HOOFDSTUK I. HANDHAVING VAN ’S LANDS SOUVEREINITEIT EN NEUTRALITEIT.
Reading edition
§ 1. De mobilisatie en de staat van oorlog en van beleg.
Onder de betrekkelijk weinige regeeringsmaatregelen, welke geheel spontaan, zonder aandrang van buiten, werden genomen, neemt het mobilisatiebesluit zeker de eerste plaats in. Toen de onweerswolken aan den internationalen politieken hemel in de laatste dagen van Juli 1914 zóó dreigend samenpakten, dat een uitbarsting onvermijdelijk scheen, kwam de Ministerraad dagelijks bijeen en werd ook dagelijks hetzij bij monde van den tijdelijken voorzitter van dien Raad of van een der andere, bij eenig onderwerp meer in het bijzonder betrokken, ministers overleg gepleegd met H. M. de Koningin, die, toen gevaar dreigde, terstond Haar verblijf op het Loo had onderbroken en naar Den Haag was gekomen. Maandag 27 Juli des ochtends vroeg kwam de Koningin in de residentie. Denzelfden dag werd voor het eerst Ministerraad gehouden tot het beramen van maatregelen met het oog op het dreigend oorlogsgevaar.
Het resultaat van dien eersten oorlogsministerraad was het gebruik maken van de bevoegdheid door militie- en landweerwet aan de Kroon gegeven, om bij oorlogsgevaar het ontslag van dienstplichtigen uit den dienst bij de militie en bij de landweer en den overgang van militieplichtigen tot de landweer te schorsen, in afwachting van wettelijke regelingen in dien geest, waarvoor de ontwerpen te gelijk werden vastgesteld en naar den Raad van State verzonden. Reeds denzelfden dag werden de voorstellen van den Ministerraad tot die maatregelen door de Koningin bekrachtigd en onderteekend en verschenen zij in het Staatsblad. Dat was het eerste gelui.
Die maatregelen hadden slechts een voorbereidend karakter. Financieele offers van beteekenis brachten zij niet met zich en, mochten zij overbodig gebleken zijn, dan zouden zij ook geen persoonlijke offers van eenig aanbelang geëischt hebben. Zij wezen echter op het gespannen zijn van den toestand en op de waakzaamheid der Regeering voor den afweer van eventueele schending van grondgebied. Spoedig werden zij gevolgd door een tweeden maatregel van wijdere strekking, maar die toch nog van betrekkelijk weinig ingrijpenden aard was. Tusschen Maandag 27 en Donderdag 30 Juli werd het oorlogsgevaar zooveel dreigender, dat op laatstgenoemden dag door den Ministerraad aan de Koningin werd voorgesteld, op grond van artikel 186 der Grondwet te verklaren: dat oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in ’s Lands wetten voorkomt, aanwezig was; en dat gebruik gemaakt werd van de bevoegdheid aan de Kroon bij de landweerwet gegeven, om in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de landweer in haar geheel of bepaalde landweerafdeelingen of landweerkorpsen onder de wapenen te roepen. Krachtens die bevoegdheid werden bij Koninklijk besluit van dien dag de tot de landweer behoorenden, die deel uitmaken van de landweer-grenswacht, de landweer-kustwacht en de landweer-bewakingsdetachementen onder de wapenen geroepen. De Koninklijke verklaring dat oorlogsgevaar aanwezig was, verscheen op 31 Juli in de Staatscourant.
Het besluit tot oproeping der grenswacht was het resultaat van een uitvoerige beraadslaging in den Ministerraad. Niet aan de wenschelijkheid van den door den Minister van Oorlog voorgestelden maatregel betreffende de grensbewaking werd getwijfeld. Daarover bestond aanstonds eenstemmigheid. Men vroeg zich echter af, of het niet noodig was reeds terstond den definitieven stap te doen en het geheele leger te mobiliseeren. Na het voor en tegen te hebben gewikt en gewogen, besloot men den loop van zaken althans nog één dag aan te zien, daar, behalve in Servië en in Oostenrijk-Hongarije, nog in geen enkel land tot mobilisatie was overgegaan en nog met de mogelijkheid mocht worden gerekend, dat op het laatste oogenblik de zaken een gunstige wending zouden nemen. Het mobilisatiebesluit zou, al duurde het onder de wapenen zijn van alle dienstplichtigen nog zoo kort, zooals de Minister van Oorlog mededeelde, te staan komen op een uitgaaf van omstreeks ƒ 12 millioen. Zulk een uitgaaf achtte de Regeering alleen bij dringende noodzakelijkheid verantwoord.
In dezelfde vergadering werden echter de Ministers van Oorlog en van Marine gemachtigd, behoudens Koninklijke goedkeuring, de noodige voorbereidende maatregelen te treffen en werd een vér strekkend besluit genomen, waardoor de mobilisatie ook in ander opzicht werd ingeleid. Op grond van art. 50 der Spoorwegwet werd besloten aan de Koningin te vragen, dat de Minister van Oorlog zou worden gemachtigd het gebruik der spoorwegen voor ’s Rijks dienst te vorderen. Die machtiging werd denzelfden dag verleend, maar nog niet bekend gemaakt.
Vrijdagochtend (31 Juli) waren de berichten zóó onrustbarend dat, na nieuw beraad, besloten werd tot de mobilisatie, het onder de wapenen roepen van alle militie- en landweerplichtigen, over te gaan en tot het nemen van de verschillende maatregelen, welke met de mobilisatie in onafscheidelijk verband stonden, daaronder het gebruik maken door den Minister van Oorlog van de machtiging tot vordering der spoorwegen, hem den vorigen dag door de Kroon verleend. Het mobilisatiebesluit was het rechtstreeksch gevolg van de telegrafische berichten omtrent den uiterst gespannen toestand tusschen Rusland en Duitschland. In de Staatscourant van 31 Juli verschenen de kennisgevingen van de Ministers van Oorlog en van Marine, dat bij Koninklijk besluit van dienzelfden dag: 1º was bevolen de niet in werkelijken dienst zijnde dienstplichtigen van het leger, de landweer en de zeemacht van alle lichtingen onverwijld onder de wapenen te roepen, waarvoor als datum van opkomst de eerste Augustus was aangegeven; en 2º. de Minister van Oorlog gemachtigd was, het gebruik van alle spoorwegen te vorderen, voor zooveel hem dat gebruik voor ’s Rijks dienst in het belang van de verdediging van het land noodig voorkwam.
Ik behoef wel niet te zeggen, dat alle leden van de Regeering gevoelden, welk een verantwoordelijkheid zij met die besluiten op zich namen, besluiten, die niet alleen aan ’s Rijks schatkist op millioenen te staan kwamen, maar die bovendien zeer diep ingrepen in het leven der dienstplichtigen en een schromelijke belemmering zouden teweegbrengen in het verkeer. Die verantwoordelijkheid was te grooter, omdat op het oogenblik dat Nederland tot mobilisatie overging, met uitzondering van Servië en Oostenrijk-Hongarije, welke landen sedert 28 Juli met elkander in oorlog waren, nog geen enkel land dien maatregel officieel genomen had, ook al waren er, met name in Rusland en Duitschland, reeds groote troepenbewegingen gaande. Bij het nemen dezer zoo gewichtige beslissing gaf den doorslag de overweging, dat indien men talmde en de grens eens werd geschonden, vóórdat men tot afweer, voor zoover de krachten reikten, gereed zou staan, de verantwoordelijkheid voor het niet doen nog veel grooter zou zijn, dan die voor een daad, waarvan wel denkbaar, maar hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij overbodig zou blijken, doch die door het enkele feit, dat zij plaats greep, zoowel naar binnen als naar buiten getuigenis aflegde van den ernstigen wil der Regeering, met de kracht waarover men beschikte, elke schending van Neerlands grondgebied te weren. Het verdere verloop der omstandigheden heeft den maatregel maar al te zeer gewettigd. De mobilisatie kwam geen dag te vroeg, maar ook geen dag te laat.
De wijze waarop zij van stapel liep, ligt nog versch in ieders geheugen. Zij was in één woord onberispelijk. Binnen drie à vier dagen was zij geheel voltooid en zij ging in haar werk, alsof er een jaarlijksche generale repetitie aan was voorafgegaan. De praestatie welke daarmede door onze legerautoriteiten werd geleverd, maakte een onverdeeld gunstigen indruk en zij heeft zeker niet nagelaten, ook bij onze machtige naburen eerbied af te dwingen voor hetgeen hier met beperkte middelen werd bereikt en voor het zoo volledig in orde zijn der voorbereiding en der organisatie van het onverwijld op voet van oorlog brengen van de geheele weermacht. Wat er ook aan onze legerorganisatie moge ontbreken, het onderdeel daarvan dat de mobilisatie voorbereid en uitgewerkt had, bleek puik te zijn.
Op denzelfden dag dat het mobilisatiebesluit in de Staatscourant verscheen, werd de luitenant-generaal C. J. Snijders benoemd tot Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht. Ik herinner mij niet meer of de toekenning van den rang van „Generaal” aanstonds bij het besluit tot benoeming van den Opperbevelhebber plaats vond of eenige dagen later geschiedde. Dat is trouwens van ondergeschikte beteekenis. Voordat tot die benoeming kon worden overgegaan, waren zaken van heel wat grooter belang te regelen. Toen eenmaal vaststond, dat een Opperbevelhebber zou worden benoemd, was men het over de keuze van den persoon vrijwel terstond eens. De voordracht van den Minister van Oorlog daaromtrent gaf nauwelijks tot eenige gedachtenwisseling aanleiding. Anders echter stond het met de regeling van de positie, welke de Opperbevelhebber tegenover de Regeering en inzonderheid ook tegenover de Ministers van Oorlog en van Marine zou innemen. Het gold hier een even delicate als moeilijke kwestie. Wordt eenmaal een Opperbevelhebber benoemd, dan moet het legerbestuur in engeren zin geheel in zijn hand berusten en voor zijn verantwoordelijkheid zijn. Hij mag geen gevaar loopen, dat hij bij de opstelling of de verplaatsing van troepen inmenging zal behoeven te dulden van het Departement van Oorlog. Ieder gevoelt de noodzakelijkheid, dat als er met het leger gehandeld, d. w. z. gestreden, moet worden, de leiding in één hand zij. Alleen bij zulk een regeling is er waarborg, dat er snel en naar één leidende gedachte zal kunnen worden opgetreden. Alleen dan is ook mogelijk, dat de verantwoordelijkheid voor het gebruik dat van het leger wordt gemaakt en voor de behandeling welke het daarbij ondergaat, niet wordt verdeeld en verwaterd. Maar aan den anderen kant blijft ook in tijd van oorlog het voorschrift van de Grondwet van kracht, dat de Koning onschendbaar is en de ministers (tegenover de Staten-Generaal) verantwoordelijk zijn. Het was dus niet mogelijk, de instructie van den Opperbevelhebber op te trekken op den grondslag, dat hij eene positie zou bekleeden, waardoor de ministerieele verantwoordelijkheid voor zijne handelingen zou worden uitgeschakeld.
Aangezien de instructie van den Opperbevelhebber geen publiek stuk is, mag ik niet mededeelen op welke wijze het probleem, dat hier op te lossen viel, als resultaat van overleggingen met de Koningin en met den heer Snijders en van besprekingen in den Ministerraad, een oplossing vond. Ik moet er mij toe bepalen, als mijn oordeel uit te spreken, dat de oplossing die gevonden werd, een gelukkige heeten mag. Dit neemt niet weg, dat het enkele feit van het bestaan van een opperbevelhebberschap voor een Minister van Oorlog moeilijkheden schept, die niet door papieren regelingen kunnen worden overwonnen, maar alleen door tact en wederzijdsch streven naar goede verstandhouding.
Heel wat minder hoofdbreken dan de regeling der verhouding tusschen den Opperbevelhebber en de Regeering kostte de bepaling van zijn salaris. Er mocht mede worden gerekend en er werd mede gerekend dat de aanstelling tot Opperbevelhebber voor den militair die daartoe werd uitverkoren, een onderscheiding was van de allerhoogste orde. Maar het was niettemin duidelijk dat het opperbevelhebberschap niet als een zuiver eereambt mocht worden aangemerkt en behandeld. Indien ons land, onverhoopt, in den oorlog zou worden betrokken—en men mocht in het begin van Augustus 1914 nauwlijks verwachten dat die ramp aan ons land zou voorbijtrekken—zou op den leider van leger en vloot een zóó buitengemeen zware verantwoordelijkheid rusten, zouden aan hem zóó hooge eischen worden gesteld, dat het groote vertrouwen in zijn kunde en krijgsbeleid ook in het bedrag zijner bezoldiging althans eenigszins tot uitdrukking moest komen. Aan dezen eisch kon slechts in zeer beperkte mate worden voldaan, daar de salarissen ook van de hoogste staatsambtenaren in Nederland nu eenmaal niet in verhouding staan tot de eischen, welke hun mogen en moeten worden gesteld, noch tot de verantwoordelijkheid, die zij hebben te dragen. Doch zelfs in het licht van deze overweging bezien, was het bedrag waarop het salaris van den Opperbevelhebber werd bepaald, aan den bescheiden kant.
In het nauwste verband met de mobilisatie en de verschillende daaraan aansluitende maatregelen ter verdediging van het vaderland stonden de later bij de wet bekrachtigde Koninklijke besluiten tot het in staat van oorlog of van beleg verklaren van enkele gedeelten des Rijks. Het eerst werd, bij Koninklijk besluit van 5 Augustus, de staat van oorlog afgekondigd over het gebied behoorende tot verschillende stellingen en tot de Nieuwe Hollandsche Waterlinie en over het grondgebied rondom enkele verdedigingswerken. Deze eerste verklaring in staat van oorlog geschiedde voornamelijk, ten einde in de gedeelten van het Rijk, waarop zij betrekking had, de artikelen 15 en 16 van de wet van 23 Mei 1899 (Stbl. no. 128) houdende bepalingen ter uitvoering van art. 187 der Grondwet, toepasselijk te maken. Die artikelen regelen de bevoegdheid van het militair gezag om in de in staat van oorlog verklaarde landsgedeelten tegen schadeloosstelling te doen wegruimen, wat aan de behoorlijke verdediging in den weg staat, en in gebruik te nemen, wat voor den militairen dienst noodzakelijk is.
Heel spoedig volgde, in verband met den strijd die in België werd gestreden en met de daaruit voortspruitende noodzakelijkheid vooral in de Zuidelijke provincies zich op alle mogelijke eventualiteiten voor te bereiden, bij Koninklijk besluit van 10 Augustus de staat van oorlog voor de provincies Limburg, Noordbrabant en Zeeland en voor het gedeelte van Gelderland bezuiden de Waal. Bij latere Koninklijke besluiten, die telkens ingevolge art 5 der zooeven genoemde wet werden bekrachtigd, werd de staat van oorlog nog over enkele andere landsgedeelten uitgebreid.
De staat van beleg werd bij Koninklijk besluit van 29 Augustus afgekondigd voor een aantal grensgemeenten in Zeeuwsch-Vlaanderen, Noordbrabant en Limburg. Spoedig daarna, bij Koninklijk besluit van 8 September, werden de grensgemeenten langs de geheele land- en zeegrens en daarmede ook de riviermondingen in staat van beleg verklaard. Later werd de grensstrook, waar de staat van beleg geldt, nog eenigszins verbreed.
Het verschil tusschen den staat van beleg en den staat van oorlog bestaat hierin, dat de staat van beleg een verscherpte staat van oorlog is. Bij den staat van oorlog gaat het gezag wel grootendeels van de burgerlijke overheid op de militaire autoriteit over, maar moet toch door deze autoriteit met de burgerlijke overheid nog overleg worden gepleegd. Bij den staat van oorlog blijven ook het grondwettelijk recht van vereeniging en vergadering evenals de vrijheid van drukpers en het geheim van post en telegraaf ongerept. De staat van beleg gaat aanmerkelijk verder. De burgerlijke besturen en de daarbij in dienst zijnde ambtenaren zijn in de in staat van beleg verklaarde landsgedeelten verplicht te gehoorzamen aan de bevelen van het militaire gezag. Openbare vergaderingen worden daar, met uitzondering van openbare godsdienstoefeningen, alleen gehouden met vergunning van de militaire overheid. Dit gezag kan in de in staat van beleg verklaarde landsgedeelten beperkende bepalingen vaststellen omtrent het drukken, uitgeven, verspreiden, aanplakken of in den handel brengen van geschriften of teekeningen, of dit geheel verbieden. Het krijgt er de beschikking over de posterij, den telegraaf- en den telephoondienst en is bevoegd alle stukken, aan die diensten of aan eenige andere instelling van vervoer toevertrouwd, te openen. Het is bevoegd personen, wier aanwezigheid voor de rust of de algemeene veiligheid gevaarlijk wordt geacht, uit het in staat van beleg verklaarde gebied te verwijderen en omgekeerd aan niet-militairen, die voor de verdediging nuttig werkzaam kunnen zijn, het verlaten van het in staat van beleg verklaarde grondgebied te verbieden. Het heeft nog andere bevoegdheden, die ik niet alle behoef op te sommen. Uit het medegedeelde blijkt wel, dat het militaire gezag, behoudens de door de Kroon gegeven instructiën, in landsgedeelten die in staat van beleg zijn verklaard, oppermachtig is.
De bijna grenzenlooze macht, waarover het militaire gezag beschikt in de streken waar de staat van beleg geldt, moest de Regeering er wel toe brengen, den staat van beleg alleen daar af te kondigen, waar dit ter handhaving van de verschillende in het belang der veiligheid van den staat gegeven voorschriften strikt noodzakelijk was. Aandrang tot verdere uitbreiding werd dan ook meer dan eenmaal door den Ministerraad afgewezen. Het zou wel gewenscht geweest zijn, dat bijv. eenige kooplieden in onze handelssteden wat meer onder contrôle hadden gestaan dan onder normale omstandigheden het geval is, maar een maatregel waardoor, om dit te bereiken, in steden als Amsterdam en Rotterdam het briefgeheim zoowel als de vrijheid van vereeniging en vergadering en de vrijheid van drukpers zouden zijn opgeheven, zou toch buiten verhouding zijn geweest tot het kwaad, dat hij moest keeren. Die maatregel werd dan ook terecht niet genomen, al is hij meer dan eenmaal ter sprake gekomen.
Bij de vaststelling der landsgedeelten, welke in staat van oorlog of van beleg werden verklaard, golden natuurlijk in de eerste plaats overwegingen van zuiver militairen aard. Die overwegingen werden echter ten aanzien van verschillende plaatsen door andere aangevuld. Sommige gemeenten werden in staat van beleg verklaard ter wille van het tegengaan van ontvluchting van geïnterneerden; andere om wederzijdsche bespionneering van oorlogvoerenden door agenten van den vijand met beter gevolg te kunnen beletten. Bij het in staat van beleg verklaren van een zoom langs de grenzen sprak ook de noodzakelijkheid eener ernstige bestrijding van den smokkelhandel, inzonderheid van de ontduiking der uitvoerverboden, een krachtig woord mede. Het stond niet zoo aanstonds vast, dat de staat van oorlog en de staat van beleg mede tot dit doel mochten worden gebezigd; daarover is dan ook in den Ministerraad meer dan eenmaal van gedachten gewisseld. Voor mij is het niet twijfelachtig geweest, dat deze middelen ter handhaving van de veiligheid wel degelijk ook gebezigd mochten worden om het illusoir maken van uitvoerverboden te voorkomen, al ontken ik niet, dat men bij de vaststelling van art. 187 der Grondwet en van de wet op den staat van oorlog en van beleg, welke ter uitvoering van dat grondwetsartikel werd gemaakt, meer in het bijzonder aan rechtstreeksch gevaar door vijandelijke invallen heeft gedacht. Men moet er toch van uitgaan, dat de uitvoerverboden ten doel hadden en hebben krijgsbenoodigdheden, levensmiddelen en grondstoffen binnen ’s lands grenzen te houden, voor zoover zij geheel of ten deele voor de verdediging van het land of voor de voeding, kleeding of huisvesting van de bevolking in het land behooren te blijven of zonder gevaar van weder-uitvoer moeten kunnen worden ingevoerd. Over de uitvoerverboden zelve en de overwegingen, welke bij het stellen daarvan hebben gegolden, spreek ik in het volgende hoofdstuk.
Wanneer echter vaststaat, dat zij—zooals te gelegener plaatse nader zal worden aangetoond—geen ander doel hebben dan zooeven werd aangegeven, is het toch wel duidelijk dat het overtreden daarvan niet alleen indirect maar ook rechtstreeks de veiligheid van den staat in gevaar kan brengen. Aan smokkelarij volledig den kop indrukken, is onder zoo abnormale toestanden als waaronder men sedert het uitbreken van den oorlog leeft, minder dan ooit te denken. De prijsverschillen aan deze en aan gene zijde van de grens waren en zijn ten aanzien van een aantal artikelen zóó buitensporig groot, dat de verleiding om daarvan te profiteeren niet alleen in het klein voor een aantal grensbewoners, maar ook in het groot voor helaas maar al te veel kooplieden te sterk is geweest. Indien nu de Regeering er niet voor zorgt, dat kwaad binnen zoo eng mogelijke grenzen te beperken, krijgt het afmetingen, welke gevaren van verschillenden aard kunnen in het leven roepen. Wordt er gesmokkeld met het over de grenzen voeren van ten uitvoer verboden krijgsbenoodigdheden of grondstoffen daarvoor, dan ligt het gevaar dat dit voor de veiligheid hebben kan, voor de hand. Maar ook het uitvoeren van levensmiddelen kan die veiligheid ernstig schaden; men behoeft dit thans wel niet in den breede te betoogen, nu, ondanks de uitvoerverboden, de prijzen van sommige levensmiddelen tijdelijk zoozeer zijn gestegen, dat zij voor bescheiden beurzen onbereikbaar zijn geworden. Betreft het uitvoerverbod goederen, die hier niet worden voortgebracht en moeten worden ingevoerd en die van elders alleen kunnen worden verkregen, indien aan een der belligerente partijen door den importeur gegarandeerd wordt, dat hetgeen zij naar Nederland doorlaat, uitsluitend voor binnenlandsch verbruik is bestemd en zal worden gebezigd, dan brengt de goede trouw mede, dat de Regeering, welke van zulke garanties niet onkundig is, er naar vermogen toe medewerkt, om te voorkomen, dat zij worden geschonden en door de mogendheid, aan welke zij werden gegeven, als niet ernstig bedoeld zouden kunnen worden aangemerkt. Langs dezen weg kan het ontduiken van uitvoerverboden, wanneer het overschrijdt wat men het onvermijdelijk minimum zou kunnen noemen, ook gevaarlijk worden voor ’s lands neutraliteit. Afkondiging van den staat van oorlog of van beleg, mede als middel om de smokkelarij binnen de perken van dat onvermijdelijk minimum te houden, was dan ook, naar mijne stellige overtuiging, geheel in overeenstemming met het desbetreffende artikel van de Grondwet en de ter uitvoering daarvan afgekondigde wet.
Ter loops merk ik op, dat de officieele kennisgeving, in een onbewaakt oogenblik door het legerbestuur gedaan, als zou het ontduiken van uitvoerverboden wel verkeerd zijn, maar met de handhaving der neutraliteit niet te maken hebben, in elk opzicht beter achterwege ware gebleven. De opvatting waarvan het legerbestuur in die kennisgeving blijk gaf, was niet alleen niet zeer gelukkig; de legerautoriteit begaf zich, afgezien van de innerlijke waarde harer meening, door daarvan openlijk kond te doen, bovendien op een terrein, dat niet des legerbestuurs is.
§ 2. De neutraliteit ter zee.
De tot nog toe besproken maatregelen hadden in de eerste plaats de verdediging tegen gevaren, welke van de landzijde konden dreigen, op het oog. Het spreekt echter wel van zelf, dat ook aan de verdediging van de kust en aan het tegengaan van mogelijke gevaren, die van de zeezijde zouden kunnen rijzen, terstond de noodige aandacht werd geschonken.
Een der eerste maatregelen daartoe was het afsluiten van de doorgangen tusschen de eilanden boven de Zuiderzee door mijnversperringen, het dooven van de voor de verdediging aan de zeezijde ongewenschte kustlichten en het leggen van oorlogsbetonning ook op de Schelde. Bij dit laatste diende er rekening mede te worden gehouden, dat volgens het tractaat van 1839, in verband met de akte van het Weenercongres van 1814, de vrije vaart op deze rivier voor handelsschepen openblijven moest. Er werd dan ook een vaargeul opengelaten. Aangezien uit den aard der zaak alleen Nederlandsche loodsen met de ligging der Nederlandsche mijnen werden bekend gemaakt, had deze verdedigingsmaatregel ten gevolge, dat de vaart op de Schelde gedurende den oorlogstijd, voor zoover het Nederlandsch gebied betreft, niet langer met Belgische loodsen mogelijk was. De maatregel gaf spoedig aanleiding tot een betreurenswaardig ongeval. Den 7den Augustus 1914 liep een Noorsch schip in de Schelde op een Nederlandsche mijn. Aangezien er een Nederlandsche loods aan boord was, toen het ongeval geschiedde, erkende onze Regeering terstond hare aansprakelijkheid en gaf zij aan Noorwegen haar leedwezen over het gebeurde te kennen. De toegebrachte schade werd aan de Noorsche reederij vergoed. Dit ongeval noopte de loodsen en schippers, voortaan bij de vaart op de Schelde met meer omzichtigheid te werk te gaan. Zij wisten nu, dat de Nederlandsche mijnen, zooals een onzer marine-officieren het uitdrukte, niet met stopverf waren gevuld.
Een tweede maatregel op maritiem gebied, waartoe op voorstel van den Minister van Marine reeds op 30 Juli werd besloten, was de wijziging van het Koninklijk besluit van 30 October 1909, bepalende dat—behoudens enkele met name genoemde uitzonderingen—het aan oorlogsschepen van vreemde mogendheden toegestaan is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsch watergebied te begeven, mits zulks geschiede, om, langs den kortsten weg en met inachtneming van eenige in het Koninklijk besluit gestelde voorschriften, de meest nabij de zee gelegen reede of haven te bereiken, ten einde aldaar te ankeren en mits hun aantal, met inbegrip der reeds binnen het Nederlandsche rechtsgebied onder dezelfde vlag aanwezige oorlogsschepen, niet meer dan drie bedraagt.
De Minister van Marine zag in de handhaving dezer voor vreemde oorlogsschepen vrijgevige bepaling een bron van allerlei moeilijkheden. Niet alleen zou zij, indien er werkelijk gevaar van de zeezijde dreigde, aan een oorlogvoerende mogendheid, die ons land in den krijg wilde betrekken, gelegenheid geven vóór de oorlogsverklaring twee of drie vol bewapende oorlogsschepen over enkele onzer havens te verdeelen of in één haven te concentreeren, maar zij zou ook, bij verblijf van oorlogsschepen van één der oorlogvoerende partijen binnen Nederlandsch grondgebied, zeer gemakkelijk aanleiding hebben kunnen geven tot conflict met de tegenpartij.
Bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1914, dus eenige dagen vóórdat ook Engeland besloten had aan den oorlog deel te nemen, op een oogenblik waarop de krijg zelfs nog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië was beperkt, werd het Koninklijk besluit van 1909 tijdelijk buiten werking gesteld en in plaats daarvan bepaald, dat het aan oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van vreemde mogendheden niet geoorloofd is, zich van uit zee in de Nederlandsche territoriale wateren en het daarbinnen gelegen Nederlandsche watergebied te begeven of zich daarin op te houden. Op dezen regel werden slechts enkele uitzonderingen gesteld, waarvan de belangrijkste is die voor oorlogsschepen van vreemde mogendheden in geval van nood, zeegevaar of averij.
Deze regeling ten aanzien van vreemde oorlogsschepen en daarmede gelijkgestelde vaartuigen gedurende den oorlogstijd werd met eenige aanvullingen opgenomen in de neutraliteitsverklaring van denzelfden dag in verband met den oorlog tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië, en later herhaald in de volgende neutraliteitsverklaringen in verband met de uitbreiding, welke de oorlog onderging.
Tot dezen veiligheidsmaatregel was Nederland volkenrechtelijk ten volle bevoegd. Wel paste het Koninklijk besluit van 30 October 1909 bij art. 15 van het verdrag van 18 October 1907, als resultaat van de Tweede Vredesconferentie gesloten, nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, maar dat verdragsartikel geldt, volgens zijn eigen bewoordingen, alleen „bij gebreke van andere bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid”.
De bijzondere bepaling, welke Nederland veiligheidshalve ten aanzien van vreemde oorlogsschepen bij het Koninklijk besluit van 30 Juli 1914 maakte, heeft een uitstekende preventieve werking gehad. Zij kon echter alleen doel treffen, als zij met gestrengheid werd gehandhaafd. Voor de oorlogvoerenden is zij bij enkele gelegenheden minder aangenaam geweest. Zoo voor de Duitsche duikboot, die, om snel haar doel te bereiken, te dicht onder de kust voer en daardoor in onze territoriale wateren terecht kwam. Zij raakte binnen ons gebied, bij Terschelling, in de zandbanken verward en strandde op 4 November 1915. Op grond der genoemde bepaling werd zij met haar bemanning geïnterneerd, aangezien zij niet tengevolge van bekomen averij onze territoriale wateren was binnengeloopen, maar eerst na in ongeschonden toestand daar gekomen te zijn, in het ongereede was geraakt. Deze interneering heeft tot eene wisseling van nota’s tusschen de Duitsche en de Nederlandsche Regeering aanleiding gegeven, waarbij van onze zijde het goed recht daarvan werd staande gehouden, ondanks de daartegen aangevoerde bezwaren. Nederland bleef daarbij geheel binnen de perken van zijn recht en liet zich door de betoogen van zijn machtigen nabuur niet van zijn rechtsstandpunt afdringen.
Het noodlot heeft trouwens gewild, dat eenigen tijd na de Duitsche, een Engelsche duikboot op overeenkomstige wijze onze neutraliteitsproclamatie schond en uit dien hoofde geïnterneerd werd. In Januari 1916 strandde een Britsche onderzeeboot binnen onze territoriale wateren in het Friesche gat tusschen Ameland en Schiermonnikoog. Daar het stranden van de boot hier evenmin als bij den Duitschen onderzeeër aan het bekomen van averij, vóór zij in die wateren was gekomen, kon worden toegeschreven, werd zij op gelijke wijze als deze behandeld. Er deed zich hierbij nog een incident voor, waarbij onze neutraliteitsbepalingen door een vaartuig van de Engelsche marine ten tweeden male werden geschonden. Toen de duikboot vastliep, bevonden zich Britsche torpedojagers, buiten de territoriale wateren kruisende, in de nabijheid. Door een dier vaartuigen werd, toen het ongeval was opgemerkt, een motorsloep uitgezonden om de schipbreukelingen te helpen. Die sloep nam 10 der opvarenden van de duikboot mede. De overige twaalf, waaronder de commandant, werden door de reddingboot van Schiermonnikoog aan land gebracht. Deze werden, evenals met hun Duitsche lotgenooten was geschied, geïnterneerd; de boot zelf werd, nadat zij vlot was gebracht, opgelegd op dezelfde wijze als met den Duitschen onderzeeër was geschied. Onze Regeering protesteerde bij de Britsche tegen het feit, dat een motorsloep van de Britsche marine zich in de territoriale wateren had begeven en daar een deel der opvarenden van de gestrande duikboot had afgehaald. Aangezien de reddingsboot van Schiermonnikoog reeds ter plaatse was en de redding van de geheele bemanning verzekerd was, konden voor die handelwijze geen overwegingen van menschelijkheid worden aangevoerd. De Regeering voegde aan haar protest toe, dat slechts ten gevolge van de omstandigheid, dat de reddingboot geen militaire autoriteiten aan boord had, de motorsloep weder met de door haar afgehaalde leden der bemanning van de duikboot het Nederlandsche gebied had kunnen verlaten.
De bepaling der neutraliteitsproclamatie, welke tot de interneering der beide duikbooten en hare bemanningen heeft geleid, gaf aanleiding tot een vraag, waarover zoowel met de Duitsche als met de Britsche regeering nota’s werden gewisseld. Dat die bepaling ook toepasselijk is op koopvaardijschepen die tijdelijk tot hulpkruiser zijn ingericht, was niet twijfelachtig. Zulke hulpkruisers zijn zeker met oorlogsschepen gelijk te stellen. Moeilijker echter was de beslissing ten aanzien van koopvaardijschepen, die, zooals het heet, alleen ter verdediging, en wel speciaal tegen duikbooten, een tweetal kanonnen op den achtersteven hebben. Engeland heeft zulk een defensieve bewapening zijner handelsschepen in overweging genomen en voor een deel in toepassing gebracht. Moesten zulke defensief bewapende handelsschepen, een Nederlandsche haven binnenloopend, met oorlogsschepen worden gelijkgesteld en op dien grond worden vastgehouden, tenzij hun binnenloopen gevolg was van bekomen averij? Het antwoord op deze vraag werd vooral door deze overweging beheerscht, dat al staat een aldus bewapend handelsvaartuig niet met een hulpkruiser gelijk, het onderscheid tusschen offensieve en defensieve bewapening wel op het papier maar niet in werkelijkheid is vol te houden. Het is toch meer dan waarschijnlijk, dat zulk een defensief bewapend vaartuig, als het een vijandelijke duikboot in zijne nabijheid ziet, zich zal houden aan den regel: „la meilleure façon de se défendre, c’est d’attaquer.” Het is intusschen alleen tot een uitwisseling van nota’s over deze soort vaartuigen gekomen, waarbij het door Nederland ingenomen standpunt tegenover de belligerenten, in de eerste plaats tegenover Engeland werd uiteengezet en volgehouden. Vaartuigen als de hier bedoelde hebben Nederlandsche havens niet aangedaan.
Op het stuk van vreemde oorlogsschepen bevat de neutraliteitsproclamatie, die ook door het Nederlandsch-Indische Gouvernement voor onze bezittingen aldaar werd afgekondigd, enkele bepalingen, welke in Indië met zijn uitgebreid territoriaal watergebied veel moeilijker te handhaven waren dan hier te lande, doch waaraan niettemin streng de hand gehouden worden moest en streng de hand gehouden werd, zoo dikwijls pogingen tot inbreuk daarop met reden konden worden vermoed. Ik doel hiermede in de eerste plaats op de bepaling, dat het verboden is binnen het rechtsgebied van den Staat, zonder voorafgaande machtiging der bevoegde autoriteiten ter plaatse, aan oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende mogendheid herstellingen aan te brengen en levensmiddelen of brandstoffen te verstrekken. Het Nederlandsch-Indische Gouvernement heeft vooral in den eersten tijd van den oorlog, toen enkele Duitsche kruisers hun beroemd geworden tochten over den Oceaan deden, meer dan eenmaal maatregelen moeten nemen om te voorkomen, dat aan zulke kruisers in Nederlandsch-Indische territoriale wateren kolen werden verstrekt.
In verband met die dolende zeeridders moest ook, zoowel in West- als in Oost-Indië, de hand worden gehouden aan de uitzonderingsbepaling van de neutraliteitsproclamatie ten gunste van oorlogsschepen of daarmede gelijkgestelde vaartuigen van een oorlogvoerende, welke binnen het rechtsgebied van de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen een haven of reede aandoen, uitsluitend met het doel om hun voorraad levensmiddelen of brandstof aan te vullen. Practisch was deze bepaling vooral van gewicht ten aanzien van het innemen van brandstof. Volgens de bepalingen der proclamatie, zich aansluitende bij het verdrag nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog, mogen vreemde oorlogsschepen daartoe in geen geval langer dan 24 uren in de haven of op de reede blijven, en mogen hun niet meer brandstoffen worden verstrekt dan noodig is om, met inbegrip van den nog aan boord aanwezigen voorraad, de naaste haven van hun eigen land te bereiken. Hoe groot die officieel toegestane hoeveelheid wel was voor een in een Oost- of West-Indische haven binnenloopend schip als bijv. de „Leipzig” of de „Emden” viel niet zoo heel gemakkelijk te bepalen. De oplossing van deze moeilijkheid moest echter uit den aard der zaak aan de autoriteiten ter plaatse worden overgelaten.
Een tweede moeilijkheid deed zich hierbij nog voor, welke echter gelukkig van theoretischen aard is gebleven. Volgens de neutraliteitsproclamatie mag een zelfde vreemd oorlogsschip niet wederom van brandstof worden voorzien dan nadat ten minste drie maanden sedert een vorige aanvulling binnen het rechtsgebied van den staat zijn verstreken. De vraag deed zich nu voor, wat zou moeten geschieden met een kruiser, waarvan bekend was, dat hij in open zee strooptochten was blijven maken zonder naar het eigen land terug te keeren, indien hij na een tusschenpoos van drie maanden opnieuw kolen zou willen laden. Naar de letter der proclamatie zou dit toegestaan zijn; naar den geest evenwel niet. Immers de hoofdbepaling omtrent het kolenladen houdt in, dat niet meer brandstof zal worden verstrekt dan noodig is om de naaste haven van het eigen land te bereiken. Door aan een schip, dat niet naar huis terugkeert doch in open zee kaapvaart blijft uitoefenen, en zijn kolenvoorraad aanvult uit veroverde schepen of in havens van andere neutrale landen, om de drie maanden kolen te verstrekken, zou niet worden voldaan aan de bedoeling der uitzonderingsbepaling, er toe strekkende een oorlogsschip, uit menschelijkheidsoverwegingen, gelegenheid te geven naar huis terug te keeren, maar zouden onwillekeurig aan een der strijdvoerenden, tegen de bedoeling der kolenbepaling in, handlangersdiensten worden bewezen. Zooals reeds werd opgemerkt, bleef ook deze kwestie intusschen alleen van academische beteekenis.
Hier te lande moest al heel spoedig aan enkelen onzer eigen landgenooten worden ingescherpt, dat ook zij zich aan de neutraliteitsbepalingen hadden te onderwerpen en het land niet door daarmede strijdige handelingen in oorlogsgevaar mochten brengen. Art. 13 der neutraliteitsproclamatie verbiedt, binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve van een oorlogvoerende natie vaartuigen, voor militaire doeleinden bestemd, uit te rusten, te bewapenen of te bemannen of zoodanige vaartuigen aan een belligerent toe te voeren of te verschaffen. In de allereerste weken van den oorlog nu kwam aan de Regeering een poging ter oore, die in vrij vergevorderden staat van uitvoering bleek te zijn, om ten behoeve van het Duitsche Rijk een aantal stoomtrawlers en sleepbooten aan te koopen. Het was niet twijfelachtig dat, indien die koop was doorgegaan, de bedoelde schepen voor oorlogsdoeleinden zouden zijn gebezigd. Onverwijld werden de noodige maatregelen genomen om de Nederlandsche tusschenpersonen, die zich tot deze transactie hadden geleend, op het ongeoorloofde van hun medewerking te wijzen; dientengevolge kon worden belet, dat de uitvoering der reeds begonnen poging werd voltooid.
Als tegenhanger van dit geval vermeld ik hier, dat ook tegen overtreding van een ander artikel der neutraliteitsproclamatie eenige malen moest worden opgekomen. Het door mij bedoelde artikel behelst het verbod om binnen het rechtsgebied van den Staat ten behoeve der oorlogvoerenden strijderskorpsen te vormen of aanwervingsbureaux te openen.
Deze bepaling werd van practisch belang, eenigen tijd nadat Antwerpen was gevallen en België zoo goed als geheel in handen van Duitschland was gekomen. Niet alleen bleek toen, dat verschillende hierheen gevluchte Belgische jonge mannen zich individueel en uit vrije beweging bij het in Noord-Frankrijk strijdende Belgische leger gingen vervoegen, wat geheel geoorloofd was; maar ook dat door meer of minder openlijk optredende wervingsbureaux pogingen werden in het werk gesteld, om hunne indiensttreding te bevorderen en hen groepsgewijze naar Engeland te vervoeren. Zoo vaak van zulke pogingen iets bleek, werden zij, krachtens de neutraliteitsproclamatie, in haar geboorte gesmoord.
De verovering van België en vooral de val van Antwerpen gaf ook practische beteekenis aan het artikel der neutraliteitsproclamatie, dat het vervoer van convooien van munitie of levensmiddelen over Nederlandsch territoir verbiedt. De vrije doorvoer van koopmansgoederen tusschen België en Duitschland of omgekeerd, over onze water- en landwegen, gelijk die vóór den oorlog bestond, bleef natuurlijk ongehinderd voortduren. Echter ontstond in en door den nieuw geschapen toestand gevaar, dat onze waterwegen zouden worden gebruikt om munitie en andere legerbenoodigdheden van Duitschland naar Antwerpen te vervoeren, of dat door oorlogsdaden verkregen zaken van daar uit over ons land naar Duitschland zouden worden gebracht. Aan de Duitsche regeering werd uit dien hoofde medegedeeld, dat hoewel de door verschillende tractaten en inzonderheid door de Rijnvaart-akte gewaarborgde vrije doorvoer door ons land tusschen Duitschland en België ongerept zou blijven, deze ten aanzien van krijgsbuit of van oorlogsbenoodigdheden niet kon worden toegestaan, aangezien dit ons in conflict zou brengen met onzen onzijdigheidsplicht. De noodige maatregelen werden getroffen om, door samenwerking tusschen daartoe aangewezen ambtenaren van Buitenlandsche Zaken met de douane-ambtenaren en de leger-autoriteiten aan de grens, ervoor te zorgen dat aan dit neutraliteitsverbod de hand zou worden gehouden. Voor zoover ik mij herinner, behoefde geen enkele maal tegen eene poging tot overtreding daarvan te worden opgekomen.
Had deze zaak betrekking op de Rijnvaart, de vaart op de Schelde gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, reeds voordat Antwerpen in de macht van Duitschland was gekomen. Zij betrof een vijftigtal Duitsche en Oostenrijksche handelsschepen, die bij den aanvang van den oorlog in de haven van Antwerpen lagen en als gevolg van den strijd in de macht van de Belgische regeering waren gekomen. In het begin van September 1914 werd mededeeling ontvangen dat de Britsche regeering voornemens was, die schepen met eene niet-militaire bemanning over de Schelde naar Engeland te voeren. Zij beriep zich ter rechtvaardiging van dit voornemen op het tractaat van Londen van 19 April 1839, dat de vrije vaart over de Schelde waarborgt. Onze Regeering maakte daartegen bezwaar. Zij wees het beroep van Engeland op het verdrag van 1839 af, aangezien het hier schepen gold, die door een oorlogsdaad in handen van de Belgische regeering waren gekomen en die, als zij met een Britsche bemanning over de Schelde zouden worden vervoerd, niet met een handelsoogmerk de Schelde zouden bevaren. Het tractaat van 1839 beperkt, in verband met art. 109 van de akte van het Weener congres van 9 Juni 1815, de vrije vaart op de Wester-Schelde uitdrukkelijk „tot de vaart met opzigt tot den koophandel” en was dus op dit geval niet van toepassing. Het gold hier schepen, waarvan de rechtstoestand onzeker was, maar waarvan vaststond dat zij zonder oorlogsdaad niet ter beschikking van de Belgische noch van de Engelsche regeering zouden hebben gestaan. Hoewel het artikel der neutraliteitsproclamatie, behelzende dat prijsgemaakte schepen, behalve wegens onzeewaardigheid, slechte gesteldheid der zee of gebrek aan brandstof of aan levensmiddelen, niet in het rechtsgebied van den Staat mogen worden binnengebracht, hier niet letterlijk van toepassing was, was het toch noodig, ter handhaving onzer onzijdigheid, in dit geval naar analogie van dat neutraliteitsvoorschrift te handelen. In dien zin werd dan ook aan Engeland geantwoord. Indien deze schepen de grenzen zouden overschrijden en op het Nederlandsch gedeelte van de Schelde zouden komen, zouden zij worden geïnterneerd tot aan het einde van den oorlog en dan worden teruggegeven aan dengene, die alsdan zou blijken daarop recht te hebben.
Na deze verklaring van onze zijde heeft Engeland aan zijn voornemen te dezen aanzien geen gevolg gegeven. De houding ten aanzien van die schepen tegenover Engeland aangenomen, bracht van zelf mede, dat toen Antwerpen was gevallen en in handen van Duitschland was gekomen, de bewuste schepen evenmin op de Schelde konden worden toegelaten. Zij waren toch door een oorlogsdaad weder onder andere oorlogvoerende heerschappij gekomen. Toen dan ook enkele dier schepen later niettemin in ons land kwamen, werden zij tot aan het eind van den oorlog in bewaring gesteld. Aan wie zij dan zullen worden afgegeven, is thans nog niet aan de orde.
§3. Interneering; luchtvaart.
Onder de neutraliteitsbepalingen is er één, welker toepassing op het publiek zeer grooten indruk heeft gemaakt en die aan de militaire autoriteiten, vooral in de eerste weken van October 1914, de handen vol werk heeft gegeven. De bepaling namelijk dat troepen of militairen, behoorende tot of bestemd voor de oorlogvoerenden, komende binnen het gebied van den Staat te land, onmiddellijk worden ontwapend en tot het einde van den oorlog worden geïnterneerd. Toen zij, eveneens als uitvloeisel van het algemeen erkende volkenrecht (Tractaten van 1907 als gevolg van de Tweede Haagsche Vredesconferentie) werd opgenomen, werd niet vermoed, dat er op zóó groote schaal van zou moeten worden gebruik gemaakt. De snelle verovering van Antwerpen deed een deel van het Belgische leger alsmede van de ter hulp gekomen Engelsche troepen den 10den October 1914 over onze grenzen in Staatsvlaanderen de wijk nemen. Hun aantal steeg weldra tot omstreeks 30.000. Het spreekt van zelf, dat het ontwapenen en onder dak brengen van een zóó groot aantal soldaten heel wat voeten in de aarde had, te meer omdat zoowel de militaire als de burgerlijke autoriteiten in diezelfde dagen overstelpt waren met werk in verband met den stroom van Belgen die, wegens de belegering van Antwerpen, over onze grenzen een goed heenkomen zochten. Op die vluchtelingen kom ik hieronder in hoofdstuk III § 2 terug.
De interneering van de over onze grenzen gekomen Belgische en Engelsche legerafdeelingen gaf wel practische maar geen volkenrechtelijke moeilijkheden. Dat deze militairen geïnterneerd moesten worden, was niet aan den minsten twijfel onderhevig. Niet altijd evenwel lag de zaak juridiek zoo eenvoudig. Opdat onderdanen van een oorlogvoerende mogendheid bij het overschrijden der grenzen in de termen vallen van te worden ontwapend en geïnterneerd, moeten zij in de eerste plaats behooren tot of bestemd zijn voor den militairen dienst en in de tweede plaats binnen het gebied van den staat „komen”, d. w. z. uit vrijen wil de grenzen overschrijden en niet tegen hun wil of door omstandigheden onafhankelijk van hun wil binnen het rechtsgebied van den staat worden gebracht.
De eerste dezer voorwaarden voor de interneering is niet aanwezig bij deserteurs noch bij gevluchte krijgsgevangenen. Beide categorieën van personen hebben wel behoord tot de krijgsmacht van een oorlogvoerende mogendheid, maar behooren daartoe niet meer op het oogenblik dat zij de grenzen overschrijden. Het tractaat van 1907 betreffende de rechten en verplichtingen van onzijdige mogendheden en personen ingeval van oorlog te land, bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat ontvluchte krijgsgevangenen worden vrijgelaten. Het is intusschen niet altijd even gemakkelijk na te gaan of over de grenzen komende militairen tot een van de beide genoemde categorieën behooren. Bij ontsnapte krijgsgevangenen zullen de omstandigheden in den regel wel van dien aard zijn, dat zonder veel moeite is vast te stellen of men hunne verklaringen vertrouwen kan en zal dus de beslissing dat zij buiten de interneeringsbepalingen vallen, wel zoo goed als altijd vrij gemakkelijk zijn te nemen.
Met deserteurs staat de zaak ietwat anders. Daar is groote voorzichtigheid geboden. Men kan niet zonder meer iederen militair van een der oorlogvoerenden, die de grenzen overkomt onder het beweren dat hij deserteur is, vrij laten rondloopen. Dit zou volkenrechtelijk onjuist zijn en voor het land gevaarlijk kunnen worden. Men behoeft daarvoor slechts te denken aan den omvang dien de spionnagediensten der oorlogvoerenden in dezen krijg hebben gekregen. De opvatting die in militaire kringen schijnt te heerschen, dat zoolang een militair zijne distinctieven als zoodanig draagt, hij beschouwd moet worden nog tot den troep te behooren en dus moet worden geïnterneerd, als hij over de grenzen komt, acht ik even weinig houdbaar, als het aanmerken en behandelen als deserteur van iederen vreemden militair, die voorgeeft dit te zijn. Het is toch zeer wel mogelijk dat een vreemde soldaat, wien het inderdaad er om te doen is, desertie te plegen, aan dit voornemen alleen gevolg kan geven, indien hij er zich zorgvuldig van onthoudt zijne militaire distinctieven af te leggen, zoolang hij de grenzen niet gepasseerd is. Bovendien ligt niet voor iederen deserteur een pakje burgerkleederen aan de grens gereed. Deze mij onhoudbaar toeschijnende opvatting heeft voorts een bedenkelijken kant ook voor het land zelf, speciaal in verband met het steeds aanwezige spionnagegevaar. Zij leidt er namelijk zoo licht toe, iederen vreemden militair, die vóór het overschrijden van de grens zijn militaire uniform voor een burgerpak heeft weten te verwisselen, zonder meer als deserteur aan te merken. Dat zulk eene conclusie aan militaire spionnen maar al te gelegen zou komen, behoeft wel geen betoog. Er zit dan ook niet anders op, dan elk geval op zich zelf te beoordeelen en van een zoo nauwkeurig mogelijk onderzoek te doen afhangen of men werkelijk met een geval van desertie heeft te maken. Bij twijfel blijve men aan den voorzichtigen kant, dat is hier de interneering.
Heel anders ligt de zaak, als bij het einde van den oorlog de interneering wordt opgeheven. Geïnterneerden mogen vóór het einde van den oorlog het land niet verlaten. Dit brengt echter niet mede, dat men verplicht zou zijn, hen na den krijg tegen hun wil uit te leveren aan de mogendheid tot welker krijgsmacht zij behoorden. Dit zou ten aanzien van deserteurs of van militairen die vreezen dat zij, in hun land teruggekeerd, als deserteurs zullen worden aangemerkt, onmenschelijk zijn. Wie eenmaal geïnterneerd is, blijft geïnterneerd tot aan het einde van den oorlog. Of hij gedurende zijne interneering door den oorlogvoerende tot wiens leger hij behoort, tot eenige straf wordt veroordeeld of van den militairen stand wordt vervallen verklaard, is voor den Staat die hem interneerde, onverschillig. De regeering van den interneerenden Staat heeft met hem alleen te maken afgaande op den toestand, waarin zij hem vond, toen hij geïnterneerd werd. Het eenige gevaar dat de interneerende Staat daarbij loopen kan, is van financieelen aard en zinkt als zoodanig weg tegenover de andere financieele lasten, die de oorlogstoestand oplegt. De Staat kan namelijk de verplegingskosten niet terugeischen van die militairen, van wie door den oorlogvoerende tot wiens leger zij hebben behoord, wordt bewezen, dat zij als deserteurs over de grenzen zijn gekomen. Houdt de oorlog op, dan krijgt ieder oorlogvoerende zijne soldaten terug, met dit voorbehoud dat ieder hunner, die maar eenigszins aannemelijk maakt, dat hij gevaar loopt als deserteur te worden behandeld of dat hij zal worden gestraft voor een feit, waarvoor geen uitlevering kan worden gevraagd, indien hij dit verkiest, hier kan blijven. Men zal in zulke gevallen ook de vreemdelingenwet, die hier toch al niet met overgroote gestrengheid wordt toegepast, uit menschelijkheidsoverwegingen zeer mild moeten uitvoeren. Maar zoolang de oorlog duurt, hecht het Departement van Oorlog aan beweringen van eenmaal geïnterneerden, dat zij deserteur zijn, terecht niet al te veel. Het zou anders een te gemakkelijk middel zijn, om zich aan de interneering te onttrekken en zich weer bij het strijdende leger te voegen.
Het tegen den wil of door omstandigheden buiten den wil van de betrokkenen binnen het gebied van den Staat worden gebracht, heeft zich eenige malen ten aanzien van militairen behoorende tot de oorlogvoerenden voorgedaan en heeft in die gevallen er terecht toe geleid, dat die militairen niet werden geïnterneerd. In het begin van den oorlog is dit gebeurd met Duitsche en Belgische krijgers, die in de nabijheid van de Nederlandsch-Belgische grens gewond en bewusteloos op het slagveld werden gevonden en door de zorgen van het Roode Kruis of van particuliere verplegers naar een Nederlandsch hospitaal in de nabijheid werden vervoerd. Zulke gewonde soldaten werden na hun herstel geheel vrijgelaten in hun beweging. Hetzelfde geschiedde met de matrozen van de eveneens in het begin van den oorlog getorpedeerde Engelsche kruisers Aboukir, Cressy en Hogue, die door Nederlandsche handelsvaartuigen in volle zee werden opgepikt en hier te lande werden gebracht. Ook zij werden terecht niet geïnterneerd. Het zeeoorlogsrecht geeft geen voorschrift omtrent hetgeen in het geval dezer schipbreukelingen had te geschieden, maar de algemeene beginselen der onzijdigheid wezen hier in de richting der vrijlating. Na den slag van het Skagerak profiteerden eenige Duitsche matrozen van deze humane toepassing der interneeringsregelen. Toch moesten hierover vóór dien tijd nog eenige nota’s met de Duitsche regeering worden gewisseld.
Dat de Staat behoort te zorgen niet alleen voor de behoorlijke verpleging maar ook voor de behoorlijke bewaking der geïnterneerden (het laatste voorzoover dezen niet op parool vrijheid van beweging binnen ’s lands grenzen is gegeven) spreekt evenzeer van zelf, als dat het schenden van het gegeven parool verregaand onbehoorlijk is en gestraft wordt met strenge bewaking, als men de woordbrekers weer te pakken kan krijgen.
In verband met de interneering zijn ook vragen gerezen ten aanzien van luchtschepen en vliegeniers. Wat de luchtschepen betreft, is de moeilijkheid tot nog toe van theoretischen aard gebleven; ten aanzien van de vliegeniers daarentegen heeft zij zich ook practisch voorgedaan. De neutraliteitsproclamatie houdt daaromtrent niets in. De Regeering heeft echter bij Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914, het overschrijden van de landsgrenzen aan vreemde luchtvaarders voor den duur van den oorlogstoestand verboden en terstond aan de oorlogvoerenden doen weten, dat zij het varen van vreemde luchtschepen en het vliegen van vreemde vliegeniers boven ons grondgebied als schending onzer souvereiniteit en neutraliteit beschouwt. De volkenrechtelijke kwestie welke achter deze zaak verscholen ligt, laat ik rusten; zij heeft—gegeven het principieele standpunt dat Nederland, zonder protest van één der oorlogvoerenden ten aanzien der luchtschepen en vliegeniers van oorlogvoerenden, heeft ingenomen—geen beteekenis. Daarvan uitgaande zijn boven het Nederlandsch gebied varende vreemde luchtschepen of vliegende aëroplanen door onze militairen terecht beschoten. Heeft die beschieting—gelijk een enkele maal bij een vliegtuig is voorgekomen—het effect, dat de vliegenier of het luchtschip genoodzaakt wordt binnen Nederlandsch gebied te landen, dan is er geen twijfel aan, dat de inzittenden vallen onder de interneeringsbepalingen. Zij behooren tot de militaire macht van een der oorlogvoerenden, zij zijn boven (wat, gegeven de principieele opvatting waarvan ik zoo even sprak, gelijk staat met „binnen”) het gebied van den staat gekomen en zij zijn neergeschoten, omdat dit het eenige middel was, om hen te ontwapenen en te interneeren.
Het standpunt onzer Regeering in zake de luchtvaart van belligerenten heeft nog aanleiding gegeven tot een wisseling van nota’s met de Duitsche regeering ter zake van het Duitsche luchtschip, dat op 1 Februari 1916 over ons grondgebied voer, door de kustwacht uit dien hoofde werd beschoten en later met de geheele bemanning in de Noordzee verongelukte. De Duitsche regeering verweet ons naar aanleiding van dit voorval, dat de Nederlandsche militaire autoriteiten, door blijkbaar zonder voorafgaande waarschuwing te vuren op een luchtschip, dat geacht kon worden door overmacht boven het Nederlandsch grondgebied te zijn gekomen, in strijd met het volkenrecht en de wetten der menschelijkheid hadden gehandeld.
Naar aanleiding van dat ongegronde verwijt schrijft de Minister van Buitenlandsche Zaken in het in Juli 1916 verschenen Oranjeboek: „Ondergeteekende heeft dit schrijven met een Nota-Verbale d.d. 18 Maart beantwoord, waarin nogmaals uitvoerig de zienswijze der Regeering te dezer zake werd uiteengezet. Overigens werd aangetoond dat het luchtschip, dat geen enkel teeken had gegeven van averij te hebben of te willen landen, herhaaldelijk was gewaarschuwd zich boven neutraal gebied te bevinden, en dat de militaire autoriteiten de wetten der menschelijkheid hadden in acht genomen zoover als dit met haar plicht, de onschendbaarheid van het territoir te doen eerbiedigen, slechts eenigszins was overeen te brengen”.
Eenigszins moeilijker ligt de zaak, wanneer het luchtschip of het vliegtuig niet wordt neergeschoten maar door eenigerlei averij gedwongen wordt binnen het gebied van den Staat te landen. Men is dan aanvankelijk geneigd analogie te zoeken met de neutraliteitsbepaling betreffende oorlogsschepen, welke wegens averij een Nederlandsche haven binnenloopen en die na herstel weder mogen vertrekken. Toch brengt eenig nadenken spoedig tot het inzicht, dat de zaak hier zóó geheel anders ligt, dat van analogische toepassing dier bepaling geen sprake zijn kan. Het vreemde oorlogsschip, dat wegens averij een onzer havens binnenloopt, schendt op geen enkel oogenblik onze neutraliteit. Het vreemde luchtschip of vliegtuig daarentegen kan alleen dan wegens averij gedwongen worden hier te dalen, als het in strijd met de Nederlandsche souvereiniteit en neutraliteit, welke het had te eerbiedigen, reeds boven ons territoir voer of vloog. Het enkele feit dat het hier wegens averij landen moet, bewijst dus reeds dat het de Nederlandsche souvereiniteit had geschonden, vóór het averij kreeg en tot neerstrijken werd gedwongen. Mocht het weer voorkomen, dat Duitsche luchtschepen, gaande naar Engeland of daarvan terugkomende, over ons land varen, en mocht bij zulk een gelegenheid een dezer schepen wegens averij binnen onze grenzen moeten dalen, dan zou het buiten twijfel zijn, dat het tot na den oorlog zou moeten worden opgeborgen en dat de inzittenden behoorden te worden geïnterneerd. Met luchtschepen heeft zich deze kwestie nog niet practisch voorgedaan; daarentegen wèl met een Duitsch watervliegtuig dat, tengevolge van averij ten Noorden van Schiermonnikoog in zee was neergedaald en naar de kust van dit eiland was gedreven en daar geland. De bemanning daarvan werd geïnterneerd, ondanks protest van de Duitsche regeering.
Naast de hier genoemde theoretische gronden voor de gedragslijn, welke de Regeering zich in deze kwestie heeft gesteld, is er nog een bij uitnemendheid practische militaire overweging, welke in dezelfde richting wijst en die tevens het principieele standpunt steunt, dat Nederland bij het Koninklijk besluit van 3 Augustus 1914 ten aanzien van de luchtvaart van oorlogvoerenden heeft ingenomen. Het enkele feit van het varen of vliegen boven het Nederlandsche gebied stelt den luchtvaarder of den vliegenier in staat, waarnemingen te doen omtrent- en opnemingen te doen van Nederlandsche verdedigingswerken en kan dus onze veiligheid in gevaar brengen.
Deze laatste overweging schraagt ook het standpunt, dat Nederland tegenover Duitschland heeft ingenomen ten aanzien van luchtschepen, waarvan terecht of ten onrechte wordt beweerd, dat zij bij vergissing, tengevolge van de weersgesteldheid, boven ons land zijn terecht gekomen. Zoodra de bestuurder van een oorlogvoerend luchtschip zulk een vergissing bemerkt, is hij verplicht langs den kortsten weg zich buiten het Nederlandsche rechtsgebied te begeven. Hij mag zich dan niet bevoegd achten langs den kortsten weg naar zijn eigen land terug te keeren, wanneer die niet tevens de kortste is om buiten ons gebied te komen. Terecht heeft onze Regeering dit standpunt tegenover Duitschland met beslistheid volgehouden. Elke afwijking daarvan zou de deur wagenwijd openzetten voor niet te controleeren en niet te achterhalen schendingen van ons rechtsgebied door oorlogvoerende luchtvaarders.
In verband met de luchtvaart heeft de Regeering nog voor een moeilijkheid gestaan, die wel niet rechtstreeks met het belang van Nederland had te maken, maar waarbij zij zich de vraag had voor te leggen, of de voorschriften der onzijdigheid wel met de eischen der menschelijkheid waren overeen te brengen. De neutraliteit brengt mede, dat het verspreiden van berichten over de waarneming, van Nederlandsch grondgebied uit, omtrent bewegingen van oorlogvoerende strijdkrachten, zooveel mogelijk worde tegengegaan. Om aan dezen eisch der onzijdigheid te voldoen worden berichten van nieuwsagenten omtrent bewegingen van belligerente oorlogsschepen gedurende 6 uren opgehouden. Deze maatregel wordt ook toegepast ten aanzien van waargenomen bewegingen van vreemde vliegeniers en vreemde luchtschepen. Voor zoover betreft Duitsche luchtschepen, die naar Engeland koersten, gaf dit in sommige kringen aanleiding tot ontstemming, voortspruitende uit de omstandigheid, dat de Duitsche luchtraids, voor zoover zij menschenlevens kosten, in hoofdzaak weerlooze burgers treffen en dus tot de meest inhumane oorlogsverrichtingen behooren van den thans woedenden krijg, waarin de vindingrijkheid op het gebied der verdelging van elkanders leven en gezondheid over het algemeen toch reeds een met alle menschelijkheid spottende hoogte heeft bereikt. Toch kon en mocht men, zonder schending van de neutraliteit ten aanzien van de Duitsche luchtschepen, van den gestelden regel niet afwijken. Het zou trouwens niet aangaan, dat neutrale staten hunne onzijdigheidsmaatregelen deden afhangen van de mate van weerzin, welke door bepaalde oorlogshandelingen der belligerenten bij hen werd gewekt. Elk objectief kenmerk van beoordeeling zou dan ontbreken en men zou door gevoelsoverwegingen al heel spoedig in zeer gevaarlijk vaarwater worden gevoerd. Natuurlijk stond de zaak geheel anders, wanneer het een luchtschip betrof, dat de onzijdigheid van het Nederlandsche territoir niet had geëerbiedigd en zijn weg ten deele over ons gebied had genomen. In dat geval bleef bekendmaking daarvan aan den tegenstander, langs telegrafischen weg, zonder de minste vertraging vrij. De neutraliteit werd dan niet geschonden door de berichtgeving, maar was geschonden door den luchtschipper omtrent wien bericht gegeven werd.
§ 4. Gevaarlijke bakerpraatjes.
Tot slot van dit hoofdstuk vermeld ik nog een tweetal bakerpraatjes, waarvan vooral het eerste aan het land veel kwaad heeft gedaan en aan de Regeering veel last en onaangenaamheid bezorgd heeft.
Toen het Duitsche leger, om snel in Noord-Frankrijk te komen, de neutraliteit van België schond en zich een weg baande door het land van onze Zuidelijke naburen, dook al heel spoedig het gerucht op, dat Nederland zou hebben toegelaten, dat bij dien opmarsch Duitsche troepen ook over Nederlandsch grondgebied trokken. Vooral in Frankrijk werd dit verhaal als waarheid aanvaard en werd het ondanks officieele tegenspraak met hardnekkigheid staande gehouden. In de „Illustration” verscheen zelfs een kaartje, aanduidende hoe het Duitsche leger door België was getrokken; de richtingen werden daarop door pijltjes aangegeven; een dier pijltjes wees den weg van Duitschland naar België over het zuidelijk deel van Nederlandsch Limburg. Hoewel hier bij de Regeering genoegzaam bekend was, dat het heele verhaal uit de lucht was gegrepen en dat de Duitsche legeraanvoerders niet slechts bevel hadden ontvangen de Nederlandsche grens zorgvuldig te ontzien, maar dat bevel ook met de grootste nauwgezetheid hadden opgevolgd, wierp het praatje een zóó valsch en te gelijk zóó gevaarlijk licht op ons land en zijne Regeering, dat het noodig was de onjuistheid daarvan zóó voldongen vast te stellen, dat het niet alleen hier te lande maar ook bij de geallieerden zou worden erkend voor wat het was: een kwaadaardig kletspraatje. Er had daartoe een speciaal onderzoek door de militaire overheid plaats, waaromtrent uitvoerige mededeelingen zijn opgenomen in het Oranjeboek, dat in October 1915 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken werd uitgegeven. Zooals van te voren vaststond bij ieder, die op de hoogte was van de werkelijke toedracht, bewees dat onderzoek op een wijze, die zelfs voor den meest kwaaddenkende overtuigend zijn moest, dat de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt was geschonden.
Ter rechtvaardiging van het ontstaan en van de verspreiding van het praatje, als zou Nederland handlangersdiensten aan het Duitsche leger hebben bewezen, valt dan ook niets hoegenaamd aan te voeren; het kan integendeel niet genoeg worden betreurd en gelaakt, dat zulk een sprookje zonder eenigen grond ontstaan en verspreid worden kon en dat zij die zich daaraan schuldig maakten, niet beseften, welke ernstige gevolgen het wekken van een valschen schijn bij een der oorlogvoerende partijen omtrent Nederlands houding ten aanzien van den vijand, voor ons land had kunnen hebben en welk een verantwoordelijkheid zij door hun grondelooze en grenzelooze kwaaddenkendheid en lichtgeloovigheid tegenover Nederland op zich namen. Voor zoover er onder onze eigen landgenooten zijn, die aan de verspreiding van het gerucht mede schuld hebben, is hun bedrijf in zoo hooge mate ergerlijk, dat er geen woorden voor zijn te vinden om het naar waarde te brandmerken.
Voor buitenlanders kon althans nog ter verontschuldiging dienen, dat de Duitsche heerbaan op enkele punten, zooals bij Vaals en bij Kerkrade, zóó rakelings langs de Nederlandsche grens loopt, dat men van Nederlandsch grondgebied uit aan militairen, die op dien weg voorbijtrekken de hand kan reiken; dat het nieuwe grijze uniform onzer infanteristen zooveel gelijkenis vertoont met het Duitsche uniform voor dit wapen, dat vergissing omtrent de nationaliteit van een voorbijtrekkenden troep voor een buitenlander mogelijk is en, last not least, dat men in de oorlogvoerende landen, vooral in het begin van den oorlog, begrijpelijkerwijze, te gelijk zóó zenuwachtig en zóó wantrouwend was, dat elk praatje omtrent heulen met den tegenstander, zoodra het omtrent een neutralen staat eenmaal was gelanceerd, er een bij uitstek gunstigen voedings- en verspreidingsbodem vond. Voor Nederlanders die de verspreiding van het even valsche als gevaarlijke en kwaadaardige gerucht mede op hun geweten hebben, is niet de minste verontschuldiging aan te voeren.
Zelfs nadat zonneklaar en onomstootelijk was vastgesteld, dat van schending van de Nederlandsche grens door het Duitsche leger op geen enkel punt en op geen enkel oogenblik sprake is geweest, heeft het praatje niet opgehouden aan Nederland schade te doen. De buitenlandsche regeeringen hebben het ten slotte wel op de juiste waarde, dat wil hier zeggen: onwaarde, geschat en verdere verspreiding ervan, naar vermogen, tegengegaan. Maar daarmede was het kwaad niet gestuit. Zulke praatjes blijven nawerken onder allerlei kringen van de bevolking, en daarbij geldt helaas niet dat de waarheid de leugen wel achterhaalt. Wanneer Nederland en zijne Regeering bij het Fransche volk sympathie hebben verspeeld en zelfs bij maar al te velen onzer Gallische broeders in een kwaad blaadje zijn gekomen, heeft het valsche gerucht omtrent het oogluikend toelaten van schending onzer grenzen door Duitsche troepen daartoe meer dan iets anders bijgedragen. De franschgezinden onder de Nederlanders die aan de verspreiding daarvan mede schuld hebben, hebben eer van hun werk; zij hebben meer bijgedragen tot het kweeken van verwijdering tusschen Franschen en Nederlanders dan alle pro-duitsche propagandisten bij elkaar.
Van hetzelfde allooi, maar gelukkig van veel minder practische beteekenis, was het later uitgebroed sprookje, dat er een geheim verdrag tusschen Nederland en Duitschland in verband met den oorlog zou zijn gesloten. Dit verhaal is op zich zelf niet minder kwaadaardig en niet minder gevaarlijk; men kan voor niemand eenige verontschuldiging vinden, die aan het ontstaan of de verspreiding ervan heeft meegedaan. Hoewel het zijn ronde begon op een oogenblik toen de gemoederen reeds wat waren gekalmeerd en niet meer zoo ontvankelijk waren voor elk sensatiebericht, hoe onwaar en hoe onwaarschijnlijk het ook zijn mocht, heeft het toch nog zooveel stof opgeworpen, dat het de eer kreeg in de vergaderingen van de beide Kamers der Staten-Generaal te worden besproken. Het kón daar met de meeste beslistheid van regeeringswege worden tegengesproken en het werd met de meeste beslistheid tegengesproken; het eerst in een interruptie van den heer Cort van der Linden, zoodra er in de Kamer van werd gerept.
Zooals ik reeds opmerkte, is het in zijn gevolgen minder ernstig geweest dan dat van de beweerde toelating van schending onzer grenzen door Duitsche troepen; maar dat zij, die aan het ontstaan en de verspreiding van de verdrag-legende schuldig zijn, daarmede minder kwaad brouwden dan met het andere sprookje werd gesticht, kan men niet eens te hunner verontschuldiging aanvoeren. Het is te danken aan omstandigheden onafhankelijk van hun wil. Ware het ontstaan op een oogenblik van even groote algemeene opgewondenheid, als in Augustus 1914 heerschte, of ware het door de Fransche pers even gretig opgenomen en verspreid als zijn leugenbroeder uit die dagen, dan zou het in zijn uitwerking aan dezen niets hebben toegegeven. De duim waaruit het is gezogen, verdiende ten overstaan van Neerlands volk te worden verbrijzeld.