← Table of contents
Malle Gevallen

DE ZEILTOCHT.

Reading edition

Tegen vijf uur waren we in Enkhuizen beland.

Raar liepen we op den stikwarmen dag, met de overjassen over den arm, de sportpetten op, langs de pietluttige straatjes.—Heel de bevolking gaapte ons aan.

We kwamen aan de haven.

„Waar is nou je jacht?” vroeg Boy.

„Daar,”—wees Bram op de boot, die door zijn groene kiel en witten romp slechts de kleur met een jacht gemeen had, maar overigens door zijn vormen halsstarrig aan een gewonen kotter herinneren bleef, wat hij dan ook geweest was vóor dat Bram er een kajuit in bouwen liet en hem van „De Drie Gebroeders” in de „De Mallemolen” omdoopte.

De havenmeester kwam aan, groette Bram, zeide „genavend heeren” tegen ons en begon toen een technisch gesprek over de aangebrachte herstellingen, waarvan vrijwel elk woord een raadsel voor me bleef.

„Wou je vannácht gaan?” vroeg de havenmeester.

„Ja,” zei Bram.

„Het zal mistig wezen,” kwam de voorspelling.

„Zeg, gaan jullie even wat brood en ham en spuitwater en zoo—halen,”—verzocht Bram afleidend.

We begonnen met in een „café-restaurant” een glas bier te verschalken, en Boy schreef wel vier prentkaarten aan Kitty, alsof hij op een buitenlandsche reis was en in geen maanden terug zou keeren. Daarna bedacht hij wat Kitty’s oudelui daar wel van zeggen zouden en was ik zoo goed en zoo kwaad niet of ik moest óok een prentkaart schrijven aan Kitty en toen een aan Non. Waarop—om het evenwicht te bewaren, Boy óok een aan Non schreef en we vervolgens—om geen afgunsten te verwekken,—er ook nog ieder een aan bleekneus en propneus penden. Een Hollander, die in een vacantiereis in den Harz terecht komt, kan zich niet beter van zijn prentkaartenplicht kwijten dan wij toenmaals.

Dan belaadden we ons dusdanig met bier-, kogel- en spuitwater-flesschen, dat me een gerstendrankhoudende ontglipte en te spetter sloeg, wat aan een Enkhuizer juffrouw het rouwbeklag van „Het is zonde” ontlokte.

We vonden Bram ijverig bezig met het zeildoek van het dek weg te nemen, waardoor de boot met zijn gezellig witte planken en zijn bruinverniste kajuit, met raampjes in koperen biezen, werkelijk voordeelig in onze achting rees.

Boy opende de kajuit, deinsde echter meteen terug.

„Wat heb je?—loop toch door!” spoorde ik aan, daar ik voelde dat weer een flesch op vallen stond.

„Ga jij er in,” verzocht hij.

En zoo trachtte ik, maar zulk een benauwde adem-ontnemende broeistank schoof op me toe, dat ik ook van verdere binnendringing afzag.

„Laat maar luchten,” raadde Bram, en we moesten hem helpen met uit het voorruim de eindeloos groote zeilen op te sjorren. Terwijl ik er de ijzeren ringen van op een stalen kabel reeg, klom Bram in den mast om een verward touw weer op de katrol te leggen. Boy deed niets, behalve ons voortdurend in den weg loopen en telkens, tusschen de trekken aan zijn sigaar, neurieënd van:

„You can always tell when a coon is in love”

waarbij ik tot mezelven de opmerking maakte, dat je daar nu niet beslist een neger voor behoefde te wezen.

Van den wal hadden we veel bekijks; heel de Enkhuizer jeugd stond te staren naar „de heeren van de Mallemolen.”

„Wat doene ze met die boot?” vroeg een bengel.

„Niks,—zoó maar,—vare,” verklaarde er een wijs.

„Gossie, wat hei je daár nou an?” verwonderde zich de bengel, en ik heb die vraag, gedurende den tocht, vaak bij mezelf herhaald, zonder er een bevredigend antwoord op te kunnen vinden.

Boy,—onverstoorbaar, liep over het dek te dazen en den coon-song te herzingen.

„Allemachtig kerel,—je lijkt wel een fonograaf, en een beroerde oók;”— vond Bram.—„Doe nu eens even iets verstandigs. Hier—vul die lampen maar eens.”

„Als je nóg eens wat hebt,”—voorzag Boy een poosje later, toen hij een wanhopigen smeerboel op het dek had gemaakt en Bram hem een zwabber aangaf—„als je nóg eens wat hebt … Alle goden, een aandeelhouder van de Nederlandsche Petroleummaatschappij kan er niet zoo naar stinken als ik het doe.”

Boy’s begrip van zaken was toen nog bijzonder oorspronkelijk.

„Zeg, ruimen jullie de kajuit wat op,” verzocht Bram.

De stankverschrikking was eenigszins bedaard, en we konden ons rekenschap geven van hare oorzaken. Het eerste wat mijn oog trof was een rijtje van drie paar schoenen, die zich onder een dons van groene schimmel verscholen. Boy pakte—aan een pink ze ruim van zich afhoudend—een broek, die in verregaanden staat van ontbinding verkeerde, en vervolgens een jas, die dusdanig was verteerd, dat—volgens Boy—er over een paar weken wel niet veel meer dan de knoopen van waren overgebleven.

Het was een zwijnderij van belang: verroeste messen, gebroken glazen en borden, verwarring van pappig pakkende dekens op de twee britsen, zeekaarten verscheurd en verfomfaaid verspreid over de hevig-vuile vloer,—en tusschen al die veelkleurige, kwalijk riekende voorwerpen lag, eigenwijs, het bandje vettig met petroleum doortrokken:—„Fidessa” van Couperus, wat we hier allerminst verwachtten.

Boy vond nog een groot aarden vaatwerk vol bruine boonen, die allen griezelig-wit krioelende wortels hadden geschoten.

„Zeg Bram, daar is misschien nog wel wat van te maken,” vond Boy, hem de boonenverzameling onder de neus stoppend. Maar Bram met een verwrongen walggrijns haastig terugwijkend, beval:

„Over boord met die smeerlapperij; alles wat niet meer gebruikt kan worden over boord.”

„Als je nu eens zei wat nog wél gebruikt kon worden,”—meende ik—„dan waren we gauwer met opruimen klaar.”

„Hoe komt het hier zoo’n rommel?” vroeg Boy.

„Och—van den vorigen tocht. Toen hebben we zware zee gehad; de kajuit drééf gewoon. Je snapt, zeewater, dat is de pest voor alles.”

„Was de zee toen zoó erg?” waagde ik.

„Bár. De twee lui, die mee waren, lagen voor mirakel, waren te lam dat ze nog bij de pomp konden blijven.”

Ik dacht aan de mist-voorspelling van den havenmeester: het zag er nu niet beslist aanmoedigend uit, en ik vroeg me af in hoeverre Boy en ik vannacht oók kans hadden om voor mirakel te liggen; een mirakel van uit zich zelf gekeerdheid vermoedelijk.

De kajuit kwam in orde, nadat het kalme water van de Enkhuizer haven verscheidene kleedingstukken, schoenen, leege flesschen, verroeste pannen en half vergane onkuischheden uit „Le Rire,” „Simplicissimus,” „Fantasio” en andere, niet voor jonge meisjes geschikte plaatwerken, had verzwolgen.—Het roekeloos verdrinken van kleeding en schoeisel ging den toeschouwers van den wal aan het hart en meer dan eens klonk een meewarig „Het is zonde”—wat in Enkhuizen tot de staande uitdrukkingen schijnt te behooren.

Het zag er binnen nu werkelijk netjes uit. De bedden waren tot rustbanken opgemaakt, de schoonste dekens bóvenop, want het oog wil ook wat. Een met rasterwerk omkringelde lamp hing aan de zoldering; op een tafel waren onze eetwaren uitgestald, op de rekken daarboven het eetgerij. In een hoek stond een tonnetje, wat door de waljeugd tegen een centenuitdeeling met zoet water was gevuld. Ook hadden we een potje boter bemachtigd. Links van den ingang, op een breede plank, lagen de „instrumenten” en was de „kaartenafdeeling”.

De instrumenten bestonden uit een schietlood, een thermometer, over welks doel Bram zich veilig maar niet uitliet, een wekker, bijwijze van scheepsklok voor het oorlam, dat Bram ons op ongeregelde tijden veelvuldig beloofde uit te deelen,—een toeter waaruit Boy, zich oefenend, darmverdraaiende jammerklachten joeg,—en ten slotte een kompas, dat ik dadelijk den weg van de schoenen, de onzedelijke platen en de beschimmelde kleeren had laten volgen, indien ik vermoed had welke stiekeme parten het schijnheilige ding me spelen zou. Voorts stond er een dievenlantaarn, die het kompas zou belichten en waarbij men de kaarten kon raadplegen.

In mijn onnoozelheid keek ik deze hydrographische spullen niet verder in, in den waan verkeerend, dat een scheepskaart wel niet meer moeilijkheden zou baren dan een landkaart.

Na al die bezigheden sloot Bram de kajuit en gingen we aan wal, waar opeens een raar gekleede kerel me aansprak:

„Je suis russe”, verklaarde hij.

„Je suis hollandais,” antwoordde ik logisch.

„Je suis peintre,” vervolgde de rare kerel, die een pilopak droeg en een grooten sombrero op zijn bol gedeukt.

„Kijk—die halleve gare mot óok mee,” veronderstelde een kwajongen.

Ik kon moeilijk den „halleve gare” antwoorden, dat ik géen schilder was en bewaarde dus een afwachtend stilzwijgen.

„Serait-il possible de vous accompagner?” vroeg de kwastenwellusteling weer.

„Le capitaine—c’est lui,” verwees ik naar Bram, die me verwenschte en hardop zei:

„’k Wil den vent niet meehebben.”

„Laat hem de tafels in de kajuit opverven, die hebben een beurtje noodig”, kwam Boy bemiddelend.

„Je regrette, il n’y a pas de place”, zei Bram met een gezicht van een kapitein wiens monsterrol volteekend is. De Rus mompelde een „pardon” en bleef op den wal achter.

„Zoo—nu hebben we dus óok al een walrus gezien”, merkte Boy zouteloos op.

In het „café-restaurant” aten we leerachtige kalfslapjes en kiezelharde doperwtjes; de omelette, die volgde, smaakte naar petroleum, wat den kapitein zich deed herinneren dat hij er koopen moest, omdat Boy minstens een liter vermorst had. Daarop werd Bram door de prentkaartendolheid bezeten, waaronder vooral Toos lijden moest. Als de meisjesleden van den Mafkolder nu nog niet wisten hoe Enkhuizen er uitzag, was het niet onze schuld.

Beladen met een flesch cognac en een dito petroleum, met krentenbrooden en lampenglazen—de bijeenvoeging wás zonderling!—kwamen we aan boord terug. Het was half acht en het begon te schemeren.

Nu werd het méenens.

„Kun je sturen?” vroeg Bram.

„Dat zal wel gaan,” meende ik blufferig.

„Smijt de touwen los,” beval de kapitein aan Boy—„en help me het zeil hijschen.”

Dit bolde flauwtjes op.

„Er is geen wind,” wanhoopte Boy.

„Hou je bek!” kwam Bram ongemakkelijk. „Bakboord!” was het tegen mij.

„Je bedoelt rechts?” waagde ik, zonder eenig benul van scheepstermen.

„Nee links—boerenheiplag—ja zóo!” schold Bram me uit.

„Als je mij maar zegt waar ’k heen moet,” verzocht ik schuchter.

„De háven uit.”

„Jawel—dat snap ik, maar waár?”

„Tusschen dat groene en dat roode licht door!” helderde Bram op.

Bukkend, keek ik onder het opbollende zeil door: kwam tot de ontdekking, dat de geheele haven van roode en groene lichten wémelde.—Ik stuurde luk-raak op twee af, en Bram kreeg haast een beroerte.

„Nee—uilskuiken, kaffer!—daar—daár!” wees hij wild gebarend met het hoofd, waar hij met volle macht den fok aan het optrekken was.

Ik bespeurde de twee lichten en hoewel ik heelemaal niet begreep hoe Bram wist, dat het juist deze beide waren en niet een paar van de overige dozijnen, stuurde ik er dapper op af.

Ditmaal lukte het. Ik had den meevaller dat noch bakboord noch stuurboord tegen de pieren aanbonkten, en langzaam gleed de Mallemolen de Zuiderzee in.

Boy had een mallootigen schik in het lampen-opheischen, een roode en een groene, halfweg het want.

„Mag ik nu eens toeteren?” vroeg hij dan.

„Dat laát je!” gebood de kapitein, die mij tot eersten stuurman en Boy, wiens volmaakte gebrek aan zeevaartkunde voldoende gebleken was, tot steward had benoemd.

„Krijgen we dan een oorlam?” zanikte Boy weer, die een kinderachtig plezier in het tochtje kreeg.

„Houd nu toch éven je gemak,” verzocht Bram, die in de scheepskaarten scharrelde, waarvan hij er tenslotte een, in het schijnsel van de dievenlantaarn, ontvouwde.

„Kijk—zoó moeten we varen,” legde hij uit.

„Ik snap er geen snars van,” bekende ik eerlijk.

„Och—hier heb je Enkhuizen, en hier heb je Marken,”—terwijl hij blauwe plekken aanwees.

Nu was ik gewend dat op een kaart water blauw was. Als men blauw ziet is dat water. Dat is vast. Maar hier was het juist anders om: blauw was land en wit was water. Wat een weersprakigen geest moet de man hebben gehad die deze kleuraanduiding verzon!

„Zie je—dan moeten we op dát licht eerst aanhouden,”—legde Bram verder uit, op een gemoedelijken, zéer ondisciplinairen toon tegen zijn minderen.

Ik gluurde weer onder het zeil door, bespeurde véle lichten, die allen op elkander geleken; temidden daarvan glom de sigaar van Boy, die op den boeg languit neerlag.

„Ja—kijk nu maar niet, dat licht zien we later wel;”—moedigde Bram aan en vervolgde zijn aanwijzingen met: „En op zee wijk je links uit en haal je rechts in.”

Al die tegenspraken werden me wat machtig; eerst blauw land en wit water,—nu dit weer.

„En als er mist komt blaás je op den toeter.”

„Dan wek je mij maar,” mengde de steward zich vanaf den boeg in het gesprek.

„Ja, maar moet ik hier nu al maar aan het roer blijven staan?”—vroeg ik, onder den druk van mijn verantwoordelijkheid.

„Ik kom je aflossen,”—beloofde Bram, en dan—om me te paaien: „Je stuurt heel goed, ik kan het veilig aan je overlaten.”

„Zeg—is die conferentie nu afgeloopen en krijgen we dat oorlam?” kwam de steward.

Zittend in den kuil, achter de gezellig verlichte kajuit, rookten we, dronken den lang verbeiden cognac.

Achter ons, met vele geheimzinnige lichtjes, lag Enkhuizen. De lijnen van de daken en van den wijzen stompen toren, staken scherp af tegen den nog éven glorenden avondhemel. Op de zee overal ook de sprookjesachtige lichtjes. Dan kwam de maan op, groote rossige schijf in zwavelgele dampen.

„Het zal wel mistig wezen vannacht,” peinsde Bram. Maar het deerde me niet meer: ik voelde me zóo thuis aan boord, dat het leek of ik nooit anders gedaan had. Ik wist nu dat blauw land was en wit water; ik wist wat stuurboord en bakboord beteekenden; ik wist links te passeeren, te toeteren met mist. Kortom—er was niets te vreezen, ik was vertrouwd met varen. Wat drommel, zijn wij Hollanders geen gebóren zeevolk?

We rookten—Boy neuriede weer van:

„You can always tell when a coon is in love”

en lokte geen tegenspraak meer uit.

„Nou,”—zei de kapitein opeens—„ik ga naar kooi. Hou nu maar Z.Z.W. daar op dat licht aan en hou je kluisgaten open.”

Ik verwonderde me hoe een mensch altoos zijn spreekwijze naar zijn omgeving schikt, loerend naar het aangewezen licht, waar ik me voornam recht op aán te sturen.

Bram knoopte zijn vest los, legde den boord af, wees me waar de zuidwester en de oliejas hingen, zei nog „Z.Z.W. hè?”—en mafte dan meteen in.

Er kwam een stevige bries opzetten en op een korte deining begon de Mallemolen hevig stampend te keer te gaan, mij bij elke neerbonzing een heftigen opstopper van de roerpen in mijn lendenen bezorgend.

Boy, die al niet meer zong van hoe je altoos vertellen kon wanneer een neger verliefd was, ging oók naar kooi. Ik had nog geen flauw vermoeden, dat hij aan zeeziekte leed. Toen hij naar Canada was overgestoken, kreeg ik een reclamebriefkaart der maatschappij met een daglijst van den overtocht; bij „Saturday 15th:—Strong head gale. Dangerous sea. Squalls.”—had hij aangeteekend: „Dien dag zag ik mijne diners tweemaal.” Toen echter vermoedde ik niet ook nog eens de lederachtige lapjes en de kiezelerwtjes weer te zullen zien.

Daar stond ik heel alleen. Het werd koud, maar ik kon het roer niet loslaten om mijn overjas aan te trekken. Strak stond ik te turen op het licht in de verte en schrok hevig toen een groote tweemaster met volle zeilen, als een vliegende hollander, rakelings achter me dwars door ons zog stoof. Ik was nog heelemaal van stuur (hoewel ik er aan stond) door die spookverschijning en nam me juist voor nu in het vervolg toch ook eens rechts en links van me te kijken, toen het licht, waarop ik pal aanhield, opeens schrikbarend helder werd en ik er onder de donkere vormen van een stoomboot ontdekte. Haastig week ik links uit voor het ongedierte. Het zeil flapperde even onbeslist heen en weer, en vanaf de stoomboot schreeuwde men mij iets toe waarin ik een onaangename bedoeling vermoedde. Maar het zeil hernam zijn stand en het ontging me, dat bij het uitwijken het compas goedmoedig op Z.Z.W. was blijven staan. Thans had ik ruimschoots de keuze tusschen vele lichten waarop ik ter afwisseling eens aanhouden kon, maar ik vertrouwde het geval niet bijster meer en bleef strak het compas beturen.

De wind was nu wat gaan liggen en om de maan, die links achter me stond (men vergeve mij deze zonderlinge lengte- en breedte-bepaling), sluierde zich een dichte damp.

Het werd vinnig, vochtig koud. Ik zette de cognacflesch aan den mond en nam een slok; niet eens zoo’n heel erg grooten.

Dan bleef ik maar weer turen, legde de roerpen in mijn rechterzijde, toen ik mijn linker blauw gebonsd vermoedde, en vloekte op de korte Zuiderzee-deining.

Hoe lang het duurde weét ik niet, maar een feit van belang was, dat ik opeens de gesluierde maan recht voor den boeg ontwaarde.—Het kompas stond nog almaar op Z.Z.W. Zou de maan vannacht zoo’n haast gehad hebben? Doch eer ik me rekenschap kon geven van het alleszins onverklaarbare natuurverschijnsel, kwam met veel flapperlawaai het groote zeil over.

Net had ik het begrip me niet van de wijs te laten brengen door den hevigen mep, dien de schoot mij tegen de ribben toebracht en me er stevig aan vast te klampen,—en toen hing ik met zeil en al buiten boord. Onder me klotste gezellig het water, waar ik liefst uit bleef. De boot, die onbeheerd dwars voor den wind te liggen kwam, begon hevig te keer te gaan.

Op dit oogenblik kwam Boy uit de kajuit, boog—op niets lettend—het hoofd buiten boord en gaf het eerste lapje aan de visschen te proeven. Dat was zijn geluk, want het zeil ging ten tweede male over en met een hevigen smak stoof ik mee naar den anderen kant, rakelings over Boy heenzwierend.

„Boy!” riep ik.

Hij zag op van zijn bezigheid, keek naar het onbeheerde stuur, liet zijn verwilderde oogen dwalen over het dek.

„Boy!” schreeuwde ik weer, zwevend tusschen hemel en zee.

En hij zocht, met een verdwaasd gezicht, in den mast. Meteen begon de boot weer hevig te stampen, draaide opnieuw om en ik zwierde ten derden male, met een nijdigen floep van het zeil, in verbijsterende snelheid over Boy heen, die—opnieuw katterig geworden door de tureluursche keeringen en stampingen van de Mallemolen,—juist op tijd het hoofd genegen had en der visschen liefdadigheid pleegde; ditmaal vermoedelijk met de erwtjes.

Mijn armen waren lam, mijn angstig opgetrokken beenen verstijfd.

Zoo had het geval zich met rythmischen regelmaat tot in het oneindige kunnen herhalen, gegeven de blijkbare onuitputtelijkheid van Boy’s maag,—indien de kapitein niet door al de onwijze tolbewegingen van zijn jacht gewekt geworden en naar buiten gekomen was.

„Bram!” schreeuwde ik.

Ook hij zocht me met een verbluft gezicht in den mast.

„Bram!” brulde ik weer, meteen met het zeil weer over hem heenvliegend, terwijl hij, angstig wegduikend, het gevaar van een schedelbreuk vermeed.

„Verrek,” zei Bram me ontwarend. De krankzinnigste verbazing klonk in zijn stem. „Verrek—wat doe jij daar?”

„Laat me er uit!” jammerde ik, alsof het Bram was, die me er in gehangen had.

Nu keek ook Boy op en liet zijn visschen in den steek, wier bedeeling, menschelijkerwijs gesproken, nu ook wel eens eindelijk uit mocht wezen.

„Pas op Boy—wég je kop!” loeide Bram, want ik kwam voor de zooveelste maal over. Ik was op dat oogenblik den tel van mijn vliegtochtjes kwijt, maar bekende mezelven, dat ik er schoon genoeg van kreeg.

„Dat is met recht een mallemolen,” vond Boy, wien nooit zijn geest verliet. „Doe je nóg een toertje of schei je er mee uit?” sarde hij uit leedvermaak, dat niet hij alleen er slecht aan toe was.

Maar Bram had de roerpen gegrepen en, zachtjes ditmaal, kwam het zeil over, kon ik me in den kuil laten ploffen.

„Maar pot ver hier en ginter,—hoe kwám je daar?” vroeg Bram, het stuur krampachtig in de richting houdend, terwijl Boy weer, ná zijn plagerijen, door inwendige beroering werd bezig gehouden.

Ik legde het geval uit van de maan die boven den boeg verschenen was, terwijl het kompas Z.Z.W. wees.

„Ja, maar je moét ook niet alleen op het kompas varen, maar op de lichten,—je hebt toch immers de kaart?”—wees de kapitein terecht.

„Laat naar je kijken—jouw licht was waarachtig een stoomboot!”—Bram lette niet op deze insubordinatie.—„En hoe verklaar jij dat kompas dan!” hield ik vol.

„Dat kan verroest wezen, daar moet je zoo nu en dan eens tegen tikken,” verklaarde Bram.

„Had dat een beetje eerder gezegd, eendvogel!” nijdigde ik met een in de omgeving passend scheldwoord. Bram nam het kompas, draaide het een halven slag om. Het zwoor schijnheilig bij Z.Z.W. Toen gaf de kapitein er een nijdigen mep tegen en langzaam, sarrend eigenwijs, draaide de roos in den goeden stand.

„Zie je wel?” zegevierde Bram.

„Wij zijn al een eind opgeschoten hé?” informeerde hij nog.

„Ja,”—zei ik maar, zonder eenig benul van koers of snelheid, waar de draaiende plaatst-rust en het heen-en-weer gevlieg mijn orientatievermogen begrijpelijkerwijze eenigszins in de war hadden gebracht.

We hadden evengoed voor Staveren als voor Amsterdam kunnen liggen; ik zou er geen begrip van gehad hebben!

Bibberend van de kou trok ik mijn winterjas aan, dronk een scheut cognac. Bram kwam op het spitsvondige denkbeeld het kompas op een losse plank te zetten.

„Als je nu en dan op die plank trapt, zal de naald wel los blijven.”

„Wat doe je ook met zulke rotte instrumenten!” mopperde ik, zonder het malle van het op gang getrapte kompas in te zien.

„Nou maf ze,” kwam Bram.

„Ja—maar zeg—ik begin ook naar kooi te verlangen,” kwam ik opstandig.

„Ik kom je zoometeen aflossen,” beloofde Bram en kroop weer in bed.—Boy—wat opgelucht—en minder in de war, nu de boot weer voor den wind liep, kroop naast hem.

Ik bleef aan het roer, vinnig trappend op de losse plank en me verdiepend in de thans zich telkens openbarende bewegingen van de roos. Den koers hield ik tusschen Z.Z.W. en Z.W.

Het werd drie uur, half vier, vier uur,—en ik verwonderde me over Brams opvatting van het toch overigens duidelijke begrip van „zoometeen.” Want aan aflossen dácht hij blijkbaar niet. Toen—tot mijn schrik—merkte ik, dat onze lichten waren uitgegaan. Het was nu wel bar belangrijk, zoo’n vaart met uitgedoofde lampen, maar ik voelde weinig voor zulke kapersmanieren, waar de mist al dichter werd en van de maan ook niets meer te bespeuren was. Tot tweemaal toe zag ik opeens lichten opdoemen, stoof een stoomboot ons rakelings voorbij.—Het werd dwaasheid.

„Boy!” riep ik de kajuit in. Maar Boy ronkte zwaar, na zijn uitbundige weldadigheid den visschen gebracht.

„Boy!” brulde ik. Nóg geen antwoord. Toen, omdat ik niets anders onder mijn bereik had, trok ik een schoen uit en slingerde hem midden in Boy’s maagstreek.

„Au—verdomme!” jankte hij.

„Kom er uit!” beval ik.

„Waai om!” verwenschte de steward.

„Kom er uit—gauw dan!” haastte ik, want juist kwamen er weer lichtjes uit den nevel.

„Wat héb je toch?” vroeg Boy,—„zit je nu soms in de gaffel?”

„De lichten zijn uit!” jammerde ik.

„Nou—wat kan mij dat schelen?” redeneerde hij.

„Er is mist,—ik zie geen klap,—je moet blázen!”

Dat laatste werkte als een wonder. Boy stond op, nam den toeter.

„Nee kaffer—eérst de lichten op!”

Boy kroop op het dek.

„Allemachtig wat een damp.”

Dan liet hij de lampen neer, kwam er mee in de kajuit.

„Er zit geen petroleum meer in,”—verklaarde hij.

„Vul ze bij—dat kan je toch zoo goed,” moedigde ik aan.

„Maak geen smeerboel,” gromde de kapitein, die zich wakker verried, maar in zijn slaaplust zich blijkbaar noch van den mist, noch van de gedoofde lichten iets aantrok en aan de beloofde aflossing niet dacht.

Boy vulde de lampen, stak ze aan, ging er mee op het dek.

„Nee, de roode aan bakboord!” riep ik.

„Nou, dat doe ik toch?” meende Boy.

„Nee, andersom!”

„Ben jij betoeterd, dan loopt de olie er immers uit?” redeneerde hij als een nuchter kalf.

„Niet onderstebóven, andersóm,—de groene moet daár!” wees ik.

Eindelijk hingen de lampen.

„Ga nou maar blazen,” kwam ik goedmoedig.

„Ik zoú je blazen.—Jasses wat een weeë stank toch, die petroleum.”

„Ga nou niet weér spugen alsjeblieft,” smeekte ik; maar Boy hing al over boord.

„Het was die omelette,—die … die smaakte óok zoo naar petroleum” verklaarde hij een oogenblik later.

„Ben je nu leég?”

„Ik hoop het,—als tenminste de kaas en het dessert zich goedhouden.” Dan kwam hij bedeesd; „Zeg vertel het maar niet aan Kitty, dat ik zoo beroerd ben geweest; het is zoo kinderachtig.”

„Kom kom, daar zou ik maar niet over tobben.”

„Vertel het nu maar niet.”

„Best.—Geef me nu even m’n schoen aan,” verzocht ik.

Met een sullig gezicht reikte Boy me het schoeisel:

„Waarom heb je ’m net in m’n maag gegooid?”—verweet hij. „Had ’m naar m’n kop gesmeten of ergens anders, maar niet juist op zoo’n gevoelige plek.”

„Voel je je erg lam?”

„Als een zatte aap,” verklaarde Boy.

„Ga naar bed.”

„Nee, ik blijf liever an dek—het is daarbinnen zoo’n muffe stank.”

„Het zal nu wel beter worden, we stampen veel minder dan zooeven,” troostte ik.

„Ik ga bij den mast zitten, daar schommel je het minst.”

„Als je licht vooruit ziet, waarschuw dan.”

Boy beloofde het, hurkte, in de jas gedoken, bij den mast neer.

We waren blijkbaar in druk vaarwater; telkens doemden lichten op, gleed een lange aak, of een kotter ons voorbij. Soms toeterde ik, een langgerekte jammerklacht, als van een hond die huilt.

„Maak toch zoo’n herrie niet!” bromde Bram vanaf het bed.

„Hou jij je bek;—kom me liever aflossen?” kwam ik boos. De muiterij op de Mallemolen was op haar hoogtepunt.

„Ik ga toch maar naar bed,” en Boy scharrelde van het dek in den kuil, schopte een paar papieren voor zich uit: „Wat is dat?”

„Scheepskaarten—leg ze maar binnen op de tafel,” raadde ik vol verachting voor de nuttelooze dingen.

Het kon me niet schelen wat er van kwam, maar de scheepskaart zou ik niet meer inkijken. Trouwens áls ik een licht zag, zat er tóch altoos een boot aan vast.

Regelmatig trappend op de plank, kleumerig, vloekend op Bram die maar maffen bleef, stond ik me in den mist te verdoen. Luk raak had ik nu maar eens Z.W. ten W. aangehouden.

Eindelijk siepelde er een schemer door het dampgordijn.—Het werd dag.—Langzaam, heel langzaam trok de mist op, zag ik ruimer om me heen. Tenslotte—het scheen een droombeeld—doemden uit de nevels, recht voor me uit, vormen op. Het leek een stad. Rara welke! Ik tuurde met de spanning van een Columbus, toen deze op het punt stond Amerika aan de Christenen over te leveren.—Het leek een gróote stad. En dan opeens herkende ik ze:—het was Amsterdam.

Hoe ik het hem geleverd had begreep ik zelf niet; trouwens het kon me ook niet veel schelen. Het feit was, dat we voor Amsterdam lagen. En ik nam den toeter, in mijn zegepraal bereid tot groote middelen, boog voorover in de kajuit en blèrde darmverwarrend.

„Godverdomme schei toch úit!” stoof Bram op, lijdend aan de kribbighedens der ochtendziekte.

„Amsterdam!” jubelde ik.

„Je bent betoeterd.”

„Nee dat ben jij in dit geval,” gaf ik terug.

„Amsterdám?” bleef hij ongeloovig.

„Gekheid!” beweerdde ik, met bouwkundige kennis van de fundeering der Amstelstad.

„Dan moeten we geschut worden,” verklaarde de kapitein.

„Alweer?—Ik vind dat we nu al genoeg geschud zijn,” vond Boy katterig.

„In de schutsluizen,” helderde Bram op.

„Och man, stik met je schildluizen,” verstond de steward verkeerd.

Bram nam het roer over. Ik ging languit op het dek in de lauwe ochtendzon liggen, kauwde een krentenbroodje, wreef mijn kuit, die lam was van het kompastrappen, en mijn lendenen, blauw gestompt door het stuur. Er ontstond een hevige redetwist tusschen den kapitein en mij over den koers, die lukraak gehouden was. Bram beweerde, dat ik buiten langs Marken had gevaren, ik hield vol—zonder een zweem van bewijs te kunnen aanvoeren—dat we binnendoor waren gekomen. Het zal wel altoos een duister geheim blijven.

We werden geschut. Boy merkte er niets van in zijn ingewanden en ronkte als een zaagmolen. Ik ging naast hem liggen, kon me levendig voorstellen hoe het Y en het Noordzeekanaal er uitzagen, en sliep dus weldra ook in.

Het was tien uur toen Boy me wakker maakte.

„Hé—papaverbol,—sta je nou eens op?—Je maft waarachtig als een oud wijf!”

In het kalme water had hij opeens een praats van belang gekregen en zong weer druk het sinds lang onderbroken lied van den verliefden neger.

Op het petroleumstel, welks stank hem niet wee meer maakte, kookte de steward eieren en theewater. Het werd een gezellig ontbijt en ik verkneukelde me in het gezicht van Bram, die zich aan het stuur stond te vervelen, waar het kanaal niets opwindends of avontuurlijks bood.

Alleen de Hembrug, die vriendelijk dicht ging toen we aankwamen, bezorgde moeilijkheden.

„Laten we het probeeren,” vond de kapitein en liet mij het stuur over om zoogenaamd de zeilen te kunnen reven als er iets haperde, maar in waarheid om zich voorop te bevinden als de mast neerkwam.

Ik stond aan het roer, klaar om in het water te springen. Het groote oogenblik kwam.

„We halen het niet,” wanhoopte Boy, veilig op den boeg.

Er schuurde iets;—een griezelig gekras en gekraak, toen knapte de wimpelspits af en plofte op het dek. De Mallemolen kon onder de brug door.

Het overige van den dag was vervelend. De zon weerkaatste hinderlijk op het water, deed onze gezichten kalkoenrood verbranden. We aten veel, dronken meer en maften het meest. Bram, aan het stuur, kon zijn genoegen op.

„Gossie, wat heb je daár nou an?” had de Enkhuizer bengel zich verbaasd. In den nacht, alleen in den mist, had ik er over gepiekerd, nu sprak ik het uit:

„Toch geen bár opwindende sport.”

„Ik amuseer me best,” beweerde Bram.

„Ik heb een reuzenschik gehad,” verklaarde Boy.

„Kwestie van appreciatie,” meende ik, stom verwonderd over zoóveel huichelarij, en ging maar niet verder op het geval in.

In Haarlem echter hadden we er allemaal dusdanig genoeg van, dat we besloten de Mallemolen er maar bij een werf achter te laten.

„Hè,”—zei Kitty den volgenden morgen, „waarom hebben jullie het jacht maar niet tot Den Haag gebracht, dan hadden we óok eens mee kunnen gaan.”

Boy wenkte en gaf teekens, maar katjang, dien morgen bijzonder uitgeslapen, vroeg:

„Dus jullie jacht ligt nu niet meer hier?”

„Nee,” gaf Bram maar toe.

„En waar wonen jullie nu?” kwam de katjang weer, die er nú dan toch wel achter zou komen.

„In een woonwagen,” verklaarde Boy.

„In een woónwagen?” verbaasde zich Piet, terwijl Kitty lachstuipjes kreeg.

„Ja,”—legde Boy uit, „een mooie woonwagen, groen, met roode wielen. We trekken ’m om de beurt, want paarden of ezels, dat geeft zoo’n last.”

„Is het niet moeilijk om je in zoo’n ding te arrangeeren?” ging katjang er op in.

„Welnee; een slaapt er telkens en twee trekken; en we eten uit blikjes, en Zondags eten we rijsttafel met katjeng goreng en sambal.”—sloeg Boy er zijn redeloozen onzin uit.

„Lekkerr jà—sámbal?” kwam de katjang.

„Haast even lekker als snert met verkensoreilles,” vond Boy.

Toen snapte katjang, een beetje laat, dat hij in het ootje genomen werd.

„Jullie verlakken me.”

„Dat is niet onwaarschijnlijk,” kwam Boy kalm, terwijl Kitty, in eén gierbui, hem hartelijk in den arm kneep, smeekend:

„Boy—o Boy!—ik lach me doód!”

Piet zág dat, begreep mooglijk hun verhouding, en zei berustend:

„Enfin—ik trek me er weinig van an.”

„Och man, voor mijn part trek je niks an,”—besliste Boy.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings