← Table of contents
Malle Gevallen

DE TENNISCLUB.

Reading edition

Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven doorgaans ergens recht.”

Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig gedaan.

De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s, die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s, kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden.

De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed, die Piet heette.

Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty.

Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen, die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret.

Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte aanstalten om een sigaar op te steken.

„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s van een kwartje.”

„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei:

„Wat een type ben jij toch, Boy!”

Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek.

Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus” verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte toen oók zijn kar.

„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet.

„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte.

„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna.

„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend.

Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het zeiljacht van Bram huisden.

„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd.

„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens anders.”

Den volgenden dag verklaarde suikerpiet:

„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.”

„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram.

„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter zou komen.

„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets gedistingeerd.

„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram verder op de hoogte.

„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet.

En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden, het had laten opkalefateren.

De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze zeden eenigszins verzacht.

Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde vroolijke, brutaalgeestige type.

Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte, maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke dronkemansgedoe in Leiden.”

De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling … gaan werken.

Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er geklopt werd en Kitty binnenkwam.

„Stoor ik?” vroeg ze leuk.

„Je weet wel beter.”

„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.”

„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je niet. Je hebt me zeker noodig?”

„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen:

„Komt hij vanmiddag?”

„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch niet voor mij kwam.

„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?”

„Welke hij dan toch?” treiterde ik.

„Boy natuurlijk.”

„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.”

„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!”

„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?”

„Dus hij kómt?”

„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?”

„Weet je wat je bent? een enge zeur …”

„Zoo die zit,” zuchtte ik.

„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig.

Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom wilde ik nog maar eens uithooren.

„Waarom breng je Non nooit mee?”

„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt.

„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.”

„Ben ik dan geen gezelschap?”

„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.”

„Heusch wel,” deed ze erg oprecht.

„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.”

„Hè wat bén je flauw!”

„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.”

„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je noodig.”

„Vraag dan maar.”

„Je moet …” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het aan niemand, aan niemand vertellen?”

Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens in had kunnen loopen.

„Je moet me antwoorden op een paar vragen.”

„Over Boy,” zei ik boud.

Ze zweeg,—zat er mee in.

„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder.

„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon.

„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik je zal laten praten.”

Ze keek me schuchter aan.

„Jij bent een goede vriend van Boy hè?”

„Ja—een heél goede.”

„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel eens rare dingen?”

„Wat bedoel je?”

„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo moeilijk.”

„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik.

„Ja en …”

„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend.

„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk.

„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.”

„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze.

„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend.

„Ja,”—lispte ze.

„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik.

„Ik dacht dat hij … enfin, dat vrouwen wel een zwak voor hem moesten hebben,” bekende ze met een zweem van ongegronde afgunst.

„Kijk eens Kitty—als een jongmensch alleen is, en er geen meisje is wat van hem houdt, dan komt hij er allicht gauw toe. Je laat het een poos, omdat je vol illusies bent; verlies je zoo’n illusie dan … gaat het meestal mis. Zorg jij nu maar dat Boy zijn illusie behouden kan.”

Er straalde iets prachtigs in haar kinderoogen.

„Geloof je dat hij …!” waagde ze.

„Hij heeft me nooit iets verteld,—Boy loopt nooit met zijn gevoelens te koop,—maar ik meen toch wel je te kunnen verzekeren, dat hij heél veel van je houdt.”

„O dolletjes,” riep ze, in haar handen klappend.

„En geef me nu eindelijk een kop thee,”—kwam ik nuchter,—„ik ben schor van die prachtige redevoering, die ik tegen je gehouden heb.”

Kitty gáf me de kop thee, maar wilde toch het háre er van hebben.

„En jij houdt van Non hè?” vroeg ze.

„Nee,” zei ik bot.

„Hè,—wat sneu,” vond ze.

„Waarom,—houdt zij soms van mij?” vroeg ik eigenwijs.

„Nee, dát niet.”

„O,” bekoelde ik, „waarom vindt je het dan sneu?”

„Och, zoo maar, om maar eens te zien wat er van kwam.”

„Nee—in godsnaam Kitty, geén ongelukkige liefdes in den Mafkolder.”

„Dat vind ik ook,” zei ze hartelijk.

Toen moest ik haar vertellen hoe ik Boy had leeren kennen, wat voor kattekwaad we hadden uitgehaald, hoe we samen gefoven hadden in Leiden en Delft. Ze vond alles ijselijk grappig en herhaalde telkens: „O, het is een type!”

Bij het tweede kopje thee begon ze te vragen of Boy haast komen zou, of hij altoos zoo laat was. Bij het derde werd zij zenuwachtig, zei hopeloos:

„Laten we nu de koekjes maar heelemáál opeten—hij komt toch niet meer.”

Juist klonken er stappen op de gang; ze sprong op, een blijden blos op de wangen.

„O—’t is Bram maar,” zei ze onhandig toen deze binnenkwam.

Maar Bram, vreeselijk gehaast, had niets gehoord.

„Zeg, ik heb bericht, dat de Mallemolen in Enkhuizen klaar ligt en wou ’m gaan halen. Ga je mee met Boy?—’t zal een leuk tochtje wezen over de Zuiderzee.”

Ik had m’n bezwaren, wantrouwde Brams zeemanschap.

„Toe,” hield Bram aan, „ik kan de boot alléén niet aan,—en de lui waarmee ik vroeger zeilde zijn allebei zoek.”

„Nu, vooruit dan maar,” gaf ik toe, bedenkend dat ik stellig m’n laatsten wil zou neerschrijven eér ik naar Enkhuizen reisde.

„Dus zeg het aan Boy wil je?—Morgenmiddag kom ik jullie tegen twee uur hier halen.”

„Goed. Blijf je een kop thee drinken?”

„Nee—ik heb haast.”

„Zeg nu maar dat Toos bij de Wittebrug staat te wachten,” plaagde Kitty.

„Bonjour, Bonjour!” wuifde Bram, in de war, dat we het nu wisten,—en stoof de kamer uit.

„Waar blijft Boy nu toch?” stampvoette Kitty, het neusje tegen de ramen gedrukt.

„Wees toch rustig—hij kómt,” verklaarde ik.

„Hij komt toch oók wel eens niet,” opperde ze.

„Hij zou om vijf uur komen,” bekende ik.

„Nare flauwe plaag!”—stoof ze op, gemaakt boos doende, „waarom heb je dat niet eerder gezegd?”

„Omdat ik je zoo grappig vond,” lachte ik.

„Wacht—ik zal je krijgen!” keef ze—en rende me na om de tafel, pakte de kussens van de sofa en smeet ze waar ze me raken kon. En midden in dat lawaai kwam Boy binnen.

„Dag Boy!” juichte ze, naar hem toerennend, met de verstoeide haren en den rooden blos, nog liever, natuurlijk.—„Wat ben je lang wéggebleven Boy!”—zei ze, hartelijk blij nu hij er was.

„Ik heb me in de goot verslapen,” verklaarde Boy, die nu eenmaal nooit laten kon zichzelf verdacht te maken. Maar hij hield Kitty’s hand in de zijne, en ik wist er niets beters op dan in ’s hemelsnaam met m’n knieën op den grond te gaan liggen om zoogenaamd de ingetrapte theekransjes uit het kleed te verwijderen.

„Zeg Boy,”—zei ik kruimelsrapend achter de tafel gehurkt—„morgen om twee uur moet je hier wezen;—we gaan met Bram in Enkhuizen de Mallemolen afhalen.”

„O—ja?” vroeg Boy.

„Vergeet het in godsnaam niet,” hield ik aan.

„Nee dat weet ik,” was het malle antwoord.

„We gaan ’s nachts,” ging ik door.

„Ik zal er aan denken,” kwam Boy tot wien blijkbaar pas mijn vorige aanmaning doorziepelde.

„We mogen wel flinke jassen meenemen,”—redeneerde ik.

„Ja—op de fiets,” meende Boy weer, met een gedachtenopeenvolging waarin ik geen weg meer wist.

Toen stond ik behoedzaam op. Boy en Kitty lieten elkanders handen los.

„Dus om twee uur morgen hier,”—hield ik hardnekkig vol.

„’s Nachts,” zei Boy, die toonen wou, dat hij alles goed begrepen had.

„Nee, morgenmiddag uilskuiken.”

„En je zegt dat we ’s nachts een fietstocht gaan maken!” verdedigde Boy zich.

„Jij ziet ze vliegen,”—besloot ik bars.—„Kom morgenmiddag twee uur hier, met een óverjas. Begrepen?”

„Ja,”—zei Boy.

„En nu schieten jullie beiden op, want ik moet werken,” loog ik.

„Dat méen je niet,” veronderstelde Boy.

„Waarachtig wel.—Kitty heeft me tòch al zoo lang opgehouden.”

Kitty keek me verwijtend aan, toen opeens begreep ze, zei glimlachend:

„Nou—arme jonge—blok maar niet te hard.”

„Je zoudt er ziek van worden,” vond Boy en er lag een oprechte zorg in zijn stem.

Toen gingen ze heen, gelukkig met hun beidjes.

Ik ging languit op den divan liggen rooken, dácht niet aan werken.

In den avond, tegen acht uur, kwam Boy oploopen.

„Thee?”

„Graag.—Hier, ik heb lekkere sigaren gekocht—steek eens op.”

„Feestje?” vroeg ik, zoo maar eens.

„Nee—schik in m’n leven,” bekende Boy.

„Zullen we straks naar den Bar gaan?” opperde ik.

„Waarom? Het is hier veel gezelliger.”

„Prettig gefietst met Kitty?”

„Ja—heel prettig;—door de Boschjes. We kwamen den katjang nog tegen en die wou waarachtig méerijden.”

„Hoe ben je ’m kwijt geraakt?” vroeg ik, het geval grappig vindend.

„Kitty is afgestapt—zoogenaamd omdat haar veter losging—en terwijl hij heel gelant dien veter weer aantrok, heb ik met een zakmes zijn achterband lek geprikt.”

„Die is sterk,” schaterde ik.

„Je had dat bezopen gezicht van katjang moeten zien toen hij het na een poosje merkte.—Toen inviteerde hij ons even te wachten—zoo’n rund!—tot hij hem gemaakt had. Maar Kitty beweerde haast te hebben, en toen zijn we maar doorgereden.”

„Het is toch wél bar,” plaagde ik.

„Wát bar?—zoo’n lamme jongen met z’n gele tronie—zoo’n aàp,—dat hoort toch niet bij ons thuis?”

Het was wanhopig:—Boy babbelde gezellig over koetjes en kalfjes, toonde al het belang voor den zeiltocht, waaraan het hem dien middag volslagen ontbroken had,—maar loslaten deed hij niets.—Dat vond ik vervelend, niet uit onbevredigde nieuwsgierigheid,—maar omdat ik het graag tusschen Boy en Kitty beklonken had gezien.

Boy praatte honderd uit,—tot het gesprek luwde, en we beiden, weggedoken in de luie stoelen, nauwelijks elkaar ziende in het doezige licht der schemerlamp, zwijgen bleven.

Het was een heele poos, tot Boy opeens, met iets prettig warms in zijn stem zei:

„Ik wou je wat vertellen. Het zou flauw van me zijn als ik het niet aan m’n besten vriend zei.”

„Als je het vertellen kúnt,”—zei ik, met blij voorgevoel.

„Jawel, aan jou wel.—Je kunt me feliciteeren man,—ik heb vanmiddag met Kitty gesproken en—nou—we houden allebei van elkaar.”

Ik veinsde groote verbazing, maar wenschte hem ongeveinsd geluk.

„Je had niks aan me gemerkt hè?” veronderstelde Boy zegevierend. „Ik had niks laten blijken, maar het was toch al wel vanaf den eersten dag.”

„Neen, je hebt het goed verborgen,” jokte ik.

„En Kitty óok hè—daar heb je óok niets aan kunnen zien,” vervolgde Boy.

„Nee,” beaamde ik, blij dat hij—in het schemerlicht—mijn tot grimassen verwrongen glimlach niet kon onderscheiden.

„’t Zal je gebeuren—daar ben ik me waarachtig verloofd,” bedacht Boy, in malle verbazing over het feit.

Ik barstte los in een schaterlach.

„Ja, ’t ís gek,” constateerde Boy, die geen flauw begrip van mijn lachaanval had.

„En nou ga je hárd werken voor je toekomst,” preekte ik.

„Ja—hoewel dat een beroerde en heel onvereenigbare bijkomende omstandigheid is,” piekerde hij.

„Leve de Mafkolder!” besloot ik.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings