← Table of contents
Malle Gevallen

HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.

Reading edition

Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is:

Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar gelang het uitkomt.

Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig schijnen op te groeien.

Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom, beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk rijk maar jong en wondermooi is”.

Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de laatste kans om het nog ooit te geraken.

Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven, want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout aanraadde.

Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen.

Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit, beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi.

Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem (ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire.

Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer den theepot).

Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding.

Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te zijn gezakt.

We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden „aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren.

’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man, wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert.

Koos begon:

„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.”

„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy.

„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling.

„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy.

„… Groot 5000 gulden,” hervatte Koos.

„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling.

„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos.

„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde.

Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte.

„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had.

„Ik?—ik kijk naar buiten.”

„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen.

„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar.

„En wat zié je dan toch op dat dak?”

„Een vlieg,” openbaarde Boy.

„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede.

„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.”

Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot netjes de deur, zeggend:

„Poppetje gezien, kastje dicht.”

Maar Koos’ hoofd verscheen weer:

„Naar den directeur!” brulde hij.

„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy.

Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer.

De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen.

„Wat komen jullie doen?”

„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war.

„Wàt?” kwam de Dirk.

„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond.

„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op.

„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding affecteerde.

Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in het gezicht sloeg.

Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen.

„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij.

„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik.

Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk” en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf.

Het gesprek vlotte toen niet erg meer.

Na tafel bracht ik Boy naar den trein.

„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net nog even uit wilde, gekneld raakte.

„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy, „tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat dit model u staan zal …”

Toen reed de trein gelukkig weg.

En Bram?… Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het volgende hoofdstuk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings