← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK III. VOORKOMEN EN LENIGEN VAN NOOD.

Reading edition

§ 1. Het Koninklijk Nationaal Steuncomité.

De economische politiek welke door de Regeering in den oorlogstijd werd toegepast, had wel ten doel en tot gevolg de kringen dergenen, ten aanzien van wie speciale voorzieningen noodig waren, om hen door den plotseling ingetreden noodtoestand heen te helpen, zooveel mogelijk te beperken. Zij kon niet voorkomen, dat zulke speciale voorzieningen noodig waren, en zij heeft, zonder aarzeling, voor zooveel dergelijke voorzieningen moesten getroffen worden, daartoe bijgedragen.

De even plotselinge als hevige schok in het maatschappelijk leven, welke sommigen omhoog wierp, deed te gelijker tijd breede lagen van hen, die op de grens der zelfstandigheid stonden, naar beneden vallen. Voor zoover het ingrijpen der overheid dien val niet kon breken, was steunverleening noodzakelijk. Die noodzakelijkheid werd geheel spontaan in verschillende gemeenten van het land reeds aanstonds zóó sterk gevoeld, dat al in de allereerste dagen van Augustus 1914 zich in enkele plaatsen comité’s vormden, om in de buitengewone behoefte aan hulp en steun te voorzien. Aan het gelukkig initiatief van Hare Majesteit de Koningin is het te danken, dat die plaatselijk opgekomen drang geleid werd in de geregelde banen eener over het geheele land verspreide organisatie en daardoor een veel grooter en nuttiger uitwerking kon hebben, dan bij het plaatselijk en zonder algemeen nationaal verband verstrekken van hulp ware mogelijk geweest.

Bij een audiëntie, welke mij op den avond van 7 Augustus 1914 door de Koningin werd verleend ter bespreking van reeds genomen en nog te nemen maatregelen op economisch gebied, gaf Hare Majesteit mij Haar vrees te kennen, dat de plaatselijk zich vormende comités tot leniging van nood, ontstaan door den oorlogstoestand, bij gebrek aan onderlinge samenwerking, zouden leiden tot versnippering van krachten en tot eene ongewenschte ongelijkheid in de behandeling van mindergegoeden, die als gevolg van den oorlogstoestand steun zouden behoeven. Ten einde met den vereischten spoed eenheid te brengen in de spontaan ontsproten plaatselijke steunbewegingen, had Hare Majesteit het plan opgevat zichzelve aan het hoofd te stellen van eene centrale nationale organisatie der steunverleening en werd mij door Haar de wensch te kennen gegeven, dat ik mij met het ontwerpen van zulk een organisatie zou onledig houden. Bij die audiëntie zelve werden door mij daaromtrent voorloopig eenige denkbeelden ontwikkeld, die ik later nog eens overdacht. Daar er groote haast bij was, moest hier, zooals zoo vaak in de eerste oorlogsweken, in toepassing worden gebracht „que la nuit porte conseil”. Als resultaat daarvan schreef ik den volgenden ochtend, 8 Augustus 1914, aan den particulieren secretaris van Hare Majesteit een brief, waarvan ik den inhoud met Hare toestemming hier laat volgen:

Den Haag, 8 Augustus 1914.

HoogEdelGestrenge Heer,

Nadat H. M. de Koningin mij gisteren avond de eer had gedaan mij Haar wensch kenbaar te maken, zich aan het hoofd te stellen van een comité dat eenheid en organiek verband kan brengen in de verschillende pogingen tot leniging en—zoo het kan—tot voorkoming van nood, door den oorlog in de ons omringende landen en het oorlogsgevaar hier, heb ik van nacht de zaak nog eens rijpelijk overdacht. Als gevolg daarvan kom ik er toe, aan H. M. een eenigszins breederen opzet in overweging te geven dan door mij gisteren avond mondeling werd opgeworpen.

Wèl blijf ik er bij, dat practisch het werk voor een groot deel kan uitgaan van den onlangs opgerichte Werkloosheidsraad, waarvan Prof. De Vooys voorzitter is, maar toch komt het mij, bij nader inzien, beter voor, de zaak niet aan den Werkloosheidsraad alleen op te dragen.

Om aan de zaak aanstonds het breede en in elk opzicht onpartijdige en algemeen nationale karakter te geven, dat hier onmisbaar is, geef ik thans in overweging het te benoemen comité samen te stellen uit den Werkloosheidsraad (of zijn dagelijksch bestuur), voorzitter Prof. De Vooys; de Algemeene Armencommissie, voorzitter Jhr. Mr. J. H. J. Quarles van Ufford en het Hoofdbestuur hetzij van „Arbeid adelt”, hetzij van „Tesselschade”. Welke van deze twee vrouwenvereenigingen voor dit doel het meest in aanmerking komt, kan H. M. zelve of H. M. de Koningin-Moeder beter beoordeelen dan ik.

De hoofdleiding zou dan kunnen liggen bij een dagelijksch bestuur gevormd door de voorzitters van de drie genoemde organisaties. Daar H. M. te kennen gaf dat Zij het noodig oordeelt dat er samenwerking zij tusschen het op te richten comité en het departement van Landbouw enz., een samenwerking die inderdaad hoogst gewenscht is, zou de volgende regeling van de hoofdleiding m.i. passend kunnen zijn.

H. M. de Koningin, Beschermvrouwe of Eere-Voorzitster, ter beslissing van H. M. zelve; de ondergeteekende, in hoedanigheid van Minister van Landbouw enz., voorzitter; de drie bedoelde presidenten onder-voorzitters. Mijne bedoeling zou dan zijn, de leiding feitelijk in handen te laten van de drie onder-voorzitters als college van dagelijksch bestuur. Maar bij deze organisatie zou er voor zijn gezorgd, dat ik bij meer of minder principieele beslissingen medezeggenschap zou hebben.

Ik heb Prof. De Vooys er op voorbereid, dat hij van avond bij H. M. zal worden ontboden en ik zal overeenkomstig Haar verlangen hem voorloopig op de hoogte brengen van de wenschen en bedoelingen van H. M. ten aanzien van deze aangelegenheid. Tevens zal ik hem van den inhoud van dezen brief mededeeling doen.

Mocht H. M., niettegenstaande Hare drukke en drukkende werkzaamheden in deze ernstige dagen, gelegenheid hebben nog vóór heden avond van dezen brief kennis te nemen, dan zou bij de audientie welke Zij aan Prof. De Vooys wil verleenen, kunnen blijken in hoever het in enkele algemeene trekken hier neergelegde plan van organisatie met de wenschen van H. M. strookt.

Ik heb gezocht naar eene combinatie van bestaande organisaties, omdat op deze wijze 1º de zaak in enkele dagen is in elkaar te zetten, 2º het gevaar van gevoeligheden op te wekken—een gevaar dat bij het uitkiezen van individueele personen haast niet te vermijden zijn zou—tot de kleinste afmetingen wordt teruggebracht, en 3º de grootste waarborg wordt verkregen dat het comité een waarlijk nationaal karakter zal dragen.

Mocht blijken dat ook Staatshulp hier niet te ontberen zijn zal, dan zou ook de Regeering in een aldus samengesteld comité het orgaan kunnen vinden, dat ook de Staatssteun verdeelt en brengt waar hij noodig is en zou op deze wijze Koninklijk en particulier initiatief met Staatszorg op, naar het mij wil voorkomen, gelukkige wijze zijn gecombineerd.

Ik heb van dit schrijven mededeeling gedaan aan mijne ambtgenooten.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn,

HoogEdelGestrenge Heer Uw dienstw. TREUB.

HoogEdelGestrengen Heere F. M. L. Baron Van Geen, Particulier Secretaris van H. M. de Koningin.

Gelijk ik in den brief mededeelde, had ik denzelfden dag een onderhoud met den heer de Vooys, wien ik er op voorbereidde, dat hij des avonds ten Paleize zou worden ontboden en met wien ik het denkbeeld van de Koningin en de wijze van uitvoering daarvan besprak in verband met de audientie die hem zou worden verleend. Het resultaat van onze besprekingen en van het nader overleg door Hare Majesteit met Prof. de Vooys ter audientie gepleegd, was dat ten einde aan de zaak een zoo algemeen mogelijk karakter te geven, het aantal vereenigingen, dat uitgenoodigd werd tot de vergadering ter constitueering van de in het leven te roepen nationale steun-organisatie belangrijk werd uitgebreid. Zondag 9 Augustus werden de uitnoodigingen tot bijwoning der vergadering telegrafisch verzonden. De vergadering zelve had plaats Maandag 10 Augustus des namiddags te 3 uur in de Trèves-zaal. Aanwezig waren omstreeks 60 personen, meerendeels vertegenwoordigers der opgeroepen vereenigingen.

Het was een plechtig oogenblik, toen de Koningin, die zonder eenig gevolg ter vergadering verscheen, door mij werd binnengeleid. Ieder der aanwezigen gevoelde het treffende van het feit, dat de Koningin op zulk een wijze deelnam aan een bijeenkomst, belegd om eenheid en kracht te geven aan de pogingen tot voorkoming en leniging van nood in den oorlogstijd, en door Hare tegenwoordigheid en Haar woord de groote beteekenis van hetgeen stond te gebeuren en den diepen ernst van den toestand, die moest worden beheerscht, te onderstrepen. Ook aan de Koningin zelve was het aan te zien dat Zij onder den indruk was van de beteekenis van Haar onder zulke omstandigheden en met zulk een doel zonder eenige praal, in den grootsten eenvoud, verschijnen te midden van een aantal vertegenwoordigers van vereenigingen met een zeer uiteenloopend karakter, maar die alle dit eene gemeen hadden, dat zij konden medewerken aan het denkbeeld ter verwezenlijking waarvan de vergadering was bijeengeroepen.

Ter vergadering waren behalve vertegenwoordigers van de vereenigingen en commissies, welke door de Koningin in Haar toespraak werden genoemd, aanwezig vertegenwoordigers van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen, het Bureau van de Roomsch Katholieke Vakorganisatie, het Christelijk Vaksecretariaat en het Nederlandsch Verbond van Neutrale Vakvereenigingen, voorts hoogst enkele persoonlijk uitgenoodigden, onder wie met name zijn te noemen de heeren C. J. K. van Aalst, president der Nederlandsche Handel-Maatschappij en Dr. D. Bos, alsmede eenige heeren, die zich hadden bereid verklaard hunne persoonlijke medewerking bij de uitvoering van het plan te verleenen.

Ter vergadering verschenen, nam Hare Majesteit plaats tusschen den heer Van Aalst en mij en sprak Zij, onmiddellijk na Haar binnentreden, de volgende rede uit:

„De berichten, die tot mij komen omtrent de stoornis of den stilstand in bedrijven, ontstaan ten gevolge van den oorlog en het ten onzent bestaande oorlogsgevaar, doch bovenal de kommer en de zorg, die mij allerwegen tegemoet treden, waar ik mij beweeg te midden van mijn volk, vervullen mij met groote deernis voor de velen, die in zoo benarde omstandigheden verkeeren. Het is daarom, dat ik een beroep doe op al mijn landgenooten, die tot helpen in staat zijn, ten einde met mij eendrachtig de handen ineen te slaan om plannen te beramen en uit te voeren, opdat aan den nood, voor zoover dit in ons vermogen ligt, het hoofd worde geboden. Daartoe heb ik gemeend in de eerste plaats de medewerking te moeten inroepen van den Werkloosheidsraad, van de Algemeene Armen-commissie, van den Nationalen Vrouwenraad, van den Tuinbouwraad, van het Landbouwcomité, van de Maatschappij van Nijverheid en van de plaatselijke commissies, die zich te Amsterdam, Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht gevormd hebben, en naar ik hoop in andere plaatsen nog gevormd zullen worden, om in overleg te willen treden. Doch ik wil uitdrukkelijk verklaren, dat iedere vereeniging, die tot hetzelfde doel wenscht samen te werken, met instemming zal worden begroet en dat ik dus bij den oproep tot deze vergadering geen voorkeur heb willen toonen voor enkele commissies, met achterstelling van andere. Met groote waardeering heb ik kennis genomen van de alom getoonde hulpvaardigheid. Zoo vertrouw ik, dat het hier te stichten comité het middelpunt zal vormen van de pogingen, die allerwege gedaan worden tot leniging van den nood, en dat wij allen eenmaal de blijde voldoening zullen smaken, dat menig bezorgd hart verruimd zal kunnen kloppen. Den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel mijn oprechten dank voor zijn bereidverklaring, de leiding van deze vergadering op zich te nemen. Ik verzoek U thans, onder voorzitterschap van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, Uw beraadslagingen aan te vangen, en vertrouw, dat gij met den Minister een kern-comité zult vormen”.

Nadat de Koningin haar rede had beeindigd, en mij de leiding der vergadering had toevertrouwd, sprak ik als volgt:

Majesteit! Gaarne aanvaard ik de leiding dezer bijeenkomst, door U aan mijn handen toevertrouwd. De tijden zijn hoogst ernstig. Ook al zucht ons land niet onder de rechtstreeksche verschrikkingen van den oorlog, en al mogen wij hopen, dat die rechtstreeksche verschrikkingen aan ons zullen voorbijgaan, toch is de toestand zorgvol, ook voor Nederland. In het moderne economische leven vervult het internationale verkeer zulk een overwegende rol, dat door den plotselingen stilstand van dit verkeer alle lagen des volks voor moeilijkheden geplaatst worden, waarvan ze zich nog geen goede voorstelling kunnen maken. Hen, die moeten leven van de opbrengst van den arbeid, zal die plotselinge stilstand, door het bange vooruitzicht, dat met den dag toeneemt, met angst vervullen, hun eenige bron van inkomsten te zien opdrogen. Het economische leven is als het ware met één slag uit zijn voegen gerukt. Voor maar al te velen onzer medeburgers beteekent dit: gevaar voor honger. Van verschillende kanten is gevoeld, dat men tegenover een zóó dreigend en zóó ernstig gevaar niet mag blijven stilzitten. Vandaar de oprichting van steuncomité’s in eenige groote steden, vandaar ook de plannen van verschillenden aard tot leniging van den nood in bepaalde gevallen of voor bepaalde kringen der bevolking. Uwe Majesteit, die dezer dagen meer dan ooit met haar volk medeleeft en een open oog heeft voor de gevaren, die het, niet alleen van buitenaf, bedreigen, heeft gevoeld, dat, indien er niet eenheid komt in die pogingen tot voorkoming en tot leniging van nood, versnippering van krachten daarvan onvermijdelijk gevolg zou zijn en dat dientengevolge zij, die bedreigd worden, niet half zoo goed zouden worden geholpen, als het geval zal zijn bij onderlinge samenwerking tusschen alle comité’s en vereenigingen, die zich opmaken om voor Nederland het hongergevaar af te wenden. Ik stel er prijs op te verklaren, dat het juiste inzicht in hetgeen noodig is, niet van buitenaf tot Uwe Majesteit is gekomen, maar dat het een uiting is van wat er thans omgaat in Uw eigen hart en in Uw eigen hoofd.

De gedachte van deze bijeenkomst, en de daad, daaraan door Uwe tegenwoordigheid en door Uw woord wijding te geven, zijn uitsluitend van Uwe Majesteit afkomstig. Uw volk heeft recht dit te weten, en Gij hebt recht, dat Uw volk het wete, al zoudt Gij mij niet veroorloofd hebben, het hier openlijk te zeggen, indien ik U vooraf toestemming gevraagd had. Zeker zou ik het niet gewaagd hebben, hier een mededeeling te doen, die door Uwe Majesteit niet is gewild, indien ik niet besefte, dat de wetenschap bij heel het volk, dat het werk, hetgeen wij staan te beginnen, te danken is aan Uw eigen initiatief, in hooge mate ten goede zal komen aan het bereiken van het beoogde doel, en indien ik niet mocht vertrouwen, bij Uwe Majesteit zelf uit dien hoofde verontschuldiging te vinden.

Het werk, dat ons te doen staat, is zwaar en alleen door vereende krachten en door de nauwste samenwerking zal het gelukken, de taak die vervuld moet worden, zoo te vervullen als de omstandigheden het eischen. Tijd van voorbereiding is er niet, er moet gehandeld worden, onverwijld. Maar het dringende der behoeften en de onafwijsbaarheid van de eischen tot tegemoetkoming daarin, doen bij ieder onzer de hersens sneller werken en versterken bij ons den wil en de kracht, onverwijld ten uitvoer te brengen wat snelle en intensieve overweging als noodig heeft aangewezen. Bij het werk, dat onze krachten vraagt, vinden wij wel aansluiting bij maatschappelijk werk, dat ook in normale tijden bestaat, maar toch is er een fundamenteel verschil tusschen dit normale maatschappelijk werk, inzonderheid de armenzorg, en hetgeen thans van ons gevraagd wordt.

Armenzorg en ander maatschappelijk werk gaan er van uit, dat in onze hedendaagsche maatschappij alle goederen gewaardeerd worden naar hun handelswaarde. Van een groot deel der goederen geldt dit ook thans nog, zelfs onder de zeer buitengewone omstandigheden, waaronder wij verkeeren. Maar voor een aantal goederen, inzonderheid voor levensmiddelen, komt, onder den druk der omstandigheden, een andere maatstaf naar voren; voor de levensmiddelen wordt thans de directe gebruikswaarde hoofdzaak, en dit de meer, nu ook Regeering en Wetgever gedwongen zijn, door hun maatregelen er toe bij te dragen, dat de gewone regelen van het handelsverkeer op verschillende punten buiten werking gesteld worden of in abnormale banen worden geleid. Voor levensmiddelen is het thans niet de vraag, wat verkoopbaar maar wat eetbaar is.

Dit is geen theoretische beschouwing. Voor theoretische beschouwingen heeft thans niemand onzer tijd. Het is een aanwijzing van een der grondslagen, waarop ons werk moet rusten. Terwijl in normale tijden de armenzorg voor een groot deel uit giften in geld kan bestaan, en ook nu giften in geld niet ter zijde gesteld behoeven te worden, zal toch veel meer dan in gewone omstandigheden de steun in het beschikbaar stellen van levensmiddelen moeten bestaan. Daarbij komt, dat nu met toevoer van buitenaf plotseling niet meer in beteekenende mate gerekend mag worden, een eerste plicht is, er nauwlettend op toe te zien, dat van wat er eetbaars is in Nederland niets teloor gaat, onverschillig of het verkoopbaar is of niet. Indien niet snel en krachtig wordt ingegrepen, verrotten en bederven verschillende tuinbouwproducten, omdat ze als handelswaar het plukloon niet waard zijn, weet men met producten van visscherij geen raad, omdat men er geen koopers voor vinden kan, dreigen fabrieken van levensmiddelen, die in den regel voor export werken, en wier producten thans voor binnenlandsch gebruik hoogst welkom, zoo niet onmisbaar zijn—ik noem slechts onze cacaofabrieken—te worden stopgezet.

Dit alles moet verhinderd worden. Op de voorkoming daarvan moet de organisatie, die wij staan in het leven te roepen, in de eerste plaats toezien. Voorts moeten degenen, die steun behoeven, worden doordrongen van het besef, dat hun voedsel thans vaak van anderen aard zal moeten zijn dan dat, waaraan zij gewoon zijn. De aardappel zal soms vervangen moeten worden door de een of andere groente, het brood zal bij sommige maatregelen plaats moeten maken voor rijstepap, enz.

Men zal thans het volk moeten doen beseffen, dat het niet meer kan aankomen op wat men graag lust, maar alleen en uitsluitend op wat men krijgen kan en welke waarde het als voedsel heeft. Daartoe kunnen vooral de ontwikkelde vrouwen in Nederland veel bijdragen. Landbouwcomité, Tuinbouwraad en Maatschappij van Nijverheid zullen in het op te richten comité de rol hebben te vervullen van fourageurs. Zij zullen het comité hebben in te lichten, waar en hoe land- en tuinbouwproducten, alsmede artikelen van de voedingsnijverheid, die niet of moeilijk verkoopbaar zijn, verkregen kunnen worden en welke prijzen men er voor besteden kan eenerzijds zonder de te vormen kas te spoedig uit te putten, anderzijds zonder nieuwe slachtoffers te maken, door hun, die deze producten voortbrengen, zelfs niet een bescheiden belooning te geven voor hun moeite. Op hen rust dit deel der intendance, die wij gaan inrichten, dat de noodige levensmiddelen beschikbaar stelt.

Voor de verdeeling van de producten alsook voor den steun in geld, daar waar met dezen kan worden volstaan, zal op de andere organisaties, die door Hare Majesteit tot deze bijeenkomst werden opgeroepen, een beroep worden gedaan. Dat hierbij de armencommissies nuttig werk kunnen doen door met haar ervaring en met haar organisatie ten dienste te staan, spreekt wel vanzelf. Vandaar de uitnoodiging aan de Algemeene Armencommissie, die als het ware de vertegenwoordigster is van het gansche Nederlandsche armwezen.

De nog zoo jonge Werkloosheidsraad, die werd ingericht tot tegemoetkoming en leniging van nood door werkloosheid, heeft zelf nog wel geen ervaring, maar het feit, dat deze instelling na nauwgezette studie speciaal met dit doel werd georganiseerd, mag doen vermoeden, dat ook zij goede diensten zal kunnen bewijzen. Vooral is dit het geval, omdat zij in verschillende opzichten in aanraking is met den werkenden stand en met de vakbonden van verschillende politieke en godsdienstige kleur, die in den Werkloosheidsraad vertegenwoordigd zijn, zoodat het comité door de medewerking van dit college tevens heeft den raad en daadwerkelijke hulp van vakorganisaties,—een raad en hulp, waarop het comité zonder twijfel bij voortduring een beroep zal moeten doen.

Dat hier, waar zooveel en zulk een buitengewone nood te lenigen zal vallen, vrouwenwerk in overvloed noodig zal zijn, zal wel door niemand worden betwijfeld. De Nationale Vrouwenraad zal door het groote aantal vrouwen, dat hij onder zijn leden telt, in staat zijn aan het comité de vrouwenhulp te verzekeren, waaraan het zoo dringend behoefte hebben zal.

Daar het onderzoek naar de gevallen, waarin steun wordt gevraagd, de zorg, dat die steun werkelijk wordt verleend, waar hij noodig is, en de verleening en uitkeering van dien steun zelf uit den aard der zaak plaatselijk geregeld moeten zijn, is de medewerking der reeds opgerichte plaatselijke comité’s vanzelf gewenscht.

Op mijn verzoek heeft de Directeur-Generaal van den Arbeid zich bereid verklaard, de leiding van het algemeen secretariaat van het comité op zich te nemen. Dit heeft het voordeel, dat daarmede ook zijn over het geheele land vertakte, met de industrie in nauwe aanraking staande dienst, aan welken stoornissen in de bedrijven niet kunnen ontgaan, voor het werk van het comité ter beschikking staat. Het zal echter wel gewenscht zijn voor het speciale doel, dat hier moet worden nagestreefd, het secretariaat van het comité aan te vullen met eenige personen, die kunnen gekozen worden uit een groot aantal hunner, die aan het Ministerie van Landbouw in deze ernstige tijden bijna dagelijks hun diensten komen aanbieden.

Zoo aanstonds zullen wij gelegenheid hebben, de organisatie van het op te richten comité meer in bijzonderheden uit te bouwen en de werkverdeeling te regelen. Ik heb echter gemeend goed te doen, de hoofdtrekken hier met enkele breede lijnen aan te geven. De taak, die ons wacht, is zwaar, maar met vereende krachten zullen wij haar weten te vervullen. Hoe ernstig onze economische toestand ook moge wezen, er mag geen honger worden geleden in Nederland, en er zal geen honger worden geleden in Nederland.

Dat wij met onze organisatie zóó bijtijds gereed staan, dat wij ook met deze mobilisatie niet te laat komen, hebben wij te danken aan Uwe Majesteit, aan Haar helder inzicht. Ik hoop dan ook, dat Uwe Majesteit ons de eer zal willen aandoen, met recht de kroon op onze in ’t leven te roepen organisatie te zetten en het Eere-Voorzitterschap van het comité te willen aanvaarden.

Overtuigd te handelen namens alle aanwezigen, van welke kleur of richting ook, bied ik het U eerbiedig aan, eensdeels als erkenning van Uw initiatief in deze, anderdeels omdat Uw Eere-voorzitterschap niet nalaten zal groote kracht bij te zetten aan den oproep tot het Nederlandsche volk, dien het comité, in aansluiting aan Uw Koninklijk woord, zal hebben te doen.

Nadat de Koningin had verklaard het Eerevoorzitterschap van het comité te willen aanvaarden, deed ik Hare Majesteit uitgeleide. Met het verlaten der vergadering door de Koningin was een treffende bladzijde uit de inwendige geschiedenis van ons vaderland omgeslagen.

Terstond nadat de Koningin de vergadering verlaten had, werd van gedachten gewisseld over doel en werkwijze van het Nationaal Comité. Daarbij werd spoedig overeenstemming gekregen over het belangrijke punt, dat de plaatselijke comité’s niet mochten worden verdrongen. Als resultaat van de gedachtenwisseling hierover in de vergadering werd door mij opgemerkt: „de bestaande plaatselijke comités moeten gehandhaafd en gesteund worden, terwijl waar zulke comités ontbreken, nieuwe plaatselijke centrale comités moeten worden opgericht. Aldus zullen aan het Nationale comité ook voortdurend de gegevens worden verschaft, die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordeelen wat en waar gegeven moet worden.”

Met toestemming van Hare Majesteit kreeg het comité den naam van Koninklijk Nationaal Steuncomité 1914. Nadat over naam en doel was beraadslaagd, werd overwogen op welke wijze men aan het noodige geld zou komen. Daarbij kon door mij worden medegedeeld dat de Koningin was voorgegaan door ƒ 20.000 beschikbaar te stellen, een bedrag waaraan door Hare Majesteit later nog ƒ 100.000 werd toegevoegd.

Overwogen werd bij de behandeling van den te publiceeren oproep om geld, dat die oproep een zeer algemeen karakter hebben moest en dat tevens duidelijk zou moeten uitkomen, dat het nationale steuncomité de plaatselijke comités niet zou overbodig maken, zoodat zij die voor de steunbeweging geld wilden afzonderen zoowel het nationale als het plaatselijke comité hadden te bedenken. Ten einde aan den oproep de verlangde algemeenheid te geven, werd de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om opgaaf te doen van bekende personen in hunne provincie, die geschikt en bereid waren om door hunne mede-onderteekening het algemeen nationale karakter, dat reeds door het initiatief en de medewerking van Hare Majesteit vaststond, in alle deelen van het land nog duidelijker te doen uitkomen.

Daar het moeilijk bleek ter vergadering de Uitvoerende Commissie zoodanig te kiezen dat zij aan de verschillende eischen, waaraan moest worden voldaan, geheel zou beantwoorden, werd besloten dat de voorzitters van: den Werkloosheidsraad, de Algemeene Armencommissie, den Nationalen Vrouwenraad, den Nederlandschen Tuinbouwraad, het Nederlandsch Landbouwcomité en de Maatschappij van Nijverheid te zamen zouden vaststellen, wie de uitvoerende commissie vormen „en daarbij in het oog zullen houden eenerzijds dat het uitvoerend comité vertegenwoordigers der genoemde organisaties en ook van de vakorganisaties moet bevatten, anderzijds dat zoo mogelijk de verschillende politieke richtingen in de Uitvoerende Commissie vertegenwoordigd moeten zijn”. Met toestemming van den heer Van Aalst werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangewezen als kassier van het Comité.

Nadat nog eenige algemeene beschouwingen waren gehouden over hetgeen op het gebied der levensmiddelen-voorziening en vooral ten aanzien van de distributie daarvan noodig zijn zou, werd besloten de verdere voorbereiding en de uitvoering van hetgeen zou hebben te geschieden over te laten aan de te benoemen Uitvoerende Commissie. Daarbij deed ik nog eens uitdrukkelijk uitkomen, dat door het Comité zou getracht worden niet alleen nood te lenigen, maar waar het kon, die ook te voorkomen, bijv. door pogingen in het werk te stellen om de noodzakelijkheid van het stopzetten van fabrieken af te wenden en zoodoende uitbreiding van werkloosheid tegen te gaan. Omtrent de wijze waarop ter bereiking van dit doel door het steuncomité zou kunnen worden medegewerkt, werden ter vergadering nog eenige behartigingswaardige wenken gegeven, waarna ik aan het slot der vergadering, resumeerende, opmerkte: „Natuurlijk moet er op aangestuurd worden het economisch leven tot normale banen terug te brengen, maar op dit oogenblik is dat onmogelijk en deze toestand zal nog weken, misschien nog maanden kunnen duren”. Wèl is de toestand niet lang zoo uiterst zorgwekkend gebleven als hij zich in de eerste helft van Augustus 1914 liet aanzien, doch wie dacht toen, dat de weken niet slechts maanden, maar ook de maanden jaren zouden worden, voordat het economische leven weer in zijn normale banen zou zijn teruggeleid!

Zoodra de vergadering was gesloten, kweten de voorzitters der genoemde zes organisaties zich van de hun opgedragen taak der aanwijzing van de leden van de Uitvoerende Commissie. Het voorzitterschap werd aan mij opgedragen, als ondervoorzitter werd gekozen Prof. Is. P. de Vooys, tot leden werden aangewezen: Mevrouw H. van Bierna-Hymans (Nationale Vrouwenraad) en de heeren Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn, tevens penningmeester (Nederlandsche Tuinbouwraad); J. van Hasselt (Maatschappij van Nijverheid); J. R. Snoeck Henkemans (Algemeene Armencommissie); Mr. J. T. Linthorst Homan (Nederlandsch Landbouwcomité), Prof. Dr. W. H. Nolens, J. Oudegeest, A. S. Talma (Werkloosheidsraad). Overeenkomstig hetgeen ik in mijn schrijven aan de Koningin als wenschelijk had te kennen gegeven, werd de heer H. A. van IJsselsteyn, Directeur-Generaal van den Arbeid, aangewezen als algemeen secretaris; hem werden toegevoegd als adjunct-secretarissen de volgende heeren, die zich daartoe welwillend bereid hadden verklaard: J. W. Albarda, Jhr. Mr. W. M. de Brauw, Mr. J. G. Meilink, Mr. W. A. J. M. van Waterschoot van der Gracht, Mr. J. A. de Wilde.

Later kwamen zoowel in de samenstelling van de Uitvoerende Commissie als vooral in die van het secretariaat eenige wijzigingen, die echter op de werkwijze van het Comité geen invloed hebben gehad en die ik dus met stilzwijgen voorbijga. De opdracht van het secretariaat aan den Directeur-Generaal van den arbeid is een gelukkige greep geweest. Niet alleen omdat de heer van IJsselsteyn alles wat hij op zich neemt met groote toewijding volvoert; maar bovendien bleek de bedoeling, dat op die wijze het Steuncomité, door de organisatie van den dienst der arbeidsinspectie, van den stand der arbeidsmarkt voortdurend op de hoogte zou zijn, geheel tot haar recht te komen. De combinatie van het secretariaat van het Kon. Nat. Steuncomité met den dienst der arbeidsinspectie heeft zeer veel er toe bijgedragen om het werk van het comité aan de daarvan gekoesterde verwachting te doen beantwoorden. Vooral ook ter controleering van sommige plaatselijke comités, die de zaak wat gemoedelijk opnamen en niet voldoende doordrongen waren van de nadeelen van het geven zonder goede contrôle of hetgeen men gaf, wel goed besteed was, is de medewerking van den dienst der arbeidsinspectie en in de eerste plaats van den algemeenen secretaris zelf niet slechts zeer nuttig, maar onmisbaar gebleken. Door dit hier met nadruk te constateeren, kom ik aan niemands verdienste te na, ook niet aan die van den onder-voorzitter, Prof. de Vooys, die feitelijk van het begin af, het Steuncomité heeft geleid op een wijze, welke door allen die met hem samenwerkten, eenstemmig wordt geprezen. De veeljarige samenwerking die tusschen de heeren de Vooys en van IJsselsteyn had bestaan, kwam aan het werk van het Steuncomité zeer ten goede, en de omstandigheid, dat de heer de Vooys en ik gedurende den tijd, dat wij in de Staatscommissie over het werkloosheidsvraagstuk hadden samengewerkt, elkander van nabij hadden leeren kennen en waardeeren, vergemakkelijkte het in gang zetten en in gang houden dezer noodorganisatie zeer.

Toen de heer Posthuma mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel opvolgde, werd met goedkeuring van de Koningin besloten, ook dezen bewindsman in het bestuur van het Kon. Nat. Steuncomité op te nemen, opdat het zoo noodige contact tusschen dit comité en het Departement van Landbouw niet zou worden verbroken. De heer Posthuma en ik werden nu algemeene voorzitters en Prof. de Vooys voorzitter van het Uitvoerend Comité, een regeling die met de werkelijkheid overeenkwam. Opdat de beide algemeene voorzitters van het werk van het Steuncomité op de hoogte zouden blijven en deel zouden kunnen blijven nemen aan de algemeene leiding daarvan, kwamen de heeren Posthuma en de Vooys geregeld met mij op het Departement van Financiën samen. Aanvankelijk hadden die bijeenkomsten tweemaal per week plaats, later werden zij tot eenmaal per week beperkt en bij de geleidelijke vermindering van het werk van het Steuncomité werden de bijeenkomsten ongeregelder. Sedert mijn aftreden zijn zij spoedig geheel achterwege gebleven.

Bij mijn aftreden als Minister was mijn voornemen ook uit het Kon. Nat. Steuncomité te treden. Op de afscheidsaudientie, welke de Koningin mij verleende, over dat voornemen sprekende, gaf Hare Majesteit mij echter Haar wensch te kennen dat ik, indien mijnerzijds daartegen geen overwegend bezwaar bestond, 1e Algemeene Voorzitter van het Steuncomité zou blijven; een wensch, die voor mij natuurlijk afdoende reden was, om mijn aanvankelijk voornemen te laten varen.

Op deze wijze heeft het verloop der feiten mij op even eigenaardige als afdoende wijze in het gelijk gesteld ten aanzien van de staatsrechtelijke vraag, welke naar aanleiding van hetgeen bij de installatie van het Steuncomité werd gesproken, in de Tweede Kamer naar voren kwam. Bij de behandeling van den begrootingspost betrekking hebbende op het door het Rijk aan het Steuncomité te verleenen subsidie, erkende ik mijne staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor het voorstel daartoe en aanvaardde ik ook het debat over de wijze van optreden van het Steuncomité, daar het oordeel over den voorgestelden begrootingspost natuurlijk ten nauwste samenhing met het oordeel dat de Kamer had over de werkzaamheid van het Steuncomité. Daarentegen wees ik elke staatsrechtelijke verantwoordelijkheid over hetgeen bij de installatie van het comité gesproken werd, af. Ik kwam daartoe, omdat in de Kamer in debat werd gebracht, hetgeen de Koningin bij die gelegenheid had gezegd. Daartegen kwam ik in verzet. Moest voor woorden, door de Koningin bij zulk een gelegenheid gesproken, een Minister de verantwoordelijkheid dragen, als hij bij het uitspreken daarvan tegenwoordig is, dan zou dit Haar vrijheid van spreken op geheel onnoodige en ongewenschte wijze aan banden leggen. De Koningin zou dan zeer belemmerd worden in het uiting geven aan hetgeen opwelt uit Haar eigen gemoed. Dat Zij dit wèl kon doen en in de crisis bij meer dan één gelegenheid ook gedaan heeft, is aan hetgeen ter leniging van nood had te geschieden, zeer ten goede gekomen.

Ik plaatste mij daarom in de Kamer op het m.i. niet op goede gronden aantastbare standpunt, dat de Koningin bij zulke gelegenheden niet optreedt als constitutioneel Vorstin, maar als de hoogstgeplaatste persoon in den lande en dat Hare Majesteit derhalve voor woorden, welke Zij alsdan spreekt, niet het contraseign van een Minister behoeft. Optredende als constitutioneel Vorstin spreekt de Koningin nooit te gelijk met een Minister. Als zoodanig treedt de Koningin, krachtens de Grondwet, slechts bij ééne gelegenheid in het publiek op, namelijk bij de opening der vereenigde vergadering van de Staten-Generaal. Voor hetgeen bij die plechtigheid wordt gezegd, zijn de Ministers verantwoordelijk. Overigens treden de verantwoordelijke Ministers niet naast, maar namens de Kroon op en vertegenwoordigen zij als zoodanig de uitvoerende macht en het aandeel dat de Kroon heeft in de wetgevende macht. Zoo dikwijls de Koningin uiting geeft aan Haar persoonlijke belangstelling in eenige blijde of droeve gebeurtenis, is Zij in Haar spreken niet gebonden door constitutioneele banden, maar alleen door Haar eigen persoonlijk inzicht en door de inspraken van Haar eigen gemoed.

Al heb ik daarover later eenige schampere opmerkingen moeten hooren, houd ik nog onverzwakt vol, dat deze opvatting volkomen strookt met onze Grondwet en dat daarvan de onafwijsbare consequentie is, dat een Minister die bij zulk een gelegenheid tegenwoordig is, daarbij niet als zoodanig optreedt, op zulk een oogenblik geen staatsrechtelijke functie vervult, en dat hij derhalve ook niet staatsrechtelijk verantwoordelijk is voor hetgeen hij zelf alsdan zegt. „Wie spreekt bij een dergelijke gelegenheid als bij de installatie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité—zoo zeide ik den 4en Maart 1915 in de Tweede Kamer—zal zich natuurlijk steeds bewust zijn van de positie die men bekleedt, maar het zou volkomen in strijd zijn met de vrijheid van handelen, die ook het hoofd van den Staat moet hebben, wanneer men hier in de Kamer een Minister ter verantwoording kon roepen over hetgeen Hare Majesteit, niet als hoofd van de uitvoerende macht maar alleen als de hoogste burgeres in den staat, uitte op een oogenblik, waarin zij meende voor zichzelve uiting te moeten geven aan Haar gevoel en duidelijk te moeten maken, dat zij medeleeft met Haar volk.”

Niet als Minister was ik daar tegenwoordig, maar als iemand die aan zijn ministerschap dankte, dat de Koningin hem Haar vertrouwen had geschonken in een zaak, welke Haar bijzonder ter harte ging en voor welker uitvoering Hare Majesteit medewerking noodig had. Natuurlijk legde ik in die vergadering mijn ministerschap niet af, maar dit nam niet weg, dat ik daar niet als zoodanig, niet ambtelijk optrad en niet ambtelijk sprak. De omstandigheid dat mijne positie in het Kon. Nat. Steuncomité na mijn aftreden als Minister, op voor mij zeer vereerend verlangen van de Koningin, onveranderd blijven kon en onveranderd gebleven is, bewijst, beter dan het uitvoerigste betoog, de correctheid van het door mij ten aanzien van deze staatsrechtelijke kwestie ingenomen standpunt. Te allen overvloede voeg ik hier nog bij, dat het alleen ging om een staatsrechtelijke kwestie en dat ik persoonlijk niet het minste bezwaar heb tegenover het geheele land de volle verantwoordelijkheid te dragen voor hetgeen bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité voorviel. Integendeel stel ik er een groote eer in, aan die installatie een werkzaam aandeel te hebben mogen nemen.

Doch ik moet terugkeeren tot hetgeen ik heb te vertellen. Den avond van denzelfden dag, waarop ’s middags de constitueerende vergadering van het Kon. Nat. Steuncomité plaats had, kwam de Uitvoerende Commissie daarvan in het Departement van Landbouw bijeen. Daar werd in de eerste plaats nader geregeld, hoe de oproep tot het ontvangen van bijdragen zou worden ingericht. De publicatie van dien oproep liet wat langer op zich wachten dan wel gewenscht was, omdat niet alle Commissarissen der Koningin, tot wie men zich telegrafisch gewend had, even spoedig gereed waren met hun opgaaf van de namen der personen in hun provincie, die voor mede-onderteekening daarvan in aanmerking kwamen.

Reeds voordat de oproep was verschenen, volgde de Ned. Handel-Maatschappij het Koninklijke voorbeeld met een bijdrage van ƒ 50.000; op den voet werd zij gevolgd door de Kon. Ned. Petroleum-Maatschappij, die ƒ 90.000 schonk. Ik vermeld deze beide giften niet alleen om haar bedrag, maar ook omdat zij, naast de bijdrage van de Koningin, als gangmakers dienst deden. Op die giften volgden tal van grootere en kleinere bijdragen. Toen de stroom daarvan begon te luwen en de behoefte nog groot was, herhaalde het Comité zijn oproep niet zonder succes.

Bijzondere vermelding verdienen de giften uit den vreemde, met name uit Noord-Amerika, van waar ook belangrijke zendingen kleederen inkwamen, een en ander afkomstig van afstammelingen van oude Hollanders in de Vereenigde Staten. Groot was ook de belangstelling voor het Kon. Nat. Steuncomité in Nederlandsch-Indië, van waar uit eveneens groote hoeveelheden kleedingstukken werden gezonden. Er vormde zich te Batavia een Centraal Comité tot het inzamelen van giften onder eere-voorzitterschap van den Gouverneur-Generaal. De Javasche Bank droeg ƒ 50.000 bij. Op 31 December 1915 beliep het totaal der bijdragen uit Nederlandsch-Indië omstreeks een millioen. Het daaruit sprekend gevoel van saamhoorigheid in nood stemt tot voldoening en dankbaarheid.

Op zeer te waardeeren wijze gaven onze kunstschilders en andere beeldende kunstenaren uiting aan hun sympathie voor de gedachte, die aan het Kon. Nat. Steuncomité ten grondslag ligt. Door de samenwerking van de verschillende genootschappen, maatschappijen en vereenigingen op het gebied der beeldende kunsten en der kunstnijverheid, werden in het voorjaar van 1915 in de zalen van „Pulchri Studio” in den Haag en in verschillende der grootere steden van ons land tentoonstellingen van schilderijen en andere kunstvoorwerpen georganiseerd, waaraan een loterij ten bate van het Kon. Nat. Steuncomité was verbonden. De ziel van de commissie, die dit denkbeeld verwezenlijkte, was Jhr. Mr. W. Röell. Tal van kunstenaars werkten ertoe mede. De opening van de tentoonstelling in den Haag had plaats door de Koningin. De heer Röell hield daarbij een openingsrede, waarin hij zoowel het doel als de wijze waarop men dit wilde bereiken, uiteenzette en zijn dank uitsprak in de eerste plaats aan H. M. de Koningin en voorts aan de kunstenaars die door hun algemeene medewerking de verwezenlijking van dat doel hadden mogelijk gemaakt. Als 1e voorzitter van het Steuncomité hield ik daarop een korte toespraak, die zich aansloot bij de woorden van den heer Röell. Het succes van deze even eigenaardige als belangrijke wijze van medewerking tot het doel van het Kon. Nat. Steuncomité was groot. Aan den penningmeester werd niet minder dan ƒ 140.000 als opbrengst ter hand gesteld.

Bij elkaar beliepen de bijdragen die het Kon. Nat. Steuncomité ontving, op 31 December 1915 meer dan ƒ 3.500.000. Alleen de Ned. Overzee Trust-Maatschappij, die volgens haar statuten haar geheele saldo aan het Kon. Nat. Steuncomité afstaat, droeg daarin voor ƒ 300.000 bij. In Juli jl. droeg de N. O. T. opnieuw ƒ 300.000 af. Met instemming van de Staten-Generaal stelde ik reeds spoedig na de oprichting in uitzicht, dat de Staat, zoo noodig, evenveel zou bijdragen als van elders inkwam. Gelukkig was het tot dusver niet noodig van deze toezegging ten volle gebruik te maken. Op 31 December 1915 was door den Staat ƒ 900.000 bijgedragen.

De giften van particulieren, maatschappijen en vereenigingen aan het nationale comité vormen intusschen slechts een deel, zij het ook een belangrijk deel, van hetgeen vooral in de eerste maanden van den crisistijd vrijwillig werd afgezonderd tot leniging van den nood dergenen, die hun bron van inkomst plotseling hadden zien opdrogen. Men moet, ter verkrijging van een volledig beeld, bij de ingekomen bijdragen ook tellen wat door de plaatselijke steuncomité’s werd ontvangen. Te dezen aanzien was de houding der schenkers nog al afwijkend naar gelang van de plaats hunner inwoning. Zoo droeg bijv. Rotterdam naar verhouding weinig bij voor het nationale comité, maar werden daarentegen aldaar zóó groote bijdragen voor het plaatselijke comité verkregen, dat het Rotterdamsche steuncomité, niettegenstaande het in den nood van een groot aantal havenarbeiders had te voorzien, geruimen tijd zijn uitgaven uit eigen middelen bestrijden kon, zonder gedwongen te zijn, bij het nationale comité aan te kloppen. Te Amsterdam daarentegen was de verhouding tusschen hetgeen aan het nationaal en aan het plaatselijk steuncomité werd gegeven, eenigszins anders. Uit Amsterdam ontving het Kon. Nat. Steuncomité naar verhouding veel meer dan uit Rotterdam, maar daar stond tegenover dat, hoewel de vermogende Amsterdammers ook het plaatselijk steuncomité niet vergaten, dit comité veel spoediger de hulp van het nationale comité moest inroepen, dan het Rotterdamsche comité dit behoefde te doen. Ten deele is dit mede toe te schrijven aan het groot getal diamantbewerkers dat plotseling buiten werk was gekomen, maar deels ook aan het zooeven aangeduide verschil in de houding der schenkers te Rotterdam en te Amsterdam. Dit hield weer hiermede verband, dat het Rotterdamsche steuncomité vrijwel de onverdeelde sympathie had van het deel der bevolking waarvan de bijdragen van beteekenis moesten komen, terwijl velen in Amsterdam een niet volledig vertrouwen hadden in de wijze waarop de steunbeweging daar werd geleid. De controle en de geheele wijze van werken was te Rotterdam inderdaad beter dan te Amsterdam. De Amsterdamsche schenkers, die in de eerste plaats het Kon. Nat. Steuncomité bedachten, bereikten daarmede hun doel. Het Amsterdamsche steuncomité moest als gevolg daarvan spoedig bij het nationale steuncomité aankloppen, dat nu aan zijn bijdragen in de Amsterdamsche uitgaven voorwaarden verbinden kon. De voortdurende aandrang van de zijde van het Kon. Nat. Steuncomité heeft er, na heel wat heen en weer geschrijf, toe geleid, dat te Amsterdam de controle op de gesteunden werd verscherpt en dat bij de leiders van het Kon. Nat. Steuncomité het onbehaaglijke gevoel niet behoefde te blijven bestaan, dat het door het Amsterdamsche steuncomité uitgegeven geld niet slechts bij hooge uitzondering te recht kwam bij gezinnen en personen voor wie het niet bestemd was. Toen de controle verscherpt werd, krompen de uitgaven van het Amsterdamsche steuncomité niet onbelangrijk in.

Wie zich de moeite getroost de door het Kon. Nat. Steuncomité gepubliceerde lijsten van giften na te gaan, zal er door worden getroffen hoe betrekkelijk weinig weerklank het woord van Hare Majesteit bij de plattelandsbevolking heeft gevonden. Eenigszins verklaarbaar is dit wel, daar spoedig bleek dat ten platten lande over het algemeen weinig oorlogsnood te lenigen viel, maar dit had ook ten gevolge dat in de dorpen zoo goed als niets buitengewoons behoefde gegeven te worden tot leniging van plaatselijke ellende. Toen weldra bleek dat de oorlogstoestand voor de boeren een zilveren, zoo niet een gulden tijd bracht, zou het aan de waardeering voor den boerenstand niet ten kwade zijn gekomen, als hij, en bloc genomen, wat vrijgeviger was geweest, waar het gold vrijwillig bij te dragen tot leniging van nood van landgenooten, die door den oorlogstoestand in verdrukking waren gekomen, ook al zag men die verdrukking niet in zijn onmiddellijke nabijheid. Het spreekwoord dat de winnende hand mild is, stamt blijkbaar niet uit een boerendorp.

Het is mijne bedoeling niet, hier een vergelijking te trekken tusschen de gemiddelde vrijgevigheid van de ingezetenen der verschillende gemeenten des lands. De zooeven gemaakte opmerkingen moesten mij echter van het hart.

Doch ik kan maar niet verder komen met mijn verhaal omtrent hetgeen er op den dag van de constitutie van het Kon. Nat. Steuncomité gebeurde. Gelijk reeds werd medegedeeld, was het de bedoeling behalve in bijzondere gevallen, niet rechtstreeks hulp te verleenen, maar dat over te laten aan de plaatselijke comités, die door bekendheid met locale toestanden beter er voor konden zorgen, dat de steun zou terecht komen bij hen die daaraan wezenlijk behoefte hadden. Een der eerste werkzaamheden van het comité was dan ook de oprichting van zulke plaatselijke comités aan te moedigen en te bevorderen. Dit had tot resultaat dat tegen het einde van 1914 ruim 500 plaatselijke comités in werking waren. Daarbij deed het Kon. Nat. Steuncomité al zijn invloed gelden om te bereiken, dat die comités zouden worden ingericht naar het voorbeeld van het nationale comité zelf, d. w. z. een plaatselijke centrale zouden vormen van de verschillende locale vereenigingen en commissies, welke zich met het steunen van noodlijdenden als gevolg van de oorlogscrisis, in verschillenden vorm, bezig hielden. Als gedragslijn stelde het Kon. Nat. Steuncomité zich daarom, dat het in elke plaats slechts ééne locale steunorganisatie erkende. Voorts werd er door het nationale comité steeds op aangedrongen, dat inzonderheid het voorbeeld van de nationale steunorganisatie in dit opzicht zou worden gevolgd, dat in de plaatselijke comités ook vertegenwoordigers der vakorganisaties van arbeiders zouden worden opgenomen. Aanvankelijk, toen de plaatselijke comités zich over het algemeen zelf bedruipen konden, moest het nationale comité zich beperken tot het geven van wenken en raadgevingen, die wel in de meeste gevallen maar toch niet algemeen opgevolgd werden. Zoo vaak echter de toestand zich in zoover wijzigde, dat het plaatselijk comité, ter voortzetting van zijn werk, bij het nationale comité om geld moest aankloppen, kon dit met meer kracht optreden en zijn medewerking afhankelijk stellen van zoodanige wijziging of aanvulling der plaatselijke steunorganisatie als het noodig of wenschelijk oordeelde. Op deze wijze is verkregen, dat op niet meer dan een paar uitzonderingen na, de steunbeweging over het geheele land op overeenkomstigen voet werd georganiseerd. In de uitzonderingsgevallen, in welke het Kon. Nat. Steuncomité zijn eisch omtrent de organisatie van het plaatselijke comité niet volhield (ik herinner mij trouwens slechts één geval daarvan), gaf het alleen toe op deze overweging, dat bij het onthouden van financieele medewerking, daar waar het plaatselijk comité zelf in de behoefte niet kon voorzien en dit toch niet wenschte te voldoen aan den gestelden eisch, de steunbehoevenden slachtoffers zouden zijn geworden van de halsstarrigheid der leiders van de plaatselijke organisatie. Het overigens streng vasthouden aan den bedoelden eisch, spruitte niet voort uit „Principienreiterei”; het is ook niet geheel te verklaren uit den op zich zelf zeker niet onredelijken wensch, ter wille van een goede werking van het geheel, de onderdeelen daarvan op een gelijkvormige leest te zien geschoeid. De grond van het verlangen naar medewerking van de vakvereenigingen ligt dieper.

Van den eersten dag af heeft het Kon. Nat. Steuncomité begrepen, dat de steunbeweging duidelijk afgescheiden moest blijven van de gewone armenzorg. Men ontveinsde zich natuurlijk niet, dat in de hulp wegens oorlogsnood het element der liefdadigheid niet ontbrak, maar men erkende tevens, dat de gesteunden met de gewone armlastigen niet op gelijke lijn mochten worden gesteld. Bij de gewone armlastigen heeft men te doen met personen en gezinnen, die onder normale omstandigheden den maatschappelijken strijd niet hebben kunnen volhouden en die te gronde zouden gaan, indien hetzij de kerkelijke of de particuliere liefdadigheid hetzij de overheidsarmenzorg zich niet over hen ontfermde. Zulk een tekort aan maatschappelijke kracht behoeft niet altijd blijvend te zijn; ook gezinnen en personen, die onder gewone omstandigheden tijdelijk niet in staat zijn om met eigen kracht het hoofd boven water te houden, vindt de armenzorg op haar weg en tracht zij den noodigen weerstand voor den strijd om het leven in de maatschappij te hergeven. Het is echter bekend genoeg, dat het streven om hen, die niet blijvend buiten staat zijn in eigen onderhoud te voorzien, er toe te brengen zich onafhankelijk te maken van giften en gaven en hun maatschappelijke zelfstandigheid te herwinnen, slechts in de minderheid der gevallen een gunstig resultaat heeft. Het karakter van de meerderheid der menschen zoowel in de hoogere lagen der maatschappij als in de lagen der minvermogenden, is nu eenmaal niet al te sterk. Een der meest algemeene uitingen van karakterzwakte is, dat men zich spoedig gewent aan het zonder moeite ontvangen van hetgeen men anders in het zweet zijns aanschijns moet verdienen. Dit hoogst nadeelig bijkomend gevolg der armenzorg tracht men wel eens te verkleinen; ontkend wordt het door niemand.

Reeds op grond van deze overweging was het noodig het onderscheid tusschen hen, die niet in staat waren zich zonder hulp door de oorlogscrisis heen te slaan, en de armlastigen niet te doen vervagen. Bij elke plotselinge calamiteit,—in dit opzicht staat een oorlogscrisis gelijk met een watersnood—worden personen uit hun brood gestooten, wien het aan werklust noch aan werkkracht ontbreekt, maar aan wie, zoolang die calamiteit aanhoudt of haar gevolg doet gevoelen, de gelegenheid wordt onthouden hun werkkracht aan te wenden. Wanneer men zulke slachtoffers van plotselinge rampen helpt, behoort men vóór alles er op bedacht te zijn, hun het gevoel van eigen kracht en eigen waarde niet te ontnemen.

Waar nu het Kon. Nat. Steuncomité niet ten doel had en niet ten doel hebben kon, armlastigen te helpen, maar slachtoffers van de oorlogscrisis daarover heen te brengen, was het noodig ook uiterlijk het verschil tusschen deze slachtoffers en de maatschappelijk gestrande armlastigen hoog te houden. Hiertoe kon veel worden bijgedragen door aan de gesteunden die tot een vakvereeniging behoorden, den steun te doen uitreiken door organen van de vakvereeniging zelve, waartoe zij behoorden. Dit was reeds een zeer gewichtige reden om de steunorganisatie voeling te doen houden met de vakorganisatie. Die reden was echter niet de eenige. Het Kon. Nat. Steuncomité, dat opgericht was ter voorziening in nood als gevolg van de oorlogscrisis, stond met zijn werk midden in de crisiswerkloosheid. Eensdeels trachtte het, op nader meer in het bijzonder te bespreken wijze, de crisis in omvang te beperken, door zijn medewerking bij het op gang brengen of op gang houden van onder de crisis lijdende bedrijven en zoodoende werkloosheid te voorkomen of in te krimpen; anderdeels stelde het zich tot taak de gevolgen der werkloosheid, die het niet had kunnen voorkomen of beëindigen, te lenigen. Aangezien nu de vakorganisaties zich in de latere jaren allengs meer met vakwerkloosheid bezig houden, zich allengs beter er op toe leggen den stand der arbeidsmarkt en den omvang der werkloosheid in het vak op elk gegeven oogenblik te kennen, was hare medewerking bij de steunbeweging ook gewenscht wegens de gegevens, welke zij ter beoordeeling van den toestand konden verstrekken, de medewerking, die zij bij de beoordeeling der steunaanvragen konden verleenen en de controle welke zij op hen, die steun ontvingen, konden uitoefenen.

Ware het Kon. Nat. Steuncomité er niet op bedacht geweest, dat voor zoover steun aan loonarbeiders werd verstrekt, met hooge uitzondering alleen werkloozen daarvoor in aanmerking kwamen, dan zou het gevolg van zijn werkzaamheid hoogst bedenkelijk zijn geweest. De steun zou dan ontaard zijn in een toeslag op het loon, een toeslag waartoe, in verband met het duurder worden der levensmiddelen, in de meerderheid der gevallen alle aanleiding bestond, maar die, voor zoover hij noodig was, door de werkgevers moest worden gegeven. Door uitkeeringen te verstrekken ook aan loontrekkenden, zouden de steuncomités langs een omweg de werkgevers hebben gesteund. Dat dit in het algemeen desorganiseerend zou hebben gewerkt, is duidelijk; voorkoming van zulk een werking was niet alleen een algemeen belang, maar ook een vakbelang van elke groep waarbij zulke averechtsche steunverleening, indien zij niet ware voorkomen, wellicht had kunnen insluipen. Er waren dus redenen te over voor het Kon. Nat. Steuncomité om er bij de plaatselijke comités op aan te dringen, ter wille van een goede uitvoering van de taak, welke men zich had gesteld, de vakorganisaties niet voorbij te gaan.

Dit neemt niet weg, dat het Kon. Nat. Steuncomité ook de medewerking van hen die op het gebied der armenzorg ervaring hadden opgedaan, op grooten prijs heeft gesteld. Speciaal wat de controle op de gesteunden betreft, was zij hoogst nuttig. Waar de uitkeeringen der steuncomités over het algemeen hooger waren dan die der armeninstellingen, ontstond een zeer begrijpelijk streven onder hen, die bij de armenzorg thuis hoorden en onder de arbeidsschuwen, om zich als slachtoffers van de oorlogscrisis bij de steuncomités aan te melden. Tot bestrijding van dezen uitwas, heeft de medewerking van armverzorgers veel bijgedragen; men mocht van de vakorganisaties niet verlangen dat te dezen aanzien van hen de noodige kracht zou uitgaan.

Ook was er tegenover de vakvereenigingen in tweeërlei opzicht een tegenwicht noodig. Eenerzijds waren zij te veel geneigd, de uitkeeringen op te drijven en daarmede den prikkel om aan het werk te gaan te verminderen; zij oordeelden in dit opzicht, begrijpelijk genoeg, over hun vak- en klassegenooten te gunstig en meenden, dat die prikkel ook bij hoog opgevoerde uitkeeringen wel voldoende zou blijven werken. Daarnaast stelden zij zich te spoedig aan de zijde van werklooze vakgenooten, die wel aan het werk konden gaan, maar die van oordeel waren dat het werk, dat zij krijgen konden, voor hen niet passend was. De ervaring heeft dan ook bewezen, dat het voor de goede werking der steuncomités noodig was, dat zij in samenwerking met de vakvereenigingen optraden, maar dat de invloed van deze vereenigingen toch ook niet overwegend was en door andere elementen werd in toom gehouden. Ik heb sterk den indruk gekregen, dat de niet geheel onberispelijke werking van het Amsterdamsche comité, waarop ik hierboven met een enkel woord doelde, aan het ontbreken van een voldoende tegenwicht tegen den aldaar, ook in verband met plaatselijk politieke toestanden, te sterk overwegenden invloed der vakorganisatie moet worden geweten.

Onder de hulp, welke door de steuncomités werd verleend, behoort hetgeen werd gedaan ter voorkoming van uitzettingen wegens huurschuld afzonderlijke vermelding. Vooral in de eerste maanden van de crisis heeft het gevaar van zulke executies op groote schaal ook aan de Regeering heel wat hoofdbreken gekost. Er hebben daarover tusschen den Minister van Justitie en mij verschillende besprekingen plaats gehad. Het was een moeilijk op te lossen vraagstuk. Eenerzijds kon den huiseigenaren niet worden opgelegd, dat zij van de hun verschuldigde huur geheel of gedeeltelijk afstand zouden doen en de gezinnen uit de arbeidende klasse, of meer bijzonder die waarvan de hoofden door de oorlogscrisis werkloos waren geworden, voor niets of voor een heel kleine huur zouden laten wonen. Dit zou, als de wet er toe verplicht had, een vorm van onteigening zonder schadevergoeding zijn geweest, waaraan niet te denken viel. Maar men kon aan den anderen kant aan de werklooze arbeiders niet het gevaar boven het hoofd laten hangen, dat zij met hunne gezinnen zouden worden op straat gezet. Den uitweg, die door den heer Mendels reeds in de vergadering van de Tweede Kamer van 31 Augustus 1914 werd aangeprezen en door hem den 29sten September d. a. v. in een wetsvoorstel werd belichaamd, dat de huurders geheelen of gedeeltelijken afslag van huur zouden ontvangen, maar zonder dat de verhuurders belangrijke schade zouden lijden, wilde de Kamer evenmin opgaan als de Regeering. Dat wetsvoorstel werd dan ook door hem ingetrokken, nadat art. 1 daarvan, na eene uitvoerige en belangwekkende gedachtenwisseling op 4 December 1914 was verworpen. Het onvermijdelijke element daarvan, dat hetgeen de huurder te weinig betaalde, aan den verhuurder op kosten van den Staat zou worden vergoed, was niet alleen wegens de consequenties waartoe het zou hebben geleid, niet vrij van ernstige bedenking. Afgezien van het principieele bezwaar tegen dat denkbeeld, zou verwezenlijking ervan practisch allerlei moeilijkheden hebben gebracht en wegens het haast onmogelijke van het onderscheiden waar wel en waar niet aanleiding was tot het overnemen van huurschuld door den Staat, zou de maatregel, gelijk vooraf was te voorzien, zich—eenmaal in practijk gebracht—ver buiten de grenzen der strikte noodzakelijkheid hebben uitgezet.

De ervaring heeft bewezen, dat een zoo kras en diep ingrijpen als waarop de sociaal-democraten aandrongen, ook niet noodig was. Zonder dat de wetgever is tusschenbeide gekomen, is het mogelijk geweest ook aan deze moeilijkheid het hoofd te bieden. Reeds aanstonds werd daartoe medegewerkt door den Minister van Justitie met zijne circulaire, waarin bij rechterlijke autoriteiten, notarissen en deurwaarders werd aangedrongen op groote matiging bij het bevelen, bevorderen of uitvoeren van executies in het algemeen en speciaal ter zake van huurschuld. Die wenk kon echter wel tijdelijk eenige verlichting brengen; helpen, in den eigenlijken zin van het woord, kon hij niet. De oplossing werd gevonden door het Rotterdamsche steuncomité, dat het voorbeeld heeft gegeven voor eene regeling die, zonder geheel onberispelijk te zijn, haar practische bruikbaarheid in uiterst moeilijke tijden heeft bewezen. Dat comité stelde de verstrekking van wekelijksche huurbons in, tot een bedrag van de helft der weekhuur. Zulk een bon werd echter niet betaald, tenzij bij hare aanbieding een kwitantie voor de volle huurschuld werd overgelegd. Het gevolg van deze regeling was niet—hoewel het op het eerste gezicht aldus schijnt—dat de huiseigenaar, indien hij met een huurbon genoegen nam, de helft van de huur moest laten vallen, maar dat huurder en verhuurder beiden belang kregen het omtrent het niet door den huurbon gedekte deel met elkander eens te worden. Bij dit stelsel werd nu eens tegen volle kwijting 3⁄4 of 2⁄3 van de huur betaald, terwijl het ook wel zal zijn voorgekomen, dat met de helft werd genoegen genomen of dat de volle wederhelft van de huur boven den huurbon werd betaald. Het stelsel was dus vatbaar voor aanpassing aan verschillende bijzondere omstandigheden en er werd mede bereikt, dat als de arbeider weer werk vond en hij opnieuw uit zijn eigen verdienste zijn gezin zou kunnen onderhouden, hij niet nog weken of maanden lang zuchten zou onder opgeloopen huurschuld uit de weken zijner werkloosheid. De toepassing daarvan werd dan ook door het Kon. Nat. Steuncomité sterk aangemoedigd door een circulaire van 5 October 1914 aan de plaatselijke steuncomités, waarin het de Rotterdamsche huurbon-regeling uiteenzette en zich bereid verklaarde de kosten van een dergelijke huurbonregeling overal waar zij werd overgenomen, voor 1⁄2 voor zijn rekening te nemen boven de uitkeering, welke het toch reeds aan het plaatselijk comité deed. Het gevolg daarvan is geweest, dat de Rotterdamsche huurbonregeling met verschillende niet principieele varianten in een aantal plaatsen werd overgenomen.

De huurbonregeling heeft bij uitstek nuttig gewerkt; zij heeft er meer dan eenige andere maatregel toe bijgedragen dat de uitzettingen wegens huurschuld het normale getal niet hebben overschreden. Zij verdient uit dien hoofde volle waardeering, ook al wekte zij bij de belanghebbenden lang niet volle bevrediging. De huiseigenaren hadden er op tegen, dat er een sterke moreele druk in was gelegen tot kwijtschelding van een grooter of kleiner deel van de huur, terwijl de werklooze huurders meenden, dat zij niet ver genoeg ging. Volmaakt was de regeling zeker niet, maar ondanks hare gebreken is hare werking bij uitstek nuttig geweest. Tot 1 Januari 1916 werd aan de plaatselijke comités een bedrag van ƒ 833.000 door het Kon. Nat. Steuncomité toegezonden, uitsluitend bestemd voor bijdragen in huurschuld.

De huurbonregeling vormt den overgang tusschen de verleening van steun in geld en in natura. Zooals uit mijn rede, uitgesproken in de constitueerende vergadering blijkt, was ik op dat oogenblik, toen het buitenlandsch verkeer geheel en het binnenlandsch verkeer grootendeels stilstond, van meening dat de verstrekking van steun in natura, dus in den vorm van levensmiddelen, hoofdzaak, de giften in geld bijzaak zouden zijn. Het is echter anders uitgekomen. Het buitenlandsch verkeer, zoowel te land als ter zee, herstelde zich spoediger dan het zich in het begin van Augustus 1914 liet aanzien. Dit bracht een totalen omkeer te weeg in den toestand, zooals hij in de eerste weken na het uitbreken van den oorlog zich vertoonde. Scheen het toen een oogenblik dat verschillende levensmiddelen, inzonderheid tuinbouwproducten, gevaar zouden loopen van op het veld te blijven staan, omdat zij het oogstloon niet waard waren, en dat bij het wegvallen van den gewonen afzet een buitengewone oorlogsorganisatie zou moeten worden geschapen, om het nutteloos bederven dier levensmiddelen tegen te gaan, de aan bederf onderhevige producten op te koopen en onder de bevolking te distribueeren;—spoedig bleek het verloop van zaken een geheel ander te zijn. Het tijdelijk wegvallen van de buitenlandsche vraag, mede veroorzaakt doordat men in de eerste dagen van den oorlogstijd met het stellen van uitvoerverboden, voorzichtigheidshalve wat verder was gegaan dan strikt noodzakelijk was, maakte al heel spoedig plaats voor een zoodanig verhoogde buitenlandsche vraag, met name uit Duitschland, dat—gelijk in hoofdstuk II meer uitvoerig werd besproken—beperking van den uitvoer ter voorkoming van schaarschte en van prijsverhooging allengs meer noodig werd.

Onder dien fundamenteel gewijzigden toestand was er toch reden voor het maken van voorraden van verduurzaamde levensmiddelen, om bij de te verwachten prijsstijging die waren tegen billijken prijs aan de plaatselijke steuncomités ter verstrekking aan de ondersteunde gezinnen te kunnen afgeven. Nog in Augustus 1914 werd door het Kon. Nat. Steuncomité een circulaire aan alle plaatselijke steuncomités gericht met de vraag, of deze zich van ingemaakte groenten zouden wenschen te voorzien. Daarin werd er op gewezen, dat men door spoedig opgaaf te doen, het nationaal comité in staat zou stellen tot het doen van groote bestellingen, waarbij van de toen lage prijzen dier groenten zou worden geprofiteerd en tevens een welkome werkgelegenheid zou worden verschaft aan de inmakerijen en fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen. Het resultaat was echter bedroevend. De plaatselijke comités zagen het belang der zaak niet in, of wel zij zagen op tegen de moeite verbonden aan de distributie der ingemaakte groenten, welke hun zouden worden toegezonden. De aanvragen waren zoo luttel, dat het Kon. Nat. Steuncomité zich gedwongen zag den verkoop van verduurzaamde groenten veel meer in te perken dan het aanvankelijk voornemens was. Het legde ongeveer ƒ 80.000 ten koste aan den inslag van omstreeks 2000 vaten ingemaakte boonen en omstreeks 1500 vaten zuurkool, alsmede van ongeveer 700 H.L. groene erwten en 1400 H.L. bruine boonen. In het laatst van 1914 had het daarvan nog zooveel over, dat in de publicatie van December van dat jaar door het steuncomité moest worden medegedeeld, dat als de plaatselijke comités in het begin van 1915 den heelen voorraad nog niet hadden gekocht, het overblijvende ook aan armbesturen ter beschikking zou worden gesteld.

Deze proefneming was weinig aanmoedigend. De medewerking der plaatselijke comités bleef ver beneden hetgeen men had mogen verwachten. Bij velen was het eerste élan spoedig verslapt en over het algemeen bleek men te weinig vooruit en tegen het maken eener locale distributie-regeling op te zien. Ware bij de plaatselijke steuncomités het inzicht van den aanvang af wat ruimer geweest en het organiseerend talent voor locale levensmiddelendistributie wat grooter, dan zou het mogelijk zijn geweest, dat zich de kern van een distributie-organisatie had gevormd, die had kunnen zijn ontwikkeld en verbeterd, toen de Regeering zelve levensmiddelen moest distribueeren niet slechts onder hen, die binnen het bereik der steuncomités vielen.

Naast uitkeeringen in geld, huurbons en levensmiddelen werden door tusschenkomst van de plaatselijke comité’s ook kleedingstukken en schoeisel aan gesteunden verstrekt. De met dezen vorm van hulp verkregen ervaring was bevredigender dan die met de verstrekking van levensmiddelen. Vooral door de distributie der groote partijen kleederen in de eerste maanden van de crisis uit Nederlandsch Indië en Noord-Amerika ontvangen, is veel nut gesticht. Voorts kon vaak op zeer practische wijze indirect voor kleeding worden gezorgd door het lossen van kleederen, die aan een bank van leening waren verpand. In dit voorjaar werd den plaatselijken steuncomité’s nog eens in overweging gegeven, na te gaan of er geen aanleiding was in hun gemeente op eenigszins ruime schaal kleederen te verstrekken. Wel is waar konden toen de meeste steuncomité’s wegens de verbetering van den toestand haar werkzaamheid in het algemeen reeds schorsen. Het Kon. Nat. Steuncomité overwoog echter, dat ook in verband met de stijging der levensmiddelen in vele gezinnen van arbeiders met kleine loonen, voor aankoop van kleederen wel weinig of niets zou zijn overgeschoten en dat er dus in die gezinnen vrij algemeen behoefte zou zijn aan kleederen of aan geld tot aankoop daarvan. De circulaire had evenwel niet het effect, dat ervan verwacht worden mocht. Slechts betrekkelijk weinige plaatselijke comité’s getroostten zich de moeite van een onderzoek. Men leide hieruit intusschen niet af, dat er voor deze speciale hulp geen aanleiding was.

De steunverleening in geld is verreweg de hoofdzaak gebleken. Afgezien van tal van bijzondere uitkeeringen bedroeg zij op het eind van het jaar 1915 meer dan ƒ 2.200.000 tegenover ruim ƒ 830.000 aan huurbons en ongeveer ƒ 115.000 aan kleeding en dekking.

Onder den steun in bijzondere gevallen neemt een eerste plaats in, hetgeen het Kon. Nat. Steuncomité deed ten bate van onder de wapenen zijnde kleine neringdoenden, wier zaakje door de vervulling van hun militie- of landweerplicht dreigde te verloopen. Met dezen bijzonderen vorm van hulp belastte het comité zich op verzoek van den Minister van Oorlog. Toen deze bewindsman aan de compagniescommandanten in het laatst van December 1914 berichtte, dat het Kon. Nat. Steuncomité deze taak had aanvaard, stroomden de aanvragen spoedig toe. Zij werden steeds zoowel plaatselijk als door vakdeskundigen onderzocht. Nadat de in het volgend hoofdstuk te bespreken Regeeringscommissie voor het Middenstandscrediet haar werkzaamheid was begonnen, werden alle aanvragers die met een voorschot geholpen konden worden, daarheen verwezen. Op 31 December 1915 was aan giften voor dienstplichtige kleine neringdoenden omstreeks ƒ 156.000 besteed. Onder die kleine neringdoenden werden ook de binnenschippers begrepen.

Tot den steun in bijzondere gevallen behoort ook hetgeen gedaan werd ten bate van liefdadige stichtingen, die voor de vervulling van haar liefdewerk afhankelijk zijn van vrijwillige bijdragen en die, als gevolg van den oorlogstoestand, haar inkomsten zagen verminderen. Het steuncomité stelde een subcommissie in om te onderzoeken, welke van deze instellingen door den oorlogstoestand dreigden in nood te geraken en sprong die, welke gevaar liepen haar menschlievend werk niet te kunnen voortzetten, zoover bij, als bleek noodig te zijn. Tot 31 December 1915 was aan liefdadige instellingen ruim ƒ 34.000 verstrekt.

Voorts zij hier nog vermeld, wat in aansluiting aan hetgeen door de beeldende kunstenaren voor het Kon. Nat. Steuncomité werd gedaan, door het comité wederkeerig voor diegenen onder hen geschiedde, die onder den druk van den oorlogstoestand gebukt gingen. Bij de organisatie van de boven vermelde tentoonstelling met loterij was tusschen de commissie van uitvoering daarvan en het Kon. Nat. Steuncomité overeengekomen, dat een zeker percentage van de opbrengst daarvan ten goede zou komen aan het Nederlandsch Steuncomité voor Beeldende Kunstenaren en aan de Vereeniging voor Ambachts- en Kunstnijverheid. In verband met deze regeling werd ten behoeve van noodlijdende beeldende kunstenaars en beoefenaars der kunstnijverheid tot het eind van het jaar 1915 een bedrag van rond ƒ 42.000 uitgegeven.

Eveneens valt hieronder, wat gedaan werd ten bate van Nederlanders in den vreemde. Dit beperkte zich hoofdzakelijk tot de Nederlanders in België en tot die in Duitschland, inzonderheid in Westphalen en in de Rijnprovincie. Voor de Nederlanders in Brussel werd tusschen het Kon. Nat. Steuncomité en de Nederlandsche Vereeniging van Weldadigheid aldaar een regeling getroffen, waarbij deze vereeniging de rol vervulde van de plaatselijke steuncomités hier te lande. Voor de behartiging der belangen van de Nederlanders in België werd voorts door den Minister van Buitenlandsche Zaken eene bijzondere commissie ingesteld, onder leiding van Mr. Dr. J. van Best, lid van de Tweede Kamer. De hulp aan Nederlanders in Duitschland werd voornamelijk verleend door tusschenkomst van de Nederlandsche consuls in Westphalen en in de Rijnprovincie. Aanvankelijk bepaalde zij zich in hoofdzaak tot vergoeding van huishuur op overeenkomstige wijze als hier met de huurbons geschiedde. Later, bij het schaarscher worden der levensbehoeften, werden ook wel levensmiddelen verstrekt. Hierbij moest echter met de grootste omzichtigheid worden te werk gegaan. Niet alleen moest worden voorkomen, dat de verstrekte levensmiddelen in plaats van aan het gezin ten goede te komen, zouden worden verkocht, maar ook mocht de steunverleening niet ontaarden in indirecte subsidieering van buitenlandsche werkgevers. Hier diende men dus overwegingen te laten medespreken, die in Nederland, waar de steun tot werkloozen en hunne gezinnen beperkt was, niet behoefden te gelden. De medewerking van de Nederlandsche arbeidsbeurs te Oberhausen is bij de steunverleening aan de gezinnen van Nederlanders in West-Duitschland van groote waarde geweest. Die arbeidsbeurs heeft ook haar tusschenkomst verleend om aldaar vertoevende Nederlanders hier aan werk te helpen. Dit geldt vooral voor mijnwerkers. Later, toen de nood in Duitschland steeds klemmender werd, moest ook de terugkomst van gezinnen, die het niet langer konden uithouden, bevorderd worden. Sommige van die gezinnen zijn toen in een der vluchtelingenkampen ondergebracht, die hun ontstaan aan de invasie der Belgen na den val van Antwerpen te danken hebben.

Tot 31 December 1915 gaf het Kon. Nat. Steuncomité uit: voor Nederlanders in België ruim ƒ 175.000; voor Nederlanders elders (hoofdzakelijk in Duitschland) ruim ƒ 46.000 en voor Nederlanders die uit het buitenland waren gevlucht ruim ƒ 26.000.

§ 2. Hulp aan vreemdelingen.

Als tegenhanger van wat voor Nederlanders in den vreemde werd gedaan, moet ook worden gedacht aan hetgeen voor vreemdelingen, in de eerste plaats voor Belgen, hier te lande geschiedde. Toen het Duitsche leger met schending van België’s neutraliteit naar Frankrijk oprukte en de Belgische bevolking het verdedigen van hun verkracht grondgebied niet uitsluitend aan het leger overliet, maar in de algemeene verontwaardiging ook franc-tireurs de indringers trachtten tegen te houden, gaf dit aanleiding tot represaille-maatregelen en tooneelen, welke aan de bevolking den schrik om het hart deed slaan. Naar mate het Duitsche leger oprukte, vluchtten beangste Belgen eerst uit Visé en Luik en omstreken naar Nederlandsch Limburg. Later kwam, onder den indruk van wat in Leuven was geschied, Noord-Brabant aan de beurt. Het was geen wonder dat na die gebeurtenis, waarvoor de verantwoordelijkheid nog niet onomstootelijk is vastgesteld, zoowel ontzetting als heftige verbittering tegen den schender van recht en grondgebied zich van de Belgische bevolking meester maakte. Dit leidde er toe, dat het aan velen onder de Duitsche inwoners van België en vooral van Antwerpen aldaar te benauwd werd, en dat deze uit vrees van slachtoffers te zullen worden van de verontwaardiging, welke hun landgenooten hadden gewekt, naar hier de wijk namen. Zij waren slechts voorloopers. Toen het Duitsche leger allengs verder in België doordrong, beving de Antwerpsche bevolking de angst, dat het hun vergaan zou gelijk het den Leuvenaren vergaan was. Toen begon de uittocht eerst recht; de een stak bovendien den ander aan, en wat aanvankelijk een klein beekje was, werd spoedig een overweldigende stroom. Het was een ware volksverhuizing. Half Antwerpen liep leeg. Goeden en kwaden, zooals er in elke groote stad zijn, fatsoenlijke burgers, naast boeven en lichtekooien overschreden, onder den indruk van het ééne groote gevaar, dat allen zonder onderscheid bedreigde en dat allen in hun schrik nog grooter zagen dan het reeds was, de grens van Staats-Vlaanderen en van westelijk Noord-Brabant. Zóó plotseling en zóó onverwachts kwam die stroom opzetten, dat maatregelen van voorbereiding tot ontvangst en tot het onder dak brengen van een zóó overweldigende menschenmassa niet hadden kunnen worden genomen. Natuurlijk zijn er toen dingen gebeurd, die niet hadden moeten zijn geschied, natuurlijk hebben de arme vluchtelingen, die niet slechts het gevoel hadden van berooid te zijn van huis en hof, maar die bovendien door angst werden voortgedreven, niet overal de medelijdende gastvrijheid gevonden, waarop zij in hun deerniswaardigen toestand aanspraak mochten maken. Men brengt zulk een menschenmassa niet in een of twee dagen onder, zonder dat het hier en daar verkeerd gaat. Maar de donkere vlekjes die er bij de invasie aan onze Zuidgrens door, de opgeschrikte Belgische bevolking zonder twijfel zijn geweest, en die het dwaasheid zijn zou, te willen verbloemen of vergoelijken, vallen toch Goddank geheel in het niet tegenover den geest van gastvrijheid en offervaardigheid, welke over de gansche bevolking van ons land vaardig werd. Overal was men bereid om te helpen. Het was daarbij een groot geluk, dat de weersgesteldheid in het laatst van September en het begin van October 1914 niet al te slecht was, want met den besten wil was het niet mogelijk die toegestroomde menschenmassa terstond geheel onder dak te brengen. Een groot deel moest de eerste nachten onder den blooten hemel slapen; daartegen was trots alle inspanning van militaire en burgerlijke autoriteiten en trots de groote medewerking en toewijding der bevolking tot verzachting van het hartverscheurende leed, dat zij onder hun oogen zagen, niets te verhelpen. Het was al een praestatie, welke eerbied afdwingt, dat door die honderdduizenden, waaronder kinderen en grijsaards, zieken en gebrekkigen, zoowel als gezonden van lijf en van geest, geen dag honger werd geleden, dat aan die allen binnen 24 uur althans het hoogst noodige voedsel werd verstrekt. Wat er in die dagen voor de vluchtelingen werd gedaan en gedaan moest worden, kan ik het best weergeven in de woorden, door den heer Cort van der Linden in de vergadering van de Tweede Kamer van 17 December 1914 gesproken:

„Toen de Duitschers in België kwamen en men de gevechten heeft gehad bij Visé, zijn er dadelijk een aantal vluchtelingen gekomen in Limburg, eenige duizenden. Zij hebben een onderdak gekregen en voedsel; daarvoor is, mag ik zeggen, door den Commissaris van Limburg op voortreffelijke wijze gezorgd. Toen langzamerhand het Duitsche leger voorttrok in België, heeft de Regeering voorzien—dit in antwoord aan den heer Hugenholtz, die vroeg of de Regeering niets had voorzien—dat het aantal vluchtelingen dat in ons land zou komen zou vermeerderen. In dien tusschentijd waren er ook door de bevolking verschillende steuncomités opgericht voor de vluchtelingen, die zich in Limburg bevonden, en toen heeft de Regeering een organisatie in het leven geroepen: ik heb toen aan de Commissarissen der Koningin verzocht om provinciale comités te vormen, die samenwerking zouden bevorderen van die steuncomité’s, die zich in het land hadden gevormd en die dikwijls tegen elkander inwerkten en veel noodeloos werk deden. Ook heb ik in het leven geroepen een centraal comité, dat in verband kwam met een comité dat reeds te Amsterdam bestond, maar geen officieel karakter had, en dat over een zeker kapitaal kon beschikken. Men had dus een organisatie van de steuncomité’s over het geheele land.

„Maar wat ik niet voorzien had, en wat ik geloof niemand heeft voorzien, dat was de enorme massa, die ons land overstroomd heeft, en waarvoor die organisatie ten eenenmale is bezweken. Tegen een dergelijken aandrang was zij niet bestand. Maar zulk een aandrang kon ook inderdaad niemand voorzien. Dat heeft de Regeering niet voorzien, dat heeft de Belgische Regeering niet voorzien en niemand.

„Ik zeg: een enorme overstrooming. Men moet niet vergeten dat er op een zeker oogenblik hier in het land 8 à 900.000 Belgische vluchtelingen waren, en men moet zich eens een oogenblik voorstellen wat dat beteekent. Dat is meer dan dubbel de bevolking van den Haag die zich in enkele dagen over ons land verspreidde.

„Wat was nu de taak van de Regeering op dat oogenblik? Die kon dit niet anders behandelen dan als een zuiver massaverschijnsel; die kon geen onderscheid maken. In enkele dagen of in een dag moest voor die ontzaglijke massa voedsel verschaft worden. Dat voedsel is verschaft. Ik geloof niet dat de vluchtelingen 24 uur hebben doorgebracht zonder dat er gelegenheid was om eten te krijgen. Dat is verschaft, met groote inspanning en dank zij de inderdaad uitstekende organisatie van onze intendance.

„Er moest ook zooveel mogelijk gezorgd worden voor onderdak. Die menschen konden niet blijven daar in de bosschen waar zij waren, mannetje aan mannetje, zooals de heer Schaper het zelf heeft bijgewoond, op de wegen, op de markt, in de straten. Van alle kanten heeft men getracht tenten bijeen te brengen, maar dat was niet voldoende. Ik had trouwens reeds vóór den val van Antwerpen begrepen, dat de toestand onhoudbaar zou worden als men die massa niet althans ten deele over het land kon verspreiden. Door tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin is daarom overleg gepleegd met de verschillende burgemeesters. Wanneer men de streek eenigszins wilde verlichten en althans eenige mogelijkheid van organisatie wilde krijgen, moest men de menschen ergens anders onder dak brengen. Men moest er zich dus van verzekeren, waar gelegenheid was om ze althans tijdelijk te bergen. Dat is door het heele land heen gebeurd in nog geen twee dagen. In nog geen twee dagen wist ik precies over het heele land waar vluchtelingen konden worden geborgen. Men kan dus niet zeggen dat er in deze eenig verzuim is geweest. Dat is alles ook weer per telegraaf gegaan, en dat is inderdaad geweest een zeer groot stuk werk, dat in korten tijd moest worden volbracht.

„Vervolgens moest het vervoer geregeld worden, en indien men weet wat het zeggen wil duizenden en duizenden menschen te vervoeren en dat vervoer geregeld te doen plaats hebben, dan zal men toch ook beseffen dat het een prachtig stuk werk is geweest—ik zeg dat niet om mij zelf te verheffen, want het is hoofdzakelijk ook weer geschied door ambtenaren, door de stafofficieren en door de spoorwegen—dat men dadelijk die treinen heeft kunnen organiseeren, de vluchtelingen heeft kunnen concentreeren op de hoofdplaatsen en van de hoofdplaatsen van de provincies verder heeft kunnen verspreiden, zoodat althans een groot gedeelte van die menschen onderdak had en er voor gezorgd werd dat zij verder eten en drinken hadden.

„Dat was des te moeilijker, omdat ter zelfder tijd meer dan 30.000 soldaten over de grenzen kwamen die geïnterneerd moesten worden, die vóór moesten gaan en die dus dwars door die regeling heen, gebracht moesten worden naar de kazernes en kampen.

„In den tijd dat de treinen naar het noorden werden gedirigeerd, moest het voedsel, brood en ander, worden verdeeld onder de menschen en dat is een werk geweest waarbij de particulieren groote diensten hebben bewezen. Zonder dat de particulieren zich daarmede hadden bemoeid, zouden de autoriteiten, die daar waren, en de steuncomité’s eenvoudig niet in staat zijn geweest het werk te doen. Op allerhande wijzen, ook bij het vervoer van vluchtelingen naar het noorden, heeft het particulier initiatief groote diensten bewezen aan de Regeering.”

Dat, zooals de heer Cort van der Linden verder opmerkte, de particulieren met de beste bedoeling de autoriteiten, die bezig waren orde te brengen in den chaos, ook wel eens hebben in den weg geloopen, spreekt van zelf. Maar over het algemeen was, daar allen werden geleid door hetzelfde gevoel van meewarigheid en menschelijkheid, de samenwerking groot. Het was hoog noodig, dat onverwijld voor verspreiding van die opgehoopte menschenmassa werd gezorgd, niet alleen omdat anders een behoorlijke verzorging onmogelijk zou zijn geweest, maar ook omdat die bij de grens verzamelde menigte de militairen zoozeer in beslag nam en ook indirect voor de taak der landsverdediging zóó belemmerend was, dat verspreiding dier menigte met het oog op gebeurlijkheden, waarop men voorbereid moest blijven, in het belang van ’s lands veiligheid geboden was. Bovendien gaf die menschenmassa, als zij niet werd verspreid en geschift, nog aanleiding tot andere gevaren. Niet alleen was met gezeten burgers, ook het schuim, dat in elke groote stad is te vinden, meegekomen, maar aangezien in de paniek zelfs de poorten der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen waren geopend, had men ook te rekenen met de aanwezigheid van gewezen bewoners daarvan, zeer ongewenschte gasten. En daarnaast zieken en zelfs krankzinnigen die, gedeeltelijk met hun verplegers, den stroom hadden gevolgd! Van allerlei gevaren van maatschappelijken en hygienischen aard werd met de invasie der Belgen de kiem hierheen gedragen. Dit is geen bedekt verwijt aan het Belgische volk. Als bijv. de Rotterdamsche of Amsterdamsche bevolking naar België had moeten vluchten, zou het niet anders zijn geweest. Ik wijs er alleen op, omdat men het niet vergeten mag bij het beoordeelen der maatregelen, die genomen werden.

Nadat de eerste weken van paniek voorbij waren, begon bij een deel der vluchtelingen het gevoel op te komen, dat zij beter gedaan hadden zich niet door den algemeenen stroom te laten medesleepen en, met achterlating van alles wat zij hadden, de vlucht te nemen. Er kwam daardoor spoedig een terugstrooming van ons land naar België, met name naar Antwerpen. Zij werd aangemoedigd door eenige invloedrijke Belgische persoonlijkheden, onder wie in de eerste plaats de heer Louis Franck is te noemen, die voor de bevolking van Antwerpen en zijn omgeving een ware schutspatroon is geweest. Ook de heer Huysmans stak aan de gevluchten een hart onder den riem en raadde hen tot terugkeer. Van hier uit werden die pogingen ondersteund, voor zoover dit mogelijk was zonder den valschen schijn te wekken, als zou men zich de vluchtelingen, wier verzorging men op zich had genomen, weer van den hals willen schuiven. Sommige burgemeesters zijn, uit vrees dat die gemengde menigte aanleiding zou kunnen geven tot epidemieën of andere gevaren voor de bevolking, wel eens te ver gegaan. Zoo dikwijls hiervan iets bleek, heeft de Minister van Binnenlandsche Zaken zich gehaast zulke overzorgzame burgervaders duidelijk te maken, dat hun overmaat van ijver niet met de bedoelingen der Regeering strookte. Deze was zoozeer doordrongen van hetgeen de plicht der menschelijkheid aan ons land oplegde, dat toen van Engelsche zijde werd aangeboden een deel der vluchtelingen op kosten der Britsche regeering naar ginds over te brengen, dezerzijds beleefd maar beslist werd geantwoord, dat wij geen hulp van elders verlangden voor de verzorging van vluchtelingen, die een beroep op onze gastvrijheid hadden gedaan. Natuurlijk werd aan die vluchtelingen, die zelven verkozen naar Engeland over te steken, met het boven in hoofdstuk I gemaakte voorbehoud[11] geen beletsel daartoe in den weg gelegd.

De zooeven bedoelde tegenstrooming had ten gevolge, dat het aantal Belgische vluchtelingen na enkele weken tot 200 à 300.000 terugliep en daarna geregeld afnam, zoodat een jaar later hun aantal op 50 à 100.000 was te schatten. Onder de achtergebleven Belgen is een groot deel welgestelden, die geheel in staat zijn in eigen onderhoud te voorzien. De tijdelijke toevluchtsoorden in de steden liepen het spoedigst leeg. Zij die niet op eigen kosten konden leven of niet bij particulieren onderkomen hadden gevonden, werden bij voorkeur opgenomen in de vluchtelingenkampen. Toen het mogelijk was geworden een schifting te maken, werd zooveel eenigszins mogelijk was geindividualiseerd en werden de fatsoenlijke lieden van het minderwaardige deel der vluchtelingen gescheiden. De gevaarlijke elementen, die uit tuchthuis of werkinrichting waren gekomen, werden in Veenhuizen ondergebracht.

De kampen, die eerst onder militair toezicht hadden gestaan, werden spoedig onder het Departement van Binnenlandsche Zaken gebracht, waar zij ook veel meer thuis hoorden. Eerst werd een deel der vluchtelingen in een kamp te Oldeberkoop ondergebracht, maar toen na den val van Antwerpen geïnterneerden daar gehuisvest moesten worden, was dat kamp niet langer voor hen beschikbaar. Hals over kop werd er toen te Nunspeet een voor hen in gereedheid gebracht. Dat daarbij niet alles terstond geheel in orde was, spreekt van zelf. Men breekt nu eenmaal geen ijzer met handen en men bouwt niet in enkele dagen een kamp voor meer dan 10.000 vluchtelingen, zonder dat er gegronde aanmerkingen op zijn te maken. Aanvankelijk waren er zeker groote leemten, maar Dr. Hendrik Muller, die zich aanstonds bij het uitbreken van de oorlogscrisis ter beschikking van den lande had gesteld en aan wien door den Minister van Binnenlandsche Zaken het beheer van het kamp te Nunspeet als Regeeringscommissaris was toevertrouwd, was den toestand spoedig meester.

Op uitnoodiging van den heer Muller heb ik dat kamp, met medeweten en goedvinden van mijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken, in den zomer van 1915 als particulier bezocht. De indruk dien dat bezoek bij mij heeft achtergelaten, is zeer gunstig. De geest onder de kampbewoners was klaarblijkelijk zeer goed; het trof mij ook dat het afgeschoten gedeelte, dat door militairen werd bewaakt en waar vrouwen met venerische ziekten afgezonderd werden gehouden, in het geheel niet den indruk van een gevangenis maakte en dat de stemming onder de vrouwen, die er vertoefden, veel minder somber was, dan ik had verwacht. Het geheel was goed ingericht en er heerschte een prettige stemming, die opviel zoowel bij het bezoek der scholen, waar de kinderen onder leiding van geestelijke of wereldlijke onderwijskrachten uit hun eigen land bijeen waren, als in de verschillende werkplaatsen waar de volwassenen zich met allerlei werk onledig hielden. Die goede geest was zeker voor een niet gering deel te danken aan de omstandigheid dat de heer Muller zich de medewerking had weten te verschaffen van een tweetal beschaafde jonge vrouwen, die met grooten tact met de kampbewoners omgingen en klaarblijkelijk een grooten invloed ten goede op hen hadden. Als Minister van Financiën heb ik ook zeer het streven van Dr. Muller gewaardeerd, om bij het beheer van het kamp de uitgaven niet te doen stijgen boven het strikt noodzakelijke. Als over het algemeen bij de verschillende leiders van onderdeelen der wijdvertakte oorlogscrisis-organisatie, zoowel onder de militaire als onder de burgerlijke autoriteiten, dat streven even sterk ontwikkeld was geweest, zou de oorlogstoestand aan het land op heel wat minder millioenen zijn te staan gekomen, ook al hadden slechts weinigen den heer Muller kunnen navolgen in zijn vaderlandschlievende daad van terugstorting in ’s Rijks schatkist der hem als Regeerings-Commissaris toekomende vergoeding.

Naast het kamp te Nunspeet werden nog enkele kleinere opgericht. Daarover kan ik niet oordeelen. Dat ik van Nunspeet een eigen indruk heb gekregen, is vrijwel toeval. De geheele zorg voor de vluchtelingen is, na de eerste weken, toen ook de militaire autoriteiten veel daartoe hebben bijgedragen, geleid door het Departement van Binnenlandsche Zaken. De heer Cort van der Linden is daarbij krachtig bijgestaan door Jhr. Mr. Ch. J. M. Ruys de Beerenbrouck, die enkele dagen na den grooten toevloed uit Antwerpen en omgeving tot Regeerings-commissaris werd benoemd en veel er toe heeft bijgedragen, dat met grooten spoed orde en regelmaat werd gebracht. Officieel heb ik zelf met de vluchtelingenzorg heel weinig te maken gehad. Alleen herinner ik mij uit de allereerste dagen van den binnenvallenden stroom, een telegrafisch verzoek van den burgemeester eener grensgemeente uit Noord-Brabant tot het vaststellen van maximum-prijzen voor koppen koffie en voor broodjes, daar er herbergiers en bakkers in zijn gemeente waren, die van den toestand misbruik maakten. Aan dat verzoek werd telegrafisch door mij voldaan.

Wat er van particuliere zijde voor de vluchtelingen werd gedaan, is moeielijk onder cijfers te brengen. De omvang van ’s Rijks werkzaamheid ten behoeve der Belgen, die hier te lande een goed heenkomen zochten, kan hieruit eenigszins worden nagegaan, dat de uitgaven te hunnen behoeve in het jaar 1914 bijna ƒ 31⁄2 millioen en in 1915 ruim ƒ 9 millioen bedroegen, dus samen tot het begin van het loopende jaar ongeveer ƒ 121⁄2 millioen.

Naast de eigenlijk gezegde vluchtelingenzorg hebben ook de Nederlandsche Bank en de Rijkspostspaarbank aan de naar Nederland uitgeweken Belgen de behulpzame hand geboden. De Nederlandsche Bank, die ook aan andere vreemdelingen de inwisseling van hun geld vergemakkelijkte, moest ten behoeve der gevluchte en geïnterneerde Belgen daarvoor een bijzonderen dienst organiseeren. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hiervan: „Nadat wij aanvankelijk de verwisselingen van Belgisch geld voor eigen rekening hadden aangevangen, liet de Banque Nationale de Belgique ons later daarvoor middelen verschaffen. Tijdens den grooten stroom van Belgische vluchtelingen naar ons land moesten wij de verwisseling bij een groot aantal kantoren openstellen, en werd over het geheele land door honderdduizenden hiervan gebruik gemaakt. Later zijn de gelegenheden tot verwisseling van Belgisch geld aanmerkelijk ingekrompen, omdat de Banque Nationale geen aanleiding kon vinden voor de verwisseling op eene zoo uitgebreide wijze gelden ter beschikking te stellen. Bovendien werd veelal misbruik gemaakt van den gunstigen koers. Wij hebben al deze werkzaamheden (dit geldt niet alleen voor inwisselingen ten behoeve van Belgen, maar ook ten behoeve van Engelschen, Duitschers en Amerikanen) zonder eenige vergoeding, in welken vorm dan ook op ons genomen, uitsluitend als een vriendendienst voor de vreemde nationaliteiten, met welke wij sedert jaren in goede vriendschap hebben verkeerd, terwijl ook de inwoners van ons land door de mogelijkheid dier inwisseling werden gebaat.”

Ook de Rijkspostspaarbank was in de gelegenheid te hulp te komen. Er bestaat een overeenkomst tusschen de Rijkspostspaarbank en de Belgische „Algemeene Spaar- en Pensioenkas”, dat na afgifte van een betalingsorder door de instelling, welke een spaarbankboekje heeft uitgegeven, daarop door de zusterinstelling wordt uitbetaald, natuurlijk behoudens latere verrekening. Toen nu onder de vluchtelingen er een zeker aantal waren die Belgische spaarbankboekjes bij zich hadden, sprak het wel van zelf dat deze gaarne hun tegoed terugnamen; zij hadden hun geld zoo hoog noodig. De officieele aanvragen om orders van betaling, welke door de Rijkspostspaarbank naar hare Belgische zusterinstelling werden verzonden, bleven echter als gevolg van den ontredderden toestand in België, onbeantwoord. De Minister van Waterstaat heeft toen, met volle instemming van den Ministerraad, den Directeur van de Rijkspostspaarbank gemachtigd op de boekjes van de Belgische Algemeene Spaar- en Pensioenkas door middel van de postkantoren uitbetalingen te doen, met voorbijgang van de betalingsorders dezer spaarbank. Daarbij werd den directeuren der postkantoren op het hart gebonden, goed toe te zien, dat van den vrijgevigen uitzonderingsmaatregel alleen zouden profiteeren de Belgen, die als vluchteling hier te lande vertoefden en in behoeftige omstandigheden verkeerden, en dat daarvan geen misbruik zou worden gemaakt door personen, die even over de grens zouden komen ter verkrijging van betaling op hun Belgisch boekje, om daarna terstond weer naar België terug te keeren. Aan dezen maatregel was een risico verbonden, dat de Regeering geen oogenblik geaarzeld heeft, op zich te nemen.

De Regeering, de Nederlandsche Bank, de Rijkspostspaarbank, particuliere comités en het heele publiek hebben voor de gevluchte Belgen alles gedaan, wat zij konden. Niet altijd werd die hulp besteed aan personen die haar verdienden; zooals ik reeds opmerkte was de toegestroomde Belgische bevolking zeer gemengd. Zij die slechte ervaringen opdeden met personen, die zij onder hun bescherming hadden genomen, generaliseerden in den regel te veel en verweten aan „de” Belgen, wat enkele Belgische individuen tegenover hen op hun kerfstok hadden. Omgekeerd werd ook door Belgen, als zij terecht ontevreden waren over een behandeling die zij hadden ondervonden, niet alleen niet altijd rekening gehouden met de groote moeilijkheid voor de Nederlandsche Regeering en het Nederlandsche publiek hen zoo onverwachts te ontvangen en te herbergen, noch met de onmogelijkheid daarbij aanstonds het kaf van het koren te scheiden; ook zij konden, als zij ergens een minder aangename ervaring hadden opgedaan, zich van te veel generaliseeren evenmin terughouden als de zooeven door mij bedoelde Nederlanders. Dit heeft over en weer soms kwaad bloed gezet, waar een nauwere innerlijke aansluiting als gevolg van de ramp, die België had getroffen en van de wijze waarop Nederland daarop had gereageerd, had mogen worden verwacht. In bijzondere gevallen heeft het gevoel van elkander beter te hebben leeren begrijpen en waardeeren, zeker wel wortel geschoten. Dat het zich algemeen zou hebben ontwikkeld, moet ik helaas betwijfelen.

Ook de Belgische grensgemeenten, die onder den oorlogstoestand het zwaar te verantwoorden hadden, werden intusschen niet vergeten. Men bevond zich met zijn hulpverleening daar op zeer delicaat terrein. Men had te rekenen met de gevoeligheden zoowel van de Duitschers als van de geallieerden, en men mocht ook niet vergeten, dat het medelijden met de beklagenswaardige zuidelijke naburen niet mocht leiden tot het verleenen van hulp op eene wijze, waardoor de eigen bevolking zou kunnen tekort komen. Toch wilde de Regeering evenmin als het Nederlandsche volk, dat het alleen aan de Amerikaansche „Relief Commission” zou worden overgelaten, de Belgen te hulp te komen, voor zoover dit binnen de zooeven uitgestippelde grenzen mogelijk was. Daartoe werd bij Koninklijk besluit van 5 December 1914 een commissie in het leven geroepen tot regeling van de voorziening in noodzakelijke levensbehoeften in Belgische grensgemeenten. Zij ressorteerde onder het Departement van Landbouw; als haar voorzitter werd benoemd de heer A. N. Fleskens, lid van de Tweede Kamer en burgemeester van de gemeente Geldrop, die in zijn laatstgenoemde kwaliteit de nooden en behoeften der Belgische grensgemeenten uit eigen aanschouwing kende. Die commissie heeft haar taak met grooten tact vervuld. Vaak was haar kunnen echter heel wat beperkter dan haar willen; maar toch heeft zij veel ellende gelenigd of verzacht. De eer daarvan komt in de allereerste plaats toe aan haar president, wien geen moeite te veel was en die ook onvermoeid in de weer was tot het tegengaan van knoeierij, waartoe gewetenlooze smokkelaars de commissie als onschuldig tusschenpersoon meer dan eenmaal poogden te misbruiken. Het werk der menschelijkheid dat aan de andere zijde van de zuidelijke grens door Nederland werd verricht, mag de heer Fleskens voor een goed deel op zijn rekening schrijven.

Bij hetgeen voor berooide vluchtelingen en noodlijdende grensbewoners werd gedaan, zijn fouten zeker evenmin achterwege gebleven als bij het vervullen der andere buitengewone opgaven, die door den oorlogstoestand werden opgelegd. Maar ook al wil men die tekortkomingen breed uitmeten, blijft toch de hoofdindruk onverzwakt, dat Nederland hier naar de mate zijner krachten zijn plicht heeft gedaan.

§ 3. Voorkoming van werkloosheid; arbeidsbemiddeling.

Een der moeilijkste problemen bij de vluchtelingenzorg was hoe men hen aan het werk zou kunnen houden, zonder dat zij in mededinging kwamen met de Nederlandsche arbeiders, onder wie de werkloosheid in de eerste oorlogsmaanden toch reeds zoo buitengewoon groot was, dat alles moest worden gedaan om deze maatschappelijke crisisziekte zooveel mogelijk in te perken en, voor zoover men daartoe niet bij machte was, de gevolgen ervan zooveel mogelijk te verzachten. Wat tot leniging van nood als gevolg van werkloosheid door de steunbeweging, met het Kon. Nat. Steuncomité aan het hoofd, werd gedaan in den vorm van giften in geld, in huurbons, in levensmiddelen en in kleeding, werd reeds in § 1 van dit hoofdstuk besproken. Wat met medewerking van dat comité geschiedde om de bedrijven op gang te brengen en te houden en zoodoende indirect de werkloosheid te bestrijden, bespreek ik hieronder in hoofdstuk V. Hier vinde zijn plaats wat rechtstreeks ter inkrimping van de werkloosheid werd gedaan.

Het was zaak het dreigende werkloosheidsgevaar te gelijkertijd van alle kanten onder de oogen te zien en onverwijld alle maatregelen te nemen, die genomen konden worden deels om het te keeren, deels om de gevolgen der werkloosheid die niet af te wenden waren, zooveel mogelijk te verzachten. Dat dit mogelijk was, zonder dat te groote fouten werden begaan en dat men als het ware van den eersten dag af met zijn mobilisatie van strijdkrachten tegen dit gevaar gereed was, is te danken aan het gelukkige toeval, dat de Staatscommissie over de Werkloosheid, welke de werkloosheid alsmede de middelen tot bestrijding en tot leniging daarvan in alle richtingen had onderzocht, enkele maanden vóór den oorlog was gereed gekomen en haar eindverslag had uitgebracht. Aan het slot van haar verslag had zij een organisch geheel van instellingen en maatregelen tot het voeren van den strijd tegen deze kwaal onzer moderne maatschappij aanbevolen, waarbij zij, met gebruikmaking van de ervaringen in binnen- en buitenland opgedaan, zich had aangesloten aan regelingen en instellingen, die ten deele reeds bestonden toen zij haar werkzaamheden begon, deels gedurende haar onderzoek en onder haar invloed waren tot stand gekomen. Het voorzitterschap van die commissie was in mijne handen geweest, het secretariaat in dat van Prof. de Vooys; verschillende hoofdambtenaren van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, met name de Directeur-Generaal van den Arbeid en de Inspecteur van den Landbouw, de heer F. B. Löhnis, hadden deel van de commissie uitgemaakt. Men stond dus, toen de crisis uitbrak, niet onvoorbereid en greep onwillekeurig naar de voorstellen, welke zoo kort te voren waren onderzocht en aanbevolen. Dientengevolge was er geen gevaar van het in practijk brengen van onberaden plannen en kon met kennis van zaken worden opgetreden, niet alleen bij het nemen en aanmoedigen van maatregelen, maar ook bij het ontraden van goed bedoelde pogingen tot werkverschaffing, zooals reeds zoo herhaaldelijk in tijden van buitengewone werkloosheid waren gedaan en die, indien zij niet op een gezonde economische basis rustten, steeds op mislukking en teleurstelling zijn uitgeloopen.

Als centraal orgaan, dat bestemd was de verschillende vereenigingen op het gebied der arbeidsbemiddeling, der werkloosheidsverzekering, der landverhuizing, der werkverschaffing en der algemeene bestudeering en bestrijding van werkloosheid met elkaar en met de centrale organen van de vakbeweging der arbeiders, voor zoover deze zich met het werkloosheidsvraagstuk bezig houden, in aanraking te brengen, en samenwerking tusschen die verschillende lichamen te bevorderen, was als gevolg van de onderzoekingen der Staatscommissie eenige maanden vóór het uitbreken van den oorlog de Werkloosheidsraad gesticht. Hij was samengesteld uit vertegenwoordigers der bedoelde lichamen. Terstond na het uitbreken van de oorlogscrisis werd aan den Werkloosheidsraad door mij advies gevraagd over hetgeen zou kunnen geschieden om de werkloozenkassen der vakvereenigingen en de gemeentelijke werkloozenfondsen, die tegen een toestand als zich in Augustus 1914 plotseling voordeed, niet bestand waren, in staat te stellen de crisis door te komen. Ook het probleem der instandhouding van de werkloosheidsverzekering in tijden van zware crisis had in de Staatscommissie over de werkloosheid een punt van overweging uitgemaakt, maar een concreet en uitgewerkt voorstel daaromtrent had die commissie niet gegeven. Ik bewaar echter de werkloosheidsverzekering tot de volgende paragraaf en bespreek eerst eenige maatregelen die aan de hand van het verslag der Staatscommissie werden genomen of aanbevolen ter voorkoming of inkrimping van werkloosheid.

Door de Staatscommissie was met klem er op aangedrongen, dat zooveel maar eenigszins mogelijk was, door openbare lichamen voor crisistijden werk in reserve zou worden gehouden, opdat door het uitgeven daarvan in den crisistijd van overheidswege de verminderde vraag naar arbeidskrachten zoo goed mogelijk zou worden gecompenseerd. In overeenstemming daarmede werd door het Departement van Landbouw aanstonds bij de verschillende hoofden der Ministerieele Departementen aangedrongen op het uitgeven van al het werk, dat daarvoor gereed was en dat er toe kon bijdragen de heerschende werkloosheid te verminderen.

In de Eerste Economische Nota werd medegedeeld, dat dit tot gelukkig resultaat had, „dat inderdaad niet onbelangrijke opdrachten gegeven werden, die steeds plaats hadden in overleg met den Directeur-Generaal van den Arbeid, zoodat er gezorgd kon worden, dat de bestellingen zoo goed mogelijk verdeeld werden over de werkbehoevende fabrieken.

„Zulks geschiedde o.a. voor leveringen van meubelen, weefgoederen en papier. In het bijzonder kon de zwaar getroffen kleedingindustrie eenigermate geholpen worden met leveranties voor het leger. Ter voorziening in de plotselinge behoefte bij de mobilisatie was van enkele soorten kleedingstukken, speciaal uniformjassen en -broeken en ondergoed, spoedige levering noodzakelijk, zoodat toen de eisch van spoed alles beheerschend was. Daarna kon echter de verdeeling zoodanig plaats hebben dat over het geheele land de meest geteisterde bedrijven opdrachten ontvingen. De aanmaak van uniformen werd zelfs onafhankelijk van de onmiddellijke behoefte zoo hoog mogelijk opgevoerd. In de steden, waar de Centrale Magazijnen gevestigd zijn—Amsterdam, Delft, Woerden—en in de nabijgelegen groote steden—Rotterdam, ’s Gravenhage en Utrecht—werd het werk, behalve over de aan de magazijnen verbonden buitenwerkers, verdeeld over werklooze kleermakers. Aan deze laatsten werd slechts een zeer beperkte hoeveelheid gegeven, opdat een zoo groot mogelijk aantal een, zij het ook matig, weekloon zou kunnen verdienen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings