← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK V. HET OP GANG HOUDEN DER BEDRIJVEN. (continued 2)

Reading edition

De regelen van het moderne zeeoorlogsrecht zijn neergelegd in het verdrag tusschen een groot aantal staten, behoudens goedkeuring der bevoegde machten in die staten, op 26 Februari 1909 te Londen gesloten, en in het volkenrecht bekend als de Londensche Zeerecht Declaratie. Tot hen, die deze declaratie onderteekenden, behooren—met uitzondering van Turkije en Bulgarije—alle thans oorlogvoerende mogendheden en ook Nederland. Door Engeland werd de declaratie wegens tegenstand in het Hoogerhuis evenwel niet bekrachtigd, zoodat zij het Britsche rijk niet bindt. Op 20 Augustus 1914 vaardigde de Britsche regeering echter een „Order in Council” (voor onze begrippen te vergelijken met een Koninklijk besluit) uit, inhoudende dat de Londensche Zeerecht Declaratie, behoudens eenige wijzigingen en toevoegingen gedurende dezen oorlog werd toepasselijk verklaard. Die wijzigingen en toevoegingen waren van dien aard, dat de waarborgen, welke de Declaratie, ingeval van een oorlog ter zee aan de onzijdige scheepvaart biedt, sterk werden verminderd. Zij betroffen het verschil tusschen absolute en conditioneele contrabande, alsmede de wijze waarop conditioneele contrabande bij aanhouding van een neutraal handelsvaartuig door een oorlogsschip van een der krijgvoerende partijen is te behandelen. De Londensche Declaratie verstaat onder absolute contrabande verschillende met name genoemde goederen, die uitsluitend voor oorlogsdoeleinden zijn bestemd. Onder conditioneele contrabande vallen, volgens die volkenrechtelijke regeling, een aantal eveneens met name genoemde zaken, welke zoowel voor oorlogsgebruik als voor vredelievende doeleinden kunnen dienen.

Voorts bevat zij verschillende artikelen, waaronder vooral grondstoffen en hulpmiddelen voor landbouw en nijverheid van belang zijn, die niet tot contrabande kunnen worden verklaard. Bij de „Order in Council” van 20 Augustus 1914 nu werd in de eerste plaats de lijst der artikelen, welke als conditioneele contrabande worden beschouwd, ver uitgebreid buiten de bepaling daaromtrent in de Londensche Declaratie; een uitbreiding, die bij een nieuwen „Order in Council” van 29 October 1914 nog grootere afmetingen aannam en ten slotte daarop neerkwam, dat met enkele uitzonderingen alles wat voor Duitschland was bestemd of, eenmaal in een neutraal land zijnde, daarheen zou kunnen worden uitgevoerd, als contrabande werd aangemerkt.

Tevens werd het onderscheid dat in de Declaratie tusschen absolute en conditioneele contrabande wordt gemaakt, vrijwel opgeheven. Volgens die volkenrechtelijke regeling mag absolute contrabande door een oorlogsschip van een krijgsvoerende natie worden genomen, als het rechtstreeks of na overlading bestemd is voor een vijandelijk land of voor een gebied dat door den vijand is bezet. Als bewijs van die bestemming is het voldoende, dat de goederen volgens de scheepspapieren bestemd zijn voor een haven van den vijand of dat het schip, waarin zij zijn geladen, een vijandelijke haven aandoet, vóór het de onzijdige haven bereikt, waarheen de goederen zijn geadresseerd. Tot het nemen van conditioneele contrabande geeft de Declaratie alleen recht, indien vaststaat dat de goederen bestemd zijn voor gebruik door vijandelijke strijdkrachten of voor administraties van den vijandelijken staat. Dit wordt aangenomen, wanneer de goederen zijn geadresseerd aan een vijandelijke autoriteit of aan een handelaar in het vijandelijk land, van wien bekend is dat hij den vijand goederen van dien aard levert. Echter mag conditioneele contrabande, zelfs als die bestemming is aan te nemen, alleen genomen worden op een schip, dat koers zet naar een vijandelijke haven of naar een haven in een door den vijand bezet gebied, tenzij het vijandelijk land geen zeekust heeft. De uitzondering vermeld ik slechts volledigheidshalve; zij heeft voor dezen oorlog voor ons geen beteekenis.

Bij den „Order in Council” van 20 Augustus 1914 werd nu in afwijking van deze regels bepaald, dat de bestemming van de conditioneele contrabande voor de vijandelijke strijdkracht zou worden aangenomen, als de goederen waren geconsigneerd aan een agent van den vijandelijken staat of aan een koopman, gevestigd in dien staat, en dat zij zouden kunnen worden genomen, voor welke haven het schip ook vaart en in welke haven de lading ook moet worden gelost. Daarbij werd de bevoegdheid tot het beslag leggen op conditioneele contrabande bovendien nog verruimd door de bepaling, dat het voor het vermoeden der vijandelijke bestemming o. a. voldoende is, dat het goed wordt verzonden aan of door een agent van den vijandelijken staat, of dat de goederen, bestemd voor een neutrale haven, zijn geconsigneerd „aan order”. In alle genoemde gevallen staat het den eigenaars vrij het bewijs te leveren, dat hunne goederen een onschuldige bestemming hadden.

Hier werd dus geheel in strijd met het volkenrecht een onzijdig schip, dat conditioneele contrabande vervoert naar een onzijdig land, niettemin neembaar verklaard en werd, na de inbeslagneming, niet minder in strijd met het volkenrecht en met de allereerste rechtsbeginselen van elk beschaafd volk, de bewijslast dat men geen contrabande aan boord heeft, gelegd op dengene van wien het tegendeel door de Britsche marine op zulke losse gegevens werd vermoed. Voor zulk een regeling is slechts één rechtsgrond te vinden: „quia nominor leo” (omdat ik er de macht toe heb).

Frankrijk sloot zich in zijn contrabande-bepalingen bij Engeland geheel aan en Duitschland volgde, wat betreft de uitbreiding van de lijst der conditioneele contrabande, het voorbeeld van zijn vijand reeds in October en November 1914. Het gaf voorts in April 1915 een nieuwe regeling omtrent de conditioneele contrabande, welke bijna geheel dezelfde inbreuken maakt op het zeeoorlogsrecht als de Britsche „Orders in Council” hadden gedaan.

Tegen die verschillende schendingen van het volkenrecht werd door onze Regeering telkens met klem van redenen geprotesteerd, maar die protesten waren niet bij machte de oorlogvoerenden er van af te brengen. Die schendingen waren trouwens een noodzakelijk gevolg van de Britsche oorlogstactiek om Duitschland door economische isoleering zoodanig te verzwakken, dat het tot toegeven zou worden gedwongen.

De Londensche Declaratie bepaalt voorts, dat het neutrale schip dat oorlogscontrabande vervoert, kan worden in beslag genomen, indien die contrabande meer dan de helft van de vracht of van het gewicht, het volume of de waarde der lading vertegenwoordigt. Zij voegt daaraan evenwel uitdrukkelijk toe, dat een neutraal vaartuig door het oorlogsschip, door hetwelk het op grond van die bepaling wordt in beslag genomen, niet mag worden vernietigd en dat van dezen regel alleen bij uitzondering mag worden afgeweken, indien anders de veiligheid van het nemende oorlogsschip of het succes van de oorlogsoperatie, waarmede het bezig is, in gevaar zou komen. Voor dat geval moeten vóór de vernietiging alle personen die zich aan boord bevinden, in veiligheid worden gebracht en de scheepspapieren worden geborgen.

Deze laatste regelen, waarvan formeel door geen der oorlogvoerenden werd afgeweken, zijn van belang ter beoordeeling van de van Duitsche zijde beproefde rechtvaardiging van de torpedeering van de „Medea”, welke den 25en Maart 1915 plaats had. Dit stoomschip van de Koninklijke Nederlandsche Stoombootmaatschappij was met een lading sinaasappelen op weg van Valencia naar Londen. Het werd in volle zee, op een afstand van ongeveer 15 zeemijlen van de Engelsche kust, getorpedeerd op grond dat het levensmiddelen naar Londen bracht en dat de onderzeeër niet in staat was, aan het schip een voldoende bemanning te geven om het veilig naar een Duitsche haven te brengen. Het zou mij te ver voeren op de verschillende volkenrechtelijke vraagpunten, welke bij de vernietiging van de „Medea” zijn betrokken, in te gaan. Om het in beslag nemen van dat stoomschip te rechtvaardigen, moet men 1º sinaasappelen rangschikken onder levensmiddelen, „vivres”, en 2º. Londen aanmerken als een operatiebasis voor vijandelijke strijdkrachten.

De vernietiging van het schip, zelfs als de beslagneming daarvan te verdedigen zou zijn geweest, kan men alleen dan goedpraten, als men het aandurft, vol te houden dat duikbooten, op hooge uitzondering na, steeds in het geval verkeeren, waarin vernietiging van het door hen genomen vaartuig volgens de Londensche Declaratie geoorloofd is, en dat zij het met den plicht van het in veiligheid brengen der opvarenden, vóór tot de vernietiging wordt overgegaan, zoo nauw niet hebben te nemen. Ook in het geval van de „Medea” liet, afgezien van de hoofdzaak, de wijze waarop dit voorschrift werd opgevolgd, door den drang der omstandigheden,—hetgeen hier wil zeggen, dat een duikboot aan dat voorschrift niet behoorlijk voldoen kàn,—heel wat te wenschen over.

Al heeft de hoogste Duitsche prijzenrechtbank beslist dat de torpedeering van de „Medea” rechtmatig is geschied en dat deswege aan de reederij geen schadevergoeding toekomt, zijn zulke „rechtmatige” oorlogshandelingen tegen Nederlandsche koopvaardijschepen toch gelukkig hooge uitzondering gebleven. Na den oorlog zal op de zaak van de „Medea” zeker worden teruggekomen. Noch de Regeering noch de belanghebbende reederij zullen zich goedschiks neerleggen bij de eenzijdige beslissing van het Duitsche hoogste prijzenhof, dat daarbij blijk gaf wat heel sterk te staan onder den druk van oorlogspsychose.

Volledigheidshalve voeg ik aan deze korte mededeeling over de belangrijkste punten van het zeeoorlogsrecht en wat er gedurende den oorlog van terecht kwam, nog toe, dat de Britsche regeering bij een nieuwen „Order in Council” in Juli 1916 de geheele Londensche Declaratie buiten werking stelde en door nieuwe bepalingen verving, welke evenwel de zaak vrijwel lieten, zooals zij in de practijk der Britsche Admiraliteit reeds was geworden.

Reeds aanstonds, toen men wel begreep dat de oorlog ter zee gevaar ook voor de neutrale scheepvaart en zeevisscherij met zich brengen zou, maar nog niet kon weten, welke die gevaren zijn zouden en hoe weinig de oorlogvoerenden zich aan het volkenrecht in oorlogstijd zouden houden, werd van verschillende zijden aangedrongen op verzekering van regeeringswege van het oorlogsgevaar ter zee. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 maakte de heer Troelstra zich tot tolk van dat verlangen. Ik antwoordde daarop in dezelfde vergadering afwijzend op de volgende gronden: „Wat wil men eigenlijk—zoo vroeg ik—met dat molest-risico van de Regeering? De Engelsche Regeering, die de zee beheerscht, staat toch voor de quaestie van het molest-risico geheel anders dan de Nederlandsche. Wenscht men het molest-risico op den voet dat de Regeering alle risico op zich neemt en geen premie ontvangt? Dat zal wel niemand verlangen. Als men premie zal verlangen van de zijde der Regeering, van overheidswege, tegenover het gevaar dat men loopt, weet op het oogenblik niemand te zeggen, welke die premie moet wezen. De Regeering is voor deze hoogst moeilijke zaak bovendien niet geoutilleerd, en ik heb daarom met buitengewoon genoegen gezien, dat de reederijen hebben gezegd: wij zullen het onderling klaar spelen; al moet het dan iets meer kosten. Zij kunnen dat toch veel beter dan dat het van regeeringswege geschiedt.

„Onder de tegenwoordige omstandigheden wordt door een aantal personen, ook onder hen die anders zeer wars zijn van regeeringsinmenging, op regeeringssteun gerekend, en wanneer niet van deze zijde, waar toch al zoo buitengewoon veel door de Regeering moet worden gedaan, wat men in normale omstandigheden niet doet, er naar gestreefd wordt, waar het maar eenigszins mogelijk is, het particulier initiatief te laten voorgaan, dan ben ik er diep van overtuigd dat dit de zaak niet beter maar slechter zal maken.

„Maar ik zou den heer Troelstra willen vragen: als de Regeering het molest-risico verzekerde—en ik zou haast zeggen, er gaat geen dag voorbij dat ik geen brief ontvang met het verzoek het molest-risico in overweging te willen nemen—zou dan niet zeer terecht gezegd worden, speciaal door de partijgenooten van den heer Troelstra, dat het toch niet aangaat dat risico te verzekeren voor de lading en niet voor de schepelingen die aan boord zijn? Er is op het oogenblik een zekere terughouding onder de menschen om de zee te bevaren, en ook daarom zal het zaak zijn dat de Regeering niet al te snel is met de verzekering van het molest-risico; hier heb ik in het bijzonder het oog op de visschersvloot. Indien de Regeering met verzekering van molest-risico voor het vischtuig en het schip zelf vrijgevig was, zou er meer uitgevaren worden, dan ik voor mij wenschelijk acht dat met medewerking van de Regeering gebeurt. Ik kan de verzekering geven, dat, indien de toestanden niet zeer veranderen, van mijne zijde van het op zich nemen door de Regeering van molest-risico geen sprake zal zijn”.

Intusschen veranderden de toestanden sedert Augustus 1914 werkelijk zeer aanmerkelijk. Ik had reeds herhaaldelijk gelegenheid daarop te wijzen. Nadat de eerste schok had uitgewerkt, werd het scheepvaartbedrijf algemeen hervat, ondanks de gevaren, die er aan verbonden waren. In de eerste maanden werden deze door de verzekeraars niet zóó zwaar geteld, dat molestverzekering, zij het soms tegen zeer hooge premie, niet meer was te sluiten. Toen echter Duitschland in het begin van Februari 1915 zijn groote verscherping van den duikbootenoorlog aankondigde, had dit ten gevolge dat ernstig met de mogelijkheid moest worden rekening gehouden, dat het particuliere verzekeringsbedrijf het molestrisico niet langer zou aandurven, en dat dien ten gevolge een deel der handelsvloot, noodgedrongen, zou worden opgelegd. Dit had voor Nederland den omvang kunnen krijgen van een calamiteit, te meer daar de beschikbare scheepsruimte voor het geregeld aanvoeren van het regeeringsgraan toch reeds zeer beperkt was. Vandaar dat 24 Februari 1915 een zeer eenvoudig wetsontwerp werd ingediend, volgens hetwelk de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel werd gemachtigd, zoo noodig, van staatswege overeenkomsten tot verzekering van oorlogsmolest te sluiten. Bij dat ontwerp werd te dezen aanzien een ongelimiteerde bevoegdheid aan de Regeering gegeven.

Toen de verscherpte duikbootenoorlog, hoewel ver van onschuldig, voor de neutrale scheepvaart toch niet zulke groote gevaren opleverde, als men er van had gevreesd, en in verband daarmede de molestverzekering, zij het met schommelingen in de premie, op de gebruikelijke wijze kon doorgaan, verflauwde de belangstelling zoowel in reederskringen als in de Tweede Kamer. Naar aanleiding van opmerkingen als gevolg van het afdeelingsonderzoek in de Tweede Kamer, dat het ontwerp te weinig omlijnd was, werd bij de Memorie van Antwoord een uitvoeriger ontwerp gevoegd. De Kamer behandelde dit op nieuw in de afdeelingen, maar liet, nadat de Regeering weer geantwoord had, de zaak rusten, daar de molestrisicoverzekering geregeld haar gang ging. Toen echter in de eerste maanden van het loopende jaar de duikbootenoorlog, zooals bekend is, ook voor de onzijdige scheepvaart veel grootere gevaren dan te voren begon op te leveren, riepen de reederijen op nieuw de tusschenkomst van den Staat in, en nam de Kamer het ontwerp ter hand, dat maanden was blijven liggen. In het begin van Mei 1916 werd het in de Tweede Kamer en spoedig daarna ook in de Eerste Kamer behandeld. Zoo kwam de wet van 7 Juni 1916 betreffende deze aangelegenheid tot stand, waarbij de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel wordt gemachtigd een aanzienlijk deel van het molest-risico van Nederlandsche schepen en aan Nederlanders toebehoorende ladingen zoo noodig te herverzekeren en, als molestverzekering bij particuliere verzekeraars geheel onmogelijk zou zijn, zelfs rechtstreeks van staatswege te verzekeren. Tot nog toe is het niet noodig geweest van die machtiging gebruik te maken. Zelfs een plan tot oprichting van een onderlinge molestverzekeringmaatschappij kwam, wegens onvoldoende belangstelling in reederskringen, niet tot uitvoering. Wel werd, voorzichtigheidshalve, besloten tot de oprichting dier maatschappij over te gaan en werd op de statuten de vereischte Koninklijke bewilliging gevraagd. Maar daarbij zat de bedoeling voor, haar voorloopig slechts formeel, niet daadwerkelijk in het leven te doen treden. Op die wijze zijn thans zoowel de Staat als de belanghebbende reederijen op alle eventualiteiten van den zeeoorlog voorbereid en staan zij bereid om in te grijpen, zoodra dit onverhoopt mocht noodig worden.

Inmiddels is een der krachtigste argumenten, die ik in Augustus 1914 tegen den aandrang van den heer Troelstra deed gelden, vervallen. In verband met de gevaren, die de zeeoorlog voor de schepelingen opleverde en, naar niet ten onrechte gevreesd werd, in verhoogde mate opleveren zou, als Duitschland aan zijn in het begin van Februari 1915 aangekondigde voornemen tot verscherping van den duikbootenoorlog gevolg gaf, werd een ontwerp ingediend tot verzekering van zeevarenden tegen oorlogsongevallen. Na uitvoerige schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling tusschen de Regeering en de Kamer, waaraan ik, volledig instemmend met het doel der regeling, heb medegewerkt, kwam de Oorlogs-Zeeongevallenwet van 8 Mei 1915 tot stand, welke, nadat de noodige uitvoeringsbesluiten waren genomen, op 19 Juli 1915 in werking trad. Deze speciale ongevallenverzekering sluit zich, wat het bedrag der uitkeeringen betreft, zooveel mogelijk aan bij de algemeene regeling van dezen tak der arbeidersverzekering. Zij wijkt daarvan evenwel op belangrijke punten af: 1e wordt ook uitkeering gegeven, als er een ongeval op zee heeft plaats gehad, doch het twijfelachtig is of dit al dan niet een oorlogsramp is te noemen; zonder deze uitbreiding zou de bijzondere oorlogsongevallenverzekering in vele gevallen geen baat gegeven hebben; men denke slechts aan de visschers, die niet terugkwamen na bij de Doggersbank te hebben gevischt; 2e omvat de verzekering ook schadevergoeding voor verlies van uitrusting door de schepelingen; 3e draagt de Staat voor de kleinere vaartuigen de helft, voor de kleinste visschersvaartuigen zelfs drie kwart van de kosten der verzekering, en 4e is de juridische constructie geheel anders dan bij de Ongevallenwet.

Ter uitvoering van de wet is een Onderlinge Oorlogszeeongevallenverzekering Maatschappij opgericht, welke het overgroote deel der risico’s verzekerd heeft. Hoewel de kosten voor de heel kleine visschersvaartuigen tot 1⁄4 van de premie zijn teruggebracht, was voor enkele kustvisschers zelfs die kleine uitgaaf nog te hoog; in die gevallen is het Kon. Nat. Steuncomité bijgesprongen en heeft dit het niet ten laste van het Rijk komende deel der premie voor zijn rekening genomen.

Intusschen neemt de omstandigheid dat de scheepvaart aan groote oorlogsgevaren en oorlogsbelemmeringen heeft bloot gestaan en nog bloot staat, niet weg, dat het haar financieel zeer voor den wind is gegaan. Niet minder dan voor de visscherij en den landbouw, is de oorlogsconjunctuur haar gunstig geweest. Reeds aanstonds werd de voor handelsdoeleinden beschikbare scheepsruimte zoowel wegens het stilliggen van de Duitsche en de Oostenrijksche koopvaardijschepen als wegens het gebruik van een deel der handelsvloot van de geallieerden voor oorlogsdoeleinden, zoozeer ingekrompen, dat de scheepsvrachten enorm stegen. Later werden deze factoren nog versterkt door het te loor gaan van een aantal schepen als slachtoffers van den duikbooten- en mijnenoorlog. Met eenige schommelingen werden ten gevolge van een en ander de scheepsvrachten in den oorlogstijd ongekend hoog. De Achtste Nota betreffende den Economischen toestand zegt daaromtrent:

„De zeevrachten stegen in het laatste halfjaar van 1915 weder belangrijk en liepen op tot, ook in deze abnormale tijden, ongekende hoogte. Er is nog niet de minste reden te verwachten, dat er een verlaging van vrachten zal intreden. In aanmerking toch dient te worden genomen, dat van de totale (wereld-koopvaardij-) scheepsruimte die door deskundigen geschat wordt op 45 millioen ton, thans ongeveer 10 millioen ton aan de wereldmarkt onttrokken is, w.o. 51⁄2 millioen ton der buiten gebruik zijnde Duitsche koopvaardijvloot. De behoefte aan scheepsruimte, die voor de militaire transporten der oorlogvoerende mogendheden steeds stijgende is, heeft een zeer grooten invloed op de vrachten, terwijl deze natuurlijk ook beïnvloed worden door de hooge kolenprijzen.

„De vrachten op Ned.-Indië hebben in het laatste halfjaar van 1915 niet de hoogte bereikt, overeenkomstig aan die der andere vrachten. Waar de rijzing van deze in het wereldverkeer ongeveer 300 tot 400 pct. bedraagt, zijn de Indische vrachten op een stijging met 100 pct. blijven staan”.

Dit heeft geleid tot een tweeledig gevolg. Met de stijging der vrachten gingen de prijzen der vaartuigen zelf zoozeer in de hoogte, dat verschillende reederijen haar oude booten aan buitenlanders verkochten voor sommen, die zelfs de bouwkosten ver te boven gingen. Daartegenover werden de scheepswerven bestormd met nieuwe bestellingen. Dezelfde Economische Nota zegt van dit hoogst opmerkelijke verschijnsel:

„De oorlog heeft op de Nederlandsche vloot den merkwaardigen invloed, dat deze een verjongingskuur ondergaat.

„Booten, die voor 15 jaren gebouwd waren, en dus reeds zoo goed als afgeschreven waren, werden verkocht voor eenige malen hun kostprijs. De Nederlandsche werven hebben geen plaats genoeg om nieuwe bestellingen uit te voeren.

„Loopt een vaartuig van de helling, of is er een order definitief geplaatst, dan kan de reeder vaak met een winst van 3 maal de waarde van het schip, dit of het contract tot aanbouw verkoopen. Het is een gelukkig bewijs van het vertrouwen onzer Nederlandsche reederijen in de toekomst en van de energie onzer vooraanstaande mannen op dit gebied, dat slechts betrekkelijk weinigen tot nu toe bezweken voor de verleiding, om aldus gemakkelijk een schitterende winst te maken door den verkoop van nieuw gebouwde vaartuigen. De verkoop van reeds in gebruik zijnde vaartuigen nam echter toe.

„Wellicht in nog grootere mate dan de vaste lijnen hebben de reeders der z.g. „wilde vaart” hunne financieele positie in hooge mate versterkt. Dezen hebben toch veel kleinere algemeene onkosten.

„In het algemeen hebben de aan den oorlogstoestand verbonden onkosten (molestverzekeringspremiën, oponthoud, hooger loonen der bemanning enz.) geen belangrijken invloed uitgeoefend op de groote winsten die gemaakt worden.

„De Nederlandsche koopvaardijvloot vermeerderde gedurende 1915 met 33 stoomschepen en 7 motorbooten met een inhoud van 121.113 br. ton en verminderde door verkoop en verlies met 50 stoomschepen, 1 motorboot en 1 stoomlichter in totaal metende 118.990 br. ton. Dat echter in het laatst van 1915 en het begin van 1916 door verkoop en verlies van schepen een achteruitgang van de vloot intrad, blijkt uit het feit dat van eind Augustus 1915 tot begin Februari 1916 22 schepen boven 400 ton verkocht werden en 9 verloren gingen, te zamen met 104.000 ton, terwijl er bij kwamen 12 schepen met te zamen 38.000 ton, per saldo dus een achteruitgang van 66.000 ton”.

Ware het bij de verjongingskuur gebleven, dan zou daarin een onvermengd verblijdend verschijnsel te zien zijn geweest. Nu zij echter sedert de laatste maanden van 1915 gepaard ging met een afneming van scheepsruimte grooter dan de toeneming door aanbouw, lag daarin voor de toekomst onzer scheepvaart een groot gevaar en dreigden de moeilijkheden, die reeds bij den aanvoer van tarwe, mais en kolen—om van andere goederen niet te spreken—zoowel door de Regeering als door particulieren werden ondervonden, nog grooter te worden, waardoor ook de verzorging van de bevolking met de benoodigde waren in gevaar zou worden gebracht. Dit mocht en kon de Regeering niet lijdelijk aanzien. Vandaar dat zij zich genoodzaakt zag in het begin van het loopende jaar een wetsontwerp aan de Staten-Generaal voor te leggen, waarbij haar de noodige macht gegeven werd tot het keeren van verkleining onzer handelsvloot door verkoop naar den vreemde. Dit leidde tot de Schepenuitvoerwet van 18 Maart 1916, waarvan de hoofdstrekking is, dat Nederlandsche schepen zonder schriftelijke toestemming van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel niet aan buitenlanders mogen worden verkocht.

§ 4. Handel.

Ook al waren de verdragen omtrent het zeeoorlogsrecht door de oorlogvoerenden stipt in acht genomen, dan nog zouden niet alleen de scheepvaart maar ook de overzeesche handel groote moeilijkheden ondervonden hebben. De oorlog zooals hij in werkelijkheid, inzonderheid door Engeland, werd gevoerd, verergerde die nog zeer. Waar Engeland aan Duitschland den toevoer van overzee wilde afsnijden en Nederland verplicht was den doorvoer van goederen op den Rijn vrijelijk toe te laten, was het voor Nederland van het hoogste belang het standpunt vast te stellen, dat het tegenover den economischen oorlog van Engeland tegen Duitschland, in verband met de gewaarborgde vrije vaart op den Rijn, zou innemen.

In een buitengewoon nummer van de Staatscourant van 21 Augustus 1914 werd in verband met de Rijnvaartakte, welke in art. 7 de vrije doorvaart op den Rijn waarborgt, door de Regeering officieel bekend gemaakt, wat gedurende den oorlog als doorvoer en wat als invoer in- en uitvoer uit het vrije verkeer zou worden beschouwd. Deze vraag was van belang zoowel wegens de maatregelen der oorlogvoerenden in verband met de absolute en conditioneele contrabande als voor de toepassing der wet op de uitvoerverboden, welke—zooals in hoofdstuk II werd herinnerd[23]—de doorvoer ook der ten uitvoer verboden goederen vrijliet. In die kennisgeving werd vooropgesteld, dat het verschil tusschen doorvoer eenerzijds en in- en uitvoer uit het vrije verkeer anderzijds zou worden beantwoord met inachtneming der op dit stuk bestaande handelsgebruiken. Deze volgende, werd als doorvoer beschouwd het vervoeren van: a. goederen verzonden met doorcognossementen naar hooger aan den Rijn gelegen landen; b. goederen ten doorvoer naar die landen aangegeven op het oogenblik dat het schip waarin zij geladen zijn, eene Nederlandsche haven, waar zij op lichters voor den Rijn kunnen worden overgeladen of in entrepôt kunnen worden opgeslagen, is binnengeloopen; c. goederen, waarvan de bestemming naar een dier landen bij aankomst in de haven uit bescheiden blijkt.

Uitdrukkelijk werd daaraan door de Regeering toegevoegd: „De papieren aan boord der zeeschepen, die voor zulk eene Nederlandsche haven bestemd zijn, zijn dus voor de beoordeeling of de lading bestemd is voor invoer in Nederland of voor doorvoer voor een ander land in het algemeen niet beslissend.

„Uitzondering hierop is er intusschen in die gevallen, waarin die papieren een waarborg bevatten, dat het goed uitsluitend voor Nederland bestemd is en niet naar een ander land zal worden doorgevoerd of uitgevoerd, zooals bij voorbeeld thans met uit Engeland ingevoerd wordende steenkolen het geval kan zijn.

„Voorts zij er uitdrukkelijk op gewezen, dat de Regeering zoo dikwijls zij dit in ’s lands belang noodig oordeelt, levensmiddelen; oorlogsbenoodigdheden, grondstoffen voor een en ander en al hetgeen middellijk voor de verdediging des lands noodig zijn kan, tegen schadevergoeding in bezit kan nemen en dat zij van deze bevoegdheid gebruik zal maken, onverschillig voor wien of wie de goederen bestemd zijn en aan wien of wie zij toebehooren.”

Het laatste lid van deze kennisgeving betreft de uitvoering der wet ter voorkoming van vasthouding en prijsopdrijving van waren, waarover in hoofdstuk II uitvoerig gesproken werd. De beteekenis Van dat deel der kennisgeving werd daar reeds behandeld[24].

Ook zonder in de keuken te hebben kunnen neuzen, waarin deze kennisgeving werd bereid, kan men uit haar bewoordingen wel afleiden, dat zij niet door ééne enkele gedachte wordt beheerscht, maar min of meer het karakter draagt van een compromis tusschen verschillende opvattingen, waarbij die welke ook voor den oorlogstijd het verschil tusschen doorvoer en in- en uitvoer meende te moeten doen beslissen door de handelsgebruiken uit vredestijd de bovenhand hield. Zoo is het dan ook inderdaad geweest. Er werd bij de behandeling dezer aangelegenheid in den Ministerraad, o.a. door mij, een andere opvatting voorgestaan, waarvan ik overtuigd was en nog ben, dat zij niet alleen niet met de letter of den geest van de Rijnvaartakte in strijd was, maar ook den plicht der onzijdigheid tegenover Duitschland niet te na kwam. Die opvatting zou aan het doorlaten van overzeesche goederen uit een onzer havens over den Rijn, voor zoover die doorlating bij de Britsche opvattingen, wijzigingen en aanvullingen van de Londensche Zeerecht Declaratie nog mogelijk was, niets hebben te kort gedaan, maar zij zou de aanhouding van Nederlandsche schepen door Britsche of Fransche marine-autoriteiten in den aanvang waarschijnlijk eenigszins hebben beperkt.

Die afwijkende opvatting ging hiervan uit, dat men in oorlogstijd het verschil tusschen doorvoer en in- en uitvoer niet meer kan doen beslissen door handelsusantiën uit vredestijd, maar een zoodanig criterium daarvoor stellen moet, dat de gezaghebber van een oorlogsschip van een der belligerenten, die, gebruik makend van zijn volkenrechtelijke bevoegdheid, het Nederlandsche vaartuig tot onderzoek van de lading aanhoudt, uit de papieren aan boord kan zien of hij te doen heeft met doorvoergoed dan wel met goed, dat in het vrije verkeer in Nederland wordt ingevoerd.

In de hoofdzaak ging die opvatting dus lijnrecht in tegen de officieele verklaring van 21 Augustus, die juist uitdrukkelijk deed uitkomen dat de onderzoekende belligerente marine, wat dit punt betreft, op één uitzondering na, niet op de scheepspapieren kon afgaan, en de handelsusantiën uit den vredestijd ook voor den oorlogstoestand deed beslissen.

Art. 7 der Rijnvaartakte, waarom het hier in de eerste plaats gaat, bepaalt: „De doorvoer van alle goederen langs den Rijn, van Bazel tot in open zee, is vrij, tenzij gezondheidsmaatregelen uitzonderingen noodzakelijk maken.—Voor dezen doorvoer, hetzij die regtstreeks plaats heeft of wel met overlading, of na opslag in entrepôt, worden door de Oeverstaten geen regten geheven.” Wat doorvoer is, laat dit tractaat in het midden; alleen in zoover geeft het terloops eene uitlegging daarvan, welke onder alle omstandigheden behoort te worden geëerbiedigd, dat een vervoer, hetwelk op zichzelf als doorvoer is te beschouwen, door overlading of tijdelijken opslag der goederen in entrepôt dat karakter niet verliest.

Waar nu vaststond, dat voor zoover de Britsche marine doorvoer naar Duitschland toeliet, het den Duitschen handelaren niet schaden kon, dat de doorvoerbestemming uit de scheepspapieren bleek, en 2º voor zoover de Britsche marine doorvoer naar Duitschland niet toeliet, goederen waarvan de eindbestemming uit de scheepspapieren niet bleek, toch zouden worden aangehouden, maakte men het m.i. Duitschland in geen enkel opzicht gemakkelijker door aan de gebruikelijke opvatting omtrent het begrip doorvoer voor den oorlogstijd vast te houden, maar veroorzaakte men wel aan de Nederlandsche scheepvaart meer last dan strikt noodig was, omdat men ook die schepen aan aanhouding blootstelde, welker lading bestond uit niet voor doorvoer bestemde en ten uitvoer verboden goederen. Toen de Ministerraad in meerderheid evenwel de voorkeur gaf aan een opvatting van het doorvoerbegrip, waarbij zelfs de schijn van het zich niet strikt houden van de Rijnvaartakte werd vermeden en elk geschil hieromtrent van tevoren werd afgesneden, legde de minderheid zich daarbij natuurlijk neer.

Indien hare opvatting was gevolgd, zouden voor doorvoer alleen zijn in aanmerking gekomen de goederen bedoeld onder a. van de kennisgeving van 21 Augustus 1914. Doorcognossementen als daar worden genoemd, zijn in den handel niet onbekend; zij komen o.a. voor bij goederen, welke uit een niet aan zee gelegen plaats van Noord-Amerika eerst per spoor en vervolgens per scheepsgelegenheid worden vervoerd; voor de vaart op den Rijn zijn zij niet gebruikelijk.

Ik erken volmondig, dat ik in het licht der later opgedane ervaring omtrent het allengs scherper voeren van den economischen strijd van de zijde der geallieerden tegenover Duitschland en omtrent het daarbij allengs minder ontzien van de rechten der neutralen, thans zelf er niet meer zoo zeker van ben, dat het volgen van de door mij voorgestane opvatting den last der aanhouding door Britsche of Fransche marineschepen voor de Nederlandsche koopvaardijvloot in beteekenende mate zou hebben verlicht. Het scheen mij echter niet van belang ontbloot, door eenigszins uitvoerig op deze zaak in te gaan, scherp te belichten, hoe, in tegenstelling met het ter zijde stellen van hun hinderlijke tractaatsbepalingen door alle oorlogvoerende partijen, Nederland zich zóó nauwgezet aan zijn verdragverplichtingen hield, dat het zelfs den schijn van inbreuk daarop niet wilde op zich laden, hoewel het door dien schijn te aanvaarden, aan de belangen der staten met wie het de Rijnvaartakte sloot, in geen enkel opzicht zou hebben geraakt, en in het wezen der zaak zijn verplichtingen ten volle zou zijn nagekomen en zijn eigen handelsmarine zou hebben gebaat.

Er was intusschen, toen gevaar dreigde van gebrek aan goederen, welke door de oorlogvoerenden en inzonderheid door de geallieerden als conditioneele contrabande werden beschouwd, voor onze Regeering nog meer te doen. Toen de eischen van de Britsche autoriteiten voor het bewijs dat van Engeland te betrekken goederen uitsluitend voor „home consumption” bestemd waren, al heel spoedig zóó streng werden, dat het aan particuliere handelaren niet wel mogelijk was daaraan te voldoen, nam ik, in overleg met mijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in overweging, aan importeurs, wier betrouwbaarheid buiten twijfel stond, verlof te geven bepaalde goederen, waaraan hier gebrek bestond of dreigde te ontstaan en waarvan de uitvoer was verboden, aan order van de Regeering te adresseeren, hetgeen aan de onderzoekende marine-autoriteiten van oorlogvoerenden afdoenden waarborg geven zou, dat het aldus geadresseerde goed uitsluitend voor verbruik binnenslands bestemd was.

Dit ging intusschen niet zoo gemakkelijk. Er moest een overeenkomst worden ontworpen, die niet slechts bindend zou zijn voor den importeur, maar ook voor de latere koopers van de aan de Regeering geconsigneerde goederen. Voor de uitvoering van dezen maatregel werd aan de afdeeling Handel van het Departement de heer H. Bock, die ervaring had op het gebied der scheepsbevrachting, tijdelijk toegevoegd. De maatregel bleek weldra ook noodig voor waren, die niet uit Engeland maar van elders over zee voor gebruik hier te lande werden verscheept. Het eerst werd een overeenkomst van laatstbedoelden aard gesloten met de Holland-Amerika lijn. De Regeering had er groot belang bij, dat inzonderheid de booten van deze lijn niet zouden worden aangehouden, voor zoover zij graan aan boord hadden, dat voor Rijksrekening was gekocht.

Den 6den September 1914 werd een mededeeling in de Staatscourant geplaatst, „dat goederen waarvan de uitvoer hier te lande is verboden en die uit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland zullen worden verzonden, aan de Nederlandsche Regeering kunnen worden geadresseerd, na daartoe van de Regeering verkregen toestemming. Ook ten opzichte van goederen die uit andere landen dan de Vereenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland zullen worden verzonden, kunnen in bijzondere gevallen soortgelijke maatregelen getroffen worden.

„Verzoeken tot het verkrijgen van zoodanige toestemming moeten, wanneer het vervoer per Holland-Amerika-Lijn zal geschieden, uitsluitend door tusschenkomst van de Holland-Amerika-Lijn te Rotterdam worden ingediend, enz.”.

Bij de uitvoering van dezen noodmaatregel had men groote en aangroeiende moeilijkheden te overwinnen. Men moest onderscheid maken tusschen bona fide handelaars, met wie men wèl zulk een overeenkomst wilde aangaan en andere, met wie men dit niet wenschte; een onderscheiding die voor een Regeering bij uitstek moeilijk is en waarbij men onvermijdelijk gevaar loopt den schijn van willekeur en bevoorrechting op zich te laden. Vooral in oorlogstijd, wanneer de Regeering meer nog dan anders gedragen moet worden door het algemeene vertrouwen, is dat ver van onbedenkelijk. Bovendien lag voor de hand, dat bij overtreding van contractueele verplichtingen ten aanzien van goederen, die aan de order van de Regeering waren geconsigneerd, daarin een bron van internationale moeilijkheden kon schuilen.

Het was daarom bijzonder gelukkig dat uit den handel zelf het plan opkwam en tot uitvoering werd gebracht, om de taak, welke, naar men voorzag, voor de Regeering te zwaar moest worden, van haar over te nemen. Dit denkbeeld is zeker wel het meest belangrijke product van de Commissie voor den Nederlandschen Handel, die zich in September 1914 had gevormd met het doel de Nederlandsche handelaars voor te lichten omtrent hetgeen in den oorlogstoestand wèl en hetgeen daarin niet geoorloofd was. Die Commissie, waarvan de heer C. J. K. van Aalst voorzitter was en die als leden telde de heeren A. G. Kröller, Jhr. L. P. D. Op ten Noort, Joost van Vollenhoven en Prof. Mr. C. van Vollenhoven, bracht bij monde van haar voorzitter zoowel den Minister van Buitenlandsche Zaken als mij op de hoogte van haar voornemen.

Mij viel een pak van het hart, toen ik in het begin van October van dit plan vernam. Er zou in samenwerking met vertegenwoordigers van den Nederlandschen handel en van de Nederlandsche scheepvaart die wegens hun standing het volle vertrouwen van de oorlogvoerenden zouden hebben, een vereeniging worden opgericht, welke tegenover de belligerenten de garantie zou op zich nemen, dat goederen, die aan haar zouden worden geadresseerd, uitsluitend binnenslands zouden worden verbruikt. Gelijk wel van zelf spreekt, kon dit denkbeeld alleen levensvatbaarheid hebben, indien van te voren vaststond, dat het bij de betrokken oorlogvoerenden een gewillig oor zou vinden. Aangezien vooral voor den toevoer van over zee van goederen voor binnenlandsch verbruik gevaren dreigden, was het in de eerste plaats van belang, dat de grondleggers van het plan tot overeenstemming zouden komen met de geallieerden en wel vooral met de Britsche autoriteiten over de waarborgen, welke deze verlangden, opdat goederen, die aan order van de op te richten vereeniging zouden worden geconsigneerd, vrij zouden worden doorgelaten. Reeds het voeren van zulke onderhandelingen kon beter geschieden door hoogstaande particuliere personen dan door de Regeering, die daarbij lichter in conflict zou zijn gekomen met hare neutraliteitsverplichtingen. Nadat, na veel onderhandelen, overeenstemming was verkregen, kon den 24sten November de akte van oprichting der Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij worden verleden. Zoo kwam de spoedig algemeen bekend geworden N. O. T. tot stand, waarvan de heer C. J. K. van Aalst par droit de conquête tot voorzitter werd benoemd. De dagelijksche leiding kwam in handen van een Uitvoerende Commissie, die geregeld tweemaal per week onder leiding van den president bijeenkwam; den heer Joost van Vollenhoven werd de zorg voor de geregelde dagelijksche uitvoering van de besluiten der Commissie opgedragen. De heer Bock ging naar de N. O. T. over, inzonderheid voor de liquidatie der contracten waarbij toestemming was gegeven goederen aan order van de Regeering te consigneeren.

Het doel der maatschappij werd aldus omschreven: „het verleenen van hare tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten behoeve van Nederlandsche kooplieden of Nederlandsche vennootschappen van koophandel ter verzekering van den ongestoorden aanvoer van overzee van artikelen, welke door oorlogvoerende mogendheden tot absolute dan wel conditioneele contrabande zijn verklaard of daartoe alsnog verklaard zouden kunnen worden.” Later werd die omschrijving verruimd. Zij luidde toen: „het verleenen van hare tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten behoeve van Nederlandsche kooplieden of vennootschappen van koophandel ten einde, ondanks den bestaanden oorlogstoestand, den ongestoorden aanvoer en uitvoer van goederen zooveel mogelijk te verzekeren.” Deze verruiming was drieledig. In de eerste plaats werd niet meer gesproken van aanvoer van overzee, maar van aanvoer in het algemeen. Daaruit volgde dat de N. O. T. niet langer haar tusschenkomst alleen zou verleenen ter bevordering van den aanvoer van producten van Britschen of Franschen oorsprong en van waren die, hoewel afkomstig uit neutrale landen, aan het onderzoek van de marine-autoriteiten der geallieerden waren onderworpen, maar ook ter bevordering van den aanvoer van Duitsche en Oostenrijksche goederen. Deze aanvulling van het doel der maatschappij was een verbetering zoowel uit het oogpunt der wenschelijkheid, dat een lichaam van zoo overwegende beteekenis voor den handel, als de N. O. T. in den oorlogstijd was, een zoo neutraal mogelijk karakter hebben zou en uitsluitend Nederlandsche handelsbelangen zou voorstaan, alsook om de practische overweging, dat tusschenkomst van een daarop ingericht lichaam ook noodig kon zijn om van Duitsche autoriteiten te verkrijgen, dat zij grond- of hulpstoffen, waaraan in Nederland de nijverheid of de landbouw behoefte hadden, ten uitvoer naar hier zouden vrijlaten onder waarborg, dat die stoffen niet naar een aan Duitschland vijandig land zouden worden uitgevoerd. Men denke slechts aan de kleurstoffen ten behoeve van de textielnijverheid. Men mag het aan de N. O. T. niet verwijten dat dit deel der verruiming harer statuten weinig effect heeft gesorteerd. Duitschland gaf er de voorkeur aan, het binnenslands blijven der van daar ingevoerde goederen door eigen agenten te doen controleeren.

In verband hiermede werd, nadat de Commissie voor de voeding van mensch en dier was tot stand gekomen, welke in hoofdstuk II werd besproken[25], nauwe samenwerking tusschen haar en de N. O. T. verzekerd, doordien de N. O. T. een Commissie voor het handelsverkeer met het buitenland benoemde, welke met de Commissie voor de voeding van mensch en dier geregeld voeling zou houden. Van die commissie uit de N. O. T. werd de heer A. G. Kröller als president aangewezen; als leden werden daarin opgenomen de heeren E. Heldring en W. Westerman, en voorts de heeren Joost van Vollenhoven als dagelijksch uitvoerder der zaken van de N. O. T. en Mr. J. T. Linthorst Homan als voorzitter van de Commissie voor de voeding van mensch en dier. „Op deze wijze”—zoo zegt de Zesde Nota betreffende den Economischen Toestand—”wordt er, op de meest doeltreffende wijze gezorgd voor de behartiging van de belangen van de nijverheid en den handel.”

In de tweede plaats kon de N. O. T., na de verruiming der omschrijving van haar doel, haar tusschenkomst ook verleenen ter vergemakkelijking van den uitvoer van Nederlandsche producten. Voor den uitvoer naar Duitschland, dat aan Nederlandsche producten, inzonderheid aan onze voortbrengselen van landbouw en veeteelt groote behoefte heeft, was zulk een tusschenkomst weinig noodig. Maar toen de geallieerden den economischen oorlog ook in dien zin toespitsten, dat zij den invoer binnen hun gebied van waren, die verdacht konden worden van Duitschen oorsprong te zijn, met alle middelen tegengingen en in verband daarmede voor de producten van neutrale landen het gedekt zijn door een vertrouwbaar certificaat van oorsprong verlangden, lag ook hier voor de N. O. T. een veld van werkzaamheid open. Bij deze aangelegenheid moest zij in voortdurende verbinding staan met het Ministerie van Financiën, dat in het begin van 1915 een uitgewerkte regeling omtrent de afgifte van certificaten van oorsprong trof en openbaar maakte.

In de derde plaats behoefde de N. O. T. zich, na de verruiming van haar statutair doel, in haar werkzaamheid niet te beperken tot goederen, die door een der oorlogvoerenden tot absolute of tot conditioneele contrabande waren verklaard. Bij de gestadige uitbreiding welke—zooals wij in de vorige paragraaf zagen—het begrip conditioneele contrabande kreeg, werd het onderscheid tusschen vrij goed en contrabande allengs moeilijker. Bovendien moest rekening gehouden worden met het verbod aan Britsche onderdanen om handel te drijven met den vijand. Dien ten gevolge waren voor invoer van Britsche goederen, ook al stonden zij niet op de steeds aangroeiende contrabande-lijsten, waarborgen noodig dat zij hier zouden blijven. De tusschenkomst van de N. O. T. kon reeds uit dezen hoofde niet tot de contrabande-goederen beperkt blijven, en bij het voortdurend scherper worden der economische oorlogsmaatregelen, die steeds grootere belemmeringen voor den neutralen handel met zich brachten, was zij wel genoodzaakt consignatie van alle soorten van goederen aan haar adres te aanvaarden.

Zoowel omtrent den werkkring als omtrent de beteekenis die de N. O. T. voor den handel in den oorlogstijd gehad heeft en nog heeft, zijn vaak de grofste misvattingen aan den dag gekomen. Zij heeft zich niet opgeworpen als makelaar voor den internationalen handel; ook expediteursdiensten bood zij niet aan en heeft zij niet verricht. Zij is niet meer en heeft niet meer willen zijn, dan een bij de belligerenten vertrouwen verdienend en vertrouwen inboezemend adres, waarheen van buitenaf goederen konden worden toegezonden, waaromtrent zekerheid werd verlangd, dat zij niet naar elders zouden worden uitgevoerd, maar binnenslands zouden worden verbruikt. Zulk een algemeen consignatiekantoor voor den internationalen handel zou in vredestijd een onding en een sta-in-den-weg zijn; in oorlogstijd was het, zoo men wil, ook een kwaad, maar dan een noodzakelijk kwaad dat, als kind der omstandigheden geboren wegens zijn onmisbaarheid met den dag groeide en spoedig een veel grooteren omvang kreeg dan zelfs de oprichters hadden verwacht. Begonnen met een bureau van een paar kamers en met een klein personeel, breidde zij zich spoedig zoodanig uit, dat het ééne huis na het andere, vooral in de Parkstraat en omgeving in Den Haag gehuurd moest worden en dat het personeel tot omstreeks 1000 aangroeide. De N. O. T. heeft aan Nederlands handel en nijverheid onschatbare diensten bewezen, die over het algemeen niet op haar juiste waarde zijn gesteld. Niettegenstaande de statuten der maatschappij zoowel het drijven van zaken voor eigen rekening als elk winstbejag uitdrukkelijk uitsluiten en het overschot der inkomsten, nadat het gestorte vennootschappelijk kapitaal, dat slechts een betrekkelijk zeer klein bedrag uitmaakt, 4 pct rente zal hebben genoten, bestemd is voor het Kon. Nat. Steuncomité (zooals in hoofdstuk III § 1 werd medegedeeld, droeg de N. O. T. aan het Kon. Nat. Steuncomité in totaal reeds ƒ 600.000 af), kan men telkens hooren, dat zij schatten verdiende en een goudmijn was voor hare aandeelhouders. Deze averechtsche voorstelling is te verklaren uit de groote achterdocht, die het publiek helaas maar al te zeer geneigd is aan den dag te leggen ten aanzien van dingen, welke het niet goed begrijpt, vooral als daarbij invloedrijke personen op financieel en handelsgebied betrokken zijn. Zij was bovendien zoozeer in strijd met den feitelijken toestand, dat zij slechts wortel kon schieten bij hen, die in het geheel niet op de hoogte waren van hetgeen zij beoordeelden en, indien hun voorstelling met de feiten had gestrookt, terecht zouden hebben veroordeeld.

Daarnevens kwamen de klachten van hen die niet geholpen konden of mochten worden en die dadelijk gereed waren dit aan achteruitzetting en verwaarloozing hunner belangen toe te schrijven, en de N. O. T. van willekeur en bevoorrechting beschuldigden. Zonder twijfel heeft ook zij fouten gemaakt en zullen door haar ook wel onwillekeurig niet steeds alle aanvragers met gelijke maat zijn gemeten; dat is bij zulk een noodinstelling, welke plotseling geplaatst wordt voor een reuzentaak en die in enkele maanden haar personeel van een paar man tot bijna duizend ziet aangroeien, niet geheel te vermijden. Maar zeker geeft dat allerminst recht tot beschuldigingen, als waarop ik het oog heb, welke maar al te vaak zijn verspreid en een maar al te gewillig oor vonden.

Voorts was ook de N. O. T. niet almachtig; wel verre van dien. Ook zij was afhankelijk van hetgeen oorlogvoerenden, in het bijzonder Engeland, op het stuk van waarborgen voor „home consumption” verlangden. Telkens moest zij op nieuw onderhandelingen voeren, om nu eens het eene, dan weer het andere goed voor invoer hier te lande vrij te krijgen. Niet altijd ging dat even voorspoedig, en de schuld van het oponthoud werd dan, in den regel zeer onbillijk, op haar rug geschoven.

Eindelijk werd zij herhaaldelijk verdacht van niet neutraal te zijn in haar bedoelingen en in haar handelingen, en pro-engelsche neigingen te hebben. Verklaarbaar is het wel, dat deze indruk werd gevestigd, maar gerechtvaardigd niet. Daar onze handel veel meer goederen ontvangt van overzee dan uit Duitschland, waren de onderhandelingen van de N. O. T. met de geallieerden, en inzonderheid met de Britsche regeering, ook veelvuldiger dan die met de Duitsche autoriteiten en waren er meer gelegenheden waarbij zij genoodzaakt was zich te richten naar Britsche eischen omtrent het vrijlaten van invoer naar Nederland, dan waarbij dit moest geschieden ter zake van Duitsche voorwaarden. Nog meer was dit het geval toen de Duitsche regeering van haar tusschenkomst niet langer gebruik maakte en de zorg voor het in Nederland blijven der uit Duitschland ingevoerde waren aan eigen agenten opdroeg. Dit een en ander kon licht een schijn geven, die het wezen der zaak niet dekte. Waar die schijn toch reeds door de omstandigheden zelf werd gewekt, was het dubbel jammer dat, toen bij gelegenheid van een der reizen naar Londen van het bestuurslid der N. O. T., dat met de dagelijksche leiding der zaken was belast, enkele Engelsche bewindslieden hem een beleefdheid bewezen, daaraan ruchtbaarheid werd gegeven op een wijze, welke het karakter dier beleefdheid in een verkeerd licht stelde, haar beteekenis deed overschatten en den valschen schijn, waarvan de N. O. T. reeds te lijden had, nog versterkte.

Doch welke tekortkomingen ook op rekening van de N. O. T. mogen geschreven worden, onze handel en nijverheid en daarmede het heele Nederlandsche volk hebben reden tot groote erkentelijkheid aan hen, die tot de oprichting van deze maatschappij het initiatief namen en niet minder aan allen die zich met de moeilijke en weinig dankbare taak belastten, haar naar hun beste weten en met hun beste krachten aan haar doel te doen beantwoorden. Met de N. O. T. en ondanks haar tusschenkomst, was de internationale handel, inzonderheid de invoerhandel over het algemeen moeilijk, zonder de N. O. T. zou hij zoo goed als onmogelijk zijn geweest. Onder de instellingen die, onder den drang van den oorlogsnood geboren, voor hetgeen zij hebben bijgedragen tot het aan den gang houden van het economisch leven in den oorlogstoestand, recht hebben op erkentelijkheid van de Nederlandsche bevolking zoowel als van de Nederlandsche Regeering, neemt de N. O. T. een eerste plaats in.

Aan de laatste heeft de N. O. T. een taak uit handen genomen, met welker vervulling zij noodgedrongen een aanvang had gemaakt, maar die voor haar van den beginne af zeer bedenkelijke kanten had en, bij den grooten omvang welken die taak kreeg, aan de krachten der Regeering, die toch reeds met werk was overladen, zou zijn te boven gegaan. De oprichting van de N. O. T. geschiedde dan ook niet alleen met medeweten maar met onverdeelde instemming der Regeering, en bij de uitvoering van de taak, welke de maatschappij op zich nam, was er voortdurend nauwe samenwerking met de Departementen van Buitenlandsche Zaken, van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, alsook met de verschillende organisaties op het gebied der uitvoerconsenten, die in hoofdstuk II § 1 behandeld werden, inzonderheid met de Commissie voor de voeding van mensch en dier. Die samenwerking was onmisbaar voor de goede werking der maatschappij; met Buitenlandsche Zaken moest zij voortdurend voeling houden wegens de internationale vragen, die zij telkens op haar weg ontmoette; met Landbouw, omdat de regeling der uitvoerconsenten onder dit Departement staat en er voor gezorgd moest worden, dat geen consenten werden afgegeven voor goederen die onder N. O. T.-verband lagen; met Financiën, omdat dit Departement de zorg heeft voor het beletten der ontduiking van uitvoerverboden en, waar de meeste N. O. T.-goederen onder de uitvoerverboden vielen, voor den staat en voor de N. O. T. een gemeenschappelijk belang aanwezig was, om door samenwerking zoo goed mogelijk te bereiken, dat niet over de grens zou worden vervoerd, wat daarbinnen behoorde te blijven.

De noodzakelijke samenwerking tusschen de N. O. T. en de genoemde Departementen, de Commissie voor de voeding van mensch en dier, het Kolenbureau en de Nijverheidscommissie had ten gevolge, dat voortdurend persoonlijke samenkomsten tusschen vertegenwoordigers of ambtenaren van die verschillende Rijks- en semi-officieele instellingen werden gehouden. Die bijeenkomsten hebben hoogst nuttig gewerkt; haar resultaat zou nog grooter zijn geweest en de samenwerking, waarom het te doen was, nog meer hebben bevorderd, indien de leidende persoonlijkheden der noodorganisaties elkander steeds goed hadden begrepen.

Toen de Regeering in de eerste oorlogsmaanden er toe moest overgaan, aan enkele importeurs de bevoegdheid te geven hun waren aan haar te adresseeren, beperkte zij zich, zooals ik in herinnering bracht, tot goederen, waarvan de uitvoer was verboden. De N. O. T. behoefde zich die beperking niet op te leggen en zij zou haar doel slechts zeer onvolledig hebben kunnen bereiken, als zij haar werkkring op die wijze had begrensd. Het waarborgen van het binnen de grens blijven van goederen, waarvan de uitvoer niet was verboden, leverde intusschen groote moeilijkheid op. Wèl werden de overeenkomsten van de N. O. T. met groote zorg opgemaakt; wèl waren volgens die contracten de importeurs verplicht ook aan de koopers hunner goederen op te leggen, dat deze uitsluitend voor binnenlandsch verbruik zouden dienen; wèl werd een bankgarantie van den importeur verlangd, welke door dezen zou worden verbeurd ook als een opvolgend kooper zijner waar de tegenover de N. O. T. aangegane verplichting schond; maar dit alles nam niet weg, dat clandestiene uitvoer van goederen, die onder N. O. T.-verband stonden hoogst moeilijk was te verhinderen, als zij in de derde of vierde hand overgegaan en onder verschillende détaillisten verspreid waren.

Dat de Regeering geen uitvoerverboden kon uitvaardigen om deze moeilijkheid voor de N. O. T. weg te nemen, spreekt van zelf. Wanneer men dan ook de vraag stelt of ter wille van de N. O. T. uitvoerverboden mochten worden uitgevaardigd, kan het antwoord daarop niet anders dan ontkennend luiden. Uitvoerverboden met die strekking werden dan ook in geen enkel geval gesteld. Heel iets anders echter is het, of het stellen van een uitvoerverbod gerechtvaardigd was, als ten aanzien van eenig artikel gebrek dreigde te ontstaan door onvoldoenden toevoer van buiten af en die toevoer alleen kon worden verzekerd, indien de uitvoer van hetgeen voor binnenlandsch verbruik zou worden ingevoerd, niet slechts door de contractueele N. O. T.-voorschriften, maar door een krachtiger werkend en beter te handhaven uitvoerverbod werd verhinderd. Men heeft meer dan eens zich bevreesd gemaakt, in zulk een geval een uitvoerverbod uit te vaardigen en gemeend, dat men dan toch de contractueele verplichtingen tegenover de N. O. T. door een publiekrechtelijke handeling van overheidswege zou sanctionneeren. Die meening is alleen verklaarbaar uit onvoldoend onderscheiden van de verschillende elementen van het geval. De N. O. T. is wel een vereeniging van particulieren, maar zij is opgericht in het algemeen handelsbelang van het land. De waarborgen die zij aan de belligerenten of aan een hunner geeft, dat de aan haar geconsigneerde goederen uitsluitend binnenslands zullen worden verbruikt, geeft zij niet in haar eigen particulier belang, maar in het belang van de voorziening van het land met de voedingsmiddelen en grond- en hulpstoffen voor nijverheid en landbouw, die zij aan zich laat adresseeren. Wanneer nu aan een bepaalde soort dier goederen gebrek dreigt te ontstaan en een uitvoerverbod de aanvulling daarvan kan mogelijk maken of vergemakkelijken, dient de Regeering, die in zulk een geval een uitvoerverbod uitvaardigt, noch het belang van den belligerent, die anders het goed niet zou doorlaten, noch het particulier belang van de N. O. T., maar alleen en uitsluitend het eigen landsbelang, dat voorziening in het dreigende gebrek wenschelijk of zelfs noodig maakt.

Mij is nu en dan gebleken, dat zoowel sommigen mijner gewezen ambtgenooten als enkele leden van het parlement het volgen of althans het openlijk uitspreken van deze redeneering gevaarlijk achtten en daarvoor terugschrikten. Daarvoor bestond, dunkt mij, niet de minste reden. Een dergelijk uitvoerverbod staat ook mijlen ver van hetgeen bedoeld werd met de slotparagraaf van de Britsche „Order in Council” van 15 Maart 1915, waarin verzachting der bepalingen tot het tegengaan van verscheping van goederen met bestemming naar Duitschland werd in uitzicht gesteld voor koopvaardijschepen van eenig land „dat aan handel in goederen bestemd voor of afkomstig uit Duitschland of toebehoorende aan Duitsche onderdanen niet de bescherming van zijn vlag zou verleenen”. Het spreekt wel van zelf, dat het opvolgen van dezen wenk gelijk zou hebben gestaan met het verlaten der neutraliteit op handelsgebied, en het was dan ook geheel correct dat de Minister van Buitenlandsche Zaken dit aan den Britschen gezant in beleefde termen te verstaan gaf. Het uitvaardigen van uitvoerverboden ten aanzien van goederen waaraan hier gebrek dreigde te ontstaan, ging echter met de meest strikte en oprechte onpartijdigheid gepaard; het werd ingegeven door het eigen lands- en volksbelang en bracht aan geen der belligerenten voordeel. Betrof het goederen waaraan in Duitschland gebrek heerschte, dan werd dit niet erger door de omstandigheid dat Nederland zich door het sluiten zijner grens voor die goederen, er tegen waarborgde niet zelf in gelijken toestand te zullen komen.

Waar de prijsverschillen van een aantal goederen aan deze en aan gene zijde van de grens een ongekende hoogte bereikten, bezweken niet alleen Duitsche handelaars en agenten maar ook een helaas veel te groot aantal Nederlandsche kooplieden voor de verleiding, om daarvan te profiteeren en „à la barbe” van uitvoerverboden zulke waren over de grens te smokkelen. Er moest dan ook een voortdurende strijd gevoerd worden tegen de smokkelaars door de ambtenaren, die dien verboden uitvoer hadden te keeren. Dit behoorde tot de taak van de commiezen der directe belastingen, accijnzen en invoerrechten en van hunne superieuren. Zij hebben zich van die taak, op zeer enkele uitzonderingen na, op voorbeeldige wijze gekweten en zich bestand getoond tegen vele en velerlei pogingen tot omkooping. Het corps dezer ambtenaren verdient algemeene waardeering voor de goede eigenschappen en de strenge plichtsbetrachting, waarvan het in den oorlogstijd onder vaak zeer moeilijke omstandigheden, heeft blijk gegeven.

Niettemin waren die ambtenaren, ondanks hun ijver en plichtsbetrachting, niet in staat de smokkelarij afdoende te beteugelen. Zij waren daartoe te gering in aantal en vonden niet voldoenden steun in de wet, welke beter op het tegengaan van smokkelen binnenwaarts dan op dat van het smokkelen buitenwaarts berekend is. Ter aanvulling van de belastingcommiezen en in samenwerking met hen, geschiedde de grensbewaking tot het tegengaan van smokkelarij ook door daartoe aangewezen militie- of landweerplichtigen. Behoudens hoogst enkele uitzonderingen is die opdracht door de officieren, die er mede belast waren, zoo nauwgezet mogelijk vervuld, maar toch was de samenwerking tusschen militaire grenswachten en belastingcommiezen lang niet overal zooals zij wezen moest. Vooral waar, om militaire redenen, de grenswacht was toevertrouwd aan landweerkorpsen uit de te bewaken streek, waren er vaak zooveel banden van bloedverwantschap, vriendschap en nabuurschap tusschen grenswachters en smokkelaars, dat de belastingcommiezen somtijds van de militaire wachters zelfs meer tegen- dan medewerking ondervonden. Ik zou evenwel een verkeerden en onverdienden indruk vestigen, wanneer ik hieraan niet terstond toevoegde, dat de militaire autoriteiten op aandrang van het Ministerie van Financiën met kracht hebben medegewerkt, om in den toestand verandering te brengen en dat daardoor ten slotte een veel verbeterde samenwerking werd verkregen, die aan de bestrijding der smokkelarij zeer is ten goede gekomen. Tot het meer afdoende tegengaan daarvan werden ook verschillende voorschriften van het Departement van Financiën aangevuld en voor zooveel noodig verscherpt, enkele algemeene maatregelen van bestuur uitgevaardigd, en werd de Algemeene Wet van 1821 aangevuld door de wet van 31 December 1915, houdende tijdelijke bepalingen betreffende het vervoer en de nederlage van goederen. Door deze wet werd het nederleggen en buitenwaarts vervoeren van ten uitvoer verboden goederen in de onvrije strook langs de grens meer afdoende bestreden. Den smokkelaars geheel de loef afsteken, is een voor de belastingadministratie wel verleidelijk, maar helaas onbereikbaar ideaal.

Bij een bespreking van den handel mocht ik den smokkelhandel niet ongenoemd laten. Dit zou zoowel onvolledig als ongewenscht zijn geweest. Onvolledig, omdat de smokkelaars er wel voor gezorgd hebben, dat een oud-Minister van Financiën, bij het neerschrijven zijner herinneringen, hen niet vergeten zou; ongewenscht, omdat mijn stilzwijgen over deze wondeplek van het handelsverkeer in den oorlogstijd voedsel zou kunnen geven aan de voorstelling, die vooral in De Telegraaf werd gewekt, dat de Regeering het smokkelaarsbedrijf liefst met den mantel der vergetelheid, zoo niet met dien der liefde bedekte. Zooeven wees ik er zelf reeds op, dat aan de bestrijding van dien handel nu en dan wel wat heeft ontbroken, vooral doordien de samenwerking tusschen de verschillende diensten, die daartegen hadden op te treden, in den aanvang nog al te wenschen overliet. Alleen ergdenkenden en lieden, die het in ’s lands belang achtten de oprechte bedoelingen der Regeering bij een deel der belligerenten, in casu bij de geallieerden, verdacht te maken, konden uit smokkelarijen welke inderdaad zijn voorgekomen,—veel meer dan had moeten zijn geschied,—de conclusie trekken en ook in het buitenland, speciaal in Engeland en Frankrijk, doen ingang vinden, dat de Nederlandsche Regeering het met de bestrijding der smokkelarij zoo nauw niet nam. Daartegenover sta mijne pertinente verklaring, dat zij alles wat in haar vermogen was heeft gedaan en nog steeds doet, om de smokkelarij den kop in te drukken, en dat de lekken, die door de smokkelarij telkens op nieuw werden gestoken, niet zulk een omvang hebben genomen als in de verbeelding van de lezers van het genoemde blad, dat zulke zonderlinge opvattingen heeft omtrent de plichten, die de vaderlandsliefde in oorlogstijd oplegt, door zijn voortdurend geschrijf over en overdrijving van de smokkelarij aan de Duitsche grens, werd gewekt.

Het was waarlijk niet tot zijn genoegen, dat aan douanebeambten, die op smokkelaars hadden geschoten, ook al hadden zij daarbij den verkeerde geraakt, door den Minister van Financiën de hand boven het hoofd werd gehouden. Dit was noodig, omdat die ambtenaren hun zwaren dienst in het geheel niet naar behooren hadden kunnen uitoefenen, indien zij bovendien nog bestraffing hadden te vreezen, wanneer zij zich een enkelen keer vergisten. Bij het lezen van rapporten, inhoudende dat een smokkelaar was doodgeschoten, heb ik het onvermijdelijke van zulke voorvallen erkend en beseft dat deze zijn lot had verdiend, maar tevens toch medelijden gehad met den armen drommel, die in de meeste gevallen slechts handlangersdiensten verrichtte voor den veel grooteren schurk, die, rustig op zijn kantoor gezeten, de drijfkracht was der smokkelarij en zich verrijkte met de resultaten daarvan, aan anderen het gevaar overlatend. Dan kwam bij mij telkens het gevoel op: jammer dat het die andere niet was!

Maar ik zou niet gaarne den indruk vestigen, alsof de sluikhandel in den oorlogstijd het hoofdbestanddeel van onzen handel is geweest. Een volk van smokkelaars zijn wij gelukkig niet, al vindt men smokkelaars in alle lagen der bevolking. De gemoederen waren echter niet alleen bij de oorlogvoerenden, maar ook bij een deel onzer eigen landgenooten zoozeer opgewonden, dat zij het ongeoorloofd achtten en met smokkelarij op één lijn stelden, wanneer handelsbetrekkingen werden onderhouden met in den oorlog betrokken landen, inzonderheid als deze niet op hunne persoonlijke sympathie mochten bogen. Het moest niet noodig zijn zulke dwaze voorstellingen te weerleggen; maar het is helaas noodig. Zij hebben hier maar al te veel ingang gevonden, voor zoo ver zij openlijk aan den dag kwamen, aan onze waardigheid vaak tekort gedaan en ons in de oorlogvoerende landen, inzonderheid bij de geallieerden, nadeel berokkend. Men kan het aan de bevolking van een land, dat in oorlog is, niet kwalijk nemen, dat het niet nauwkeurig onderscheidt, daarom ook in den neutrale alles ongeoorloofd acht, wat met het belang van haar partij niet strookt, en den onderdaan van een neutralen staat, die zijn eigen land bekladt, op zijn woord gelooft en zelfs ten voorbeeld stelt. Den oorlogvoerende verwijt men dat niet; de landgenoot die er oorzaak van is, verdiende te worden gesteenigd.

Daarentegen treft ook den oorlogvoerende gegrond verwijt, als hij het onderscheid tusschen zijn eigen belang en het recht der neutralen zoozeer uit het oog verliest, dat hij met schending van verdragen, welke hij zelf heeft onderteekend, den volkenrechtelijk geoorloofden handel tusschen neutrale landen onderling of van neutralen met zijn vijand verhindert, voor zoover zijn belang dat medebrengt. Zulke indirecte schendingen van den handel door hetgeen Duitschers zoowel als Britten aan het volkenrecht ten aanzien van de scheepvaart misdreven, had ik in de vorige paragraaf reeds al te veel te vermelden.

Rechtstreeks vergrepen de geallieerden zich ook aan het internationale handelsrecht der neutralen door zelfs het internationale brievenverkeer, dat door het Haagsche verdrag van 1907 omtrent de rechten der neutralen bij een oorlog ter zee volkomen gewaarborgd scheen, niet te eerbiedigen.

Artikel 1 van dat zoowel door Frankrijk als door Engeland mede-onderteekende verdrag bepaalt: „De brievenposterij van onzijdigen of oorlogvoerenden, welke ook haar ambtelijke of particuliere aard zij, die op zee op een onzijdig of vijandig schip wordt gevonden, is onschendbaar.” Dit heeft de geallieerden, met name Engeland, niet belet de mail van neutrale schepen, die zijn havens aandeden of zijne territoriale wateren moesten passeeren, aan te houden en te censureeren.

Op verschillende gronden hebben zij gepoogd dit te rechtvaardigen. De mail werd op de open zee inderdaad geëerbiedigd, maar zij werd aangehouden, wanneer onze schepen een Britsche haven aandeden of, als gevolg van de afzetting van het Kanaal door de Britsche marine, verplicht waren, hun vaart onder de kust in Britsche territoriale wateren te nemen. Het feit van het aandoen eener Engelsche haven ontneemt intusschen het neutrale schip niet de onschendbaarheid van de post, welke het aan boord heeft. Elke staat heeft volkenrechtelijk de bevoegdheid brieven, die aan zijn postadministratie worden toevertrouwd, te onderzoeken, onverschillig of zij uit het buitenland komen of niet. In vredestijd maken beschaafde staten van die bevoegdheid geen gebruik. Wordt in oorlogstijd wegens de veiligheid van den staat op de post censuur toegepast, dan heeft men geen recht van beklag, als dit lot ook de mail treft, die de postadministratie van het censureerende land passeeren moet, om haar bestemming te bereiken. Doch daarop kon men zich hier niet beroepen. De mails waarom het hier gaat, worden aan de Britsche postadministratie niet toevertrouwd. Voor de bevordering daarvan heeft het schip haar medewerking niet noodig en vraagt het haar niet. Het geeft die post dan ook niet af; deze wordt hem afgenomen en komt eerst onder het bereik der Britsche postadministratie en van de daarmede verbonden censuur, doordien de gezagvoerder de schending van zijn door internationaal verdrag gewaarborgd recht, bukkend voor overmacht, lijdelijk moet toezien. Ten opzichte van de mail aan boord van schepen, die niet een Britsche haven aandoen, maar door den zeeoorlog gedwongen worden hun vaart door Britsche territoriale wateren te nemen, staat de zaak niet anders; alleen spreekt hier het zooeven aangevoerde nog duidelijker.

Ter rechtvaardiging van hun behandeling der neutrale post, welke zij bemachtigen kunnen, hebben de geallieerden zich voorts er op beroepen, dat de onschendbaarheid der brievenpost niet geldt voor de pakketpost. Dit is op zich zelf genomen juist. Wanneer zij daaruit echter afleiden, dat zij dus ook recht hebben te onderzoeken of niet als brief wordt verzonden, wat feitelijk een pakket is, verlaten zij op hetzelfde oogenblik, dat zij die conclusie trekken, den weg van het recht. Het feit dat kleine pakketten als brief verzonden kunnen worden en ook wel als brief verzonden worden, zal wel niemand betwisten, maar daarover gaat het niet. De geallieerden hebben, zonder eenig voorbehoud, het verdrag geteekend, waarbij de brievenpost onschendbaar werd verklaard. Door te onderzoeken wat die post inhoudt, schenden zij juist wat op het papier onschendbaar was en dat in werkelijkheid had moeten blijven. Door zich hieraan niet te storen, verlaagden zij het door hen geteekend verdrag tot scheurpapier in het wezen der zaak op geen enkelen anderen grond, dan dat hun belang het medebracht.

Ging het om een belangenkwestie, dan zou men Engeland het volste gelijk van de wereld moeten geven. Dat de mail verschillende brieven inhield, die niet strookten met de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden, en dat dit nog veel meer het geval was, toen met haar schending door de geallieerden nog niet behoefde te worden gerekend, is niet aan twijfel onderhevig. En evenzoo zal het wel juist zijn, dat bijv. rubber in brieven verzonden werd. Het belang der geallieerden als oorlogvoerende mogendheid bracht ongetwijfeld mee, dit tegen te houden; maar dit gaf hun daartoe nog geen recht. Voor zoover verzending van contrabande per brievenpost betreft, hadden zij desgewenscht vertoogen kunnen richten tot de neutralen om deze feitelijke uitbreiding van de onschendbaarheid der brievenpost tegen te gaan. Overigens hadden zij er in te berusten, dat neutrale landen, juist omdat zij neutraal zijn, zich niet dienstbaar kunnen maken aan het oorlogsbelang van een der belligerente partijen.

Nederland stelt zich geen partij in de oorlogspolitiek van de geallieerden tegen de centrale mogendheden. Het staat tegenover de economische zijde even onzijdig als tegenover het krijgskundige doel der oorlogspolitiek van de belligerenten. Zijn handelaars doen met Duitschers en Oostenrijkers even goed zaken als met Engelschen, Franschen of Italianen. Zij hebben daarbij niets anders te eerbiedigen dan de wetten van hun eigen land, de verdragen, waartoe Nederland is toegetreden, en hun eigen woord. Binnen die perken blijvend, zullen hunne internationale handels-transacties en de daarop betrekking hebbende correspondentie nu eens aan een der oorlogvoerenden, dan weer aan de andere belligerente partij onwelgevallig zijn. Dit geeft aan geen hunner het recht, die correspondentie te onderzoeken en te belemmeren, als zij die, met schending van het bij tractaat erkende recht der neutrale staten gedurende den oorlog ter zee, onder haar machtssfeer heeft gebracht.

Het strekt der Nederlandsche Regeering en inzonderheid den Minister van Buitenlandsche Zaken tot eer, dat het haast overbodig is mede te deelen, dat tegen de schending onzer mail met klem werd geprotesteerd, evenals dit telkens gebeurde bij schending van bij tractaat gewaarborgde rechten, van welke zijde zij ook kwam. De schending van de post tastte het onbetwistbaar recht der neutralen tot het drijven van handel met alle oorlogvoerende partijen in zijn wortel aan. Daarom moest die schending hoog opgenomen worden en werd zij ook hoog opgenomen. Het is plicht van elke neutrale Regeering en van elk neutraal volk dat recht hoog te houden en tegen elken inbreuk daarop, met de krachten die men heeft, op te komen en, als men niet krachtig genoeg is om die inbreuken te verhinderen, daartegen met klem te protesteeren. En dat niet slechts uit eigen belang, maar ook terwille van eigen waardigheid, en niet minder ten bate van de internationale samenleving, die aanstonds hervat worden moet! Het is al erg genoeg, dat voor de eene helft van Europa haast de geheele andere helft vijand is, en dat dientengevolge de begrippen vreemdeling en vijand even dicht tot elkander genaderd zijn als in de vroegste middeleeuwen het geval was. De oorlog heeft de volksziel eeuwen achteruit gezet. Wanneer hij bovendien nog moest teweegbrengen, dat het internationale verkeer als minderwaardig werd beschouwd en teruggedrongen, zou hij zich aan de beschaving, aan den menschelijken vooruitgang, zelfs nog meer hebben bezondigd dan door den reusachtigen menschenmoord, die nu reeds meer dan twee jaren met toenemende bitterheid en toenemende verfijning voortduurt. Hij zou dan aan dien vooruitgang een zijner onmisbare economische levenswortels hebben afgesneden en daarmede Europa in den wedstrijd der volken ten ondergang hebben gedoemd.

Men meene intusschen niet, dat deze beschouwing zich speciaal tegen de geallieerden keert. Zij geldt tegenover Duitschland evenzeer als tegenover Groot-Brittannië. Alleen komt men onwillekeurig meer in opstand, wanneer men zulke schendingen van het internationale recht der neutralen in oorlogstijd ziet begaan door een land als Engeland, een handeldrijvend land bij uitnemendheid, een land bovendien dat zich zelf en anderen heeft diets gemaakt, dat het ter wille van de vrijheid en het recht, inzonderheid van de kleine naties, in den oorlog was gegaan.

Aan zulke schendingen van het volkenrecht hebben alle belligerenten schuld. Daarvan hebben scheepvaart, handel en visscherij zonder onderscheid te lijden gehad. Met toenemende roekeloosheid werd door alle oorlogvoerenden van het internationale oorlogsrecht afgeweken. Toch is er verschil in den aard hunner roekeloosheid. Men kan dat in het kort aldus uitdrukken: Groot-Brittannië werd steeds roekeloozer tegenover de handelsbelangen der neutralen, Duitschland had allengs minder ontzag voor hun leven. Uit menschelijkheidsoogpunt was de Duitsche roekeloosheid veel erger dan de Britsche. Gezien uit het oogpunt van de onmisbaarheid van het internationaal verkeer in de moderne samenleving, was het telkens verder vernielen van onderdeelen van het economisch fundament der menschelijke beschaving niet minder bedenkelijk. Allen te zamen drukt den belligerenten de verantwoordelijkheid, dat zij de wereld teruggebracht hebben in een toestand, waarvan Mephistopheles op nieuw zou kunnen getuigen:

„Man fragt um’s Was und nicht um’s Wie; Ich musste keine Schiffahrt kennen. Krieg, Handel und Piraterie, Dreieinig sind sie nicht zu trennen.”

Bij de maatregelen, welke door de oorlogvoerenden werden genomen, werden de bij tractaat geregelde rechten der neutralen allengs minder ontzien en bleken helaas de wederzijdsche verbittering der belligerenten en de wederzijdsche zucht om elkander op elke denkbare en uitvoerbare wijze te benadeelen, meer en meer de overhand te verkrijgen boven het in den aanvang nog eenigermate medesprekend rechtsbesef, dat eenmaal gesloten verdragen geëerbiedigd dienden te worden. Alle oorlogvoerenden werden allengs doof, niet alleen voor elke overweging die niet was ingegeven door het oorlogsbelang van henzelven of van hunne verbondenen, maar ook voor elk volkenrechtelijk bezwaar tegen maatregelen, die zij in dat belang meenden te moeten en dus ook te mogen nemen.

Men heeft hieruit wel de pessimistische conclusie getrokken, dat de thans woedende krijg bewijzen zou, dat internationale verdragen, als het er op aankomt, niet meer dan scheurpapier zijn. Gelukkig is voor dat pessimisme geen reden. Dat het volkenrecht in dezen oorlog sterk is gehavend, is niet voor tegenspraak vatbaar, maar dit maakt het nog niet waardeloos. Internationale verdragen zullen, naar te verwachten is, in de toekomst het uitbreken van oorlog in nog meer gevallen kunnen voorkomen, dan in het verleden het geval was. Ook in den oorlog zelf zullen zij in de toekomst worden geëerbiedigd, zoo dikwijls de machtsverhoudingen tusschen neutralen en oorlogvoerenden zoodanig zijn zal, dat de onzijdigen door bedreiging met feitelijkheden tegen den overtreder, de inachtneming van het internationale verdrag kunnen afdwingen. Wanneer echter, zooals thans, de groote mogendheden van een geheel werelddeel allen met elkander in oorlog zijn en het in dien krijg, naar de overtuiging van elk der belligerenten, gaat om eigen lijfs- of althans om eigen machtsbehoud, zijn verdragen niet in staat hen te houden binnen de grenzen van in vredestijd gestelde regelen van volkenrecht, ook al hebben zij zelven tot het stellen dier regelen uit vrijen wil en uit overweging van het belang van geregelde internationale rechtsverhoudingen, zoo al niet uit innige rechtsovertuiging medegewerkt. De oorlog brengt zulk een geweldigen omkeer in den gemoedstoestand zoowel der regeeringen als der bevolkingen van krijgvoerende landen teweeg, dat men daar alles geoorloofd waant, wat den vijand afbreuk kan doen en het haast landverraad zou achten, zich daarvan te laten weerhouden of daarbij te laten intoomen door overwegingen van recht, zoolang men door machtigeren daartoe niet wordt verplicht. Oorlogvoerenden bevinden zich, door het enkele feit dat zij oorlog voeren, naar eigen overtuiging in den noodtoestand die wetten verbreekt, de wet van het recht niet minder dan de wet der menschelijkheid.

De kleine neutrale staten moeten zich zulke schendingen van verdragen wel laten welgevallen, al laten zij niet na, er tegen te protesteeren. Een casus belli leveren zij alleen dan op, wanneer zij tevens een ernstige schending der souvereiniteit inhouden. Zoover is het gelukkig, hoe hinderlijk, vaak zelfs ergerlijk die schendingen ook zijn geweest, voor ons land niet gekomen. Het is bij protesten gebleven en het kon daarbij blijven. Bij velen heeft dat een gevoel van wrevel gewekt. Begrijpelijk, maar ongegrond. Waar het recht de macht aan het woord moet laten, hebben de kleine naties daarvoor wel te buigen. Door echter, zonder onderscheid te maken tusschen de belligerente partijen, telkens te protesteeren, wanneer het volkenrecht ten nadeele van Nederland werd geschonden, diende onze Regeering niet alleen het belang van het land als handeldrijvende en zeevarende natie, kwam zij niet alleen op voor de waardigheid en de hoogheid van den staat, maar vervulde zij tevens voor haar deel de taak, die aan de neutralen in deze reuzenworsteling is weggelegd. Zij hielp er toe mede, het rechtsgeweten der oorlogvoerenden niet geheel te doen inslapen en daarmede tevens de kiemen te bewaren, waaruit straks een nieuw en, laat ons hopen, hechter gebouwde regeling van het voor de menschelijke beschaving onmisbaar volkerenverkeer tot ontwikkeling zal komen.

Doch ik moet nog, met een enkel woord althans, in herinnering brengen hoe het met onzen handel onder al die moeilijkheden van den oorlogstoestand gegaan is. Dat daardoor onze buitenlandsche handel zeer werd gehandicapt, spreekt wel van zelf. Enkele onderdeelen daarvan werden geheel stopgezet of sterk verminderd. Dit werd nog verergerd, toen de belligerenten verschillende neutrale kooplieden gingen keuren en, al naar gelang deze al dan niet ook met den vijand handel dreven, hen op blanke of zwarte lijsten plaatsten. Die lijsten op zich zelf zijn een negatie van het recht van den neutrale om zaken te doen met alle oorlogvoerenden en een niet onbedenkelijke poging om verder te reiken dan het eigen rechtsgebied en om, naast den eigen onderdaan, ook den vreemdeling „the trading with the enemy” te verbieden. Zoowel de goederen- als de geldhandel worden door die lijsten belemmerd, niet alleen voor het heden, maar ook voor de toekomst. Daarbij komt voor den effectenhandel in buitenlandsche fondsen nog een speciale moeilijkheid. De oorlogvoerende staten verlangen bij de uitbetaling der coupons hunner schulden waarborgen dat de stukken niet toebehooren aan onderdanen van vijandige naties. Dit geeft heel wat oponthoud en ongerief, zoowel voor de beleggers zelven als voor de bankiers en commissionnairs. Bovendien heeft de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden er toe gevoerd, niet alleen hun invoer van goederen te fnuiken, maar ook hen te belemmeren in het zich verschaffen van geld of crediet door verkoop van buitenlandsche effecten. Met deze financieele isoleering begon Engeland niet aanstonds; er zijn dan ook zeker heel wat Amerikaansche fondsen over de Amsterdamsche beurs voor Duitsche rekening naar Amerika verkocht. Een tusschenkomst die volkomen geoorloofd was, maar die toch ook weer geleid heeft tot maatregelen van de Britsche regeering, waarbij het recht voor het belang van Engeland als belligerent moest wijken. De aanhouding van groote waarden door Groot-Brittannië, op vermoeden dat daarbij vijandelijke belangen betrokken waren, en de toenemende moeilijkheid voor den internationalen geld- en effectenhandel hebben er ten slotte toe geleid, dat zelfs een financieele afdeeling van de N. O. T. moest worden in werking gesteld. Dit bewijst genoegzaam, hoe ook de Nederlandsche geld- en effectenhandel zwarigheid ondervond van de economische oorlogspolitiek van de geallieerden, met name van Groot-Brittannië.

Het is moeilijk een algemeen oordeel te vellen hoe de handel onder den oorlog gevaren is. De groote geld- en effectenhandelaars behoeven zeker geen medelijden; zij zullen daar ook wel niet om vragen. De kleinere commissionnairs zijn er over het algemeen heel wat slechter aan toe. De provinciale bankiers ondervinden den gunstigen terugslag van de welvaart in den boerenstand.

Tegenover de belemmeringen van den overzeeschen handel staat, dat de export naar Duitschland in allerlei voedingsmiddelen zich sterk ontwikkeld heeft. Niet alleen land- en tuinbouw en enkele fabrieken van voedings- en genotmiddelen, maar ook sommige kringen uit den groothandel hebben daarvan profijt getrokken. Ten gevolge van de economische politiek der geallieerden tegenover Duitschland steeg daar de vraag naar producten van onzen bodem zoodanig, dat onze exporthandel er aanmerkelijk veel hoogere prijzen kon maken dan in Engeland of Frankrijk. Het gevolg hiervan is een sterke overhelling van dien handel in Duitsche richting. Dat is niet toe te schrijven aan sympathie of antipathie, maar aan zuiver economische oorzaken. Men kan het den boeren, fabrikanten en handelaren, voor zoover zij goederen uit te voeren hebben, niet kwalijk nemen, dat zij die daarheen zenden waar zij er de hoogste markt voor vinden. Het is echter niet te miskennen, dat het tijdelijk verwaarloozen van de Engelsche en Fransche markt voor de toekomst niet zonder bedenking is. Gelukkig komen er organisaties om het hierin liggend gevaar zooveel mogelijk te keeren.

Aan het opmaken van een balans van den stilstand of achteruitgang in den eenen en de verlevendiging in den anderen tak van handel, durf ik mij niet wagen. Men zal wel niet ver van de waarheid af zijn, wanneer men aanneemt, dat over het algemeen de groothandel niet al te slecht is weggekomen. De tusschenhandel en meer nog de kleinhandel hebben het minder goed gehad. Vooral in den aanvang was het hiermede droevig gesteld. Maar toch heeft zich zelfs voor de grossiers en de winkeliers de toestand langzamerhand ten goede gekeerd in een mate als waarop men aanvankelijk niet had durven hopen. Na hetgeen ik daaromtrent reeds opmerkte bij de bespreking van het middenstandscrediet in hoofdstuk IV[26] behoef ik daarop hier niet meer terug te komen.

De handel heeft zeker niet zulk een gulden tijd gehad als de landbouw. Onder de kooplieden, dit geldt zoowel voor den geld- en den effectenhandel als voor den goederenhandel, hebben over het algemeen de grooten de meeste baat gevonden en zijn er heel wat kleineren, die moeten worstelen om het hoofd boven water te houden. De oorlog heeft over het algemeen de bedrijfsconcentratie in de hand gewerkt en zal, naar het zich laat aanzien, in deze richting nog lang nawerken. Alles bij elkaar genomen is er, zoo al geen stof tot juichen dan toch wel tot tevredenheid over den toestand van den handel, nadat meer dan twee jaren van oorlogstoestand zijn doorgemaakt.

Neemt men alle takken van ons volksbestaan, welke ik in dit hoofdstuk de revue liet passeeren, bij elkaar, dan is er ongetwijfeld reden om van geluk te spreken.

De klippen zijn wij echter nog niet voorbij. Wij leven nog in een zeer bijzonderen tijd, die ook voor het economisch leven ongekende gevaren in zijn schoot kan bergen, niet slechts gedurende den oorlogstoestand, maar ook als er eindelijk weer vrede op aarde zijn zal. Daarom zij men zoo voorzichtig niet te voorbarig juichtonen aan te heffen. De toekomst is daarvoor veel te onzeker. Terecht waarschuwt de heer Posthuma daartegen aan het slot van zijn Economische Nota, die den toestand in het begin van het jaar 1916 beschrijft. Maar toch stemt het tot blijdschap, dat hij zonder overdrijving kon neerschrijven: „Vat men de indrukken van het geheele economische leven te zamen, dan is de slotsom dat er, de omstandigheden in aanmerking genomen, alleszins reden tot dankbaarheid bestaat.”

Ik deed gelukkig geen vergeefsch beroep op de natie in al haar geledingen, toen ik, sprekende in de tegelijk zoo rustige en ernstige, maar toch ook innerlijk zoo bewogen vergadering van 3 Augustus 1914, aan het slot mijner rede zeide:

„Wanneer dan ieder van zijn standpunt, gelijk de Regeering hoopt van het hare te doen, onder deze moeilijke omstandigheden wel tracht te voorzien in de gevaren die dreigen, maar aan den anderen kant het hoofd koel te houden en zijn kalmte te bewaren, dan ben ik overtuigd, dat de bronnen van welvaart waarover Nederland beschikt, ons in staat zullen stellen aan deze heel zware economische crisis het hoofd te bieden.”

Wat ook de toekomst nog moge brengen, reeds nu heeft de uitkomst bewezen, dat ik omtrent de levenskracht van ons volk mijne verwachtingen niet te hoog gespannen had. Zeker, wij kunnen nog voor nieuwe crisissen te staan komen, maar die van 1914/5 heeft Nederland glansrijk doorstaan en overwonnen. Men mag en moet dit zeggen, trots de slagen die hier en daar vielen, trots de moeilijkheden waarin het oploopen der prijzen breede lagen van de bevolking bracht. Dat resultaat dankt Nederland aan de onmisbare samenwerking van vele en velerlei krachten, die met groote energie en volharding aan alle kanten tegelijk de schouders er onder hebben gezet. Natuurlijk werden er fouten gemaakt; natuurlijk zijn er leemten, zelfs groote leemten aan te wijzen; natuurlijk is niet ieder tevreden; natuurlijk zijn er die goede redenen tot klagen hebben; maar als men er zich in terugdenkt, wat men in Augustus 1914 had te vreezen, zich voorstelt, hoe het had kunnen worden, en ziet hoe het in werkelijkheid geworden is, mogen allen, die daartoe hun beste krachten gaven, groote voldoening gevoelen over hetgeen met vereende krachten werd bereikt, al heeft niemand het recht zich de verdienste ervan toe te zeggen, dat het gegaan is zooals het ging. Hieraan wordt niets te kort gedaan door het feit, dat het verkregen resultaat mede, zoo niet grootendeels, tevens te danken is aan factoren, die buiten onze macht staan en waaraan men zich had te onderwerpen. De conjunctuur is voor Nederland gunstig geweest; dit stemt tot grooten dank. Door aller samenwerking is van die conjunctuur gemaakt, wat er van te maken was; dit stemt tot voldoening. Het Nederlandsche volk heeft in den oorlogstoestand wel is waar enkele minder gunstige eigenschappen vertoond, maar daarnaast blijk gegeven van een hoogst verblijdende levenskracht. Dit wekt vertrouwen in ’s lands toekomst.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings