← Table of contents
Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

HOOFDSTUK IV. GELD EN CREDIET IN DEN OORLOGSTIJD. (continued 2)

Reading edition

Doordien in geval van schade op een post de Staat voor het dragen geheel zou opkomen, zoolang het bedrag het vastgestelde percentage voor het „premier risque” niet zou overschrijden, zou dit het risico der credietverleenende instellingen zeer beperken en de kans op welslagen der zaak zeer verhoogen. Van de zijde van den Staat zal, ten einde een onbeperkte aansprakelijkheid te ontgaan, een maximum moeten worden gesteld, waarboven de toezegging tot het dragen van het „premier risque” niet zou gaan. Hierbij kan òf alleen een algemeen maximum gesteld worden òf daarnevens ook een maximum voor elken post. Dit behoort tot de nader te regelen punten.

Toevallig is er op het oogenblik een plan in voorbereiding tot stichting van een verzekeringsmaatschappij, waaraan de verschillende middenstandscrediet-instellingen deelnemen, en welke ten doel heeft de verliezen door die instellingen op bepaalde posten te lijden, onderling om te slaan. Waarschijnlijk zal het aandeel van den Staat in het risico der hier bedoelde credietverleeningen het eenvoudigst door tusschenkomst van die maatschappij zijn te regelen.

Door deze wijze van steunverleening zal de Staat niet alleen het aantal gevallen waarin aan credietaanvragen uit kleine middenstandskringen kan worden voldaan, aanmerkelijk vergrooten, maar tevens door indirect voor een deel het crediet van den Staat ter beschikking van die aanvragers te stellen, de voorwaarden waaronder het crediet wordt verstrekt, minder bezwarend voor hen maken.

De tweede wijze, waarop de Staat steun verleenen kan, bestaat in het geven van een bijdrage aan den credietnemer om hem te helpen in het opbrengen van rente en aflossing van het hem verleende crediet. Een overeenkomstige steun dus als volgens de woningwet, in sommige gevallen aan woningvereenigingen kan worden verleend. Het zal wel gewenscht zijn, ten einde dezen vorm van steunverleening eenigszins binnen de perken te houden, hem als regel alleen toe te passen op die aanvragers voor wie het zelfstandig opbrengen van het volle bedrag van rente en aflossing te zwaar is en wier bedrijf in het ongereede is geraakt door het vervullen van militie- of landweerplicht.

De wijze van werken van deze organisatie voor middenstandscredieten in verband met achteruitgang door den oorlogstoestand, kan men zich ongeveer als volgt voorstellen.

De commissie welke gevormd zal worden uit de vertegenwoordigers der bovengenoemde vereenigingen en maatschappijen benoemt een kleiner comité van beoordeeling, hetzij geheel uit haar midden hetzij met opneming ook van één of meer personen van buiten af.

De crediet-aanvrager wendt zich tot de middenstandsbank of boerenleenbank te zijner keuze, mits deze instelling deel uitmaakt van één der bij de organisatie aangesloten centrale lichamen. De bank onderzoekt de aanvraag op gelijke wijze als andere bij haar inkomende aanvragen worden onderzocht. Meent zij dat de aanvraag valt onder de categorieën, waarom het hier gaat, dan zendt zij die met de daaromtrent verzamelde gegevens en met een gemotiveerd advies, door tusschenkomst van de centrale instelling waartoe zij behoort, aan het comité van beoordeeling toe. Het comité onderzoekt 1º of de aanvraag valt onder een der categorieën waarvoor deze bijzondere organisatie is ingesteld en, zoo ja, 2º of en in hoever de aanvraag voor inwilliging vatbaar is en tot welk percentage de Staat zich bij voorkeur aansprakelijk kan stellen. Het brengt verslag van zijn onderzoek uit aan den Thesaurier-Generaal, die door den Minister van Financiën wordt gemachtigd uit zijn naam de borgstelling door den Staat te fiatteeren.

Zonder twijfel zullen in dezen opzet bij de nadere uitwerking op verschillende punten veranderingen komen. Ondergeteekende meent echter, dat daarin de hoofdlijnen der zaak voldoende zijn aangegeven, ter beoordeeling van de uitvoerbaarheid van het plan.

’s-Gravenhage, 1 Februari 1915.

TREUB, Minister van Financiën.

Toen de Koningin mij had te kennen gegeven, dat Zij zich met mijne uitwerking van Haar denkbeeld kon vereenigen, werd het noodige gedaan om de verwezenlijking daarvan voor te bereiden. Daartoe moest in de eerste plaats met de Nederlandsche Bank overeenstemming worden verkregen over een regeling, waarmede deze zich zou kunnen vereenigen. Er werden door mij hoofdpunten voor de in het leven te roepen oorlogscrediet-organisatie voor den kleinen middenstand ontworpen en aan de Nederlandsche Bank ter beoordeeling toegezonden. Nadat als gevolg van de gedachtenwisseling daarover op enkele punten wijzigingen in het plan waren aangebracht, en het voorloopig was gereed gekomen, werd het aan de goedkeuring van Hare Majesteit onderworpen en verzocht ik Haar, evenals Zij bij de oprichting van het Kon. Nat. Steuncomité had gedaan, aan de zaak wijding te willen geven, door de constitueerende vergadering der te vormen organisatie met een korte toespraak te openen. Toen de Koningin zich daartoe bereid had verklaard en de dag, waarop die vergadering zou worden gehouden, was bepaald, werden alle organisaties, die geacht konden worden bij de zaak belang te hebben of daarin belang te stellen, opgeroepen tegen Zaterdag 13 Maart 1915. De uitnoodigingen tot de vergadering gingen uit van de Ministers van Oorlog, van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, van den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Vereeniging voor den Geldhandel en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Koninklijk Nationaal Steuncomité. De vergadering had plaats in de Rolzaal van het Gebouw der Grafelijke zalen. Zij werd behalve door de genoemde Ministers ook door den Minister van Marine en den Opperbevelhebber alsmede door een groot aantal andere belangstellenden bijgewoond.

Evenals bij de installatie van het Kon. Nat. Steuncomité trad Hare Majesteit zonder gevolg de vergaderzaal binnen, waar Zij plaats nam tusschen den Minister van Oorlog en mij. Terstond nam de Koningin het woord tot het uitspreken van de volgende rede:

Mijne Heeren!

Het is mij eene levendige voldoening te ontwaren, dat aan de uitnoodiging tot deze vergadering door zoo talrijke instellingen en vereenigingen is gevolg gegeven.

Aan hunne vertegenwoordigers alhier wensch ik een oprecht welkom toe te roepen.

Uw opkomen te dezer vergadering versterkt mijn vertrouwen in het welslagen van den arbeid welke met de oprichting van het Koninklijk Nationaal Steuncomité werd begonnen; een arbeid welke ten doel heeft de bezwaren te overwinnen, die de huidige wereldgebeurtenissen voor breede kringen in ons Vaderland na zich sleepen en die, naar gelang der belangen welke hij behartigt, zich moet vertakken in uiteenloopende richting.

Het is U bekend dat Uwe medewerking wordt gevraagd tot het vergemakkelijken van verkrijgen van crediet voor hen die door den oorlogstoestand hun zaak zagen kwijnen of te niet gaan. Terwijl de heer Treub, Minister van Financiën, straks aan deze vergadering de ontworpen plannen zal toelichten, gevoel Ik mij gedrongen reeds dadelijk met nadruk te zeggen, hoezeer het mij verheugt, dat thans al een begin kan worden gemaakt met eene organisatie, welke eerst na afloop van den oorlogstoestand haar geheele arbeidsveld voor zich zal zien ontsluiten. Niet alleen dat aan hen, voor wie het achterwege blijven van bijstand wissen financieelen ondergang zoude beteekenen, de behulpzame hand kan worden geboden, doch ook de zorgen van de velen, die buiten hun schuld in benarde geldelijke omstandigheden zijn gebracht, zullen door de in uitzicht gestelde verlichting aanmerkelijk kunnen worden verzacht. Ik denk in de eerste plaats aan degenen, die opgeroepen om het Vaderland te dienen, naast huis en haard een bedrijf achterlieten, dat de gevolgen hunner afwezigheid heeft ondervonden; doch daarnevens aan allen die ernstig nadeel leden door de jongste storingen in den economischen toestand.

Eene opwekkende gedachte is het, te kunnen bijdragen tot de vergemakkelijking der bestaansvoorwaarden der door de crisis getroffenen; eene schoone taak tevens daadwerkelijk mede te arbeiden tot herstel en uitdijen der vroegere welvaart, waarin ons dierbaar Vaderland zich mocht verheugen.

Ik noodig U allen uit, gemeenschappelijk Uwe krachten te wijden aan dit bij uitstek nationale doel in nauwe samenwerking met de steunorganisatie en de vereeniging welke de belangen der bij de weermacht dienenden behartigt.

Ik besluit met een woord van warmen dank aan Uwe Excellentie voor de voortvarendheid waarmede U dit plan hebt ontworpen en in staat van behandeling gebracht.

Hiermede open ik deze vergadering en verzoek U thans de leiding dezer beraadslagingen op U te nemen.

De rede, welke ik daarna op uitnoodiging van de Koningin hield, ving ik aldus aan:

Majesteit!

Het zij mij vergund aan het openingswoord, zooeven door Uwe Majesteit gesproken, met Uwe toestemming, een korte uiteenzetting toe te voegen van het doel, dat ons samenbrengt.

Alvorens daartoe over te gaan moet mij een woord van eerbiedigen dank van de lippen, dat Uwe Majesteit door Hare tegenwoordigheid hier ter plaatse ook aan deze nationale zaak wijding heeft willen geven. Ik ben overtuigd dat ik met dit woord van dank de gevoelens vertolk niet alleen van de hier aanwezigen, maar van heel Uw volk, dat de beteekenis van Uwer Majesteits aanwezigheid hier in deze bijeenkomst nog beter zal beseffen, als het weet dat de grondgedachte welke tot het bijeenroepen van deze vergadering heeft geleid van Haar afkomstig is; dat Uwe Majesteit de eerste is geweest die uitdrukking heeft gegeven aan het denkbeeld, de instellingen die zich met het crediet voor den kleinen middenstand bezighouden of daarin belangstellen, met het oog op de bijzondere taak welke dat crediet tengevolge van de oorlogscrisis zal hebben te vervullen, in nauwere aanraking met elkander te brengen.

Het is te hopen en te verwachten, dat de erkentelijkheid welke in heel het land zal worden gevoeld voor dit nieuwe initiatief van Uwe Majesteit in het belang dergenen, die den druk der omstandigheden bijzonder zwaar gevoelen, zich zal uiten in eene verhoogde toewijding aan het na te streven doel van de zijde van allen, die tot de bevordering daarvan kunnen bijdragen.

Vervolgens gaf ik eene uiteenzetting van het doel der samenkomst, welke met eenigszins andere woorden in hoofdzaak hetzelfde inhield als het zoo even medegedeelde rapport aan Hare Majesteit en die ik dus niet opneem, om niet in herhalingen te vervallen. Na die uiteenzetting vervolgde ik aldus:

Ten einde aan de zaak het algemeen nationaal karakter te geven, dat voor haar welslagen noodig is, zijn tot deze bijeenkomst ook uitgenoodigd verschillende maatschappijen en vereenigingen, zich bewegend op onderscheiden terreinen van het maatschappelijk leven, die bij groote onderlinge verscheidenheid allen belang hebben bij- of belangstellen in een zoo goed mogelijke voldoening aan de credietbehoeften van den kleinen middenstand.

Doch met hoe goede bedoelingen men ook zou zijn bezield, het zou niet mogelijk zijn die in practische daden om te zetten, indien de Nederlandsche Bank niet bereid was daartoe hare medewerking te verleenen. Ik mag en wil daarom niet nalaten er met erkentelijkheid op te wijzen dat de Nederlandsche Bank, zoodra zij van het plan kennis kreeg, daarmede hare volle sympathie betuigde en bij de uitwerking daarvan hare medewerking met de meeste welwillendheid verleende.

Het enkele feit, dat de uitnoodiging tot deze bijeenkomst mede uitgaat van den president der Nederlandsche Handel-Maatschappij, die tevens voorzitter is van de Vereeniging voor den Geldhandel, waarborgt voorts, dat als het plan in de uitvoering de medewerking van den grooten geldhandel behoeft, daartoe niet te vergeefs zal worden aangeklopt.

Doch ook de tusschenkomst van den Staat kan bij de verwezenlijking van het plan niet worden gemist. Zonder deze tusschenkomst zou het grootendeels bij plannen maken op het papier blijven. Juist omdat het hier in de eerste plaats te doen is om hulp te verleenen aan de kleine en zeer kleine bedrijven, die niet in staat zijn de waarborgen te geven, welke onder normale omstandigheden voor een credietverleening worden verlangd, zou het risico voor de credietinstellingen, die tot medewerking en samenwerking zijn opgeroepen, te groot zijn, indien het Rijk niet bereid was een groot deel van dat risico voor zijne rekening te nemen; zoodanig echter, dat de credietinstellingen zelve niet geheel ophouden, belanghebbenden te zijn zoowel bij een zorgvuldig onderzoek, vóór het crediet verleend wordt, als bij eene goede controle, nadat het is verstrekt.

Ik aarzel niet die onmisbare medewerking van het Rijk in uitzicht te stellen, omdat ik mij overtuigd meen te mogen houden, daarmede geheel in overeenstemming te handelen met de bedoeling van de wetgevende macht, welker instemming met ’s Rijks medewerking tot de steunorganisatie wel niet aan twijfel onderhevig is en die zeker met onverdeelde sympathie ook deze tweelingzuster van die organisatie zal ontvangen.

Hoever de Staat met zijn medewerking in deze zoo belangrijke nationale zaak gaan moet, is moeilijk te bepalen. Ik stel mij voor dat op de wijze, die in de hoofdpunten is aangegeven, het Rijk zich borg zou kunnen stellen tot een gezamenlijk bedrag van bijvoorbeeld 5 millioen gulden. Hoeveel verlies op die borgtochten zal worden geleden en hoeveel het Rijk door het bijspringen bij die voldoening van rente en aflossing zal hebben te betalen, is niet bij benadering te zeggen. Natuurlijk zal het ver blijven beneden het bedrag der credieten waarvoor de Staat mede-aansprakelijkheid heeft aanvaard....

Slechts op één punt wil ik tot slot nog de aandacht vestigen. Onder de voorwaarden die gesteld kunnen worden, is opgenomen de verplichting eene eenvoudige en passende boekhouding te voeren. Waar zoovele kleine handelaars en industrieelen lijden onder het volslagen gemis aan overzicht over hun zaak, met het gevolg dat zij vaak niet weten of daarin werd verdiend of verloren, kan het stellen van deze voorwaarde alleen, mits op de nakoming daarvan voldoende wordt toegezien, voor den kleinen middenstand reeds tot zegen zijn.

Hiermede meen ik de beraadslagingen die wij zoo aanstonds zullen voeren, voldoende te hebben ingeleid, de hoofdlijnen van het plan, waaraan wij onze krachten zullen geven, voldoende te hebben aangeduid. Het was mij een groot voorrecht tot de voorbereiding van het plan het mijne te hebben kunnen bijdragen. Voor de waardeering, welke ik deswegen van Uwe Majesteit mocht ontvangen, breng ik Haar mijn eerbiedigen dank.

Ik eindig met nogmaals ons aller oprechte erkentelijkheid aan Uwe Majesteit uit te spreken voor den eersten stoot, die door Haar werd gegeven aan deze zaak, welke voor den kleinen middenstand zoo zegenrijk zijn kan en welke aan menigen militie- en landweerplichtige gerustheid voor de toekomst brengen zal, en niet minder voor Hare bereidwilligheid door Hare hooge tegenwoordigheid alhier de beteekenis van het werk dat wij ondernemen, tot gansch het volk te doen doordringen.

Daarna nam de heer Bosboom, Minister van Oorlog, het woord. Hij sloot zich aan bij de woorden van dank door mij tot de Koningin gericht, schetste de moeilijkheden die de oorlogstoestand voor gemobiliseerde kleine neringdoenden opleverde, bracht in herinnering wat reeds door het Kon. Nat. Steuncomité ter verzachting daarvan gedaan werd, wees er op, hoe het bewustzijn, dat zij niet langer vrees zouden behoeven te hebben voor ondergang van hun zaakje, het gemoed van menigen gemobiliseerden kleinen middenstander zou verlichten, uitte er zijn vreugde over, dat dit ook gunstig zou werken op den geest van het leger, die bij den langen duur der mobilisatie op zulk een harde proef wordt gesteld en dankte zoowel den president van de Nederlandsche Bank, den president van de Ned. Handel-Maatschappij en den voorzitter van de uitvoerende commissie van het Kon. Nat. Steuncomité voor hun medewerking tot den oproep der vergadering als hen, die daaraan gevolg gegeven hadden, voor hun opkomst.

Nadat de Minister van Oorlog zijne rede geëindigd had, verliet de Koningin de vergadering, uitgeleid door de heeren van wie de oproeping ter vergadering was uitgegaan.

Daarna werden de reeds genoemde hoofdpunten van het plan behandeld. Ik stip daaruit aan, dat de zaak zoodanig werd georganiseerd, dat er tevens een spoorslag werd gegeven aan plaatselijke boerenleenbanken of middenstandsbanken, die zich nog niet bij een centrale organisatie hadden aangesloten, daartoe alsnog over te gaan. Er werd voor gezorgd, dat de aanvragen eerst bij de verschillende plaatselijke credietinstellingen zouden behandeld worden, opdat van het voordeel der beoordeeling van elke aanvraag door personen, die den aanvrager kenden ten volle partij zou worden getrokken. Aan het hoofd der organisatie werd gesteld eene Commissie van Uitvoering. Deze werd, als resultaat van de vergadering samengesteld uit de heeren: J. B. Bosman, Directeur van de Middenstands Credietvereeniging „De Hanzebank” te Utrecht; J. C. M. Brugma, Directeur van de Eerste Haagsche Hulpbank met Winstuitkeering; M. H. G. Th. Fiedeldy Dop, secretaris der Alg. Ned. Centrale Middenstands Crediet bank; C. van Lennep, Secretaris van den Ned. Tuinbouwraad; T. J. Perquin, Secretaris van de Coöp. Centrale Middenstands Credietbank (de Hanzebank) in het Bisdom Haarlem en Mr. J. J. de Waal Malefijt, Voorzitter van den Raad van Beheer van de Coöp. Centrale Spaar- en Voorschotbank „Boaz”. Verschillende adviseurs, die deskundig zijn in bepaalde bedrijfstakken, verleenden welwillend hun medewerking. Tot voorzitter van de Commissie van Uitvoering werd later benoemd Mr. D. Fock, lid van de Tweede Kamer en Oud-Minister van Koloniën.

De aanvragen worden met een rapport van de plaatselijke bank, bij welke zij inkomen, door tusschenkomst van de centrale organisatie, waarbij deze zijn aangesloten, aan de Commissie van Uitvoering toegezonden. Als algemeen maximum voor een te verleenen crediet, behoudens afwijking met goedkeuring van den Minister van Financiën, werd ƒ 1000 aangenomen. In verband met de borgtocht, welke de Staat op zich neemt, behoeft elke toegewezen credietaanvrage de goedkeuring van den Thesaurier-Generaal. Bij de regeling der borgtocht van den Staat werd eenigszins afgeweken van hetgeen ik in mijn rapport aan de Koningin had voorgesteld. Die borgtocht bedraagt ten minste 55% van het op een verleend crediet te lijden verlies, maar wordt percentsgewijze hooger, naar gelang dit kleiner is. Bij een verlies van 10% of minder vergoedt de Staat daarvan 1⁄10e gedeelte.

Ter vergadering waar de hoofdpunten behandeld werden, bleek misverstand omtrent één punt, dat door mij op den voorgrond gesteld en gehouden werd. Ik heb namelijk streng vastgehouden aan den m. i. zeer wezenlijken grondslag, dat de plaatselijke bank zelve een deel van het risico moest blijven dragen. Men vatte dat aldus op, dat zij een deel van het crediet zonder borgstelling en zonder eenig onderpand zou moeten verleenen, en men merkte mij op, dat de statuten der meeste middenstands- en volksbanken dit uitsloten. Dat was echter de bedoeling niet en kon ook de bedoeling niet zijn. Het was er om te doen, dat de plaatselijke bank in zoover risico zou loopen, dat zij belang hield bij de gegoedheid van den borg of bij het voldoende zijn van het onderpand. Ik ben namelijk overtuigd, dat elke organisatie van middenstandscrediet, waarbij er niet van wordt uitgegaan, dat men plaatselijk belang heeft, er op toe te zien, dat het crediet goed besteed wordt en dat de zaak, waarvoor het werd gegeven, behoorlijk wordt gedreven, gedoemd is, op een fiasco uit te loopen. Toen de bedoeling der bepaling van de hoofdpunten, welke dit onderdeel regelt, beter was begrepen, erkende men de juistheid daarvan en liet men zijn aanvankelijk bezwaar vallen.

De credietverleening heeft wel in de eerste plaats ten doel kleine middenstanders te helpen, die door de mobilisatie niet bij hun werk konden blijven en wier zaken dientengevolge achteruit gingen of verliepen. Zij bepaalt zich daartoe echter niet. Ook niet-gemobiliseerde middenstanders, die kunnen aantoonen dat hun bedrijfje ten gevolge van den oorlogstoestand in moeilijkheid kwam, worden door haar geholpen.

De verwachting, welke ik had uitgesproken, dat de Staten-Generaal hunne medewerking niet zouden weigeren, werd vervuld. Het voor de uitvoering der zaak benoodigde begrootingsartikel werd zelfs zonder mondelinge beraadslaging goedgekeurd. De Commissie van Uitvoering behoefde echter daarop met het beginnen harer werkzaamheden niet te wachten. Het Kon. Nat. Steuncomité had zich bereid verklaard, zoolang de medewerking van de Staten-Generaal niet zou zijn verzekerd, zich in plaats van den Staat als borg te stellen en de Nederlandsche Bank had daarmede genoegen genomen. Ook nadat de Staat zelf als borg optreden kon, bleef er een nauwe band tusschen de Commissie van Uitvoering, welke den officieelen naam kreeg van Regeeringscommissie voor het middenstandscrediet, en het Kon. Nat. Steuncomité bestaan. In de uitvoering bleek er namelijk een aantal grensgevallen te zijn, waarin de aanvrager niet in staat was een borg te stellen. Voor die gevallen springt, indien de aanvraag overigens voor inwilliging vatbaar is, het Kon. Nat. Steuncomité als borg in. Ook komt het voor, dat een dezer oorlogsnood-organisaties een bij haar ingekomen aanvraag naar de andere verwijst. Behalve met het Kon. Nat. Steuncomité staat de Regeeringscommissie ook in geregeld contact met de legerautoriteiten, die haar door speciaal daartoe ingerichte kaarten de noodige inlichtingen verschaffen over in dienst zijnde aanvragers.

Zooals uit den geheelen opzet blijkt, is deze tijdelijke en buitengewone organisatie van het crediet voor den kleinen middenstand vooral ingericht op hetgeen zal noodig zijn, als het leger kan worden gedemobiliseerd. De Regeeringscommissie zal dan voor den kleinen middenstand een overeenkomstige taak hebben te vervullen als voor de arbeidsbemiddeling tegenover de arbeiders zal zijn weggelegd. Nu er telkens landweerlichtingen werden vervangen door landstormlichtingen en dus met betrekkelijk korte tusschenpoozen telkens gedeeltelijke demobilisaties plaats hadden, hebben beide organisaties reeds thans een terrein gevonden, waarop zij hoogst nuttig werkzaam zijn. Het aantal behandelde credietaanvragen door de Regeeringscommissie bedraagt reeds meer dan 2800. Daaronder is er een aantal, dat betrekking heeft op de algeheele demobilisatie en voorloopig kon blijven rusten. Afgedaan werden ruim 1400 aanvragen; daarvan moesten bijna 400 worden afgewezen. Op 1 Augustus 1916 waren er 640 credieten verleend en opgenomen tot een bedrag van ƒ 630.000. De commissie heeft reeds heel wat zaakjes op de been kunnen houden of brengen; bij de algemeene demobilisatie zal haar medewerking onmisbaar blijken. Zij zal dan, als voor haar het groote werk aankomt, het voordeel hebben van reeds over heel wat ervaring te kunnen beschikken.

Toen ik als Minister was afgetreden, deed Hare Majesteit mij de eer aan mij als Haar uitdrukkelijken wensch te kennen te geven, dat ik mij persoonlijk met deze aangelegenheid zou blijven bemoeien. Er werd toen, in overleg met den voorzitter, op gevonden, dat ik door den Minister van Financiën tot lid der Regeeringscommissie werd benoemd, in het vertrouwen dat de verschillende vereenigingen en instellingen, die de Algemeene Commissie voor deze credietverleening vormen, daartegen wel geen bezwaar zouden hebben.

§ 3. De Beurswet.

Onder het in herinnering brengen van hetgeen er op financieel gebied al zoo werd gedaan om het crediet te herstellen, heb ik—figuurlijk gesproken—de beurs onwillekeurig dicht gelaten. Dit strookt vrijwel met hetgeen er in werkelijkheid geschiedde. Er werd over hetgeen met de beurs moest gebeuren, heel wat van gedachten gewisseld, zelfs een wet over deze materie kwam tot stand, maar intusschen bleef zij voorloopig gesloten.

Reeds op den 1sten Augustus had er op het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel een conferentie plaats, waar met mij als vertegenwoordigers van de Regeering aanwezig waren de Ministers van Financiën en van Justitie, en welke werd bijgewoond door den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, dat spoedig Vereeniging voor den Geldhandel werd, en de voorzitters van de Vereeniging voor den Effectenhandel te Amsterdam, den Provincialen Bond van Effectenhandelaren en de Rotterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Op die eerste conferentie kwam men, wat dit punt betreft, niet verder dan dat de Regeering en de verschillende vereenigingen geen stappen zouden doen in verband met de beurscrisis, zonder eerst onderling overleg te hebben gepleegd. Daarmede was alleen tijd gewonnen en ook hier gold het woord van Vondel: „De veldheer wint al veel, al wint hij niet dan tijd”. Het was nu echter zaak, zich den tijd, dien men tot voorziening in het deraillement van de beurs kreeg, zonder verwijl ten nutte te maken. Daartoe werd aan het Departement van Landbouw een wetsontwerp voorbereid op dezen grondslag, dat gedurende den oorlogstijd de beurzen zouden staan onder toezicht van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (bij mijn overgang naar het Departement van Financiën, werd dit veranderd in: den Minister van Financiën), dat de Minister gedurende dien tijd zou kunnen beslissen over haar opening en sluiting en dat de noteeringen en de wijze van het doen van zaken op de beurs onder zijn toezicht zouden staan. Voorts werd daarin het executierecht ten aanzien van in onderpand gegeven fondsen, voor het geval de debiteur niet aan zijne verplichtingen voldeed, aan beperkende regelen onderworpen, waarvan de voornaamste was, dat de executant een bod zou moeten doen tot ten minste het bedrag dat de Minister zou bepalen. Door een en ander werd de effectenbeurs gedurende den oorlogstijd sterk aan banden gelegd en werd afdoende tegengegaan, dat hare heropening zou leiden tot „afslachting” van de geldnemers, wier onderpanden onder den oorlogstoestand in waarde sterk waren gedaald.

Toen omtrent de hoofdpunten van dit voorontwerp overeenstemming was verkregen tusschen de Ministers van Financiën, van Justitie en mij, werden de vereenigingen op het gebied van den fondsenhandel en den geldhandel op den avond van den 6den Augustus op nieuw tot een bijeenkomst in het Departement van Landbouw samengeroepen, die ditmaal ook werd bijgewoond door eenige vertegenwoordigers van Kamers van Koophandel en van de verschillende Middenstandsbonden. Dit laatste, omdat het de bedoeling was ook het vraagstuk van het moratorium en hetgeen de Minister van Justitie zich voorstelde, zonder moratorium, in het belang van in het ongereede geraakte debiteuren te doen, ter vergadering ter tafel te brengen.

Het eerst werd het ontwerp-beurswet besproken; daarbij kwam al aanstonds een groot belangenverschil tusschen de primaire geldgevers, vertegenwoordigd door de Vereeniging voor den Geldhandel, en de commissionnairs in effecten, als geldnemers of secundaire geldgevers, aan het licht. De geldgevers en de bankiers wilden wel, dat de Regeering zeggenschap zou krijgen over de opening en de sluiting der beurs, maar niet dat zij zich ook zou bemoeien met de wijze waarop daar zaken worden gedaan en speciaal niet, dat het executierecht zou worden beperkt. Dat verschil gaf aanleiding tot een gedachtenwisseling, die op een gegeven oogenblik zóó scherp werd, dat het de vraag was of het gelukken zou de heeren tot overeenstemming te brengen. De bankiers-geldgevers beriepen zich er op, dat zij niet met hun eigen geld werkten, maar verantwoordelijk waren tegenover hun lastgevers, voor het meerendeel groote handelslichamen, spoorwegmaatschappijen, spaarbanken, cultuurondernemingen enz., die het tijdelijk niet benoodigde deel van hun bedrijfskapitaal in prolongatie hadden gegeven en die thans in groote moeilijkheden waren gekomen, nu zij hun kapitaal tegen hun wil in de handen van anderen vastgelegd zagen. Van de zijde van de commissionnairs werd daartegenover verdedigd, dat ook zij door de beurssluiting hun bedrijf grootendeels zagen stilgezet, maar dat zij als tusschenpersonen, opkomende voor de geldnemers, of als commissionairs-geldnemers voor eigen rekening niet het volle gewicht konden dragen van de calamiteit, die de oorlog over de beurs had gebracht. Voor beide standpunten viel veel aan te voeren en werd veel aangevoerd, maar het was duidelijk dat het verweer van de commissionnairs met den geest van het den heeren voorgelegde ontwerp meer strookte dan het geldgeversstandpunt. Deze zijn mans genoeg om voor zich zelven te zorgen; er was geen gevaar dat zij of hunne klienten zóó in de knel zouden komen, dat zij hunne betalingen zouden moeten staken. Bovendien vonden zij steun bij de pas herboren en voor het eerst werkelijk in het leven getreden Vereeniging voor den Geldhandel. Het algemeen belang dat bij de zaak betrokken was, lag in het gevaar, dat een groot aantal commissionnairs het niet zouden kunnen houden en dat er in dien kring een stroom van faillissementen zou komen, welke veel verder zou reiken dan alleen tot hen, die er direct mee uit hun brood zouden zijn gestooten. Niet voor de grooten, maar voor de kleinen, zoo merkte ik den heeren op, hadden Regeering en wetgever in een zoo ernstige crisis op te komen.

Nadat van de verschillende kanten de meeningen waren verdedigd, zonder er veel doekjes om te winden, klaarde—zooals het na een onweer pleegt te geschieden—de lucht op. Men zocht toen niet meer naar hetgeen nog verder zou uiteendrijven, maar naar hetgeen als brug zou kunnen dienen tot het samenbrengen der verschillende belangen. Het waren vooral de bankiers-geldgevers, die over die brug hadden te komen. Het eerst toonde de heer Van Aalst, die ook hier weer blijk gaf een goed diplomaat op handelsgebied te zijn, neiging tot toenadering. Hij werd spoedig door de andere bankiers gevolgd. De groote moeilijkheid bleek voor de geldgevers te zijn, dat zij hun prolongatiekapitaal niet voor onbepaalden tijd dood konden laten liggen. De gegrondheid van dit bezwaar moest worden erkend. Om het te ondervangen opperde de heer Van Nierop het denkbeeld, dat voor de vastgeraakte prolongatieposten als uitzonderingsmaatregel wettelijke sanctie zou worden gegeven aan de ter beurze reeds veel voorkomende practijk der herbeleening van in prolongatie gegeven onderpanden. Dat denkbeeld werd door mij aangegrepen en na nog eenig heen en weer praten, lieten de bankiers hunne oppositie varen, als het herbeleeningsrecht in het ontwerp zou worden opgenomen. Hoewel door de Regeering, met name door den Minister van Justitie, het juridisch bezwaar van het toekennen van zulk een herbeleeningsrecht sterk werd gevoeld, begrepen wij toch, dat daarover moest worden heengestapt, nu het er om ging, groote onheilen bij de heropening der effectenbeurs te voorkomen, zonder een kapitaal van eenige honderden millioenen voor onbepaalden tijd dood te laten liggen. Het juridisch beginsel, hoezeer het ook in het algemeen door elke Regeering wordt hoog gehouden, moest hier wijken voor de economische noodzakelijkheid.

Nadat het op die wijze gelukt was, de met elkander strijdende belangen alle zooveel mogelijk te bevredigen, werd het ontwerp Beurswet op 23 Augustus ingediend. Het was nu aangevuld met een bepaling betreffende de herbeleening. In de afdeelingen van de Kamer ontmoette het nog al tegenstand en, eigenaardig genoeg, ging de tegenkanting voornamelijk uit van de democratisch gezinden onder de vrijzinnigen. Door de Commissie van Rapporteurs werd ik uitgenoodigd tot mondeling overleg. Daarbij werd mij in de eerste plaats in overweging gegeven, het ontwerp te bepalen tot de artikelen, die aan de Regeering de bevoegdheid gaven voorschriften te geven omtrent de opening en sluiting der beurzen, en den verderen inhoud van het ontwerp over te laten aan een nader te maken wettelijke regeling, waarvan de behandeling rustiger zou kunnen geschieden. Inzonderheid de genoemde democraten wilden mij dringen in de richting, die door de „haute finance” was gewenscht. Dit denkbeeld werd eerst losgelaten, toen ik verklaarde tot overleg op die basis niet bereid te zijn en bij aanneming van een amendement in dien geest de intrekking van het geheele ontwerp te zullen uitlokken. De verdere bespreking liep over den inhoud van het ontwerp zelf en had vruchtbaarder resultaat; het leidde tot verbeteringen, zonder dat aan de hoofdpunten werd geraakt. Evenmin als ik kon toestaan, de wijze van zaken doen op de beurs onder den abnormalen oorlogstoestand geheel vrij te laten, kon ik toegeven aan den aandrang tot het uitsluiten van de mogelijkheid van executie ter beurze gedurende de crisis. Het executierecht moest worden geregeld en beperkt, niet op zij gezet.

Bij de mondelinge behandeling vond het ontwerp heftige bestrijding van den heer Marchant vooral ten aanzien van het herbeleeningsrecht. Deze afgevaardigde toonde zich op dit punt een even onverzoenlijk en onverzettelijk jurist als de heer Rethaan Macaré, die in een brochure en stukken in de pers uiting gaf aan zijn juridische verontwaardiging en die, nadat de beide Kamers zich met het ontwerp vereenigd hadden, zelfs zóóver ging van aan de Koningin te verzoeken daaraan Haar bekrachtiging te onthouden. De heer Marchant eindigde zijn rede met de verklaring dat van hem „geen medewerking te verwachten (zou) zijn aan het tot stand komen van een wet, die het kwaad van het schenden van goede trouw loochent, die onrecht sanctionneert en die als geoorloofd stempelt, wat misdadig is”.

In zijn philippica had hij ook bezwaar gemaakt tegen het compromis dat tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden op de door mij zoo even besproken bijeenkomst was gesloten. De Regeering moet regeeren; zij moet geen compromis aangaan,—zoo was zijn bescheid. Bij mijn antwoord, waarvan ik den hoofdinhoud hier weergeef, omdat ik geen voet wil geven aan de sage als zou ik „maling hebben aan de juristerij”—om het gevleugelde woord van den heer Schaper te gebruiken—knoopte ik aan die grief vast: „Nu mag de geachte afgevaardigde uit Deventer zeggen: „maar de Regeering moet regeeren, zij moet geen compromis aangaan” en dan is dat volkomen waar, maar de Regeering gaat ook geen compromis aan, zij heeft alleen als het ware onder haar hoede en onder haar leiding het compromis laten aangaan tusschen de verschillende groepen der belanghebbenden. Toen de Regeering zag, dat op dezen voet een regeling te maken was, heeft zij daaraan haar sanctie gehecht door die regeling als wetsontwerp bij deze Kamer in te dienen. En nu wil ik in de eerste plaats aan den geachten afgevaardigde, maar ook aan de geheele Kamer vragen: zou men wenschen dat bij een dergelijk hoogst moeilijk onderwerp, waarbij honderden millioenen betrokken zijn, de Regeering handelen zou uit haar eigen machtsvolkomenheid zonder voorafgaand overleg met de belanghebbenden? Ik ben overtuigd dat, indien de Regeering zóó te werk ging, men terecht zou aanvoeren, dat zulks in dezen moeilijken tijd niet was een beleidvol optreden, zooals men van een Regeering mocht verwachten. Het is volkomen waar, dat art 6 (het artikel dat het herbeleeningsrecht geeft) een artikel is in het belang van de geldgevers, maar als men een aantal bepalingen maakt tegen hun belang, als men wat onrechtmatig is geschied, bestendigt, als men in hun nadeel een streep haalt door alle andere bepalingen van de Vereeniging voor den Effectenhandel, die in hun belang zijn, en zegt: „nu zult ge u voortaan moeten houden aan hetgeen van regeeringswege wordt bepaald”, en als men daaraan toevoegt: „terwijl gij vroeger hadt het vrije recht van executie, hebt gij dat nu niet, en wanneer gij toch wilt executeeren, moet gij dat doen volgens regelen, door de Regeering gesteld en gij moet een bod doen, zooals de Regeering dat wenscht”, dan vraag ik of men aan die geldgevers kan zeggen: „overigens moet gij maar wachten wat er met uw geld gebeurt, want een executierecht hebt gij niet en gij kunt met uw onderpand niets doen; gij hebt geen recht van herbeleening”.

„Tegenover de voorgestelde strenge bepalingen die hen binden zullen, is van de zijde van de geldgevers gezegd: „indien gij mij daartegenover geeft het recht van herbeleening, dan zal ik nog in het midden laten, in hoeverre ik daarvan gebruik zal maken, maar dan heb ik toch in geval van nood de mogelijkheid door herbeleening—dat zal wel in de eerste plaats zijn bij de Nederlandsche Bank—geld liquide te maken”.... de geldgevers kunnen zich maar niet aan handen en voeten gebonden geven en moesten zekere eischen stellen, omdat men niet moet vergeten, dat zij niet handelen met hun eigen geld, maar met geld, dat hun is toevertrouwd door anderen. En nu zal ik den geachten afgevaardigde uit Deventer niet behoeven te zeggen, hoeveel commercieele en industrieele ondernemingen er zijn, die geld op prolongatie hebben uitstaan door bemiddeling van die groote geldgevers en die dat geld noodig hebben om te voldoen aan hun eigen renteverplichtingen, om te voldoen aan rekeningen en facturen voor zaken, die zij gekocht hebben op tijd en die moeten betaald worden. Het economisch leven is toch niet zoo eenvoudig, alsof het alleen enkele groote geldgevers te Amsterdam zijn, die gelden hebben gegeven; die groote geldgevers zijn de trechters waardoor het geld heen loopt, maar nu alles geblokkeerd is, ondervinden daarvan een groot aantal commercieele en industrieele ondernemingen nog veel meer moeilijkheden dan de groote geldgevers, waarvan de geachte afgevaardigde meent, dat de Regeering speciaal hun belangen zou hebben gediend.

„Neen, als dat werkelijk waar was: als men werkelijk kon zeggen, zooals de geachte afgevaardigde het hier voorstelt, dat men hier in strijd met wat men doet bij onteigening, de belangen van zeer enkelen dient op kosten van het algemeen, ja, dan was ook zijn peroratie gerechtvaardigd, maar waar dit niet het geval is en waar de juridische onrechtmatigheid begonnen is bij de geldnemers en men regelen moet maken om daarin ten slotte weer eenigen regel te brengen, daar meen ik, dat de geachte afgevaardigde bij nader inzien zelf zal moet erkennen, dat de qualificaties, die hij aan het regeeringsvoorstel gaf, niet in overeenstemming zijn met den werkelijken toestand...... Er is hier een abnormale toestand, en dien abnormalen toestand tracht de Regeering in orde te maken met zoo weinig mogelijk inbreuk op de geldende rechtsregelen. En wanneer men verder wilde gaan, wanneer men zoo streng juridisch wilde redeneeren en handelen als de geachte afgevaardigde uit Deventer heeft gewenscht, geloof ik dat hierop van toepassing zou zijn de oud-Romeinsche rechtsspreuk: summum jus, summa injuria.”

Ten slotte werd het ontwerp met algemeene stemmen aangenomen. In de Eerste Kamer maakte de heer Van den Biezen een tweetal opmerkingen van juridischen aard en sprak de heer Van Nierop een interessante rede over het ontwerp uit, die naast zijne uiteenzetting van den beurshandel ook hierom belangwekkend was, omdat daarin de weinige ingenomenheid van de Amsterdamsche bankiers met het ontwerp telkens om den hoek kwam kijken. Nadat deze afgevaardigde een korte uiteenzetting had gegeven van de Vereeniging voor den Geldhandel en op de nuttige werkzaamheid daarvan tot herstel van het geschokte vertrouwen, niet zonder lichte overdrijving, gewezen had, ging hij aldus voort: „Wanneer men dit verneemt, dan rijst wellicht de vraag of een maatregel als hier wordt voorgesteld nu wel noodig is. Ik kan die vraag begrijpen, maar ik voeg er aanstonds bij, dat ik ze bevestigend beantwoord”. Vervolgens ging de heer Van Nierop na wat er eigenlijk bij de beurssluiting was geschied en zette hij uiteen, dat de geldnemers geen reden hadden bevreesd te zijn voor „afslachting” van de zijde der groote bankiers. Hetgeen de heer Van Nierop hieromtrent zeide, was grootendeels te beamen, maar hij vergat dat de vrees voor „afslachting” nog niet denkbeeldig behoefde te zijn, ook al onthielden de groote bankiers zich van het initiatief daartoe of al zouden zij zelfs daaraan niet hebben meegedaan, indien commissionnairs-geldgevers tot berging van eigen lijf daartoe het sein hadden gegeven. Hij voorspelde voorts „dat na den oorlog groote kapitalen benoodigd (zullen) zijn door de verschillende staten, steden en ondernemingen. Allereerst de Staat der Nederlanden, maar de oorlogvoerende Mogendheden in nog veel grootere mate. Hierdoor zal een zoodanig aanbod van fondsen ontstaan, zoodanige vraag naar geld dat de rentestand zal stijgen en alle koersen zullen moeten dalen. Overwegende dit alles, rijst de vraag of dit ontwerp wel voldoende baat zal brengen, althans in die mate, als men ervan verwacht”. Na nog gesproken te hebben over het raderwerk van het prolongatie-stelsel en zijne instemming te hebben betuigd met de regeling van het herbeleeningsrecht in het ontwerp, besloot deze, in alles wat de beurs betreft bij uitstek ingewijde, spreker: „Ik eindig met de verklaring, dat ik voor de voordracht zal stemmen, maar vraagt men mij of ik dat zonder schroom en niet aarzelend doe, dan moet ik daarop ontkennend[13] antwoorden. Er heerscht bij mij een zekere schroom. De Regeering vraagt een buitengewoon groot vertrouwen, bijna een discretionnaire macht”.

In mijn antwoord had ik geen andere gezichtspunten te openen, dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. Het debat over de bevoegdheid der Regeering tot het tegengaan van te hooge rentevordering van de zijde der geldgevers, dat tusschen den heer Van Nierop en mij gevoerd werden, kan ik evenzeer met stilzwijgen voorbij gaan, als de juridische gedachtenwisseling met den heer Van den Biezen. In zijn waardeering van het werk der Vereeniging voor den Geldhandel viel ik den heer Van Nierop bij, maar ik achtte het toch noodig zijne appreciatie tot juister proporties terug te brengen, door er op te wijzen dat de Geldhandel, door den eisch van zakelijke zekerheid, dien hij stellen moest, breede kringen van credietbehoevenden, met name uit den middenstand, weinig baat kon geven. Vooral in dagen van spanning, en die waren toen nog niet achter den rug, kan overdrijving schade doen. De Vereeniging voor den Geldhandel had uitnemende diensten bewezen; het was noodig noch wenschelijk, die diensten nog grooter voor te stellen, dan zij reeds waren. Den 4den September stond de „Beurswet 1914” in het Staatsblad. Later werd daarin nog eene verandering van niet principieele beteekenis aangebracht.

Van den aanvang af had de bedoeling voorgezeten, dat de Regeering zich bij de uitvoering der wet door deskundigen zou doen voorlichten. In de wet zelve was voorgeschreven dat voorlichting zou worden gezocht bij een door de Koningin te benoemen commissie van deskundigen. Ik begreep echter, dat dit niet voldoende zijn zou en dat ik als Minister die met de uitvoering der wet belast was, niet slechts advies noodig had in moeilijke gevallen, maar de steun behoefde van personen, die vooral als de beurs weer zou opengaan, aldaar de Regeering dagelijks zouden vertegenwoordigen. Zonder zulk een orgaan zou het Regeeringstoezicht grootendeels slechts van formeelen aard zijn geweest en het was noodig, dat hier een daadwerkelijk dagelijksch toezicht werd uitgeoefend. Aanvankelijk had ik daartoe het oog op een Regeeringscommissaris; bij nader inzien scheen mij de taak van de vertegenwoordiging der Regeering bij de uitvoering der Beurswet te gelijk zóó gewichtig, zóó moeilijk en zoozeer een zaak van onbeperkt vertrouwen, dat het de voorkeur verdiende, haar aan een commissie van drie personen toe te vertrouwen.

Als zoodanig werden door mij aangewezen de heeren: J. H. Kann, Mr. E. Fennema en Mr. J. J. van Troostenburg de Bruyn. Die heeren hebben hun moeilijke taak met groote onpartijdigheid en kennis van zaken vervuld en zij hebben door hun tactvol optreden tot de goede werking der Beurswet en tot de geleidelijke en ongestoorde hervatting der beurszaken zeer veel bijgedragen.

Als wettelijke Commissie van deskundigen werden door de Koningin benoemd de heeren: A. de Bijll Nachenius, J. van der Kooy Jr., G. W. A. van Laer J.Cz., Mr. H. M. Roelofsz, A. Roelvink en Dr. D. F. Scheurleer, met plaatsvervangers. Tot voorzitter werd aangewezen de heer S. P. van Eeghen, tot plaatsvervangend voorzitter de heer Dr. H. F. R. Hubrecht, voorzitter en onder-voorzitter van de Kamer van Koophandel te Amsterdam; tot secretaris werd benoemd de heer Mr. H. A. van Nierop. Natuurlijk is er tusschen beide commissies niet steeds overeenstemming geweest, maar de goede verstandhouding werd ook bij verschil van inzicht niet verstoord. Waar dit zich openbaarde, was ik door het ontvangen van twee gemotiveerde rapporten in staat tot het nemen van een beslissing, na het hoor en wederhoor te hebben toegepast.

De Commissie van deskundigen werd den 2den October 1914 op het Departement van Landbouw door mij geïnstalleerd. Daarbij hield ik tot de heeren de volgende toespraak:

Bij de Beurswet is voor den tijd dat deze wet van kracht zal zijn, ten aanzien van den geld- en fondsenhandel een even groote als buitengewone bevoegdheid aan den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel toevertrouwd.

Die bevoegdheid brengt een zware aansprakelijkheid met zich.

De wetgever zou mij, als Minister van Handel, zeer zeker die bevoegdheid niet hebben toegekend en ik zou even stellig de daaruit voortspruitende aansprakelijkheid niet hebben durven aanvaarden, indien mij niet van meet af de voorlichting van eene Commissie van deskundigen ware verzekerd geweest.

De Commissie van deskundigen van de Beurswet heeft naar de bedoeling des wetgevers ten aanzien van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel een plaats te bekleeden, welke is te vergelijken met die, welke de afdeeling voor geschillen van bestuur van den Raad van State tegenover de Regeering inneemt. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel zal aan de adviezen van de Commissie van deskundigen niet zijn gebonden. De beslissing blijft bij hem. Maar de bedoeling des wetgevers is zonder twijfel geweest, dat de verhouding tusschen den Minister en de Commissie van deskundigen zoodanig zou wezen, dat hij als regel zal kunnen volstaan met eene bekrachtiging van het advies, dat hij van de Commissie zal ontvangen.

Waar het nu wel van zelf spreekt, dat zoowel bij den Minister als bij de Commissie den ernstigen wil voorzit om niet alleen de letter van de wet na te leven maar ook haar geest en bedoeling te verwezenlijken, daar volgt uit de verhouding, die de wet bedoelt, dat in werkelijkheid een groot deel van de aan den Minister toegekende bevoegdheid maar daarmede tevens een groot deel van de daarmede gepaard gaande verantwoordelijkheid komt te rusten op de schouders van de Commissie van deskundigen.

Het gaat bij deze aangelegenheid om groote financieele belangen, om financieele belangen, waarbij duizenden van de bevolking betrokken zijn. En die belangen zijn niet steeds in dezelfde richting. Integendeel telkens, bij schier elk eenigszins belangrijk vraagpunt, zullen belangen van de eene groep van daarbij betrokkenen, zich kruisen met belangen van een of meer groepen van andere belanghebbenden. De taak van allen, die bij de uitvoering van de wet een rol zullen hebben te vervullen, zal wezen met het ernstigste streven naar strikte onpartijdigheid, met den vasten wil algemeene volksbelangen hooger te stellen dan belangen van bepaalde groepen der bij den geld- en fondsenhandel betrokkenen, dezen handel uit het tijdperk van ongekende beroering, waarin hij verkeert, langzaam maar zeker terug te leiden naar den toestand van vrijheid, waarin Regeeringsinmenging niet slechts overbodig zijn zou, maar hinderlijk voor eene gezonde en krachtige ontwikkeling.

Die taak is moeilijk; zij stelt hooge eischen. Zij verlangt, dat allen, die aan haar deelnemen, zich zullen weten te plaatsen op hooger peil dan waarop men zich bevindt, als uitsluitend met de belangen van een bepaalde groep van belanghebbenden behoeft te worden gerekend. Wat mijzelven aangaat, ik heb begrepen dat mijn aandeel in die taak, waar ik slechts zulk een klein deel van mijn tijd en van mijn denken daaraan zou kunnen wijden, voor mij te zwaar zou zijn, indien ik daarin voor de dagelijksche uitvoering der wet niet werd bijgestaan door enkele vertrouwde en der zake kundige personen.

Ik heb het daarom op hoogen prijs gesteld, dat ik een drietal mannen van erkende kunde en die wegens hun karaktereigenschappen algemeen geacht worden, bereid heb gevonden, mij den bijstand, dien ik in deze zoozeer noodig heb, te verleenen. Ik breng hun, die op mijn verzoek hier mede tegenwoordig zijn, voor die bereidwilligheid mijn dank.

Het zou echter een groote dwaling zijn te meenen, dat de instelling der Commissie van bijstand in de uitvoering der wet iets te kort deed aan de groote beteekenis van het aandeel in onze gemeenschappelijke taak, dat Gij, Mijne Heeren, als leden en plaatsvervangende leden der wettelijke Commissie van deskundigen hebt willen op U nemen. Welke die beteekenis is, heb ik zoo even reeds met een enkel woord aangestipt; ik acht het onnoodig daaraan iets toe te voegen.

Dat Gij, voorzitter en ondervoorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel, het voorzitterschap en het plaatsvervangend voorzitterschap van de Commissie van deskundigen van de Beurswet hebt willen aanvaarden, wordt niet alleen door de Regeering, maar zeker door heel het land gewaardeerd. Ieder ziet daarin terecht een waarborg te meer voor de onpartijdigheid der adviezen, welke van Uwe Commissie zullen uitgaan.

En Gij, mijne heeren leden en plaatsvervangende leden der Commissie, bij Uwe keuze is rekening gehouden met de verschillende groepen uit den geld- en effectenhandel, die aanspraak er op mogen maken, dat op hunne belangen zal worden gelet. Echter is het de bedoeling allerminst geweest, dat ieder Uwer in de Commissie zich zou gevoelen als de pleitbezorger van de groep, waartoe hij zelf behoort. Integendeel, van ieder Uwer wordt verwacht, dat Gij de vragen waarover Gij zult hebben mede te adviseeren, breeder bezien zult dan alleen uit den gezichtshoek van den kring, die U aanbeval.

Bij de samenstelling der Commissie uit vertegenwoordigers van verschillende groepen van belanghebbenden heeft niet het denkbeeld voorgezeten een aantal pleitbezorgers van verschillende groepsbelangen bijeen te brengen, maar wel er voor te waken, dat het uitbrengen der adviezen niet zou geschieden met een onwillekeurig verwaarloozen van bepaalde groepsbelangen. Het algemeene belang toch van hen, die bij de Beurswet betrokken zijn, is de resultante van de belangen der verschillende groepen, waaruit de beurswereld is samengesteld, zoomede van de belangen van het publiek, dat achter die groepen staat. Het samenbrengen van een aantal deskundigen, die ieder meer in het bijzonder de belangen en de inzichten van een bepaalde groep kennen, maar die daarbij van het geheele zakenleven op beursgebied zoodanig op de hoogte zijn, dat zij de beteekenis hunner eigen groep voor het geheel met bijzondere kennis van zaken beoordeelen kunnen, waarborgt dat bij het opmaken der resultante de verschillende krachten, die haar bepalen, in haar relatieve sterkte met juistheid zullen worden gemeten.

Aan niemand is het gegeven zich geheel te onttrekken aan den invloed van zijn milieu.

Men mag dus van U leden en plaatsvervangende leden der Commissie, die bepaalde groepen vertegenwoordigt, niet verlangen en niet verwachten, dat Gij zult kunnen wat niemand kan. Maar wèl wordt van U verwacht en verlangd, dat Gij beseffen zult dat Gij steeds bij het uitbrengen van Uw advies zult hebben te streven naar den hoogst bereikbaren graad van objectiviteit, met den meesten ernst zult moeten pogen het belang van Uw groep en van het deel van het publiek, dat achter haar staat, in de juiste verhouding te stellen tot dat der andere groepen, die tezamen het algemeen belang bepalen.

Ik houd mij overtuigd, dat aan het beroep dat ik met deze woorden op Uw aller toewijding en Uw aller streven naar onpartijdigheid toe, door U zou zijn gehoor gegeven, al had ik het niet openlijk uitgesproken. Waar het hier echter om zoo groote, zoo ingewikkelde en zoo wijd vertakte belangen gaat, heb ik gemeend dat beroep tot dekking van mijne eigen verantwoordelijkheid—zij het ook ten overvloede—niet achterwege te mogen laten.

Het licht dat van ieder Uwer zal uitschijnen, zal ook bij het ernstigste streven naar objectiviteit, min of meer gekleurd zijn; de samenstelling Uwer Commissie geeft echter recht tot de verwachting, dat uit de combinatie dier kleuren het witte licht der objectiviteit zal te voorschijn komen.

Hoe dichter Uwe Commissie tot dat ideaal zal kunnen naderen, hoe hooger de waarde harer adviezen niet slechts voor de Regeering maar ook voor het publiek zijn zal, en hoe grooter tevens de voldoening zal wezen waarmede Gij, Mijne Heeren, als Uw taak zal zijn afgeloopen, daarop zult kunnen terugzien.

Door den heer Van Eeghen werd daarop als volgt geantwoord:

Met aandacht heb ik geluisterd naar de woorden, waarbij Uwe Excellentie deze door H. M. de Koningin op voordracht van Harer Majesteits Regeering benoemde Commissie heeft geïnstalleerd.

Onze Commissie heeft in deze benoeming gezien een bewijs van vertrouwen, dat zij op hoogen prijs stelt: zij is zich bewust, dat haar eene groote verantwoordelijkheid wordt opgelegd.

Uwe Excellentie heeft terecht er op gewezen, dat, ofschoon onze Commissie is samengesteld uit personen uit verschillende groepen, alle leden zich op hetzelfde hooge onafhankelijke standpunt moeten plaatsen.

Ik ben overtuigd, Excellentie, dat wij allen hiervan doordrongen zijn.

Onze Commissie zal dan ook trachten, wanneer Uwe Excellentie zich—hetzij rechtstreeks, hetzij door Uwe Commissie van Bijstand—tot haar wendt, zooveel in haar vermogen is, juiste en onpartijdige adviezen te geven.

Terwijl ik mij veroorloof Uwe Excellentie mijn dank te betuigen voor de welwillende woorden tot de leden van de Commissie van deskundigen, tot den Onder-Voorzitter van de Amsterdamsche Kamer van Koophandel en tot mij als Voorzitter van die Kamer gericht, spreek ik de hoop uit dat, ook door medewerking van onze Commissie, het doel, waarvoor de Beurswet 1914 in het leven is geroepen, ten volle zal worden bereikt.

Het eerste wat gedaan moest worden en waarbij de beide commissies hadden samen te werken, was het vaststellen van de noodige beursvoorschriften. Daar hierbij met zeer verschillende belangen rekening moest worden gehouden, was dit een hoogst moeilijk werk, waarbij de Commissie van uitvoering voortdurend overleg moest plegen niet alleen met de Commissie van deskundigen, maar ook met andere belanghebbenden bij het beursverkeer. Zij ondervond daarbij ook groote medewerking van den president van de Nederlandsche Bank. Deze nam het zeer nuttige initiatief tot het instellen van een onderzoek naar den omvang van het bedrag, dat ter beurze op prolongatie was uitgezet. Dit leidde tot het resultaat, „dat in ronde cijfers het geld, ter beurze gebracht om in den vorm van prolongatie, on call, enz. te worden uitgezet, een som van ƒ 325 millioen beliep. Dit geld werd echter ter beurze voor een deel weder op nieuw uitgezet door geldnemers, die op hun beurt weder geldgevers werden; en zoo kon worden becijferd, dat de totaal ter beurze loopende contracten een bedrag van ƒ 460 millioen hadden bereikt. Gesteld dus, dat alle prolongaties, on calls enz. op een gegeven oogenblik zouden verrekend kunnen worden door terugbetaling, dan zou een bedrag van ƒ 460 millioen onderling verrekend en ƒ 325 millioen uit de Beurs aan de oorspronkelijke geldgevers teruggegeven moeten worden.”

Door dit onderzoek werden dus zeer waardevolle gegevens verkregen omtrent de beteekenis van het object, waarover men regelingen had te maken. Die regelingen zelf waren intusschen reeds gereed, voordat het onderzoek van den president van de Nederlandsche Bank was afgeloopen. De beursvoorschriften werden den 15en Januari 1915 vastgesteld. Het zou mij te ver voeren op den inhoud daarvan in te gaan. Slechts op één bepaling moet ik de aandacht vestigen. Voor de verschillende fondsen waren onderpandkoersen vastgesteld, die aanvankelijk weinig afweken van de beurskoersen op den dag vóór de sluiting. In de beursvoorschriften werd nu aan de geldnemers de bevoegdheid gegeven geldleeningen, dagteekenende van vóór 29 Juli 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst vastgestelde onderpandkoersen, een surplus aanwees van 20 pct. of tot dit surplus zou worden aangevuld, zooals men het in beurskringen heeft genoemd, te blokkeeren. Die blokkeering bestaat hierin, dat die leeningen door den geldgever niet eerder zullen kunnen worden aangezegd of opgevraagd dan zes maanden, nadat de vrede tusschen Duitschland, Engeland en Frankrijk zal zijn gesloten. Over de geblokkeerde posten moet een rente worden betaald, die aanvankelijk gesteld werd op 1⁄2% boven de rente van de Nederlandsche Bank voor voorschotten in rekening-courant, doch niet minder dan 6% ’s jaars.

Eerst lachte mij het blokkade-denkbeeld weinig toe, omdat ik er bij de ingewikkeldheid der beursrelaties verwikkelingen van vreesde. Toen echter alle kringen van beursbelanghebbenden met het denkbeeld ingenomen bleken te zijn, was er voor de Regeering geen reden daaraan niet haar goedkeuring te hechten. De belanghebbenden bleken trouwens de zaak juist te hebben ingezien; het blokkeeringsstelsel heeft goed gewerkt en de afwikkeling van prolongaties, die van vóór de crisis dagteekenden, bevorderd. Daartoe heeft ook de medewerking der Nederlandsche Bank veel bijgedragen. Met vermijding van het uitschakelen der commissionnairs-tusschenpersonen heeft zij zich bereid verklaard zoowel geblokkeerde als niet geblokkeerde posten, die van vóór 27 Juli 1914 dagteekenden, over te nemen. Het verslag van de Bank over 1914/15 zegt hierover o.m.: „Aangezien De Nederlandsche Bank in de eerste plaats zich geroepen gevoelde mede te werken om de oorspronkelijke geldgevers weder in het bezit van contant geld te stellen, vooral omdat onder die oorspronkelijke geldgevers behoorden vele der groote spoorweg-, stoomvaart- en cultuurmaatschappijen, fabrieken en coöperatieve vereenigingen, werkmansbonden, spaarbanken en nog vele anderen, die hun beschikbaar geld slechts tijdelijk hadden uitgezet, en nu zelven die gelden dringend behoefden, verklaarde De Nederlandsche Bank zich bereid het onderpand, in handen dier primaire geldgevers, over te nemen en daarop voorschotten te verleenen. Wel behield de Bank zich voor om het bedrag van het voorschot zelve te bepalen in verband met de koerswaarde, welke zij aan het onderpand wilde toekennen, zoodat niet altijd het volle bedrag van de prolongatie in voorschot kon worden uitgekeerd.

„Van eene tweede categorie, zijnde de commissionnairs-geldnemers ter beurze, die op hun beurt weder ter beurze geldgevers van anderen waren, wilde de Bank wèl prolongatieposten overnemen, doch met voorbehoud dat zij het onderpand naar eigen opvatting zou waardeeren.”

Door deze medewerking en ook door een stijging der Amerikaansche fondsen, waarvan men bij den aanvang der crisis zelfs niet had durven droomen, heeft de afwikkeling der oude posten een zoo ongedacht gunstig verloop gehad, dat het overgroote deel daarvan op het einde van het jaar 1915 reeds geliquideerd was.

Een wijziging in de beursvoorschriften moest spoedig worden aangebracht naar aanleiding van een gerechtvaardigd bezwaar van de Nederlandsche Bank tegen de vastknooping der prolongatierente voor de oude posten aan de rente der Bank voor voorschotten in rekening-courant. Boven[14] wees ik er op, dat tegen die vastkoppeling in de eerste crisisweken niets was te doen en dat zij een consequentie was van den geheelen crisistoestand. De Bank kwam er echter terecht tegen op, dat die op zich zelf ongewenschte consequentie officieel zou worden vastgesteld en bestendigd in een ministerieel voorschrift, dat bestemd was om gedurende den geheelen oorlogstijd te gelden. De desbetreffende artikelen werden daarom op haar aandrang den 11den Februari 1915 gewijzigd. Het verband tusschen de prolongatierente en de rente, welke de Bank voor hare voorschotten berekent, werd daarbij geheel losgeknipt. Practisch kwam de verdwijning van dit verband uit, toen op 30 Maart 1915 de prolongatierente door mij op 51⁄2% werd bepaald, zonder dat eene wijziging in de bankrente daarmede gepaard ging.

Reeds spoedig nadat de eerste crisisweken voorbij waren, begon zich te Amsterdam een niet-officieele beurs te ontwikkelen. Ik heb toen gemeend, eenigszins tegen het advies van mijn raadgevers in, daartegen te moeten optreden. Als reden daarvoor gaf ik in de Eerste Nota betreffende den Economischen Toestand op: „Natuurlijk kan niet verhinderd worden, dat ondershands, buiten de beurs om, effecten worden verhandeld. Ondergeteekende heeft echter gemeend maatregelen te moeten nemen om tegen te gaan, dat deze handel toch een eenigszins officieus, zij het dan al niet officieel, karakter zou aannemen. Dit toch zou de bedoeling der Beurswet kunnen verijdelen en zou tot moeilijkheden moeten aanleiding geven, als de beurs te zijner tijd voorloopig slechts voor enkele fondsen geopend zal worden. Er moet dan voor worden gewaakt, dat de handel ter beurze tot die toegelaten fondsen beperkt zal blijven. Dit zou echter zeer worden bemoeilijkt, als vóór de beperkte officieele opening der beurs oogluikend reeds een onbeperkte beurshandel in effecten was toegelaten.”

De beurs werd op 9 Februari 1915 weer geopend; eerst slechts voor een zeer beperkt aantal fondsen. Langzamerhand kon de noteering worden uitgebreid, zoodat thans bijna alle vóór de crisis courante fondsen weer genoteerd worden. Met de opening der beurs was zoowel de mogelijkheid tot executies als tot het geven van nieuw geld op prolongatie geopend. Verschillen over de bepalingen, waaraan de nieuwe prolongaties zouden onderworpen zijn, gerezen tusschen de Vereeniging voor den Effectenhandel en de groote geldgevers, gaven aanleiding dat de laatstgenoemden een Prolongatievereeniging oprichtten, waartoe niet alleen de groote bankiers maar ook een aantal handelsondernemingen, verzekeringmaatschappijen en spaarbanken als oorspronkelijke geldgevers op prolongatie toetraden. Zij had ten doel den grooten geldgevers het vertrouwen in de wijze waarop hun geld ter beurze wordt uitgezet, dat door hetgeen gebeurd was, zeer was geschokt, te hergeven en daartoe de bepaling der prolongatievoorwaarden niet langer—voorloopig behoudens het staatstoezicht krachtens de Beurswet—uitsluitend over te laten aan de Vereeniging voor den Effectenhandel, maar ook de primaire geldgevers medezeggenschap daarin te verzekeren. De oprichting dezer vereeniging, welke weder onder het presidium van den heer Van Aalst gesteld werd, werkte op de zooeven bedoelde verschillen niet juist als olie op de golven, veeleer als olie in het vuur. Het scheen alsof de heeren niet tot overeenstemming waren te brengen. Het is een niet geringe verdienste van de Commissie van uitvoering der Beurswet, dat zij niet heeft gerust, vóór zij een compromis had weten tot stand te brengen. Toen dit eindelijk, na veel vergeefsche pogingen, gelukt was, verklaarde de Nederlandsche Bank zich bereid ook dergelijke nieuwe prolongatieposten over te nemen, indien deze bij opzegging eventueel niet weder ter beurze zouden kunnen worden overgeplaatst. Daarmede heeft de Bank tot de ontwikkeling der nieuwe prolongatiemarkt veel bijgedragen. De ruimte van geld, die in den loop van het jaar 1915, met slechts enkele golvingen in nedergaande richting, gestadig toenam, werkte natuurlijk tot die ontwikkeling krachtig mede.

De effecten- en de geldhandel hebben zich spoediger van den schok van Juli 1914 hersteld, dan iemand in den eersten tijd van de crisis had durven droomen, laat staan: hopen. De gunstige keer der omstandigheden, inzonderheid de onverwacht hooge stijging der Amerikaansche fondsen en de toenemende ruimte van geld, is hierin ongetwijfeld de belangrijkste factor geweest. De Beurswet kon dat effect niet teweeg brengen; dat hebben haar ontwerpers zich ook geen oogenblik van haar voorgesteld. Haar doel was geen ander dan ongelukken in den crisistijd te voorkomen en de geleidelijke afwikkeling van zaken, zonder dat dit tot onheilen zou leiden, te bevorderen naar gelang de donkere wolken van den eersten crisistijd voor het blauw aan den financieelen hemel zouden plaats maken. Dat doel heeft zij bereikt, n’en déplaise de sombere voorspellingen, die bij haar voorbereiding in enkele politieke, juridieke en financieele kringen omtrent hare werking nog meer werden gemompeld dan openlijk uitgesproken.

§ 4. De aandrang tot een moratorium.

Het zou onvolledig zijn den aandrang tot een moratorium met stilzwijgen voorbij te gaan. Die aandrang was zóó groot en kwam van zóó verschillende kanten, dat er heel wat weerstandskracht voor noodig was om daaraan het hoofd te bieden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Regeering er voor zou zijn bezweken, indien zij bij haar afwijzing niet krachtdadig ware gesteund geworden. In de eerste dagen van de oorlogscrisis werd ik overstroomd door allerlei zenuwachtige raadgevingen en adviezen over hetgeen op economisch gebied moest worden gedaan, en door allerlei uitingen van angstgevoel over hetgeen er van den economischen toestand terecht zou komen. De vragen om hulp waren even bont van samenstelling als de ongevraagde adviezen; maar als een reus onder de dwergen stak de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium boven al het andere uit. De een smeekte er om, een andere eischte het, een derde beval het aan als redder in den nood, een vierde bracht mij in herinnering, dat „aux grands maux les grands remèdes” moeten worden toegepast. Particuliere middenstanders en groothandelaars, deputaties van Kamers van Koophandel en belangstellende rechtsgeleerden vroegen als om strijd om een moratorium. Mondeling zoowel als schriftelijk kwam de aandrang. Het regende brieven zoowel als bezoeken met die strekking; het scheen een oogenblik haast een niet te stuiten sneeuwbal. En in de Staten-Generaal vond die gemoedsstemming van een groot deel van het publiek weerklank bij alle partijen. Op 3 Augustus drong de heer De Visser aan op het in overweging nemen van „wat men met een algemeenen term noemt een moratorium”. Bij hem sloot zich onmiddellijk de heer Troelstra aldus aan: „Met hetgeen door den geachten afgevaardigde uit Katwijk hier in het midden is gebracht, kan ik mij vereenigen. Ik wensch dien aandrang te ondersteunen.... Door den heer De Visser is gesproken over het moratorium. De bedoeling van den heer De Visser zal waarschijnlijk ook zijn, dat daaronder zullen vallen de woninghuren, want het moet ook niet kunnen voorkomen, dat gedurende den oorlogstoestand menschen, die onmachtig zijn om huur te betalen, uit hun woningen zouden worden gezet.”

In de Eerste Kamer bleef het daar niet bij. De heer Fokker stelde er de volgende motie voor: „De Eerste Kamer noodigt de Regeering uit binnen korten tijd een wetsontwerp tot instelling van een moratorium aan de goedkeuring der Staten-Generaal te onderwerpen.” Die motie vond bestrijding bij de heeren Laan en Van Nierop. Toen deze daarbij ook tegen het moratorium zelf waarschuwden, kwam de heer Woltjer tusschenbeide. Hij verdedigde wel is waar de motie niet en achtte het verkeerd, dat zij was ingediend, maar—zoo zeide hij—”het spijt mij ook, dat de heeren Laan en Van Nierop er tegen gesproken hebben, zooals zij deden, omdat hun spreken eigenlijk tegen een moratorium was gericht.”

Tegenover dat algemeene verlangen werd de Regeering gesterkt vooral door een krachtig afwijzend advies van de groote bankiers. In de Eerste Kamer zeide ik daarvan: „De quaestie van een moratorium heeft reeds sinds eenige dagen de ernstige overweging uitgemaakt van den Ministerraad. Over de quaestie van het moratorium is Zaterdag zeer uitvoerig gesproken in de vergadering die de Ministers van Financiën en Justitie en ik zelf gehad hebben met den president van de Nederlandsche Bank, het consortium van bankiers, waarop de heer Van Nierop doelde, den voorzitter van den Provincialen Bond van effectenhandelaren, den voorzitter van de Rotterdamsche Vereeniging en die van de Amsterdamsche Vereeniging voor den Effectenhandel. Na zeer ampele bespreking van het voor en tegen is men toen gekomen tot de conclusie, dat men hoopte, gelijk zooeven de heer Van Nierop het zeide, zonder moratorium den toestand meester te kunnen blijven. Ik geloof dat er op dit oogenblik geen reden is om daaraan te wanhopen. Nadat Zaterdag het besluit genomen was, waarmede de Regeering zich eenstemmig verklaarde, wordt door de Regeering geen voorstel tot een moratorium gedaan. En nu is mij gisteren door den voorzitter van den Provincialen Bond voor den effectenhandel telephonisch medegedeeld.... (De heer Van Nierop: die het moratorium het meest wenschte).... dat het bestuur van den Provincialen Bond overleg heeft gepleegd met het bewuste syndicaat van bankiers te Amsterdam, en dat men daarbij is gekomen tot een regeling, speciaal wat betreft de wijze van handelen met opvragingen van deposito’s, waardoor de beschikbare kredietmiddelen op zoo goed mogelijke wijze ter beschikking zullen worden gesteld van hen, die ze werkelijk absoluut noodig hebben....”. In de Tweede Kamer had ik even te voren in gelijken geest gesproken. Daar had ik er nog aan toegevoegd:

„Maar ik kan aan den heer Troelstra de verzekering geven, wanneer het mocht gebeuren dat op het oogenblik op eenigszins belangrijke schaal personen, die in de tegenwoordige omstandigheden hun woninghuur niet kunnen betalen, uit hun woning werden gezet, zij het dat dan ook niet een algemeen moratorium zal worden afgekondigd, toch maatregelen zullen worden genomen om dat tegen te gaan.

„Dat op het oogenblik geen executies worden gedaan wegens achterstallige belastingen—de heer Troelstra zeide het zelf—het spreekt zoo absoluut van zelf, dat men daaromtrent van de zijde der Regeering wel geen verklaring zal verlangen.

„Ik kan dus dit zeggen, wat betreft het punt van het moratorium, dat de zaak in ernstige overweging is geweest bij de Regeering; dat men op het oogenblik heeft gemeend ter wille van het krediet niet verder op dit denkbeeld te moeten ingaan en voorloopig het geheele denkbeeld van het instellen van een moratorium ter zijde te moeten stellen....

„Waarom heeft de Regeering begrepen dat men in de kringen van den geld- en crediethandel hier juist zag? Omdat het groote gevaar, natuurlijk naast het oorlogsgevaar, is dat het Nederlandsche publiek onder den indruk van de toch reeds zoo ernstige toestanden, de zaak nog veel erger maakt door wantrouwen te toonen, waar dat wantrouwen niet op zijn plaats is. Wanneer nu van de Regeering reeds uitging een voorstel om een algemeen moratorium in te stellen, d. w. z. om ieder die schuld heeft gedurende zekeren tijd te ontslaan van de verplichting om die te betalen, kan men vooruit verwachten, dat dit opnieuw groote schokken op de credietmarkt tengevolge zou hebben.”

Intusschen was met deze afwijzende houding de aandrang tot het uitschrijven van een moratorium niet gebroken. In de vergadering van de Tweede Kamer van 6 Augustus bepaalde de heer Bos zich er toe, nogmaals het oordeel van de Regeering omtrent de zaak te vragen. De heer Aalberse daarentegen ging verder. In aansluiting aan hetgeen door den heer De Visser in de vorige vergadering was opgemerkt, vroeg hij „of in de dagen die sinds de vorige vergadering verloopen zijn, door de Regeering nog overwogen is, of de bezwaren van den toestand zooals die nu is, misschien toch niet erger zijn dan de bezwaren welke men vreest van de invoering van een moratorium.”

Die hernieuwde aandrang was trouwens een weerklank op hetgeen nog bij een groot deel van het publiek daaromtrent leefde. Het gesprokene in de vergaderingen van 3 Augustus had de stroom van verzoeken tot het wettelijk toestaan van uitstel van betalingen niet gestuit. Woensdag 5 Augustus had ik zelfs een bezoek gehad van verschillende voorzitters van Kamers van Koophandel ter mondelinge toelichting van een verzoek in dien geest. Die heeren bracht ik bij dat bezoek de groote bezwaren tegen voldoening aan hun wensch onder het oog, en ik kreeg den indruk, dat, zoo zij al niet door mij bekeerd waren, ik hun eigen overtuiging toch aan het wankelen had gebracht. In overeenstemming met wat ik hun binnenskamers had gezegd, gaf ik den volgenden dag in de Tweede Kamer voor de tweede maal een afwijzend betoog, dat ik hier laat volgen, omdat daarin alle gronden van de Regeering tot afwijzing van het moratorium zijn samengevat:

„De Regeering is ook geheel doordrongen niet alleen van de gewettigdheid, maar ik mag wel zeggen ook van het sympathieke van de vrees van zoovele handelaars en industrieelen, dat zij door de omstandigheden zouden kunnen komen in faillissement.

„Het is inderdaad gelukkig, dat onder degenen, die zich met handel en nijverheid bezighouden, hier in Nederland een zóó sterk gevoel bestaat dat zij moeten opkomen voor hun goeden naam, dat de vrees dat zij in faillissement zouden kunnen geraken, hun reeds in zoo hooge mate benauwt.

„Ik begrijp dus ten volle den aandrang, die telkens weer geoefend wordt tot het uitschrijven van een moratorium, maar ik ben het met den geachten afgevaardigde uit Winschoten eens, dat—het bleek tusschen de regels door in hetgeen hij zeide—wat een moratorium eigenlijk beteekent, niet altijd helder voor den geest staat bij hen die er naar vragen. Nu wil het mij voorkomen, dat zoo algemeen als men het zich voorstelt, dat van regeeringswege zou kunnen worden bepaald, dat men eenvoudig gedurende eenigen tijd zijn schulden niet meer behoeft te voldoen, dit toch wel een onmogelijkheid zijn zal.

„Ik wijs in de eerste plaats op de vorderingen wegens gepraesteerden arbeid. Niemand zal toch willen dat de werklieden aan het eind der week niet meer zouden kunnen rekenen op de betaling van hun loon. Ik wijs verder op alles wat betreft de levensmiddelenindustrie. Stel eens dat het zóó ver ging, dat men zou bepalen, dat men niet verplicht was te betalen schulden, die gemaakt zijn in verband met de levensmiddelenindustrie of de levensmiddelendistributie. Ik behoef wel aan niemand te zeggen dat men de zaak daardoor niet beter zou maken. Wanneer fabrikanten wel verplicht zouden zijn om aan allerlei verplichtingen te voldoen wat werkloonen betreft, en wat betreft ook het betalen van grondstoffen—want zij zouden die grondstoffen niet anders dan tegen contant geld kunnen krijgen, zoodra er een moratorium was—maar wanneer zij uitstaande vorderingen hadden, die niet binnen zouden krijgen, iedereen voelt dat dan al heel spoedig het geheele economische leven vast zou loopen, veel erger dan op het oogenblik het geval is.

„Daarbij komt dat sommigen zich van het moratorium niet meer voorstellen dan alleen de opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen. Die opheffing van de verplichting om wisselschulden te betalen, wanneer het niet verder ging dan dit, zou natuurlijk niet zóó ernstige gevolgen hebben. Maar daar zouden andere ernstige gevolgen aan verbonden zijn, namelijk dit, dat men dan wel min of meer misschien den groothandel zou helpen en enkelen van den middenstand, maar dat de middenstand in het algemeen daarmede niet geholpen zou worden.

„Men moet in de zeer abnormale omstandigheden waaronder het economisch leven thans moet worden geleid, nu het kredietwezen gestoord is zonder dat iemand daar iets aan verhelpen kan, uiterst voorzichtig zijn die stoornis niet grooter te maken. Welnu, Mijnheer de Voorzitter, degenen in overleg met wie de Regeering thans bezig is te trachten aan de economische crisis het hoofd te bieden, ontraden, blijven ontraden met de meeste beslistheid het instellen van een moratorium.

„Hedenmorgen heb ik het volgende telegram ontvangen:

„Vergadering Bankconsortium bijgewoond door de Nederlandsche Bank is na rijp beraad van oordeel, dat moratorium een allerbedenkelijkste sprong in het duister zou zijn, waardoor de ongerustheid niet verminderd, doch vermeerderd zou worden. Bij de groote elasticiteit der Nederlandsche Bank, welke blijkens laatsten bankstaat nog over zeer voldoende middelen beschikt en de bevredigende werking van het Banksyndicaat, dat handel en industrie zooveel mogelijk gaande houdt en spaarbanken steunt en waaraan nog grooter publiciteit zal worden gegeven, adviseert zij ten sterkste tegen moratorium dat het geheele credietwezen zou ontwrichten en groote rampen speciaal voor Indië zou medebrengen, alsook den goeden naam van Nederland voor langen tijd onnoodig zou schokken. Uit die kringen welke thans op moratorium aandringen, ontving het bankiersconsortium geen noemenswaardige aanvragen. Eerst indien de toestanden nog veel ernstiger mochten worden, zou aan speciale wettelijke maatregelen gedacht moeten worden.”

Dat was de laatste maal, dat ik mij tegenover aandrang tot uitschrijving van een moratorium behoefde schrap te zetten. Ik beeld mij intusschen niet in, dat dit op rekening van mijn overredingskracht mag worden geschreven. De oorzaak daarvan ligt elders en dieper. De algemeene economische toestand zelf werd, zooals wij reeds zagen en in het volgende hoofdstuk nog nader zal uitkomen, spoedig daarna zooveel minder gespannen, dat het verlangen naar een moratorium daarin met den dag minder voedsel vond. De ontwikkeling van den toestand zette de kroon op het hoofd van hen, die het uitschrijven van een moratorium zoo positief hadden ontraden en wettigde daarmede tevens de afwerende houding der Regeering.

Intusschen meene men niet, dat er geen verandering in betalingsplicht was gekomen. In het algemeen gesproken en de feiten alleen toetsend aan de rechtsregelen, die er op van toepassing zijn, werd er daarin inderdaad niets gewijzigd, voordat de Uitwinningswet en de Beurswet in het Staatsblad kwamen. Maar toch waren er vóór die wettelijke veranderingen reeds feitelijke afwijkingen van den betalingsplicht gekomen, die als een gedeeltelijk moratorium waren op te vatten. De beursbezoekers waren daarmede begonnen, toen zij de sluiting der beurs doorzetten. Immers, daar aanzegging van prolongaties alleen op een beursdag kan geschieden, hadden de commissionnairs-geldnemers zich met die eigenmachtige daad tevens een uitstel van betaling bezorgd, dat zoolang de beurs niet geopend werd, zou duren. Door de Beurswet werd die daad van eigen richting, welke in de omstandigheden haar verontschuldiging en zelfs haar rechtvaardiging vond, in het begin van September wettelijk gesanctionneerd. Aan de Rijkspostspaarbank werd langs wettelijken weg een uitstel van betaling voor een maximalen termijn van zes maanden verzekerd. De bankiers decreteerden voor zichzelf een uitstel van betaling van deposito’s, voor zoover hunne cliënten niet konden bewijzen daaraan werkelijk behoefte te hebben, en dat wel na overleg en met medeweten van de Regeering. Bij de wet werd voorts voorzien in het geval, dat de Nederlandsche Bank uitstel van betaling voor haar circulatiepapier zou behoeven, een geval dat zich gelukkig niet heeft voorgedaan. Gedeeltelijke, deels wettelijke deels feitelijke, moratoria waren er dus wèl.

Maar de Regeering is daarbij niet blijven staan. Den 6den Augustus kon ik in de Tweede Kamer mededeeling doen van een circulaire, welke de Minister van Justitie op mijn aandrang dienzelfden dag had gericht tot de verschillende rechterlijke colleges, de ambtenaren van het Openbaar Ministerie en de notarissen, en waarvan ook exemplaren waren gezonden aan advocaten en deurwaarders. De hoofdinhoud daarvan bestond hierin dat de Minister van Justitie, met eerbiediging van de zelfstandigheid der rechterlijke macht, haar zoowel als het Openbaar Ministerie en de notarissen op het hart drukte, de tijdsomstandigheden in aanmerking te nemen en er toe bij te dragen „een gerechtelijke of buitengerechtelijke uitwinning van goederen of faillietverklaring voorshands te voorkomen, wanneer het niet-voldoen aan zijn verplichtingen door den debiteur alleen of hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan de buitengewone omstandigheden” en daarmede „voor zooveel in hun vermogen is, te voorkomen dat de economische toestand voor talrijke Nederlanders niet nog ongunstiger worde dan onvermijdelijk is.”

Die circulaire en haar bekendmaking in ruimen kring was vooral bedoeld als een geruststelling aan den middenstand. Het gevaar van faillietverklaring was daardoor, ook zonder moratorium, hoewel wettelijk niet verminderd, toch feitelijk zeer verkleind. Het is intusschen niet te verwonderen dat de Minister van Justitie met zulk een toestand, welke wettelijken grondslag miste, geen vrede kon hebben. Van daar dat door hem onverwijld werd gearbeid aan een wetsontwerp, dat den rechter wettelijke bevoegdheid zou geven tot uitstel van executie in alle gevallen, waarin hij de overtuiging bij zich droeg, dat de schuldenaar door de omstandigheden buiten staat was geraakt, aan zijn betalingsplicht te voldoen, alsmede dat een uitstel hem zou kunnen baten. Dat wetsontwerp kwam met het ontwerp-beurswet ter tafel in de vergadering van financiers, waarin ook het laatstgenoemd ontwerp werd behandeld. Het kwam daar eenigszins in verdrukking, doordien dit ontwerp bijna den ganschen beschikbaren tijd in beslag nam, maar toch bleek wel dat principieel bezwaar er niet tegen bestond. Ook in de beide Kamers der Staten-Generaal vond het geen principieele tegenkanting. Alleen ging het sommigen, met name den sociaal-democraten, niet ver genoeg.

Zoo kwam de Uitwinningswet tot stand, die op denzelfden dag als de Beurswet, namelijk op 4 September 1914, werd afgekondigd. Volgens die wet kreeg de rechter, indien hij de overtuiging had dat de schuldenaar door de omstandigheden tijdelijk niet in staat was te betalen, niet alleen de bevoegdheid dezen ten hoogste zes maanden uitstel te verleenen, maar werd bovendien wettelijk vastgesteld, dat met zulk een rechterlijk uitstel ook de contractueele nadeelige gevolgen van niet-betaling op tijd—men denke aan het niet tijdig betalen van verzekeringspremies, van huurpenningen enz.—zoolang het verleende uitstel niet was verstreken, zouden worden opgeschort en dat deze geheel zouden vervallen, indien binnen den verleenden termijn door den debiteur alsnog betaald werd.

Deze wet heeft vooral een preventieve werking gehad en sloot zich te dien aanzien geheel aan bij de circulaire van den Minister van Justitie van 6 Augustus. Zij gaf daaraan niet alleen wettelijke wijding, maar zij regelde tevens het juridisch gevolg van het uitstel van executie, dat de rechter wegens de bijzondere tijdsomstandigheden kon verleenen. Op verbintenissen aangegaan nà 29 Juli 1914 en op hetgeen geregeld werd bij de Beurswet is de Uitwinningswet niet van toepassing. Bij de eerstbedoelde verbintenissen valt het motief van deze wettelijke afwijking van het gemeene recht weg, bij de laatste was de Uitwinningswet overbodig en zou zij slechts aanleiding hebben kunnen geven tot verwarring, voor zoover zij als algemeene regeling met de speciale regelen door of krachtens de Beurswet gesteld, niet zou strooken.

Zóó is door geruststelling te brengen en nadeelige gevolgen van uitstel van betaling, ingeval daartoe aanleiding bestond, weg te nemen, het eerste en heftigste stadium van de crisis doorstaan zonder een algemeene opschorting van betalingsplicht, die in stede van rust te geven, nieuwen angst zou hebben gewekt en nieuwe verwikkelingen zou hebben gebracht. Meer nog intusschen dan door deze maatregelen is aan de crisis, toen haar golven hun hoogtepunt bereikten, het hoofd geboden door hetgeen gedaan werd om aan de debiteuren het voldoen aan hun betalingsplicht mogelijk te maken. Allen die daartoe hebben bijgedragen, de Nederlandsche Bank, de Vereeniging voor den Geldhandel en weldra ook de spaarbanken en middenstandscredietbanken, alsmede de steuncomités voor zooveel huurschulden betreft, hebben groote reden tot voldoening over hetgeen door hunne werkzaamheid in overleg en in samenwerking met de Regeering werd bereikt. Noch het aantal faillissementen, noch het aantal uitzettingen wegens huurschuld, noch het aantal andere executies steeg boven het normale cijfer. Ieder voor zijn aandeel heeft reden daarop trots te zijn. En zelfs onder hen, die in Augustus 1914 het sterkst aandrongen op de afkondiging van een moratorium, is er wel niemand, die niet dankbaar er op terugziet, dat aan zijn aandrang werd weerstand geboden.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings