van effecten, goederen, gronden, gebouwen of grossen van hypotheken. Onder de middenstanders, die crediet noodig hadden, waren velen hierdoor van de hulp die de „Geldhandel” verleende, reeds van meet af aan uitgesloten. Wel werden enkelen geholpen; de meesten echter zouden zich niet eens hebben durven aanmelden bij zulk een lichaam, dat aan de vele credietbehoeften der middenstanders, die bijna altijd kleine bedragen betroffen en wier onderzoek zeer tijdroovend was, ook met den besten wil niet had kunnen voldoen. Hier moest dus op andere wijze raad worden geschaft. De stoot daartoe ging van Amsterdam uit. Het eerste verslag van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank verhaalt haar eigen ontstaan in de volgende woorden:

„Op 6 Augustus 1914 werd op eene door de Algemeene Winkeliersvereeniging te Amsterdam uitgeschreven vergadering overlegd, welke maatregelen men zou kunnen nemen. Op deze vergadering werd op krachtige wijze de wensch naar afdoende hulp aan den middenstand geuit en werd onverwijld naar den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die tezelfder tijd over de te nemen maatregelen confereerde met de Vereeniging voor den Geldhandel, Dr. D. Bos en den Voorzitter van den Middenstandsbond, een telegram gezonden, om aan te dringen op het nemen van doeltreffende maatregelen.

„Ter genoemde conferentie bleek men er van doordrongen, dat het oogenblik was gekomen om afdoende maatregelen te treffen ter regeling van het middenstandscrediet.

„De Regeering bleek bereid den steun, dien zij in den vorm van subsidie van ƒ 10.000.- per jaar tot nog toe aan het middenstandscrediet verleende, te verhoogen en ook de Vereeniging voor den Geldhandel verklaarde zich bereid, na overleg omtrent de te nemen maatregelen, steun te verleenen.

„Een Commissie van voorbereiding onder leiding van Dr. D. Bos nam op zich het ontwerpen van de grondslagen, waarop een goede organisatie zou moeten worden gebaseerd. De samensprekingen te dien einde gehouden met de Nederlandsche Bank en de Vereeniging voor den Geldhandel en eenige vooraanstaande middenstanders, leidden ten slotte tot de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstands-Credietbank. De akte van oprichting werd verleden op 19 September 1914. Het kapitaal bedroeg ƒ 1.000.000.-, waarvan ƒ 200.000.- geplaatst. Verschillende particulieren en groote bankinstellingen gaven door deelname in het kapitaal blijk van hun belangstelling in de zaak van het middenstandscrediet. De Regeering zegde toe te bevorderen, dat voor het jaar 1915 de jaarlijksche subsidie ten behoeve van het Middenstandscrediet tot ƒ 50.000.- zou worden verhoogd, en nam evenals de Vereeniging voor den Geldhandel een zekere garantie voor de Instelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank op zich.

„Met de Instelling is beoogd in ’t leven te roepen een centraal punt voor alle middenstands-credietbanken in den lande. Van haar zal uitgaan een krachtige propaganda ten einde zoo spoedig mogelijk een net van middenstandscredietbanken over het geheele land tot stand te brengen. Zij zal bij de inrichting en ontwikkeling dezer banken organiseerend optreden en leiding geven. Zij zal leiding geven aan pogingen om door het oprichten van inkoop-, verkoop- en productie-vereenigingen den economischen toestand van den Middenstand te verbeteren. Verder is het hare taak de aangesloten banken en instellingen van het noodige crediet te voorzien.”

De garantie der Regeering bestond in een borgstelling ten behoeve van de Nederlandsche Bank van 50% van de promessen, welke zij van de aangesloten middenstandsbanken in beleening nemen zou tot een—later verhoogd—maximum van één millioen. Ook de Vereeniging van den Geldhandel nam tot 1 Januari 1916 een garantie tegenover de Nederlandsche Bank op zich.

De oprichting werd eveneens door enkele groote banken zooals de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de Amsterdamsche Bank, de Rotterdamsche Bankvereeniging en de Twentsche Bankvereeniging gesteund; de heeren Van Aalst en Mr. F. S. van Nierop namen zitting in het college van commissarissen, daarmede aan hun sympathie met de nieuwe instelling openlijk uiting gevende. Dr. Bos, die steeds met de middenstandsbeweging in nauwe betrekking had gestaan, die ook als voorzitter van de Staatscommissie tot onderzoek van de toestanden in den middenstand van diens nooden en behoeften bijzonder op de hoogte was en die een zeer groot aandeel had in de totstandkoming van de Algemeene Centrale Middenstandsbank, nam het voorzitterschap van het college van commissarissen op zich. De dagelijksche leiding werd in handen gegeven aan bekwame en beproefde voorstanders van de credietcoöperatie voor den middenstand, onder wie in de eerste plaats is te noemen de heer M. H. G. F. Fiedeldy Dop, een der van ouds bekende figuren in de middenstandsbeweging. Met ijver en niet zonder succes werd propaganda voor de zaak gemaakt. De Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank wist op slechts enkele uitzonderingen na de bestaande middenstandsbanken te bewegen, zich bij haar aan te sluiten. Vele nieuwe middenstandsbanken werden opgericht. Op 31 December 1915 waren 72 banken bij haar aangesloten, waarvan ongeveer de helft sedert haar oprichting was tot stand gekomen. Op dien dag beliep het uitstaand crediet der bij haar aangesloten banken ongeveer ƒ 5 millioen, verstrekt aan ten naastenbij 3500 credietnemers. Toch bleef een groot deel der credietbehoeften van den middenstand onbevredigd.

Dit is aan velerlei oorzaken toe te schrijven. In de eerste plaats moesten de bij de Algemeene Centrale aangesloten banken in hare statuten opnemen, dat geen credieten zouden worden verleend dan tegen persoonlijke of zakelijke zekerheid. Hoewel de opneming van deze bepaling getuigde van voorzichtig beleid en noodig was, werd hierdoor toch een breede schare van middenstanders uitgesloten, vooral omdat onze wet verpanding van voorraden zonder dat zij uit het bezit van den pandgever gaan, niet kent. Voorts staat het middenstandscrediet in financieele kringen niet àl te zeer in aanzien. Vooral de banken in de provincie vreezen daarvan concurrentie, hoewel over het algemeen de zaken, welke zij met middenstanders zouden kunnen doen, zelfs als de credietwaardigheid van deze credietzoekenden voldoende zou vaststaan, elk op zich zelf van te weinig beteekenis zijn, om voor hen aantrekkelijk te wezen. Jammer genoeg is het ook niet te ontkennen, dat er middenstandscredietbanken zijn, die zich niet gehouden hebben binnen hun terrein en die, door tevens als gewone effecten- en geldhandelaars op te treden, den bankiers in de provincie rechtstreeks concurrentie aandeden. Doch daarnaast ligt de geringe sympathie van de financieele wereld in de credietcoöperatie zoowel van den middenstand als van den landbouw, in de neiging van onze bedrijfscoöperators om hunne aansprakelijkheid te veel te beperken. Dit is inderdaad een groot gebrek. Ook de Nederlandsche Bank is terecht weinig geneigd promessen van een coöperatieve bank te disconteeren, wanneer de aansprakelijkheid harer leden bij de statuten te zeer beperkt is.

Bij de oprichting van de Algemeene Nederlandsche Centrale Middenstandscredietbank stond men onmiddellijk voor deze moeilijkheid. Stelde men de aansprakelijkheid te ruim, dan zou men geen deelnemers vinden; stelde men haar te eng, dan zou men in financieele kringen niet voor vol worden aangezien en zou de Nederlandsche Bank bezwaar maken, het papier der middenstandsbank te disconteeren. Ter oplossing van deze moeilijkheid heeft men een uitweg gekozen, die wel goed bedoeld, maar weinig practisch was.

Er moest echter rekening worden gehouden met de voorwaarde, die de Nederlandsche Bank en dientengevolge ook de Vereeniging voor den Geldhandel ten aanzien van dit punt aan haar bereidwilligheid tot medewerking verbonden. Daarbij legden zich de oprichters, zij het ook noode, ten slotte neer. Voor de Regeering was er toen geen aanleiding plus royaliste te zijn que le roi. Die conditie toch was zeker bevorderlijk voor de credietwaardigheid der middenstandsbanken, al belemmerde zij haar ontwikkelingsvatbaarheid.

De voorwaarde, waarop ik doel, bestaat hierin dat de bij de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank aangesloten banken in hun statuten moesten opnemen, dat alle credietnemers zich aansprakelijk zouden stellen niet alleen voor de voldoening aan hun eigen verplichtingen, maar bovendien nog tot een bedrag van 20% boven het hun verleende crediet, voor eventueele verliezen door de bank te lijden. Wanneer zulk een verplichting gesteld was telkens voor een kleine groep van elkaar persoonlijk kennende credietnemers, die elkander beoordeelen kunnen, zou daartegen niet het minste bezwaar zijn geweest. Het onderling voor elkaar instaan door kleine groepen van personen, die elkander niet vreemd zijn, is zelfs de kern der crediet-coöperatie. Daarin ligt het geheim der ontwikkeling van de landbouw-coöperatie, welke, omdat zij dorpscoöperatie is, onderlinge aansprakelijkheid vraagt en vragen kan van personen, die door het enkele feit, dat zij dorpsgenooten zijn, elkanders betrouwbaarheid en draagkracht beoordeelen kunnen. Verbindt men daarentegen als voorwaarde aan een credietverleening, dat de credietbehoeftige behalve voor zich zelven bovendien tot een bedrag van een vijfde van het hem verleende crediet nog er voor zal instaan dat anderen, die hij niet kent en van wie hij niets weet, hunne verplichtingen ook zullen nakomen, dan loopt men gevaar juist hen af te stooten, wier medewerking men voor een goede crediet-coöperatie in de eerste plaats noodig heeft, en houdt men, in het algemeen genomen, vooral hen over, die niet te zwaar denken over verplichtingen, welke zij op zich nemen, of die elders niet terecht konden en die nu van den nood een deugd maken. Zal de crediet-coöperatie van den middenstand tot bloei willen komen, dan zal zij zich van die haar in hare ontwikkeling ernstig belemmerende bepaling moeten weten los te maken, zonder aan de waarborgen, welke zij aan de Nederlandsche Bank bieden moet, tekort te doen.

Maar zelfs al gelukt haar dit, en al zou er van den beginne af een regeling zijn getroffen die de Alg. Ned. Centr. Middenstandscredietbank niet in haar groei belemmerd had, dan zou zij toch de kleine middenstanders niet hebben bereikt. Misschien zullen ook zij langs den weg der coöperatie te helpen zijn, als deze zich in de middenstandskringen werkelijk zal hebben ingeburgerd; thans, nu het meerendeel der middenstanders nog vreemd, zoo niet vijandig daartegenover staat, zou het getuigen van kortzichtige voorbarigheid, daarvan heil te verwachten ook voor het kleine winkeliertje, en het kleine handwerksbaasje, die zelfs hun eigen zaak niet kennen en die verbaasd staan, als men hun vraagt of zij eenige, zij het nog zoo eenvoudige, boekhouding voeren.

Hetgeen door het gemeentebestuur van Amsterdam in overleg met de Algemeene Winkeliersvereeniging ter bevordering van het middenstandscrediet in de hoofdstad is gedaan, is meer aan de kleine middenstanders ten goede gekomen, al heeft het vooral het bouwbedrijf aldaar gebaat. Deze gemeente besloot tot een bedrag van ƒ 1.000.000 zich borg te stellen voor personen uit den middenstand, aan wie door de Credietvereeniging of door de Amsterdamsche Centrale Middenstands-Credietbank crediet werd verleend; doch alleen voor credieten, welke door Burgemeester en Wethouders, bijgestaan door een speciale commissie, waren goedgekeurd. Aangezien het plan van deze Amsterdamsche borgstelling ten behoeve van credietbehoevende middenstanders goed was in elkander gezet, besloot het Rijk, ten einde de uitvoering daarvan te bevorderen, de helft van de eventueele verliezen, welke voor de gemeente uit die borgstellingen zouden voortvloeien, aan haar te zullen vergoeden. Die maatregel, welke als crisis-maatregel bij uitnemendheid, zijn doel niet heeft gemist, is—gelijk ik opmerkte—in hoofdzaak ten goede gekomen aan de bouwers, maar toch zijn ook andere middenstanders en onder hen ook een aantal kleinere daardoor gebaat geworden.

Percentsgewijze is aan den kleinen middenstander nog eenigszins meer ten goede gekomen hetgeen de gemeente ’s Gravenhage deed. Zij gaf tot een bedrag van ƒ 100.000 een voorschot aan de Coöperatieve Middenstandsbank aldaar, met de bedoeling dat dit zou strekken voor credietverleening aan kleine middenstanders binnen de gemeente, die door deze middenstandsbank credietwaardig zouden worden geacht en die als gevolg van den oorlogstoestand een voorschot behoefden. Voor zoover dit hielp, was die hulp, evenals in Amsterdam, plaatselijk. Bovendien geeft het bedrag, dat door de gemeente ’s Gravenhage voor deze hulp werd beschikbaar gesteld, reeds aan, dat zij slechts op bescheiden schaal kon werken.

Toch mocht ook deze breede schaar van kleine neringdoenden en handwerksbazen, die geen of slechts onvoldoende zekerheid konden stellen, niet aan hun lot worden overgelaten, voor zoover zij door den oorlogstoestand in hun bedrijf waren of werden geschaad. Vooral in de gevallen, waarin de achteruitgang van den winkel of het bedrijfje rechtstreeks verband hield met de mobilisatie, doordien de kleine middenstander was opgeroepen voor den militairen dienst en zijn zaak had moeten verwaarloozen, had de Staat niet slechts aanleiding maar zelfs den moreelen plicht, de helpende hand te reiken, om het zaakje weer op de been te krijgen. Niettemin was deze categorie van middenstanders tot in het begin van het jaar 1915 om de zooeven aangegeven redenen feitelijk grootendeels buiten den van staatswege verleenden steun aan het middenstandscrediet gebleven en werden alleen zij, die er het slechtst aan toe waren, zooals in het vorig hoofdstuk werd medegedeeld[12], met kleine giften van het Kon. Nat. Steuncomité geholpen. Op deze leemte werd mijn aandacht gevestigd door de Koningin, in eene audiëntie welke Hare Majesteit mij in het laatst van Januari 1915 verleende en waarin Zij mijn oordeel over enkele economische toestanden en maatregelen vroeg. De vraag van de Koningin, mijn gedachten over deze zaak te laten gaan en Haar, zoo mogelijk, een plan van organisatie van een credietverleening voor te leggen, welke binnen het bereik zou liggen van de kleine en kleinste middenstanders, die onder den oorlogstoestand gebukt gingen, leidde tot het hieronder volgend rapport, dat ik op 1 Februari aan Hare Majesteit indiende en waarvan de opneming mij door Haar welwillend werd toegestaan.

De tijd is gekomen om het noodige voor te bereiden ten einde, na het weer vlot raken van den door den oorlog in menig opzicht vastgeraakten toestand, een aantal onder de kleine ondernemers niet geheel weerloos te doen staan tegenover de gevaren, die hun van de alsdan te verwachten verschuivingen zullen dreigen. Wel is waar is de Europeesche vrede nog niet in het zicht en is er nog niet de minste zekerheid dat Nederland door den loop der omstandigheden, niettegenstaande het optreden der Regeering ter verzekering van onze onafhankelijkheid en van onze neutraliteit, niet toch in den grooten krijg zal worden medegesleept. Deze overweging mag er intusschen niet toe leiden, met het voorbereiden van de noodige weermiddelen tegen economischen ondergang van een aantal kleine ambachtslieden, neringdoenden en boeren te wachten, totdat omtrent den vrede en het lot van ons land in den thans woedenden oorlog zekerheid zal zijn verkregen.

Om gereed te zijn als de economische verschuiving bij den terugkeer tot normale politieke verhoudingen zal beginnen, moeten de vereischte maatregelen, vóór het zoover is, worden genomen. Ook hier geldt dat „gouverner c’est prévoir”. En mocht het verloop der gebeurtenissen zoodanig zijn, dat het onmogelijk wezen zou de beraamde maatregelen in toepassing te brengen, dan zal de daaraan ten koste gelegde arbeid toch wel door niemand als onnut worden aangemerkt.

Hetgeen te doen staat voor den tijd van het los komen van den economischen ijsgang is uit den aard der zaak verwant aan de steunbeweging, die zich uit het door H. M. de Koningin in Augustus 1914 genomen initiatief heeft ontwikkeld. Die verwantschap sluit echter niet uit, dat er wezenlijke punten van verschil zijn. Wel is uit de steunbeweging mede gegroeid, dat het Koninklijk Nationaal Steuncomité, in verbinding met de organisatie van de Directie van den Arbeid en onder de medewerking van personen en instellingen, werkzaam op de verschillende terreinen van het economisch volksbestaan, zich voortdurend op de hoogte houdt van de verschillende takken van nijverheid, handel en landbouw, en belanghebbenden zoowel als Regeering van advies dient omtrent den stand der verschillende bedrijven, de betrekking van de noodige grond- en hulpstoffen voor zoover die van elders moeten komen, de mogelijkheid van het vrij laten uitgaan of de noodzakelijkheid van het binnenslands houden der producten, omtrent de schommelingen in de arbeidsgelegenheid, in één woord omtrent het geheele verloop van het bedrijfsleven in dezen zoo bewogen en zoo bijzonderen tijd. Maar voor zoover het Koninklijk Nationaal Steuncomité meer is dan een adviseerend lichaam, bepaalt zijn werkkring zich er zoo goed als geheel toe, door tusschenkomst van de verschillende plaatselijke steuncomités wekelijksche toelagen in verschillenden vorm te geven aan die gezinnen en personen, die door den oorlogstoestand tijdelijk buiten staat zijn geraakt om in eigen onderhoud te voorzien. Hetzelfde geldt voor de plaatselijke steuncomités zelve. Trouwens het doel waarmede deze organisatie in de zoo moeilijke dagen van Augustus 1914 werd in het leven geroepen, was geen andere, en de taak die deze steunorganisatie heeft te verrichten, is bij uitstek zwaar en gewichtig, en haar werkkring, door het wegdringen van honger en ellende, bij uitstek zegenrijk.

Wat noodig zal zijn in den overgangstijd tot het economisch leven zich weer geheel in den nieuwen toestand zal hebben gevoegd, is ook wel te brengen onder het algemeene begrip steun, maar toch is hier een steun van gansch ander karakter van noode.

Hier geldt het aan kleine bedrijven, die door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt, hulp te verleenen bij het zich opwerken tot de te voren bereikte hoogte; en kleine nijveren, wier bedrijf onder dien toestand geheel te gronde ging, in staat te stellen van hun vakkennis en hun ervaring als kleinondernemer gebruik te maken en opnieuw een zaakje in de branche, waarmede zij vertrouwd zijn, te beginnen.

Hier gaat het dus niet om het verstrekken van wekelijksche of maandelijksche toelagen, maar om het verstrekken van kleine credieten voor oprichtings- en bedrijfskapitaal, voor zoover het nieuwe zaakjes betreft, voor aanvulling van verloren kapitaal, voor zoover betreft zaakjes, die niet zijn te gronde gegaan maar verzwakt.

Het terrein dat hier te bearbeiden zijn zal, levert zeker niet minder moeilijkheden op dan hetwelk door de steuncomités bestreken wordt. In de allereerste plaats zal het noodig zijn scherp te onderscheiden tusschen de kleine bedrijven die vóór den oorlog getoond hadden levensvatbaarheid te bezitten, maar door den oorlogstoestand in het ongereede zijn geraakt en die welke reeds te voren ten doode waren opgeschreven, maar welker einde door den oorlogstoestand alleen werd verhaast.

Het zou economisch verkeerd zijn en op een aaneenschakeling van teleurstellingen uitloopen, indien bij het werk dat hier te doen staat, niet zoo zorgvuldig mogelijk tusschen beide groepen van noodlijdende of omvergeworpen zaken werd onderscheiden. Hoe hard het in sommige bijzondere gevallen ook moge zijn, moet de tweede categorie van de hier bedoelde hulp streng worden buitengesloten. De eigenaars van zulke zaakjes moeten hun heil zoeken niet in vruchteloos pogen van nieuw leven te blazen in wat niet levensvatbaar is, maar in het aanbieden van hun dienst als leider, opzichter of arbeider in beter toegeruste en aan de economische eischen beter beantwoordende ondernemingen.

Echter zal men zich bij het maken van die schiftingen moeten wachten voor het te spoedig gereed zijn met zijn oordeel. Het is toch te verwachten, dat na den oorlog de economische bestaansvoorwaarden voor een aantal bedrijven zullen blijken belangrijk te zijn gewijzigd. Waarschijnlijk is, dat over het algemeen gesproken die wijzigingen zullen zijn in het voordeel van het grootere bedrijf en ten nadeele van de kleine zaakjes. Deze verschuiving zal zich echter niet in alle takken van bedrijf in gelijke mate voordoen en in sommige daarvan, zooals bijv. in land- en tuinbouw, wellicht in het geheel niet zijn te constateeren.

Maar deze meer algemeene verschuiving zal doorkruist worden door een aantal plaatselijke veranderingen, die voor bepaalde kleine ondernemingen gunstig kunnen zijn of den druk der algemeene beweging nog kunnen verzwaren.

Bij het oordeel over elk geval zal dus noodig zijn, dat het worde gevestigd onder medewerking niet alleen van deskundigen op het gebied van den bedrijfstak waartoe de aanvrager behoort, maar ook van personen, die de bijzondere voorwaarden, welke afhankelijk zijn van plaatselijke toestanden, beoordeelen kunnen. Bovendien zal het daarbij aankomen op de persoonlijke bekwaamheid en geschiktheid van den aanvrager. Het is toch lang niet uitgesloten, dat in bijzondere gevallen een zaak te gronde ging, omdat de voorwaarden waaronder zij gedreven werd, te ongunstig en te machtig waren om haar er boven op te houden, niettegenstaande de eigenaar daarvan de noodige eigenschappen bezit om onder minder ongunstige omstandigheden zulk een zaak met goed gevolg te kunnen drijven. In zulk een geval zou de aanvrager afgewezen moeten worden, als hij halsstarrig opnieuw onder dezelfde ongunstige omstandigheden als voorheen wilde beginnen, maar zou zijn aanvraag in gunstige overweging kunnen worden genomen, indien hij kon aantoonen, dat de zaak die hij wenscht te beginnen, onder betere voorwaarden zou worden gedreven.

Niet minder groot is de moeilijkheid bij het bepalen van de juiste oorzaak of de juiste oorzaken van het achteruit of te gronde gaan van de zaak van den aanvrager. Het is namelijk met zekerheid te verwachten dat de aanvragers, meerendeels te goeder trouw, den kwijnenden of verloopen toestand van hun zaak op rekening van den oorlogstoestand zullen schrijven, ook in die gevallen, waarin de oorlog daaraan geen of slechts in geringe mate schuld heeft.

Scherp zal de juiste oorzaak van den toestand in den regel wel niet zijn aan te wijzen. In het algemeen zal men zich met benaderende aanwijzingen moeten en kunnen tevreden stellen. Slechts in één categorie van gevallen zal het anders zijn, namelijk waar de achteruitgang of het te gronde gaan der zaak te wijten is aan het gedurende langen tijd ontbreken van het hoofd der zaak of van een der onmisbare medewerkers daarin, als gevolg van de mobilisatie.

Dat er in de laatstbedoelde categorie van gevallen aanleiding voor den Staat is, aan den wederopbouw van die zaken zijn steun te verleenen, behoeft nauwelijks betoog. Waar de eischen der landsverdediging het economisch bestaan van sommige hunner, die daarvoor beschikbaar moesten blijven, voor de toekomst in gevaar hebben gebracht, ligt het op den weg van den Staat dat gevaar zooveel mogelijk af te wenden. Zoolang niet gedemobiliseerd kan worden, wordt toch—voor zoover dat met de eischen der landsverdediging vereenigbaar is—met de eischen ook van het economische leven der bevolking rekening gehouden door het geven van langere verloven en tijdelijke ontheffingen van den dienst aan de militie- en landweerplichtigen wier afwezigheid uit hun bedrijf niet alleen hun eigen economischen toestand schaadt maar bovendien de bron van inkomst van een groot aantal andere gezinnen in de waagschaal stelt. Maar toch kunnen die verloven en ontheffingen slechts in beperkte mate worden gegeven. Zoolang de tegenwoordige toestand duurt, moeten de eischen der landsverdediging voorgaan boven de economische belangen van hen, die daaraan hebben deel te nemen. Dit moge in sommige gevallen hard zijn; het is niet anders. Maar hieruit volgt dat de Staat zich niet kan onttrekken aan den zedelijken plicht er toe mede te werken, dat de economische wonden die door de mobilisatie geslagen werden, zoo goed mogelijk zullen worden geheeld.

In de andere gevallen valt deze grond voor de medewerking van den Staat bij het pogen, het economisch verlies bij de te verwachten verschuiving tot een minimum te beperken, wel is waar weg. Maar er blijft toch over, dat het welslagen van dat pogen van groot algemeen belang is en dat de Staat uit dien hoofde zijn taak niet voorbij schiet, door tot dat pogen het zijne bij te dragen.

Wat nu de steun zelf betreft, die noodig is, deze is—zooals reeds met een enkel woord werd aangegeven—hier van gansch anderen aard dan de hulp, die door de steuncomités wordt verleend aan gezinnen en personen, die anders onder de buitengewone oorlogsomstandigheden gevaar zouden loopen noodlijdend te worden.

Hier gaat het bijna uitsluitend om steun door het vergemakkelijken van de gelegenheid tot het verkrijgen van crediet. Daarin ligt reeds opgesloten, dat zij die op deze wijze geholpen worden, geen giften maar voorschotten ontvangen en verplicht zijn rente en aflossing van die voorschotten uit eigen middelen af te doen.

Ware het nu zóó gelegen, dat er reeds voldoende gelegenheid voor den kleinen middenstand bestaat, zich het onder deze buitengewone omstandigheden noodige crediet te verschaffen, dan ware het noch voor particuliere instellingen noch voor den Staat noodig zich de zaak aan te trekken. Vandaar dat voor het grootbedrijf en voor het grootere middenstandsbedrijf geen bijzondere maatregelen beraamd behoeven te worden. Voor zoover de ondernemingen, die tot deze categorieën behooren, op gezonden grondslag rusten, kunnen zij—vooral na de uitbreiding welke de organisatie van het middenstandscrediet sedert Augustus 1914 heeft ondergaan—als regel op bevrediging hunner credietbehoefte door bestaande credietinstellingen rekenen.

Voor den kleinen middenstand bestaat echter geen organisatie van het credietwezen, die ook maar in de verte voldoende zijn zou voor de behoefte, welke in de naaste toekomst is te verwachten. Het is daarom noodig een organisatie, welke in die leemte voorziet, in het leven te roepen. Daarbij zal het gewenscht zijn, denzelfden weg te volgen, die in Augustus 1914 bij het organiseeren der steunbeweging bewandeld werd, namelijk zooveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande instellingen. Dat wil dus hier zeggen: bij bestaande credietinstellingen en wel inzonderheid bij credietinstellingen ten behoeve van den middenstand.

In de eerste plaats komt hier in aanmerking de in Augustus 1914 onder den drang der omstandigheden, met steun en medewerking der Regeering, opgerichte Algemeene Centrale Middenstandscredietbank, die reeds in sommige plaatsen nieuw opgerichte middenstandscredietbanken in hare organisatie heeft opgenomen en bij welke zich verschillende vroeger reeds bestaande middenstandscredietinstellingen hebben aangesloten. Voorts de R. K. Hanse, die—naar verluidt—zich nog niet bij de centrale Middenstandscredietbank heeft aangesloten, en de centrale instellingen van landbouwcrediet.

Daar deze verschillende credietinstellingen door hunne vertakkingen en verbindingen beschikken over deskundigen in de verschillende takken van bedrijf, alsmede over de telkens noodige plaatselijke kennis en over de middelen ter beoordeeling van de persoonlijke geschiktheid en bekwaamheid der aanvragers, kan langs dezen weg worden voldaan aan de eischen, die boven voor eene behoorlijke vervulling van de hier te verrichten taak werden gesteld.

Aangezien het middenstandscrediet zich niet behoorlijk kan organiseeren zonder de medewerking van de groote bankinstellingen en van de Nederlandsche Bank, ligt het voor de hand in de organisatie der credietverleening voor de buitengewone omstandigheden gedurende den economischen ijsgang na den politieken vrede, ook vertegenwoordigers op te nemen van de Nederlandsche Bank en van de Vereeniging voor den Geldhandel. Wegens het verband met de steunbeweging 1914 mag ook een vertegenwoordiging van het Koninklijk Nationaal Steuncomité niet ontbreken.

Wellicht zal het aanbeveling verdienen ook de drie vereenigingen voor den effectenhandel en de Vereeniging van directeuren van hypotheekbanken, alsmede de Vereeniging tot steun aan miliciens in de zaak te kennen.

Eindelijk is, waar geldelijke steun van den Staat voor het welslagen van de zaak onmisbaar is, een vertegenwoordiging van het Ministerie van Financiën noodig. Hiertoe schijnt ’s Rijks Thesaurier-Generaal het meest aangewezen.

De steun van het Rijk kan tweeledig zijn. In de eerste plaats zal het noodig zijn, dat de Staat—hetzij dan het Rijk alleen, hetzij het Rijk in combinatie met de in elk bijzonder geval daarbij belanghebbende gemeente—wanneer aan de voorwaarden voor de credietverleening is voldaan, het daadwerkelijke verleenen daarvan mogelijk maakt door een deel van het risico voor zijn rekening te nemen. Zonder deze medewerking van den Staat zou het bij plannen maken op het papier blijven en zou het risico voor particuliere instellingen, juist omdat het hier gaat om kleine en zelfs om miniatuur-bedrijven, te groot zijn om op toepassing op eenigszins ruime schaal te kunnen rekenen. Trouwens werd in Augustus 1914 in deze richting reeds gegaan, toen de toenmalige Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel na overleg met zijn toenmaligen ambtgenoot van Financiën aan de Centrale Middenstandscredietbank—behoudens bekrachtiging voor de wet—toezegde de helft van de door haar wegens credieten, in den oorlogstijd verleend, te lijden verliezen tot een maximum van één millioen gulden te zullen dragen.

Evenwel zal thans in die richting verder moeten worden gegaan. Het is in verband met den aard der credieten, die hier gegeven zullen moeten worden, zeer de vraag of de particuliere instellingen zelfs zóóver zullen durven gaan om de helft van het risico daarvan voor hare rekening te nemen. Er zal op moeten worden gerekend, dat zij dit niet zullen aandurven en dat de Staat zich bereid zal hebben te verklaren tot het dragen van „premier risque” tot een voor de verschillende categorieën van gevallen vast te stellen percentage, behoudens afwijking van dat percentage in bijzondere gevallen, waar daartoe een speciale aanleiding bestaat.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings