NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.
Reading edition
Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven.
Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank, jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht, sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het refrein:
Ma voce e bellezza
e giovinezza
non torna più;
el il tempo che passò
senza l’amore
non tornerà!
en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig, lévend lichaam er door heen te maaien.
Men vergeve me deze ontboezeming.
Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin … ik was er mal van.
Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het rechte wisten we er niet van.
Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen, want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy binnenstuiven kwam.
„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen koffiedrinken.”
„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor altoos geweken.
„Ze kómen!” jammerde Boy.
„Geef orders aan Janne,” raadde ik.
„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug.
„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend.
Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor bijna leege schotels elkaar verwijten te doen.
Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield. Als Bram kwam waren we dus tien personen.
„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om.
„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze.
„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy.
„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol.
„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in den mond.
„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar jammerklacht.
„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel.
„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?”
„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik.
Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar manchetten.
„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij.
„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne.
Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst:
„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas …”
„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de koffie.”
„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan.
„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor je, als je doet wat ik zeg.”
„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd.
„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.”
„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde Boy zijn reputatie.
„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.”
Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde over de plaatsenverdeeling.
„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes, genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat bloemen.
„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.”
„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer mocht belanden.
Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd: „Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit:
„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier …” toen hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste figuur.
„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen.
„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet je nooit hoe laat hij komt.”
En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween, toen Janne eerwaardig binnenstapte.
„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht eenige winters meér bezat.
Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door tegen Kitty te zeggen:
„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou.
De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die riep:
„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?”
„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang.
„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de deur van de huiskamer.
„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!”
„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf.
Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn:
„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht.
„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje.
Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven … Loekie …; als ze zich maar stilhield.
Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken.
„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot.
„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond, terwijl ik den sleutel in den zak stak.
„Sst!” deed ik angstig.
Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer neerstreek.
Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet meer uit, loog onbevangen:
„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf handjes en ging.
„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in de keuken, gaf Janne haar fooi.
„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel.
Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne hempje, waren zichtbaar.
„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de dekens, bleef met éen oog naar me kijken.
„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik.
„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze.
Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes en de sigaretten in bed gekropen was.
„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan.
„Hoezoo, Loekie?”
„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.”
„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd.
„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat ik ze óok veel liever zóo zag.
Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel. Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen, de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond veroordeelen.
Ik niet.
„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie.
Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel, leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig.
Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy binnen.
„Dag,”—groette Loekie en stak haar handje uit, niet de minste schaamte toonend over haar lichte allerliefste kleedij,—„dag ouwe, staat je neus nog altijd offside?”
„Ellendige plaag,” vond Boy, die nu eenmaal geen opmerkingen kon verdragen over de lichtelijk onhaaksche inplanting van zijn ruikinrichting.
„Lees nou doór,” verzocht Loekie.—Maar toen ze wist wie de boef bij het kaarsje op de vlakte wás en dus díe spanning alweer overleefd was, sprong ze op met een kattig-vlug gebaar en trok Boy aan zijn neus, waar deze—nog heelemaal overstuur door het koffie-bezoek—in de sofa te suffen zat.
„Au—schei uit!” schreeuwde hij.
„Suffert!” schold Loekie—„wacht ik zál je krijgen,” en ze ging pardoes op zijn schoot zitten.
Welke gevoelens Boy bezielden, toen hij zoo dichtbij den geur van haar jonge lichaam door den offside neus ontwaarde, weet ik niet; zeker is het dat hij zich oerdeeglijk hield en commandeerde:
„Koescht—ga terug naar je baas—vooruit!”
Maar Loekie wou Boy treiteren (het is beslist merkwaardig hoe men in waardeering verschillen kan) en nam zijn hoofd in de handen, verwarde speelsch de keurige scheiding.
Boy verweerde zich, Loekie schaterde, ik stond glimlachend het geval aan te zien … En toen stond opeens Toos midden in de kamer.
Toos is een van die menschen, die altoos op het ongeschiktste oogenblik van zich laten merken; van dát soort, dat juist zal aankomen als je een standje met een kwitantie op de stoep hebt; dat juist een deur zal opentrekken als de daarachter-zittende vergeten heeft het haakje er op te doen.—Kwam ze ook niet net toen Bram de gossie-meid omhelsde?
Dus Toos stond in de kamer, terwijl Loekie, zich schamend over haar kleeding tegenover een meisje, kleurend naar de schrijftafel terugtrok en met zenuwachtige bewegingen de afgezakte roodzijden schouderbanden weer terecht bracht.—Boy was opgesprongen, stond er betoeterd bij, zei toen hakkelend:
„Dag Toos,”—waarop Toos geen antwoord gaf, wat op zijn minst genomen onhartelijk mocht heeten.—Loekie, van den eersten schrik bekomen, zocht haar toevlucht bij mij, verborg haar blozend hoofdje aan mijn borst, terwijl ik beschermend de armen om haar schoudertjes legde. Toos mocht ze eens áanvliegen.
Maar het geval was zóo stapelmal, had ongewild zóo iets van een „op heeterdaad betrapt”-tooneeltje, dat ik opeens in een schaterlach loskwam.
Dat deed alle gespannen springveeren in Toos haar wezen losspringen:
„’t Is schándelijk—’t is schándelijk!” hijgde ze.
„Waarom?” vroeg ik doodbedaard, want met een vrouw in je armen kun je het tegen den commissaris van politie in eigen persoon opnemen.
„Hou je stíl!” barstte Toos los.
„Toos—hou je gemak wat,” verzocht ik bedarend.
„En ik zal het aan Kitty zeggen,” driftigde Toos.
„En dát zal je láten,” kwam Boy ingehouden woedend.
„’t Is geméen—geméen!” krijschte Toos.
„Waaróm?” trachtte ik nutteloos te redeneeren.
„Jullie zijn geméene, geméene jongens!”—beleedigde Toos nog, en toen holde ze de kamer uit. Boy ging haar achterop; beneden in de huiskamer hoorde ik den twist losbarsten.
„Kom Loekie—trek je er niks van aan,” troostte ik het meisje, wat tóch al weinig aangetrokken had.
„Wat lam, wat lám voor Boy,” lamenteerde ze.
„Och wat,” kwam ik luchtig.
„O—wat lám,” zei Loekie nog en toen begon ze te snikken. Dat maakte me week. Die ellendige Toos ook.—Beneden klonk de twist hoog op, in mijn armen voelde ik het lenige lichaampje schokken in hortend gehuil. Er moest een eind aan komen. En ik zoende Loekies tranennatte oogen, zette haar neer op het witte berenvel en holde naar de huiskamer.
„Jij hebt niks, hoor je, niks aan Kitty te zeggen,” en Boy sloeg met de vuist op tafel,—„dat zal ik zélf doen.”
„En haar vóorliegen,” keef Toos.
Toen pakte ik Toos hardhandig bij den arm, schudde haar driftig heen en weer, bulderde:
„En wil je dan maar meegaan, naar boven, vragen aan haar, aan dat meisje,—of ze het niet deed om Boy te plágen, te plágen en anders niet?—Kom ga mée!”
„Laat me los!”—schreeuwde Toos,—„jullie liegen allemaal!”
„Wel verdomme,” vloekte Boy, wit van drift.
Toen kwam Janne binnen.
„Ai jesses nog aan toe,” verbaasde ze zich.
Maar Janne was een uitkomst.
„Voor wié komt juffrouw Loekie?” vroeg ik.
„Wel voor ú natuurlijk,” verklaarde Janne.
„Is er ooit iets tusschen m’nheer Boy en haar geweest?” ondervroeg ik verder.
„Ai jesses nee,” verontwaardigde Janne zich, „wie denkt dát nou!”
„Zíj,” wees Boy op Toos.
„Nou—en das vást niet waar,—daar doen ik een eed op,—wie dat zeit die liegt met permissie!” getuigde Janne.
„Nou hóor je het!” zei Boy.
„Is het héusch?” vroeg Toos.
„Hè, freule Toos—dat is nou écht onaardig om zoo iets gemeens te denken van m’nheer Boy,” verweet de dienstbode.
De getuigenis van grijze, eerwaardige Janne wás niet te betwijfelen, zelfs niet door Toos.
„Nou dan geloof ik het,” schuchterde ze.
„’t Wordt tijd,” meende Boy.
„En wat kwam je nou eigenlijk uitspoken?” informeerde ik nader.
Toos vertelde hoe ze Kitty had gezien en vernomen, dat Bram uit was. Ze had naar ons verlangd, vond de straatdeur open, niemand in de huiskamer, hoorde boven stemmen „en toen—nou toen vond ik jullie met die … die …”
„Met mijn vriendinnetje Loekie,” vulde ik aan.
„Van jou vind ik het schandelijk,” preekte ze.
„Gaat het jou wat aan?” treiterde ik.
„Ik doe hier geen stap meer in huis!” dreigde Toos.
„Dat is je geraden,” kwam ik valsch.
Toos ging.
„En jij laat voortaan de voordeur niet meer open!” raadde Boy aan Janne.
In mijn studeerhol was Loekie zoek, op de slaapkamer vond ik ze gekleed, klaar om heen te gaan.
„Wat zijn dát nou voor kuren?”
„Ik ga weg,” kwam ze zenuwachtig.
„Toe nou—je bent er pas.”
„En ik kom niet meer terug—ik bezorg jullie maar last,” vervolgde ze, en haar lippen begonnen te beven, ze stond op huilen.
„Malle, lieve Loekie—je blijft, en je blijft hier den heelen middag, den heelen avond, den heelen nacht.”
„Nee,—nee,” weerde ze mijn omhelzing af.
„Ik bén de baas,” kwam ik, dol gelukkig om haar gevoeligheid,—„en wil je dien hoed wel eens afzetten, en den mantel uit, en de handschoenen—en álles, álles Loekie!”—maande ik, haar in mijn armen vertroetelend.
En ze liet zich den hoed afzetten, den mantel uittrekken en de handschoenen; en ook de bloese en den rok en al haar wondere fijne kanten en zijden verborgenheden, die ik met voorzichtige vingers haar afnam, terwijl haar oogen weer lachten en haar handen woelden in mijn haar.