DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.
Reading edition
Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche strand, ieder in een badstoel.
„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy.
Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw, mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook heel vreemd vond, vroeg Boy:
„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een lantaarnpaal en een kanarievogel?”
„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam.
„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die is óók van ijzer.”
Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen:
„de po—de po—waar is de po gebleven?
de po—de po—waar heb je ’m nou gezet?
de po—de po—’k moet overgeven?
de po—de p—ááh—álles in m’n bed?”
en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe:
„Ben je niet lekker?”
„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren meer kan leggen.”
Toen liet ik hem maar liggen.
We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven” verdietschte.
Maar dat komt nu.
„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?”
Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in het kruis van mijn broek zat en zei toen:
„Laten we een eind oploopen.”
Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende verzen van:
„Ik geloof waarempel datte
er is iemand aan de vensterlatte,
alleen maar datte en niks nie meer.”
En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant:
„Ik ben geboren in Apeldoorn
en m’n zuster in Zierikzee”
toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien vervolgens weer af te nemen en te zeggen:
Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát. Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn platgekraakt hoofddeksel aan.
„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.”
„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet „ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van kennismaking—een reden om aan te pakken.
Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn.
„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer.
„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens voorliefde voor thee tóen reeds bleek.
„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen.
In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk op Bram afstoof.
„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.”
Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête lachend:
„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?”
Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen komen zitten.
Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom we werden even kwajongensachtig als de anderen.
Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A. K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap.
Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was. Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels, nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde: „na u, m’nheer.”
Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.”
Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer indommelde.
Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den voet en schreeuwde meteen:
„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.”
„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met pijn-vertrokken gezicht op.
„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de werkelijk groote beenuiteinden beschouwend:
„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.”
Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten stond, snauwde:
„U kunt hier niet rooken!”
„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?”
„Ja maar—het is geen gewoonte …”
„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in heb.”
„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok op het plaatje „Verboden te rooken.”
„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk.
„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.”
„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.”
Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden zou brengen.
„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.”
Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen:
„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.”
„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij.
„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg.
„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?”
„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en … nou, het had dezelfde kleur als het onze.”
Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig vroeg: „Zijn we er al?”
„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken zat.