← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK III. VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD. (continued 2)

Reading edition

„Wollen-, tricot-, linnen- en katoenen ondergoed, benevens kousen en later ook handschoenen werden, nadat in de eerste dringende behoefte met spoed was voorzien, besteld bij een groot aantal over het geheele land verspreide fabrieken. Gestreefd werd daarvan een zoo groot mogelijk aantal arbeiders en arbeidsters te doen profiteeren, o.a. door geen overwerk toe te staan, tenzij het legerbelang zulks dringend eischte. Aan het breien van kousen en handschoenen verdienen ook vele thuiswerkende vrouwen door tusschenkomst van comités en van den Bond voor Werkverschaffing een matig loon.

„Ook de schoenen voor het leger zijn, nadat in de eerste behoefte door aankoop uit voorraden terstond was voorzien, besteld bij verschillende fabrikanten in alle deelen van het land.

„Gedurende de crisis is er bovendien door de Regeering naar gestreefd om zooveel mogelijk de bouwwerken, die in uitvoering of voorbereiding waren, door te zetten of te doen beginnen.

„Het Departement van Waterstaat verleende daartoe zijn krachtige medewerking door de indiening der wet, bij welke voor het uitvoeren van tal van werken een som van ƒ 8.500.000 werd gevoteerd, waarvan ƒ 7.000.000 als voorschot van de spoorwegmaatschappijen.

„Het Departement van Binnenlandsche Zaken ging voort met het verleenen van bouwkredieten aan Vereenigingen in het belang der Volkshuisvesting. Op de begrooting van het fonds van tot het Departement van Binnenlandsche Zaken behoorende bouwwerken werd, mede in het belang der werkverschaffing, ƒ 3.023.475 aangevraagd, waarin begrepen een bedrag van ƒ 365.855 uitsluitend voor nieuwe werken.

„Verschillende gemeentebesturen volgden het door de Regeering gegeven voorbeeld en aarzelden niet, om niettegenstaande de interest der te sluiten leeningen thans hoog is, nieuwe werken te doen uitvoeren.”

Ter aanvulling van het hier uit de Eerste Economische Nota overgenomene zij nog medegedeeld, dat na de verschijning daarvan door de verschillende Departementen van Algemeen Bestuur niet alleen in dezelfde richting werd doorgegaan, maar daartoe ook de noodige wijzigingen in wetten of algemeene maatregelen van bestuur werden voorgesteld of bevorderd. Als resultaat van een gehouden overleg tusschen mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken en mij werd het bij Koninklijk besluit van 6 Maart 1915 mogelijk gemaakt, krachtens de Woningwet in den oorlogstijd voorschotten te blijven verleenen tegen een rente van 37⁄8%. Waar het Rijk zelf als gevolg van de crisis 5% rente over zijn leeningsgeld betalen moest, ontging het ons natuurlijk niet, dat bij die renteberekening in het voorschot ook een bedekte subsidie werd verstrekt. Daar het echter zoowel ter bestrijding van werkloosheid als ter voorkoming van stilstand in den bouw van volkswoningen noodig was, mocht men zich niet te angstvallig vastklampen aan de oorspronkelijke bedoeling der Woningwet, dat voorschot en bijdrage voor den bouw van volkswoningen gescheiden zouden blijven. In denzelfden geest was de wijziging dier wet, welke 16 April 1915 haar beslag kreeg, waardoor voorschotten voor woningbouw ook met een aflossingstermijn van 75 jaar zouden kunnen gegeven worden.

Krachtens de Woningwet werden verschillende voorschotten voor den bouw van volkswoningen verleend. Het meest belangrijke daaronder was wel dat ter verwezenlijking van het groote woningbouwplan van de gemeente Amsterdam, dat door den heer Tellegen reeds was voorbereid, toen hij het directeurschap van het bouw- en woningtoezicht aldaar nog niet met den burgemeesterszetel had verwisseld. Ter verzekering dat dit goedkoope voorschot mede aan het doel der bestrijding van werkloosheid in de bouwvakken zou ten goede komen, werd daaraan als voorwaarde verbonden, dat met den bouw ook van het laatste blok der geprojecteerde woningen binnen twee jaar na de verleening van het voorschot moest zijn begonnen.

Ook aan het particuliere bouwbedrijf is wel gedacht; door den Directeur-Generaal van den Arbeid werd een plan van hulpverleening aan eigenbouwers gedurende de oorlogscrisis uitgewerkt. Over dit plan, dat de medewerking van drie Ministerieele Departementen behoefde, had een voorloopige bespreking tusschen den Minister van Landbouw, den Directeur-Generaal van den Arbeid en mij plaats. Het kon echter niet de instemming van alle daarbij betrokken autoriteiten krijgen en was ook minder noodig, toen met de algemeene opleving der bedrijven ook de werkloosheid in het bouwbedrijf afnam. Toch betwijfel ik, of men het over enkele jaren, in verband met den woningnood, die zich nu reeds in verschillende plaatsen begint te openbaren en waarvan verergering te verwachten is, niet zal betreuren, dat in de oorlogscrisis niet ook maatregelen werden getroffen, om het doorwerken van de particuliere bouwnijverheid te bevorderen.

Tot de categorie van maatregelen, waarover ik hier spreek, behoort ook hetgeen in verband met de werkloosheid in het havenbedrijf gepoogd werd bij de lossing van het regeeringsgraan, dat van overzee werd aangevoerd. De Eerste Economische Nota zegt hieromtrent: „voor zooveel mogelijk wordt er voor gezorgd, dat bij de lossing van het Regeeringsgraan—in verband met de groote werkloosheid in het havenbedrijf—van handenarbeid wordt gebruik gemaakt. Maatregelen zijn voorts getroffen, dat voor het binnenlandsch vervoer te water de binnenschippers zooveel mogelijk bij beurte bedacht worden.” Wat het eerste gedeelte van deze tweeledige mededeeling betreft, is het grootendeels bij het goede voornemen moeten blijven. Bij het spoedig intredende gebrek aan scheepsruimte, waardoor het noodzakelijk werd bij de lossing den grootst mogelijken spoed in acht te nemen, werd het voorbijgaan der machinale lossing, afgezien nog van het financieele nadeel van niet strikt noodzakelijke ligdagen, spoedig grootendeels onmogelijk.

Door den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing, die in April 1914 was opgericht en evenals de Werkloosheidsraad als een der kinderen van de Staatscommissie over de Werkloosheid is te beschouwen, werd spoedig na het uitbreken van den oorlog de aandacht der besturen van provinciën, waterschappen en gemeenten gewezen op de mogelijkheid, aan den strijd tegen de plotseling opgetreden werkloosheid door oordeelkundige werkverschaffing mede te doen. De bond zelf nam geen werkverschaffing ter hand. Dit is zijn doel niet. Hij bepaalde zich tot het geven van advies en heeft zeker nuttig werk verricht, niet slechts door hetgeen hij op het gebied der werkverschaffing heeft aangemoedigd en bevorderd, doch niet minder door zijn waarschuwingen tegen fouten, die vroeger bij het verschaffen van werk maar al te dikwijls werden begaan. De adviezen van den bond bevatten enkele hoofdpunten van groote beteekenis. Nadruk werd daarin gelegd op:

1º. het streng afgescheiden houden van valide werkwilligen eenerzijds en invaliden en arbeidsschuwen aan den anderen kant; de aandacht werd er op gevestigd, dat een werkverschaffing, waarbij de eerste categorie, de eigenlijke werkloozen, aan werk wordt geholpen tegelijk met lieden uit de eerste en meer nog uit de tweede categorie, voor de valide werkwillige arbeiders vernederend is en hun groote moreele schade doen kan;

2º. de ervaring dat van werkverschaffing aan valide arbeiders alleen dan iets goeds kan worden verwacht, wanneer zij zoodanig wordt uitgevoerd, dat allen die er aan medewerken, het gevoel hebben dat zij nuttigen arbeid verrichten;

3º. het te vermijden gevaar, dat de werkverschaffing den loonstandaard drukken zou; om dit te voorkomen werd aanbevolen geen lager loon uit te keeren dan het plaatselijk standaardloon, maar liever het aantal werkuren laag te houden, om den prikkel tot het verkrijgen van arbeid los van de Werkverschaffing niet te doen verslappen;

4º. het zooveel mogelijk eveneens te ontloopen gevaar, dat de werkverschaffing in werkverschuiving ontaarde, m. a. w. dat zij aan bedrijven, die nog aan den gang zijn, een deel van hun afzetgebied ontneemt; in verband hiermede werd er ten aanzien van werkverschaffing aan vakarbeiders bijv. op gewezen, dat de werkloozen zelf niet alleen behoefte hebben aan voedsel, maar ook aan allerlei gebruiksvoorwerpen, als schoenen, kleeren, huisraad enz. en aan bij die voorwerpen noodzakelijke reparaties.

„Bij een doelmatige organisatie der werkverschaffing nu, zal men het maken en repareeren van deze gebruiksvoorwerpen voor de werkloozen kunnen laten verrichten door dezelfde werkloozen. De voordeelen van dit systeem zijn drieledig. Ten eerste verrichten de werkloozen nuttigen en hun bekenden vakarbeid; ten tweede wordt in eene noodzakelijke behoefte der werkloozen voorzien en ten derde wordt, door het wegschenken der vervaardigde of gerepareerde voorwerpen aan op dat oogenblik weinig koopkrachtige personen, concurrentie met het gewone bedrijf voorkomen.”

Werkverschaffing blijft echter altijd een uiterst moeilijk in practijk te brengen middel tot bestrijding van werkloosheid, zoodra het verder gaat dan het concentreeren op den crisistijd van werk, dat toch noodig is en toch zou zijn geschied, maar anders tot later zou zijn uitgesteld. Tot aanmoediging van deze bij uitstek gezonde wijze van werkverschaffing ten bate van grond- en bouwarbeiders werd bij een wet van 27 Maart 1915 voor den oorlogstijd afgeweken van de noodzakelijkheid bij elke onteigening ten algemeenen nutte de gewone wettelijke formaliteiten te vervullen. Ter wille van bespoediging van de uitvoering van werken waarvoor gemeentebesturen onteigening behoeven en die tevens ten doel hebben werkloosheid tegen te gaan, werden bij die crisiswet de wettelijke onteigeningsformaliteiten aanmerkelijk vereenvoudigd en verkort. Aanleiding daartoe was een verzoek van het gemeentebestuur van Rotterdam, dat—zooals de Memorie van Toelichting vermeldt—”onder herinnering aan den aanleg van de Nieuwe Plantage daar ter stede in de jaren 1844-1848—een aanleg, welke nog steeds voor de burgerij een duurzaam genot oplevert en destijds tevens als middel van werkverschaffing werd gebezigd—er op aandrong, nu tijdelijk en voor bepaalde werken, de omslachtige wijze van behandeling van aanvragen tot onteigening ter zijde te stellen.”

De wet beperkt zich tot gemeentebesturen, eenerzijds omdat die voor een werkverschaffing als hier wordt bedoeld, het eerst in aanmerking komen en voorts omdat anders een eenvoudige tijdelijke regeling der zaak niet wel mogelijk zou zijn geweest. De wijze van werkverschaffing welke langs dezen weg bevorderd werd, behoort tot de meest aanbevelenswaardige voorzieningen in schaarschte van arbeidsgelegenheid voor arbeiders, die gewoon zijn in dergelijk werk hun brood te verdienen. Hoe meer de werkverschaffing een kunstmatig karakter krijgt, hoe grooter de kansen van mislukking en teleurstelling. Dit heeft o.a. de gemeente Amsterdam opnieuw ervaren bij zijn tijdelijk optreden op het gebied van de kleermakerij en den lompenhandel.

In de Memorie van Toelichting bij de zooeven besproken wet, wordt den gemeentebesturen gewezen op „parkaanleg, ontginning van heidegronden, uitbreiding van het wegennet, aanleg van kinderspeelplaatsen”, als voorbeelden van werken, die voor vervroegde uitvoering in aanmerking kunnen komen. In verschillende plattelandsgemeenten werd met goed resultaat in dien geest opgetreden. In een der publicaties van den Nederlandschen Bond voor Werkverschaffing werd een overzicht gegeven van hetgeen in 1914 en 1915 op zijn gebied in het geheele land plaats had. Daaruit blijkt wel, dat er over het algemeen geen reden was tot juichen en dat de goede wenken van den Bond vaak in den wind werden geslagen. Toch heeft de werkverschaffing,—waarin zij die het werkloosheidsvraagstuk hebben bestudeerd, zoodra zij verder gaat dan de zooeven bedoelde concentratie van toch noodig werk op den crisistijd, in het algemeen slechts een zeer bescheiden en bijkomstig wapen in den strijd tegen de werkloosheid zien,—in de mate waarin zij daartoe in staat is, er toe bijgedragen dat de arbeidersbevolking zonder te veel ellende door de eerste en voor haar gevaarlijkste maanden van de oorlogscrisis is heengekomen.

Onder de werkverschaffingen die voldeden aan de eischen, welke daaraan mogen worden gesteld, is er eene welke verdient met name te worden vermeld, niet alleen wegens de persoonlijke bemoeiïng, die de Koningin daarmede heeft gehad. In het najaar van 1914 stelde de Minister van Oorlog het bestuur van den Bond voor Werkverschaffing in de gelegenheid de plaatselijke steuncomités aan te schrijven over de mogelijkheid van werkverschaffing door het laten breien van wollen handschoenen en handmoffen voor de soldaten. Verschillende steuncomités gingen hierop in en door hun tusschenkomst werden een aantal breisters aan het werk gezet. In December 1914 begon dit echter te verslappen ten gevolge van de stijging van de wolprijzen, waardoor de meeste comités werden afgeschrikt de benoodigde wol in te slaan. Nadat de Koningin zich er van op de hoogte had doen stellen, aan welke gebreide wollen goederen het legerbestuur nog inzonderheid behoefte had, kocht Hare Majesteit een hoeveelheid wol in, voldoende voor het vervaardigen van 10.000 paar handschoenen, 10.000 paar polsmoffen en 10.000 paar sokken. De wol werd ter verdeeling afgestaan aan den Bond voor Werkverschaffing, die daarbij, gevolg gevende aan de bedoelingen der Koningin, in overleg trad met de steuncomités, welke bereid waren uit die wol door werklooze en behoeftige vrouwen en meisjes tegen eene behoorlijke vergoeding handschoenen, polsmoffen en sokken te laten vervaardigen en die goederen kosteloos te doen toekomen aan de Centrale Magazijnen van het legerbestuur. Zelfs deze werkverschaffing, die toch op zich zelf volkomen gezond was gedacht en met de noodige kennis van zaken werd uitgevoerd, had niet het resultaat dat ervan werd verwacht. Tot herhaling heeft deze proefneming, waarbij het moeilijk bleek de ter beschikking gestelde wol aan de vrouw te brengen, niet uitgelokt.

Alles bijeengenomen, heeft de oorlogscrisis nog eens bevestigd, dat men van werkverschaffing, mits zij met de noodige omzichtigheid en met de noodige kennis van zaken wordt toegepast, wel iets verwachten kan, maar dat men zijn verwachtingen van de resultaten van dit verweermiddel niet te hoog moet spannen.

Veel meer dan de werkverschaffing heeft de arbeidsbemiddeling kunnen bijdragen om de werkloosheid zooveel mogelijk te beperken. Vóór den oorlog was zij hier te lande uitsluitend plaatselijk georganiseerd en hadden slechts een klein getal grootere gemeenten onpartijdige arbeidsbeurzen. De onderlinge band tusschen deze gemeentelijke instellingen was uiterst los; hij werd alleen gevormd door het lidmaatschap van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, waartoe die instellingen vrijwillig waren toegetreden. Deze vereeniging had natuurlijk niet de minste zeggingskracht; toch heeft zij ertoe bijgedragen, dat in de inrichting der verschillende gemeentelijke arbeidsbeurzen op de hoofdpunten allengs meer eenheid kwam. Ook strooide zij het eerste zaad van intercommunale arbeidsbemiddeling uit, door de arbeidsbeurs te ’s Gravenhage er toe te bewegen, als centrale beurs voor de verschillende bij de vereeniging aangesloten beurzen te fungeeren. Veel heeft de intercommunale arbeidsbemiddeling in dien vorm vóór den oorlog niet opgeleverd en kon zij ook niet opleveren; daartoe was de organisatie te weinig uitgebouwd en de geheele instelling bij de belanghebbende werkgevers en arbeiders te weinig bekend.

Met het uitbreken van de oorlogscrisis werd de behoefte aan intercommunale arbeidsbemiddeling plotseling zeer levendig. De groote schok dien zij te weeg bracht, de ernstige ontwrichting van het economisch leven, welke zij met zich voerde, hadden ten gevolge dat rekening gehouden moest worden met verschuivingen, waardoor in bepaalde takken van bedrijf overvloed van arbeidskrachten in de eene plaats gepaard zou gaan met een tekort in een andere gemeente of een andere streek. De Staatscommissie had ook het vraagstuk der intercommunale arbeidsbemiddeling in haar verslag onder de oogen gezien en een plan van organisatie daarvan aangegeven. Dat plan in het leven te roepen was in enkele dagen niet mogelijk, maar er werd aanstonds gedaan wat gedaan kon worden. Met den voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen, Prof. de Vooys, werd door mij overleg gepleegd, met het resultaat dat toen deze even voortvarende als ter zake kundige man zich bereid had verklaard, de leiding op zich te nemen, reeds den 3den Augustus 1914 een Centrale Arbeidsbeurs van Regeeringswege werd opgericht, welke de taak overnam, die tot dusver door de Haagsche arbeidsbeurs was vervuld.

De nieuwe Centrale Arbeidsbeurs stelde zich aanstonds met de verschillende plaatselijke beurzen in verbinding; zij kon de taak der intercommunale arbeidsbemiddeling ook hierdoor terstond met grooter intensiteit aanvatten, omdat in verschillende gemeenten, die tot dusver geen blijk hadden gegeven van het nut der onpartijdige arbeidsbemiddeling te zijn doordrongen, onder den drang der omstandigheden tijdelijke arbeidsbeurzen werden opgericht, met welke de centrale beurs aanstonds in verbinding trad.

Op den heer de Vooys werd spoedig, in zijn kwaliteit van voorzitter van de Uitvoerende Commissie van het Kon. Nat. Steuncomité en van nijverheidscommissies die uit het Steuncomité voortsproten, zooveel beslag gelegd, dat hij de functie van directeur van de Centrale Arbeidsbeurs niet langer kon blijven waarnemen. Gelukkig was het mogelijk hem te vervangen door iemand, die eveneens aan het werk der Staatscommissie over de Werkloosheid een belangrijk aandeel had gehad en van hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling werd verlangd, geheel op de hoogte was. De heer Ant. Folmer, oud-ambtenaar bij den dienst der arbeidsinspectie en gewezen adjunct-secretaris van de Staatscommissie over de Werkloosheid, die bij de inwerkingtreding der nieuwe Armenwet secretaris was geworden van den armenraad in Den Haag, werd door mij aangezocht, als leider op te treden van de afdeeling welke aan het Departement van Landbouw tijdelijk moest worden ingericht voor hetgeen op het gebied der bestrijding van de werkloosheid en van haar gevolgen gedurende den oorlogstoestand van Regeeringswege had te geschieden. Toen de heer Folmer die taak aanvaard had, werd het directeurschap van de Centrale Rijksarbeidsbeurs aan hem toevertrouwd. Daarmede verloor echter deze instelling haar tijdelijk karakter nog niet. Het werd nu echter mogelijk aan deze door den drang der omstandigheden voorloopig opgerichte Rijksinstelling niet alleen, behoudens de onmisbare medewerking van de Staten-Generaal, een blijvend karakter te verzekeren, maar ook haar plaats te bepalen in een aaneensluitende organisatie van plaatselijke, interlocale en nationale arbeidsbemiddeling. Daartoe werd door mij (de werkloosheidszorg was mij bij mijn overgang naar het Departement van Financiën gevolgd) de hulp ingeroepen van de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen. Ook in verband met de mobilisatie was het dringend noodig met de organisatie der arbeidsbemiddeling spoed te maken, opdat men bij de demobilisatie zou gereed zijn.

Op dit punt moest ook samenwerking worden gezocht met de Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens. Ook deze vereeniging stelt zich namelijk tot taak miliciens weer aan werk te helpen, nadat zij met verlof zijn gegaan of uit den dienst zijn ontslagen. Zij beperkt haar werkzaamheid echter tot die soldaten, op wier gedrag in dienst niets valt aan te merken. Indien nu niet onderling voeling werd gehouden tusschen deze vereeniging en de georganiseerde arbeidsbemiddeling, zouden verwikkelingen, welke aan de zaak schade zouden hebben berokkend, niet te vermijden zijn geweest. De besprekingen tusschen de besturen der Nationale Vereeniging tot Steun van Miliciens en der Vereeniging van Nationale Arbeidsbeurzen, in tegenwoordigheid van den Directeur-Generaal van den Arbeid en den Directeur van de Centrale Arbeidsbeurs gehouden, wilden in het eerst niet recht vlotten. Men begreep elkaar niet goed, hetgeen ook hieruit te verklaren is, dat de Vereeniging tot Steun van Miliciens, van wie niet te verlangen en te verwachten was, dat zij een diepgaande studie van het vraagstuk der arbeidsbemiddeling had gemaakt, niet ten volle doordrongen was van de moeilijkheden der taak, welke zij op dit gebied op zich wilde nemen. In een bijeenkomst, waarin ook de voorzitter van de in het volgende hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie in zake het middenstandscrediet tegenwoordig was en welke op verzoek der heeren door mij werd geleid, werd na eenige gedachtenwisseling overeenstemming verkregen en de grondslag voor samenwerking gelegd.

Het is duidelijk dat bij de demobilisatie arbeidsbemiddeling dubbel noodig zijn zal. Er komen dan plotseling een aantal arbeidskrachten beschikbaar, wier plaatsen gedurende den tijd, dat zij onder dienst waren, door anderen werden ingenomen, of die bij herplaatsing in hun vorigen werkkring andere, tijdelijk aangenomen, krachten zullen verdringen. Hoe het dan met de vraag naar arbeidskrachten zijn zal, is bovendien hoogst onzeker. Te verwachten is, dat als de vrede in het vooruitzicht zijn zal, er spoedig een groote vraag zal ontstaan naar artikelen, welker voortbrenging gedurende den oorlog moest worden verwaarloosd en dat daartegenover bedrijven die oorlogsbenoodigdheden produceeren of waren, welke met de oorlogsbehoefte verband houden, tot stilstand zullen komen of hunne productie zullen moeten inkrimpen. Als gevolg van een en ander is niet te voorzien hoe het er, als er eindelijk vrede zijn zal, met vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zal uitzien. Alleen dit is wel zeker, dat de verhouding van vraag en aanbod in verschillende bedrijfstakken heel anders zijn zal dan vóór of gedurende den oorlog het geval was en dat, ten gevolge daarvan, zoowel verschuivingen van arbeidskrachten tusschen aanverwante bedrijven als verplaatsingen tusschen verschillende deelen van het land noodig zullen zijn. Men behoeft dus nog niet eens te denken aan de algemeene crisis, die als gevolg van de economische uitputting van Europa ten gevolge van den oorlog na het sluiten van den vrede wel niet lang op zich zal laten wachten, om te beseffen, hoe groot de behoefte in een nabije toekomst aan een goed georganiseerde, over heel het land vertakte arbeidsbemiddeling zijn zal.

Deze overwegingen hebben mij er toe geleid om de totstandkoming van die organisatie zooveel mogelijk te bevorderen. Toen de Vereeniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen mij een plan daartoe aanbood, dat zich in hoofdzaak aansloot bij de voorstellen der Staatscommissie over de Werkloosheid omtrent dit onderwerp, heb ik met volle overtuiging omtrent de hooge noodzakelijkheid en de groote sociale beteekenis van dezen maatregel, aan de Staten-Generaal gelden aangevraagd voor de verwezenlijking daarvan. De Tweede Kamer heeft erkend, dat het hier een zaak gold van algemeen nationaal belang en de daartoe noodige gelden reeds gevoteerd. Op het oogenblik dat ik dit schrijf, moet de Eerste Kamer haar oordeel nog uitspreken, maar het is weinig twijfelachtig dat zij haar medewerking niet zal onthouden. Zoodra deze zal vaststaan, zal de Rijks Centrale Arbeidsbeurs haar tijdelijk karakter definitief hebben verloren. Feitelijk is zij reeds sedert het begin van het jaar niet alleen een blijvende Rijksinstelling geworden, maar het knooppunt van een over het geheele land verspreid netwerk van plaatselijke, intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling. Ik moet aan de verleiding weerstand bieden op de inrichting daarvan hier in te gaan. Dit zou mij te ver voeren. Genoeg dat, terwijl bij het uitbreken van den oorlog de arbeidsbemiddeling zoo goed als uitsluitend plaatselijk georganiseerd was en zich bepaalde tot ruim 30 arbeidsbeurzen in de grootere steden, thans het aantal stedelijke arbeidsbeurzen meer dan verdubbeld is, en bovendien in zoo goed als alle gemeenten, waar geen beurs bestaat, correspondenten van de Centrale Arbeidsbeurs zijn, zoodat de georganiseerde arbeidsbemiddeling nu bijna 1000 gemeenten bestrijkt en dat een 24 tal der plaatselijke arbeidsbeurzen tevens op Rijkskosten dienst doen als districtsbeurzen voor de arbeidsbemiddeling ten platten lande en voor de intercommunale en nationale arbeidsbemiddeling, welke in de Rijks Centrale Arbeidsbeurs te ’s Gravenhage haar hoofdleiding en haar vereenigingspunt vindt. Op den duur zal de noodzakelijkheid eener wettelijke regeling van dit onder den drang der omstandigheden tot stand gekomen geheel, zich zoo goed als zeker doen gevoelen, maar als de wetgever daartoe overgaat, zal hij niet iets nieuws hebben te scheppen, maar zich er toe kunnen bepalen, aan het reeds bestaande en uit het vrije initiatief met aanmoediging van het Rijk gewordene, wettelijke sanctie te verleenen, met wegneming hier van een uitwas en met oplegging elders van een wettelijken dwang, waar moreele en sociale drang niet voldoende bleken.

Reeds vóór de arbeidsbemiddeling als over het geheele land verspreide instelling haar beslag kreeg, verleende de Centrale Arbeidsbeurs goede diensten aan de landweerplichtigen, die telkens, bij het opkomen van een lichting oorspronkelijk van dienst vrijgestelde landstormplichtigen, met klein verlof naar huis gezonden werden. Daardoor is de centrale arbeidsbemiddeling reeds in staat geweest, haar recht van bestaan en het nut dat zij kan afwerpen, practisch te bewijzen. Het vertrouwen in de openbare arbeidsbemiddeling is daardoor zoowel bij werkzoekenden als bij werkgevers versterkt.

Bij de gedeeltelijke demobilisatie heeft zich de vraag voorgedaan, wat zou moeten gebeuren met arbeiders, die, indien zij van het klein verlof dat zij konden krijgen, gebruik maakten; werkloos zouden zijn. Het Kon. Nat. Steuncomité heeft zich, na overleg met zijne beide algemeene voorzitters, op het standpunt gesteld, dat zulke werkloozen geen hulp moesten ontvangen, aangezien zij niet verplicht werden den werkelijken dienst tijdelijk te verlaten, maar daartoe alleen een verlof kregen, waarvan zij geen gebruik behoefden te maken. Door zulke personen, die buiten het leger geen werk konden vinden, te helpen in de burger-maatschappij leeg te loopen, zou men lieden ondersteunen, die in het leger zeer nuttige diensten konden bewijzen en er de voorkeur aan gaven, niet te werken. Tegen de circulaire aan de plaatselijke comités van 21 Mei 1915, waarin dit standpunt werd uiteengezet en zij werden uitgenoodigd aan de bedoelde gedemobiliseerden geen ondersteuning te geven, kwam groot verzet uit arbeiderskringen. Dat verzet ging van een principieel verkeerd standpunt uit en er kon dus ook niet aan worden toegegeven. De protesteerende arbeidersorganisaties hadden echter in zoover gelijk, dat het beginsel waarvan de circulaire uitging, daarin tot een te krasse consequentie had gevoerd. Het was billijk en redelijk dat men den gedemobiliseerden arbeider, die op het oogenblik zijner demobilisatie nog geen werk had, gelegenheid gaf gedurende korten tijd naar werk te zoeken. Vandaar dat in het begin van Juni 1915 de circulaire in dien zin werd verzacht. Aan personen die redelijke kans hadden, spoedig werk te zullen vinden, zouden de plaatselijke comités gedurende zeer korten tijd ondersteuning kunnen geven.

Ook de organisatie der intercommunale arbeidsbemiddeling, al had zij in het midden van het jaar 1915 nog slechts ten deele haar beslag gekregen, droeg er toe bij, dat het Kon. Nat. Steuncomité zonder onbillijk te zijn, dit standpunt kon innemen. Men vergete bij de beoordeeling dezer zaak voorts niet, dat—gelijk door dit comité terecht wordt opgemerkt—als er van de oudste landweerlichting werkloozen naar huis gaan, „de plaatsen, die zij ledig laten, moeten vervuld blijven worden door hen, voor wie de terugkeer in het maatschappelijk leven inderdaad dringend noodig mag heeten.”

Behalve bij de plaatsing van gedemobiliseerden heeft de Centrale Arbeidsbeurs hare bemiddeling ook verleend bij het tewerkstellen van vluchtelingen en van geïnterneerden. Hierbij heeft zij er zooveel mogelijk voor gezorgd, dat de geïnterneerden alleen open plaatsen zouden innemen en dat hun tewerkstelling niet ten gevolge zou hebben, dat Nederlandsche arbeiders, die anders werk zouden hebben gevonden, werkloos zouden blijven. Dat dit nu en dan tot eenige wrijving aanleiding gaf en het wel eens bleek, dat er ook onder de zeer groote werkgevers waren, die aan de meer handelbare geïnterneerden boven Nederlandsche werklieden de voorkeur gaven, vermeld ik slechts ter loops. Het zal wel niemand verwonderen; verbazingwekkend zou het geweest zijn, als zulke wrijvingen en moeilijkheden geheel waren uitgebleven.

In den aanvang, toen de werkloosheid hier groot was, werkte de Centrale Arbeidsbeurs door bemiddeling van de bij haar aangesloten Nederlandsche Arbeidsbeurs te Oberhausen afvoer van arbeiders naar Duitschland in de hand. Daarbij werd er streng aan vastgehouden, dat geen bemiddeling werd verleend aan werkgevers, die arbeiders zochten voor oorlogsdoeleinden. Te dezen aanzien hebben zoowel de Centrale Arbeidsbeurs als de arbeidsbeurs te Oberhausen gezorgd, dat op de eischen der neutraliteit niet de minste inbreuk werd gemaakt. Later, toen de economische toestand in Duitschland allengs slechter werd en tegelijkertijd hier de werkloosheid zoodanig verminderde, dat in vele bedrijfstakken gebrek aan werkkrachten kwam, heeft de internationale arbeidsbemiddeling een tegenovergestelde richting aangenomen en hebben de genoemde beurzen er toe bijgedragen, dat Nederlandsche arbeiders, die tijdelijk in Duitschland hadden gewerkt, hier in de Limburgsche mijnen en elders werk vonden.

§ 4. De Werkloosheidsverzekering.

Naast de verschillende andere maatregelen, die in dit hoofdstuk besproken werden en in de volgende hoofdstukken behandeld zullen worden, heeft de georganiseerde arbeidsbemiddeling er zeker toe bijgedragen, de werkloosheid te verminderen en de crisis voor de arbeidende klasse minder pijnlijk te doen verloopen. Zij was wel is waar niet in staat de arbeidsgelegenheid te vergrooten, maar zij leidde er toe, dat de duur van het werk zoeken door de werklooze arbeiders, voor wie werkgelegenheid bestond en van het arbeiders zoeken door werkgevers, die om arbeidskrachten verlegen waren, werd verkort. Zoo kwam zij zoowel aan het weder op gang brengen van het bedrijf als aan de vermindering van werkloosheidsellende ten goede. Toch is hetgeen op het gebied der arbeidsbemiddeling in den oorlogstijd tot stand kwam van nog meer waarde voor de toekomst dan voor de oorlogscrisis zelf. Anders staat het met hetgeen ten aanzien van de werkloosheidsverzekering geschiedde.

De werkloosheidsverzekering is over het algemeen en inzonderheid hier te lande nog in haar kindsheid; maar toch gaven de laatste jaren verblijdende teekenen van vooruitgang te zien. Een toenemend aantal vakvereenigingen en nationale vakbonden begon zich ernstig met dezen vorm van steun der vakgenooten in den maatschappelijken strijd bezig te houden en de gemeentelijke werkloosheidsfondsen namen in verband daarmede toe in aantal zoowel als in beteekenis. De onderzoekingen van de Staatscommissie over de Werkloosheid waren aan die verlevendiging der belangstelling in de werkloosheidsverzekering niet geheel vreemd. In zoover wierp het verslag der Staatscommissie reeds vóór zijn verschijning zijn licht vooruit.

Toen nu de oorlogscrisis zoo onverwachts uitbrak en een ongekende werkloosheid als gevolg daarvan voor de deur stond, dreigde al hetgeen op het stuk der werkloosheidsverzekering met veel moeite en zorg was opgebouwd, met één slag te worden omvergeworpen. Het was toch te voorzien, dat noch de werkloosheidskassen der vakvereenigingen en vakbonden noch de werklozenfondsen der gemeenten tegen een werkloosheid van zulk een buitengewoon grooten omvang bestand zouden zijn. Begrijpelijkerwijze wekte dit bezorgdheid in de eerste plaats in de kringen der belanghebbenden; maar niet alleen daar. Toen in de vergadering van de Uitvoerende Commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité, welke den avond van den 10den Augustus 1914 werd gehouden, hierop door den heer Oudegeest werd gewezen, kon ik hem antwoorden dat het reeds mijn aandacht had getrokken en „dat hiertegen in elk geval maatregelen zullen worden beraamd zoo noodig met Regeeringshulp”. De heer Oudegeest nam als vertegenwoordiger van het Nederlandsch Vakverbond in den Werkloosheidsraad de gelegenheid te baat, den Voorzitter van dien Raad, Prof. de Vooys, uit te noodigen deze zoo urgente aangelegenheid in den Werkloosheidsraad ter tafel te brengen. In overleg met mij gaf de heer de Vooys daaraan zóó spoedig gehoor, dat die vergadering reeds den volgenden dag kon worden gehouden. Daar werd een subcommissie benoemd onder voorzitterschap van Mr. Dr. Hudig, destijds directeur van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, om het vraagstuk met den meesten spoed te onderzoeken en een voorstel daaromtrent aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel te doen. Wegens de dringende urgentie van de zaak werd door mij in de volgende dagen, toen ik bijna dagelijks met den heer de Vooys confereerde, nog enkele malen bij hem er op aangedrongen, dat hij de subcommissie tot den meest mogelijken spoed zou aanmanen. Den 21en Augustus kwam het rapport van den Werkloosheidsraad als resultaat van den arbeid der subcommissie in. Daar de materie mij, na hetgeen ik er als voorzitter van de Staatscommissie over de Werkloosheid over had moeten nadenken, niet vreemd was, behoefde ik niet veel tijd om te beslissen, dat het ingekomen rapport in hoofdzaak kon worden gevolgd en op welke ondergeschikte punten het wijziging noodig had. Dientengevolge kon reeds den 22en Augustus aan de besturen der gemeenten waar een werkloosheidsfonds bestond, een circulaire worden gericht, waarin de noodregeling ter instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering werd uiteengezet en die gemeentebesturen tot medewerking werden aangezocht. Den 26en Augustus volgde een aansluitende circulaire aan een aantal gemeenten, die zich nog niet op het gebied der werkloosheidsverzekering bewogen hadden. De in die circulaires uiteengezette regeling is in de kringen der verzekeringsfondsleiders en der besturen van vakvereenigingen bekend geworden als de noodregeling-Treub.

Eigenaardig genoeg is zoodoende mijn naam toevallig verbonden geworden aan een der noodmaatregelen, waartoe ik persoonlijk het minst heb bijgedragen. Mijn aandeel heeft, wat deze noodregeling betreft, zich zoo goed als geheel bepaald tot aandrang op spoed bij de voorbereiding daarvan en tot het betrachten van spoed bij haar inwerkingstelling. Ik erken zelf, dat ook hierin eenige verdienste stak, maar toch niet genoeg om met voorbijgang der werkelijke ontwerpers daarvan de noodregeling met mijn naam te doopen. Intusschen is dit wel niet het eenige geval, waarin de paarden, die de haver verdienen, haar niet krijgen of waarin een Minister pronkt met andermans veeren.

De hoofdtrekken der noodregeling werden door den heer Folmer in zijn artikel „De verzekering tegen de werkloosheid tijdens de crisis” in aflevering 3, jaargang 4 van het Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid in de volgende woorden weergegeven:

„Haar hoofddoel was de instandhouding der verzekering, die op den datum, waarop de crisis geacht werd in te gaan, bestond. Dientengevolge omvatte zij uitsluitend die werkloozenkassen, welke op gemelden datum reeds in werking waren, hetzij afzonderlijk, hetzij als onderdeel eener andere kas (in welk laatste geval zij thans moesten worden afgezonderd).

„Deze werkloozenkassen zouden zelf zoo lang mogelijk blijven uitkeeren, met dien verstande, dat zij de uitkeeringen zouden staken, zoodra haar vermogen was gedaald tot op een vierde deel van haar bezit op 1 Augustus 1914, welke datum als beginpunt der crisis werd aangenomen. Met het vierde deel, dat in kas moest blijven, zouden zij na afloop der noodregeling hare normale taak kunnen hervatten, terwijl aldus voor uitkeeringen tijdens de crisis beschikbaar was 75% van het bezit van 1 Augustus 1914, benevens de opbrengst der contributiën, die voortdurend in de werkloozenkas bleven vloeien.

„Zoolang nu de kassen zelf konden uitkeeren, zouden de gemeentebesturen, door middel hunner organen voor de werkloosheidsverzekering—n.l. de gemeentelijke werkloozenfondsen—de uitkeeringen aanvullen, door daarop een toeslag van 100% te geven, in aansluiting aan de tot nu toe gevolgde practijk. De steun bij werkloosheid zoude op deze wijze aanvankelijk voor de helft voor rekening der kassen, voor de wederhelft voor rekening der gemeenten komen.

„Hierbij werd echter een bepaling gevoegd, die aanstonds ook aan het Rijk een blijvend aandeel der kosten oplegde. De uitkeeringen uit de kassen der arbeiders en de bijslag uit de gemeentelijke fondsen waren n.l., voordat in zake werkloosheidsverzekering eene noodregeling in het leven trad, door statuten en reglementen aan bepalingen gebonden. Zoo moesten de arbeiders gedurende een bepaalden termijn contributie hebben betaald, alvorens recht op uitkeering te bezitten; voorts moesten zij doorgaans een bepaalden tijd in de gemeente hebben gewoond, alvorens bijslag kon worden verkregen. Aan de andere zijde bezaten de verzekerden het recht op uitkeering of bijslag slechts voor een beperkten duur der werkloosheid, waarna zij zoogenaamd „uitgetrokken” waren. Deze beperkende bepalingen, die uitkeering en bijslag aan onderling nog al afwijkende termijnen bonden, zouden tijdens de noodregeling vervallen (behoudens dat een termijn van drie maanden voor de contributiebetaling werd gesteld). Daardoor nu werden uitgaven veroorzaakt, die nu eens de kassen, dan weer de fondsen in normale tijden niet zouden hebben gedaan, en in deze buitengewone uitgaven zou het Rijk van meet af minstens de helft bijdragen.

„Zoodra echter door de uitkeeringen het vermogen van eene kas was gedaald beneden de grens van 25%, zouden hare uitkeeringen en daarmede haar aandeel in den steun, in het algemeen genomen, ophouden. De steunverleening zou dan in haar geheel door de gemeenten worden overgenomen, die voortaan dus èn uitkeering èn bijslag betaalden.

„Ook ten aanzien der gemeentelijke fondsen was een speciale regeling noodig. Voor haar gold ongeveer hetzelfde als voor de werkloozenkassen; ook zij beschikten n.l., toen de noodregeling intrad, slechts over een bepaald bedrag. De gemeenten stellen doorgaans elk jaar een bepaald crediet ter beschikking harer gemeentelijke fondsen, om daaruit den bijslag te betalen, van welk crediet de omvang natuurlijk op de behoefte in normale tijden is berekend. Dit crediet zou door de thans sterk verhoogde eischen zeer spoedig zijn uitgeput; daarom werd bepaald, dat van alle uitkeeringen welke een gemeentelijk fonds zou hebben te doen boven 75% van het voor 1914 toegestane bedrag, het Rijk de helft zou restitueeren, terwijl de wederhelft voor rekening der gemeente bleef en als extra-crediet door haar zou worden beschikbaar gesteld. Op deze wijze zou ook het fonds een vierde deel van het crediet voor 1914 kunnen reserveeren voor de hervatting der taak in normale tijden, en droeg in het algemeen het Rijk voor de helft in den steun bij.

„Inschrijving der kassen bij een gemeentelijk fonds was voor haar een der eerste voorwaarden, om onder deze noodregeling te kunnen vallen; niet alleen echter zouden daarvoor in aanmerking komen die werkloozenkassen, welke reeds in gewone tijden bij de gemeentelijke fondsen ingeschreven waren, doch bovendien zouden voor den duur der noodregeling alle zoodanige kassen kunnen worden ingeschreven, die tot nu toe, om welke reden dan ook, zich niet hadden aangesloten.

„Eindelijk zouden—om het terrein der noodregeling nog verder uit te breiden—de gemeentelijke werkloozenfondsen ook uitkeering kunnen verstrekken aan werklooze, verzekerde arbeiders, wonende in gemeenten, die in de onmiddellijke nabijheid liggen van (onmiddellijk grenzen aan) gemeenten, waar een werkloozenfonds reeds bestond—of zou worden opgericht—voor zoover namelijk die omliggende gemeenten niet zelf voor de oprichting van een fonds in aanmerking kwamen, en de arbeiders leden waren van werkloozenkassen, die in de hoofdgemeente bij het fonds aldaar waren ingeschreven. De bijslag, dien de fondsen aan deze arbeiders verleenden, zou evenwel geheel voor rekening van het Rijk komen, omdat hierbij niet het onmiddellijk belang der gemeente zelf betrokken was. Nam het gemeentefonds de uitkeering zelf over, dan kwam ook deze geheel voor rekening van het Rijk.

„Ten slotte zou de uitkeering niet alleen worden verleend bij geheele werkloosheid, doch ook bij gedeeltelijke, b.v. als een arbeider slechts enkele dagen per week of minder dan het normale aantal uren per dag werkte, of wel het volle aantal uren en dagen werkte, doch tegen verminderd loon. Dit was een belangrijke uitbreiding der bestaande verzekering, die tot nu toe in slechts zeer enkele gevallen bij zulke werkloosheid uitkeerde.”

De uitkeeringen werden bepaald op het peil, waarop zij door de werkloozenkassen zelf, met inbegrip van den bijslag van het werkloozenfonds, voor gewone tijden gemiddeld waren gesteld. Bij gedeeltelijke werkloosheid moesten verdienste en uitkeering beneden het normale loon blijven. De werklooze verzekerden waren verplicht, indien hun passend werk werd aangeboden, dit te aanvaarden, ook al lag het buiten hun woonplaats. Zij behoefden echter geen werk aan te nemen beneden het standaardloon ter plaatse. Bij werkloosheid werd gedurende de eerste week geen uitkeering gedaan. Voor het geval over de toepassing van de noodregeling verschil ontstond tusschen een werkloozenkas en een gemeentelijk werkloozenfonds, kon men zich wenden tot den Minister. Indien geen overeenstemming was te verkrijgen, wees deze een scheidsrechter aan, wiens uitspraak voor beide partijen bindend was. Van deze laatste bepaling behoefde slechts enkele malen te worden gebruik gemaakt.

De uitvoering van de noodregeling werd opgedragen aan het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering, dat in verband daarmede werd opgericht en eerst aan het Departement van Landbouw, later aan dat van Financiën verbonden was. (Na mijn aftreden als minister ging het met de geheele arbeidersverzekering naar het Departement van Waterstaat over.) Aan het hoofd van dit bureau werd gesteld de heer Folmer, die in October 1914 ook belast was geworden met het directeurschap van de Centrale Arbeidsbeurs. Hierin lag een eerste uitwerking van de gedachte, welke de geheele noodregeling op het gebied der werkloosheid heeft beheerscht, dat voor de goede werking der werkloosheidsverzekering nauwe samenwerking met de georganiseerde arbeidsbemiddeling een eerste eisch is. Die band tusschen de noodregeling en de arbeidsbeurzen sprak ook uit de verplichting voor de verzekerde werkloozen, zich geregeld bij de arbeidsbeurs hunner woonplaats aan te melden.

De noodregeling bracht met zich, dat de werkloozenkassen, die aanvroegen onder de noodregeling te vallen, alvorens op de aanvraag kon worden beslist, aan eene administratieve en financieele contrôle moesten worden onderworpen, een contrôle die ook na de aansluiting nu en dan moest worden herhaald. Tot het uitoefenen daarvan werd aan den heer Folmer toegevoegd de heer I. G. Keesing, die bij den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond groote ervaring omtrent de administratie van werkloozenkassen had opgedaan en die van zijn kennis en ervaring op dit gebied als lid van de Staatscommissie over de Werkloosheid de meest doorslaande bewijzen had gegeven. De door hem uitgeoefende contrôle heeft zeer nuttig gewerkt. Helaas bleek daarbij ook een enkele maal van pogingen tot frauduleuze verdraaiing van feiten om onder de noodregeling te kunnen vallen of wel om de financieele uitkomst daarvan voor de kas gunstiger te maken. Gelukkig echter bleef dat tot zeer weinige uitzonderingsgevallen beperkt. Herhaaldelijk daarentegen bleek dat de administratie van een werkloozenkas te wenschen overliet, ook zonder dat daarbij eenige kwade trouw in het spel was. In die gevallen hebben de wenken van den controleur van het Centraal Bureau, wenken die nu en dan den vorm van eischen moesten aannemen, er veel toe bijgedragen de administratie te verbeteren. Op deze wijze is de noodregeling, ook voor de toekomst, aan een behoorlijke administratieve regeling der werkloozenkassen zeer ten goede gekomen.

Voor zoover de vakvereenigingen wel reeds vóór 1 Augustus 1914 werkloosheidsverzekering hadden in toepassing gebracht, maar de werkloozenkas niet afgezonderd hadden gehouden van de centrale kas van de vereeniging of den bond, moest ook een cijfer worden bepaald dat geacht werd op 1 Augustus 1914 voor de werkloozenverzekering te zijn bestemd, en dat tot maatstaf had te dienen voor den duur der bijdrage van de vakvereeniging zelve. Voor den A. N. D. B. werd dit bepaald op ƒ 500.000, zoodat deze bond aan de verzekering zijner leden zelf bijdroeg, totdat het voor dit doel afgezonderde bedrag verminderd was tot ƒ 125.000. Voor de andere vereenigingen en bonden, die geen afzonderlijke werkloozenkas hadden, waren de bedragen welke voor dit doel naar billijkheid volgens den toestand op 1 Augustus 1914 werden afgezonderd, aanmerkelijk lager. Bij die andere was het aantal verzekerde leden dan ook zeer veel minder.

Bij de vaststelling dezer bedragen was het natuurlijk niet mogelijk met een goudschaaltje te wegen, er werd daarbij telkens zoo goed mogelijk en met inachtneming der billijkheid beslist. Dit knoopen doorhakken is trouwens gedurende den oorlogstijd, niet alleen bij de werkloosheidsverzekering, herhaaldelijk noodzakelijk geweest. Voor zoover ik mij daarmede bezig heb gehouden, en dat kwam nog al eens voor, heb ik gemeend dat mijne staatsrechtelijke en ook mijne moreele verantwoordelijkheid ten volle gedekt waren, als ik daarbij steunde op deskundig advies, maar er mij tevens rekenschap van gaf, hoe zulk een advies soms onwillekeurig niet geheel van partijdigheid was ontbloot. Deskundige voorlichting strekte daarbij dus steeds tot richtsnoer; slaafs gevolgd werd zij evenwel niet en mocht zij niet worden.

Zooals in de uiteenzetting van de hoofdpunten der noodregeling werd gezegd, was de financieele kant daarvan zoodanig geregeld, dat Rijk en gemeente de kosten daarvan ongeveer bij helfte deelden. Hierop is slechts één uitzondering van beteekenis gemaakt ten aanzien van de verzekering der diamantbewerkers. Met het uitbreken van den oorlog kwam de diamantnijverheid zoozeer in den druk, dat er een bijna algeheele werkloosheid in het vak ontstond. De financieele gevolgen van de noodregeling wat dit vak betreft, waren derhalve bijzonder zwaar voor Rijk en gemeente te zamen genomen. Het gemeentebestuur van Amsterdam nu voerde aan, dat vooral nu de gemeente door de oorlogscrisis toch reeds met zoo groote buitengewone lasten moest rekenen, het niet gerechtvaardigd zou zijn, indien het Rijk haar bovendien de helft der zeer groote kosten van de werkloosheidsverzekering der diamantbewerkers wilde doen dragen. Het was toch bekend dat de kosten daarvan, na aftrek van het deel dat door den diamantbewerkersbond zelf daarin werd betaald, voor zoover het Rijk die niet voor zijn rekening nam, zoo goed als uitsluitend op de gemeente Amsterdam zouden drukken. De gegrondheid dezer opmerking werd door mij ingezien. Er werd derhalve over de kosten der verzekering der diamantbewerkers met het gemeentebestuur van Amsterdam een speciale regeling getroffen, waarvan de bedoeling en het gevolg was, dat het Rijk het leeuwenaandeel dier kosten voor zijn rekening nam. De noodregeling is voor de diamantbewerkers aan het Rijk op bijna ƒ 2 millioen te staan gekomen; aan de gemeente Amsterdam op ongeveer ƒ 300.000. Voor alle andere vakken te zamen heeft zij aan het Rijk en de gemeenten elk ongeveer ƒ 900.000 gekost. Alles bij elkaar genomen, hebben de uitgaven uit dezen hoofde voor Rijk en gemeente meer dan ƒ 3.600.000 bedragen. Daarvan is het grootste deel aan de werklooze diamantbewerkers ten goede gekomen.

Naast het hoofddoel der noodregeling, de bescherming en instandhouding van het in opkomst zijnde instituut der werkloosheidsverzekering, heeft bij mij zwaar gewogen, dat het van groote maatschappelijke beteekenis was, die arbeiders die zich in tijden dat zij werkten en loon trokken, in den vorm van premiebetaling eenige opoffering hadden getroost om bij werkloosheid niet geheel van inkomen verstoken te zijn, een voorsprong te geven boven hen, die dezen voorzorgsmaatregel hadden verzuimd. Ik behoor tot degenen die nog zoo achterlijk zijn, dat zij hooge maatschappelijke waarde hechten aan de aankweeking van het gevoel van „self help” ook en vooral bij de arbeidende klasse, ter bestrijding van sociale gevaren, welke deze klasse onder bijzondere maatschappelijke of persoonlijke omstandigheden kunnen bedreigen. Gelukkig heeft de politiek haar vangarmen nog niet tot de zoo jeugdige werkloosheidsverzekering uitgestrekt en is ook in arbeiderskringen, wanneer ik de weinige volgelingen der anarchistische arbeidersbeweging ter zijde laat, nog algemeen het besef aanwezig, ook al laat het aan levendigheid soms wel wat te wenschen over, dat het den arbeider siert, als hij in de tijden dat het hem goed gaat, wat terzijde legt om zichzelven en zijn vakgenooten tegen totaal gebrek bij werkloosheid te behoeden. De arbeider komt trouwens gemakkelijk genoeg tot het inzicht, dat een goede werkloosheidsverzekering voor de vakbeweging van groote beteekenis is in den georganiseerden maatschappelijken strijd der werklieden. Die stemming ten aanzien der werkloosheidsverzekering bij de arbeiders zelven, inzonderheid bij de leiders der verschillende schakeeringen in hun vakbeweging, is aan dit cardinale punt van de noodregeling ten goede gekomen. Zij trok met volle bewustheid den verzekerden arbeider boven den niet verzekerden voor, den laatste verwijzende naar het steuncomité. De instemming welke dit van de zijde der arbeidersorganisaties heeft gevonden, is voor een goed deel hieraan toe te schrijven, dat al dekte de aldus gemaakte onderscheiding zich niet geheel met die tusschen de georganiseerde en de ongeorganiseerde arbeiders, beide onderscheidingen toch nauw aan elkander verwant waren.

Het onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde werklieden mocht echter niet verder gaan, dan dat men de eerste categorie in staat stelde door hun eigen verzekeringsorganen, met bijstand van Rijk en gemeente, gedurende de zoo onverwachts opgekomen en zoo buitengewoon heftige crisis te blijven ontvangen, wat zij bij normale werkloosheid in gewone tijden daaruit wekelijks zouden hebben getrokken. Geen enkel steekhoudend motief was er aan te voeren, om gedurende de crisis op den grondslag van werkloosheidsverzekering meer te geven, dan het bedrag waarvoor zij zich zelven verzekerd hadden. Dit kon alweer niet op een goudschaaltje worden gewogen. Er moest eenvormigheid in de regeling zijn en daarom werd het gemiddelde der uitkeeringsbedragen tot algemeenen regel genomen. Had de Regeering zich hieraan niet gehouden, dan zou zij den geheelen grondslag der noodregeling hebben ondermijnd en een niet langer te rechtvaardigen onderscheid hebben gemaakt tusschen werkloozen, die wèl en werkloozen die niet onder de noodregeling vielen. Ik heb mij daarom dan ook stelselmatig tegen den herhaaldelijk op mij uitgeoefenden aandrang tot verhooging der uitkeeringen krachtens de noodregeling verzet.

Het was echter niet te miskennen, dat de rechtvaardigingsgrond van het gemaakte onderscheid tusschen de verzekerde en de niet verzekerde arbeiders zwakker werd, naar gelang de noodregeling langer moest worden in stand gehouden. Hoe verder het eindpunt der medebetaling door de werkloozenkas zelve in het verleden begon te liggen, hoe minder het uitgangspunt van de noodregeling, de instandhouding van de werkloozen-verzekering, op de werkelijkheid steunde, hoe meer de zoogenaamde verzekering het karakter kreeg van een uitkeering om niet, die slechts uiterlijk van de uitkeeringen der steuncomités verschilde. Daarbij kwam, dat de datum van 1 Augustus 1914 wel beslissend was voor de toelating der werkloozenkassen tot de noodregeling, maar niet voor de toetreding der vakgenooten tot de werkloozenkas. Wel is waar werd deze fout in de noodregeling verkleind door de bepaling, dat iemand die werkloos was op het oogenblik dat hij wilde toetreden, niet kon worden toegelaten en dat wie eenmaal toegelaten was, ook al werd hij werkloos, uit de werkloozenkas niet kon trekken, zoolang hij niet gedurende drie maanden contributie had betaald; maar toch stak hierin een fout. Deze zou slechts van theoretische beteekenis zijn geweest, indien de noodregeling na drie maanden had kunnen zijn opgeheven, zij werd echter meer van practische beteekenis, naar gelang de regeling langer moest worden in stand gehouden.

Daarbij kwam eenerzijds, dat de noodregeling er krachtig toe had bijgedragen de beteekenis der werkloosheidsverzekering in arbeidskringen te doen doordringen, met het gevolg dat allengs meer nieuwe werkloozenkassen werden opgericht, die van de noodregeling, indien deze ongewijzigd bleef, geen profijt konden trekken, omdat haar oprichting eerst van later dan 1 Augustus 1914 dagteekende, en anderzijds dat eene gelukkige verandering gaande was in de organisatie van verschillende toegetreden kassen, waardoor de werkloozenkas van de plaatselijke vakvereeniging bij de best georganiseerde vakbonden meer en meer plaats maakte voor de algemeene werkloozenkas van den over het geheele land werkenden bond. Zoowel het een als het ander maakte wijzigingen in de noodregeling wenschelijk, die deden uitkomen, dat zij voor een zóó langdurige oorlogscrisis, als werd doorgemaakt, niet geheel berekend was.

Voorts bleek allengs meer, dat verschillende kassen, niettegenstaande zij volgens de noodregeling niet meer bijdroegen in de kosten der verzekering, uit gedurende de crisis ontvangen contributies hun vermogen hadden zien toenemen niet alleen boven het gestelde minimum van 1⁄4 van het bedrag op 1 Augustus 1914, maar zelfs in verschillende gevallen boven het totale bedrag der kas op dien dag. In één woord, de fouten der noodregeling werden grooter naar gelang zij door den duur harer werking meer het karakter van noodregeling verloor en dat van eene normale regeling begon aan te nemen.

Dit leidde er toe, dat in de tweede helft van 1915 met ernst aan hare opheffing werd gedacht. Dit kon echter niet geschieden zonder een blijvend betere passende regeling daarvoor in de plaats te stellen. Het Rijk kon niet eenvoudig zijn handen van de werkloosheidsverzekering aftrekken; daarvoor is de zaak van een te groot maatschappelijk belang. Na verschillende besprekingen met den Directeur van het Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering en met Prof. de Vooys als voorzitter van den Werkloosheidsraad, werd den 19en Januari 1916 een circulaire aan de gemeentebesturen gericht, welke ten doel had die besturen te brengen tot vrijwillige medewerking aan een nationale regeling der werkloosheidsverzekering, die voor de noodregeling in de plaats zou treden. In die circulaire werd door mij als Minister van Financiën toegezegd, dat—indien de Staten-Generaal daartoe hunne medewerking zouden verleenen—het Rijk in de toekomst 50 pct. van den geldelijken steun aan de werkloozenkassen voor zijn rekening zou nemen. Bij die blijvende regeling zouden eenige maatregelen worden getroffen voor den overgang van de noodregeling in de blijvende organisatie en werd er voor gezorgd, dat de werkloozenkassen weder geregeld hun aandeel in de kosten der werkloosheidsverzekering zouden betalen. Opdat de voorgestelde organisatie in toepassing zou kunnen komen, was algemeene deelneming der gemeentebesturen noodig; de circulaire wees er daarom op dat, indien het beroep op vrijwillige medewerking niet het gewenschte resultaat had, een wettelijke regeling, waarbij medewerking zou worden opgelegd, niet zou kunnen uitblijven. De bedoeling was de nieuwe regeling op 1 Mei 1916 voor de noodregeling te doen plaats maken.

De circulaire van 19 Januari 1916 heeft haar doel bereikt. Wel kon de nieuwe blijvende regeling niet te gelijk met de opheffing der noodregeling op 1 Mei worden in werking gesteld, maar blijkens de Memorie van Toelichting van den Minister van Waterstaat bij het wetsontwerp waarbij de noodige gelden daarvoor worden aangevraagd, is het de bedoeling haar met 1 October 1916 in werking te doen treden. De Tweede Kamer heeft de noodige gelden voor de werkloosheidsverzekering met staatsbijdrage reeds toegestaan; vermoedelijk zal de Eerste Kamer haar daarin weldra volgen. Dan zal de werkloosheidsverzekering, al is zij nog niet wettelijk geregeld, toch op wettelijken grondslag komen te staan.

Evenals het geval was bij de organisatie der nationale arbeidsbemiddeling moet ik mij ook hier weerhouden van eene bespreking van de hoofdtrekken der blijvende nationale regeling van de werkloosheidsverzekering. Tusschen beide organisaties is een nauw verband gelegd en bij haar uitbouw is van de resultaten van den arbeid der Staatscommissie over de Werkloosheid ruimschoots gebruik gemaakt.

Ten aanzien van de werkloosheidsverzekering heeft de oorlogscrisis hetzelfde effect gehad als waarop bij de bespreking der organisatie van de arbeidsbemiddeling reeds werd gewezen; zij heeft er toe bijgedragen dat de Staatswerkzaamheid op dit gebied zeer is bespoedigd; voorts heeft zij niet alleen de Regeering en de gemeentebesturen maar ook de arbeiders zelf, meer dan vóór dien het geval was, van de beteekenis zoowel van de nationale arbeidsbemiddeling als van de nationale werkloosheidsverzekering doordrongen. Beide groote sociale maatregelen zijn doorgevoerd, wel niet zonder medewerking van den wetgever,—deze toch heeft er de gelden voor beschikbaar gesteld,—maar zonder wettelijken grondslag voor de maatregelen zelf. Voor de werkloosheidsverzekering geldt te dezen aanzien, wat reeds bij de bespreking van de nationale arbeidsbemiddeling werd opgemerkt: een wettelijke regeling zal op den duur niet kunnen uitblijven; doch bij het maken daarvan zal de toekomstige wetgever zich in hoofdzaak kunnen bepalen tot het geven van sanctie aan hetgeen de ervaring als bruikbaar en maatschappelijk gewenscht zal hebben aangewezen.

Ik kan van de bespreking der maatregelen tot voorkoming en leniging van nood in den crisistijd niet afstappen, zonder nog een oogenblik terug te komen op de noodregeling in zake de werkloosheidsverzekering en haar verband met de steunorganisatie. Die beide stonden met elkander in nauw verband en hebben elkander op gelukkige wijze aangevuld. Toch was er een groot principieel verschil tusschen het karakter der uitkeering krachtens de noodregeling en die der uitkeeringen van de steuncomités. Deze laatste waren vrijwillige giften, welke beperkt werden tot de personen en gezinnen die daaraan behoefte hadden; de eerste waren uitkeeringen, waarop de verzekerde zich, althans in beginsel, een recht had verworven door zijn premiestorting. Hier was dus geen onderzoek naar de behoefte noodig, al zal de uitkeering wel slechts in uitzonderingsgevallen zijn in handen gekomen van personen, die daaraan geen behoefte hadden. Toch zijn zulke uitzonderingsgevallen voorgekomen, wanneer de verzekerde behoorde tot een gezin, waarin door den arbeid van andere gezinsleden het wekelijksch inkomen niet onvoldoende was voor het onderhoud van alle gezinsleden te zamen. In zulke gevallen was van uitkeering door een steuncomité natuurlijk geen sprake; dit had te rekenen met het gezinsinkomen. Wel nam het voor de gezinnen, waarvan sommige leden door hun arbeid iets inbrachten, doch die toch nog beneden de grens bleven van waar af geen steun meer werd verleend, het loon, dat die leden ontvingen, bij de bepaling van het bedrag der uitkeering slechts ten deele in aanmerking, ten einde den prikkel tot werken niet weg te nemen. De uitkeering krachtens de noodregeling was daarentegen van het gezinsinkomen onafhankelijk. Op zich zelf was dit juist, maar hoe meer de noodregeling haar karakter van de regeling eener verzekering verloor, hoe minder deze principieel juiste toepassing practisch te rechtvaardigen bleef. Ook dit heeft bij de opheffing der noodregeling gewogen.

Veel meer dan het uitkeeren krachtens de noodregeling aan personen die daaraan, strikt genomen, geen behoefte hadden, is het voorgekomen, dat de uitkeering krachtens die regeling onvoldoende was. Wanneer de werklooze verzekerde een gezin had te onderhouden, waarvan geen der andere leden iets inbracht, kon hij met de ƒ 6 die hij van de noodregeling bleef trekken, niet rondkomen. In die gevallen vulde het steuncomité door den huurbon en door suppletoire uitkeering aan, wat de verzekering te weinig gaf. Ten einde er echter ook alsdan voor te zorgen, dat de werklooze verzekerde het gevoel bleef behouden, dat hij de uitkeering principieel althans grootendeels dankte aan eigen premiebetaling vóór de crisis intrad, drong het Kon. Nat. Steuncomité er steeds op aan, dat ook in die gevallen de uitkeeringen van de plaatselijke comités aan de verzekerden door tusschenkomst van de werkloozenkas werden verstrekt.

Vraagt men zich nu af, hoe het oordeel over de steunbeweging en de noodregeling moet luiden, dan komt in de eerste plaats op het credit van de noodregeling, dat zij haar hoofddoel, de instandhouding en bevordering der werkloosheidsverzekering, ten volle heeft bereikt. Het aantal verzekerden dat op 1 Augustus 1914 omstreeks 70.000 bedroeg, was op 1 Mei 1916 haast verdubbeld. Overigens geldt voor beide dat zij, al kleefden er ook fouten aan en al was de toepassing, vooral bij de steunbeweging, niet altijd en overal even onberispelijk, in den aanvang hoogst nuttig hebben gewerkt en veel ellende hebben voorkomen en gelenigd. Naar gelang de buitengewone toestand evenwel langer duurde, werden de fouten grooter en steeg het gevaar van ontaarding der steunbeweging. Allengs groeide het getal dergenen onder de gesteunden aan, voor wie de steunorganisatie niet was bestemd, namelijk de half-validen en brekebeenen, of die dezen vorm van steun niet waardig waren, namelijk de arbeidsschuwen.

Zeker mede ten gevolge van verschillende maatregelen, welke reeds besproken werden of in de volgende hoofdstukken ter sprake komen, maar vooral tengevolge van een wending in de oorlogsconjunctuur, welke voor ons land zoo gunstig was als bij het uitbreken van den krijg niet alleen niemand verwachtte, maar zelfs niemand durfde hopen, is de werkloosheid in een groot aantal vakken vrij spoedig tot normale verhoudingen teruggedrongen en is er zelfs, ook in verband met de onttrekking van arbeidskrachten door de mobilisatie, in verschillende bedrijven gebrek aan arbeiders ontstaan. Dit heeft er toe geleid, dat een aantal steuncomités, zonder zich officieel te ontbinden, in afwachting van een eventueelen slechten keer in den toestand, het bijltje er bij neerlegden. Het vroegst geschiedde dit ten platten lande, waar de toestand het eerst weer normaal werd en na eenigen tijd zelfs een abnormaal gunstige phase intrad. Weldra volgden verschillende bedrijven de zwenking, die het landbouwbedrijf had gemaakt, ook al was over het algemeen de conjunctuur voor hen lang niet zoo gunstig als voor de boeren.

Het gevolg was, dat in het eind van 1915 en het begin van 1916 in hoofdzaak alleen het havenbedrijf, en dit nog wel hoofdzakelijk te Rotterdam, overbleef, waar ten gevolge van het gedurende den oorlog stop gezet blijven van den doorvoer, slechts 1⁄3 van het normale aantal havenarbeiders noodig bleef. Ook hier was in zoover verbetering gekomen, dat een deel dier arbeiders, ook wegens de hooge loonen die in den landbouw verdiend konden worden, naar het platteland was teruggestroomd. Maar toch bleef in het havenbedrijf, vooral te Rotterdam, een overschot van arbeiders, dat niet aan zijn lot kon worden overgelaten.

In het bouwbedrijf werd de toestand allengs zóó gunstig voor de arbeiders, dat niettegenstaande dit bedrijf grootelijks belemmerd werd door de hooge prijzen van hout en ijzer, in het voorjaar van 1916 veeleer gebrek aan- dan overschot van arbeidskrachten viel waar te nemen. Alleen Amsterdam maakte hierop een uitzondering; de Amsterdamsche bouwvakarbeiders konden echter, zoo zij wenschten, elders arbeidsgelegenheid vinden.

Zelfs de diamantindustrie leefde zoozeer op, dat de toestand in het begin van 1916 over het algemeen gunstiger was dan bij het uitbreken van den oorlog. Alleen de roosjesslijperij, waarvan het product voornamelijk naar de Balkanlanden gaat, bleef nog kwijnend. Overigens was van gebrek door buitengewone werkloosheid in het voorjaar van 1916 over het algemeen weinig of niets meer te bespeuren.

Dit gaf het Kon. Nat. Steuncomité aanleiding, door tusschenkomst van zijn subcommissie voor de liefdadige stichtingen overleg te plegen met armeninstellingen, tot overneming van het overgebleven overschot van gebrekkigen en arbeidsschuwen, die bij de steuncomités niet thuis behoorden en tot het richten van een circulaire aan de plaatselijke comités, welke de uitkeeringen nog niet hadden gestaakt, om het voorbeeld der comités, die dit wél hadden gedaan, te volgen, met dit voorbehoud dat met steun zou worden doorgegaan ten aanzien van de beoefenaars van die vakken, waarin nog steeds eene buitengewone werkloosheid heerschte. De circulaire had niet ten doel de plaatselijke steuncomités er toe te bewegen, zich te ontbinden. Daarvoor is de toestand nog veel te onzeker en moet nog te veel gerekend worden met de mogelijkheid, dat de zaken door gebrek aan grondstoffen voor verschillende takken van nijverheid of door andere vooraf niet te bepalen oorzaken zich ten kwade zullen keeren. Wel beoogde zij het résidu van lijntrekkers op te ruimen en de plaatselijke comités beter paraat te maken voor de taak, welke zij opnieuw zullen hebben op te vatten, indien onverhoopt de steunverleening op groote schaal weer in gang zou moeten worden gezet. Daartoe hield de circulaire in, dat uit de kas van het Kon. Nat. Steuncomité, behalve in bijzondere gevallen, geene bijdragen voor uitkeeringen meer zouden worden verstrekt, tenzij die werden gedaan aan personen, behoorende tot een vak, waarin, hetzij nog steeds hetzij opnieuw, buitengewone werkloosheid heerschte.

Voor het diamantbewerkersbedrijf werd na eenige besprekingen een regeling met den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkers Bond getroffen, waartoe ook de andere organisaties van diamantbewerkers alsmede het gemeentebestuur van Amsterdam toetraden, en welke tot grondslag had, dat de organisaties der arbeiders zoowel als het Kon. Nat. Steuncomité en de gemeente elk een deel der verdere kosten van den steun aan werklooze diamantbewerkers zouden dragen en dat de contrôle op de uitkeering van dien steun in de eerste plaats bij die organisaties zelve zou berusten.

Evenzeer als de noodregeling ter zake van de werkloosheidsverzekering heeft ook de steunbeweging haar schaduwzijde gehad. Een onvermengd goed is zij, vooral bij den langen duur waarvoor zij gelden moest en waarop in het begin van Augustus 1914 niet kon worden gerekend, niet geweest. Maar geen ingewijde zal ontkennen, dat zij, alles bijeengenomen, groot en goed werk heeft gedaan en dat zij de taak heeft vervuld, die de Koningin haar bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité toedacht: zij heeft bewerkt, dat menig bezorgd hart verruimd heeft kunnen kloppen!

Moge het verloop der omstandigheden zoodanig zijn, dat zij, behalve in de uitzonderingsgevallen, waarin zij ook thans nog optreedt en vooreerst zal moeten blijven optreden, haar taak niet opnieuw zal behoeven op te nemen!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings