← Table of contents
Malle Gevallen

HET DUEL.

Reading edition

Den daarop volgenden dag lag ik nog, onbewust van alle narigheden der wereld, in Loekie’s armen, toen Boy klopte.

„Wat is er?” gaapte ik.

„Kom beneden.”

„Wat is er dan?” en ik ontdeed me voorzichtig van de omhelzing, dekte het slapende kind tot aan haar grappig neusje toe en liet Boy binnen. Hij keek even naar Loekie, fluisterde verteederd:

„Allemachtig wat is ze zóo lief.”

„Ja maar, wat is er nu?”

„De getuigen van katjang,” ginnegapte Boy, en ik nam een handdoek, die sterk naar Loekies parfum rook, voor den mond om het niet uit te schateren.

„Verdomd, de getuigen,—óok van die apenootvreters,” bevestigde hij.

„Wacht—ik kóm,” en ik scharrelde mijn pyama op.

„Ja, maar je moet getuigen wezen met Bram.”

„Best,” vond ik, en zoende Loekie, die slaapdronken mijn naam lispelde en dan maar weer doormafte. Beneden werd ik aan de katjangs voorgesteld. Ze droegen gekleede jassen die vloekten bij mijn pyama. Bram zat er ook, zijn lachkramp-verwrongen gezicht verstopt achter een krant.

„Ook goeien morgen,” wenschte ik, waarop Bram, onbenullig:

„Ja—heel goed,” antwoordde.

„We komen als getuigen,” verklaarde een der bezoekers.

„Och kom?”

„Ja, u begrijpt,—de beleediging van gisteren …”

„Haha!” schaterde Bram van achter zijn krant; en dan, om zich te verontschuldigen: „Ik lees daar zoo’n malle advertentie.”

„Als u even die krant zou willen wegleggen?” verzocht katjang-twee.

„Nee—’k hoor wel, ’k hoor wel,” grinnekte Bram.

„Dan wilden we wel even met u de condities van de ontmoeting vaststellen. Den beleedigde—want m’nheer Piet is in deze de beleedigde …”

„Dat zit nog,” merkte Boy op, die tegen alle regels van den côde chevaleresque aan de getuigenvereeniging deelnam.

„Láat maar zitten,” wenkte ik af, vreezend voor Bram, die met een hoogrood congestiehoofd op springen zat.

„Den beleedigde is dus de keuze van het wapen overgelaten,” vervolgde weer de eerste getuige.

„Hij wenscht de sabel,” vulde de andere aan.

„Dat hoorde ik gisteren,” onderbrak Boy weer, en ditmaal knalde Brams lach achter de krant los.

„Zeker wéer een malle advertentie?” ried ik.

„Ja—die krant is oer-grappig,” beweerde Boy.

„Om je dóod te lachen,” gierde Bram.

„We spreken nu over het duel;—als u over de krant begint kunnen we wel uitscheiden,” merkte katjang-een geraakt op.

„Zullen we dát dan maar doen?” vroeg Bram, die het niet meer uithouden kon.

„Wát?” vroeg getuige-twee.

„Uitscheiden,” stamelde Bram.

„Nee—dóorgaan,” vond ik.

„Ja ’t is veel te grappig,” meende Boy lichtvaardig.

„Dus de sabel,” hernam Piets eerste getuige.

„Nee—géen sabel,” kwam Bram.

„Nee, dat is te gevaarlijk, daar krijg je ongelukken mee,” gaf ik toe.

„Je steekt er iemand een oog mee uit éer je het weet,” voorspelde Bram, die blijkbaar niet wist dat je met een sabel niet sták.

„Of je hakt iemand een gat in den kop,” vervolgde ik.

„Of je snijdt je er mee in den rug,” vulde Bram aan.

„Nee—géén sabel,” hield ik gemoedelijk vol.

„Dat vonden wij ook,” beweerden de katjangs.

„Schíeten,” stelde ik voor, denkend aan Boys kattendooderij.

„Dat is weer gevaarlijker voor de getúigen,” angstigde Bram.

„Die kunnen zich verdekt opstellen,” opperde ik.

„Ja, maar dan niet op een weiland,—als je een koe raakt kun je ’m betalen,” voorzag Bram.

„We dachten—aan het strand,” kwam Piets eerste getuige.

„’s Morgens vroeg, aan de overzij van het ververschingskanaal,” kwam de tweede.

„Op de pistool,” bevestigde Bram.

„Waar krijgen we die vandaan?” vroeg ik, en dat vraagstuk gaf even een stilte.

„Die kóóp je,” meende een der getuigen.

„Ben je mal?” kwam Boy ongepast, „nog een hoop geld uitgeven voor zoo’n malleboel?”

„Revolver,” stelde Bram voor, „kaliber vrij.”

„Best,” vonden de katjangs.

„Op twintig pas,” mengde Boy zich weer in het gesprek.

„Dat is gevaarlijk,” vonden de bezoekers.

„Anders is er geen aardigheid aan,” beweerde Bram, die het niet te dóen hoefde, met de veeleischendheid van een toeschouwer.

„Tegelijk schieten?” vroeg ik.

„De beleedigde eerst, dachten we,” stelden de katjangs hun voorwaarde.

„Dat zijn geen gelijke kansen,” verontwaardigde zich Bram.

„Hij schiet tóch mis,” voorzag Boy.

„Dus Piet eerst, dán Boy,” herstelde ik.

„Ja maar—hoor eens—éen ding:” kwam Bram, „mikken en niet in ’t wildeweg schieten, want dan krijg je beslist ongelukken.”

„Ik zàl mikken!” beloofde Boy onheilspellend.

„En wanneér dus?” vroeg Bram.

„Morgenvroeg, bij zonsopgang,” bepaalde getuige-twee.

„Dat is?”

„Half zeven.”

„Godverderrie—ik kom nooit uit m’n bed,” wanhoopte Boy.

We stelden in duplo de voorwaarden vast, onderteekenden alle vier.

„Welken dokter nemen we?” vroeg Boy.

„Och dat is niet noodig,” meende ik.

„Dat zou ik zoo hard niet zeggen,” matigde hij.

„Best—ik scharrel een clubgenoot, een medisch candidaat, in Leiden op,” beloofde Bram.

We namen afscheid. Getuige-één troonde me terzijde:

„Is uw vriend een goed schutter?”

„En òf!” en ik vertelde de katervelling.

Piets getuige werd stil.

„Een vèrdragende revolver?” vroeg hij nog.

„Middelkaliber Browning, op honderd meter nog zuiver,” joeg ik hem met leedvermaak den doodsschrik op het lijf.

„We hadden gedacht dat uw vriend de beleediging zou intrekken,” verklapte de ander.

„Welnee ’t is veel te leuk; ’t is weer eens een verzetje,” vond ik.

En toen gingen ze heen, vergetend te groeten.

„Hoor nu eens even,” zei Boy ernstig—„nou geén grappen met ongeladen patronen of met papierproppen of meel of wát dan ook. Ik wil er niet voor gèk staan. Als ik zoo vroeg uit m’n bed kom wil ik er ook wát van hebben, en als ik den vlerk in een vlerk kan raken, dan doé ik het. Dus geen grappen hè?”

We beloofden.

„Dank je,” zei Boy.

En ik ging met een kop thee en wat brood met veél jam, naar boven, waar Loekie, éen open oog van onder de dekens vandaan, wakker lag.

„Wat wàs er?” vroeg ze.

Ik vertelde het geval.

„Mag ik mee?”

„Nee, dat kàn niet, Loekie?”

„Hè, tóe nou—wat flauw.”

„Heusch niet kindje, en dan zoo vroeg op, en heelemaal naar het strand. Je zult kou vatten. Je blijft hier maar lekker in je nest.”

„Kan ik vannacht dan weer blijven?” vroeg ze blij.

„Altoos als je wilt.”

„En kom je me het morgen dan dádelijk vertellen?”

Ik beloofde alles en beurde ze óp in mijn armen, liet ze gezellig thee lebberen en de boterhammen met veel jam oppeuzelen.

Bram was naar Leiden om den med. cand. te zoeken.

Kalmpjes zaten we dien middag op mijn kamer, Loekie in den kimono, ik in een chamberloek,—toen opeens beneden ons, in Brams kamer, een geraas van de andere wereld klonk.

Meteen kwam Janne boven:

„M’nheer!—M’nheer!” griende ze, „m’nheer Boy is beneden aan het schieten—ogotogot—aan het schieten, m’nheer!”

„Leuk,” vond Loekie, maar ik was het daarmee heel niet eens.

„Pas op!” schreeuwde Boy, toen ik Brams deur op een kier opende en er net een revolverschot losdreunde.

„Schei uit—ik kom binnen,” waarschuwde ik.

De kamer zag er allerzonderlingst uit. De gordijnen waren overal neergelaten en lieten flauwen schemer door. In Brams erker zat Boy.—De schuifdeuren naar de eetkamer stonden open en in de serre had hij op een stoel een groote ijzeren haardplaat neergezet, met een brandend kaarsje er voor.

„Blijf staan,” gebood Boy, en weer pangde een schot.—

„Geraákt!” juichte hij—springend als een roodhuid, die een scalp bemachtigde.—„Geraakt!”

De kaars was uit.—Maar mijn kalmte ook.

„Zeg Boy, ben je nou een haartje bedonderd of hoe heb ik het met je?”

„Ik train me,” verklaarde Boy.

„Je bent gek,” kwam ik bot. „Als je straks door de ruiten schiet heb je kans om aan den overkant van de tuintjes iemand te raken.”

„De ijzeren plaat staat er toch?” kwam hij op den toon van iemand die tegen een verstokten idioot redeneert.

„En als je er làngs schiet?”

„Ik schiet er niet langs, verbeél je.”

„Dat weét je niet,” hield ik vol.

„Dat weet ik wèl,” kwam hij halsstarrig.

„Je kunt schrikken van iets;—d’r kan je een kat in je gezicht vliegen zooals aan Bram;—er kan … Enfin je scheidt er mee uit,” besloot ik gezaghebbend.

„Vast niet,” koppigde hij.

„Ja,” hield ik vol.

„Laat mij eens schieten,” verzocht Loekie.

„Dat ontbrak er nog maar aan,” stoof ik op.

„Schei nou toch uit m’nheer,” smeekte Janne.

„Jullie bent vervelend,” meende Boy en smeet wrevelig den revolver op tafel.

„Dien krijg je niet eerder weerom dan morgenochtend,” zei ik vaderlijk, den patroonhouder er uit nemend, den kogel uit den loop wippend en den Browning in den zak stekend.

„Stik—dat is kinderachtig,” oordeelde Boy.

Er werd gebeld; Janne ging opendoen. Zooals te verwachten was kwam de onderbuurman brieschend verzet aanteekenen.

„’t Was een zevenklapper,” hoorden we Janne vindingrijk uitleggen. Dan kwam ze binnen:

„Die m’nheer van onderen wou u spreken.”

Maar de m’nheer van onderen was al boven en stond in de kamer.

„Hier werd geschoten,” meende hij.

„U bent abuis—er is bij vergissing een zevenklapper afgegaan,” verklaarde Boy.

„Ik meende …” Maar toen zagen des grijsaards oogen, een beetje gewend aan de schemering der kamers, daar Loekie staan. Hij zág dat ze bloote enkels en kuiten had, waarvan hij de schoonheid niet op prijs wist te stellen; hij zág dat ze geen hemdje droeg onder den kimono, die nog het kuiltje tusschen haar marmersterk-geheven boezem onthulde.

„’t Is schande, zoo’n gemeene meid in een net fatsoenlijk huis,” jammerde hij.

Waarop ik hem bij de nek greep en met een kniebeweging de deur uitzette.

„Niemand heeft je gevraagd hier te komen, onbeschofte aap,” schold ik, hevig ontroerd.

„M’nheer!”

Maar Loekie, over de trapleuning gebogen, spoot hem met een spuitwaterflesch op den hoed en in den nek: een paar korte, floepende stralen.

„Dat zal je bekoelen!” schaterde ze.

Hij ging—een beroerte nabij.—Toch bleef dien dag zijn doodsbericht uit.

Tegen etenstijd kwam Bram met den „dokter” aanzetten. Hij heette Henk, vond het geval ijselijk grappig, maar vergat opeens al zijn opwinding voor het tweegevecht, toen Loekie binnenhuppelde, die nog steeds den kimono droeg maar toch door mij overtuigd was, dat een paar kousen en een hemdje er onder „gekleeder” stonden.

Henk boog allerdeftigst toen Loekie „bonjour” zei en hem haar smalle handje toestak.

Aan tafel dronken we voor de feestelijke gelegenheid een paar flesschen champagne,—je wist immers nooit of Boy morgen nog onder de levenden was!—en Henk en Loekie kregen de hoogte. Bij Henk had dit tot gevolg, dat hij ons heele kliekje alleraardigst vond, en bij Loekie, dat ze met theekransjes smeet en iedereen, die den mond opendeed, al bij voorbaat uitlachte.

Er werd veel gerookt en weinig verstandigs gezegd.—Tenslotte besloten we maar óp te blijven, daar we er anders beslist niet uit zouden komen.

„Heb je verbandmiddelen meegebracht?” vroeg Bram.

„Ja—een paar”, zei Henk, „wat zwachtels, wat sublimaat, wat jodiumtinctuur.”

Loekie vond dat alweer ijselijk mal.

„Maar áls er iemand ernstig gekwetst wordt,” veronderstelde ik.

„Laten liggen en hard wegloopen,” raadde Loekie gierend.

„In ’n rijtuig zetten,” meende de dokter.

„’n Rijtuig—we gaan op de fiets,” verwonderde Boy zich.

„Met een hoogen hoed op?” schaterde Henk.

„Wel ja, we zullen zooveel ómslag maken,” verweerde Bram.

„Ja—áls er dan wat gebeurt,” bedacht Henk, „dan zal het lástig wezen.”

„’t Lijk óok maar op de fiets,” ginnegapte Loekie.

Maar daarmee was het vraagstuk niet ópgelost.

We bleven doorpraten. Henk vertelde van de snijkamer, van énge operaties, die Loekie stil maakten.

„Enfin—ik bén nog geen dokter,” besloot de med. cand., „áls er wat ernstig gebeurd weet ik er óok geen raad mee.”

Maar Boy trok zich daar niets van aan.

„Als de katjang maar mikt,” piekerde Bram,—„als die maar raak schiet, heb je kans dát ie raak schiet.”

„Ik zou je bedanken voor een ander schijf te staan,” bekende Henk.

„’t Loopt wel los,” suste ik.

En zoo werd het twee uur, drie uur. Het gesprek werd fluisterend gevoerd, nu Loekie op mijn schoot in slaap gevallen was, het hoofdje op mijn schouder.—Om half vier dutte Boy, misschien zijn láatsten slaap; om vier uur begonnen Henk en Bram om het hardst te snorken, weggezakt in de leunstoelen.

Bram droomde van ijselijke dingen, gorgelde telkens: „Sla ’m dood … sla, sla …” en dan knikkebolde hij even en hernam krachtig: „… dood!”—Loekie lag te glimlachen, mondje half open; ze zag zeker grappige dingen gebeuren. Mijn arm sliep; m’n beenen sliepen; met moeite stond ik op, droeg het slapende meisje naar boven. Ze merkte niet toen ik haar kimono en kousen uittrok, merkte niet toen ik ze dichtdekte en haar de haren van het voorhoofd streek;—ze glimlachte maar in haar droom.

Boy’s wekker, op half zes gezet, plaatste ik te midden van het ronkende, knikkebollende drietal op de tafel; toen zocht ik een plaatsje in het eigen bed op en ditmaal werd Loekie instinktmatig wakker, legde het hoofdje op mijn schouder … en sliep weer in.

Het geraas van den wekker benéden wekte me. Toen het áanhouden bleef, stond ik op, ging er heen. Juist bij mijn binnenkomen sloeg Bram met een nijdigen armzwaai het lawaaimakende ding van de tafel in een hoek, waar het doorratelen bleef.—„Dóod!” gorgelde hij en dommelde weer in. Boy en Henk waren niet eens wakker geworden.—Ik schudde,—het gaf niets; toen nam ik een spons en kwakte die op Boy’s gezicht:

„Godverdómme!” vloekte hij.

„Opstaan,” gebood ik.

„Waarom?”

„Je moet duelleeren.”

Dat deed hem klaarwakker worden:

„Die beroerling ook—is dát nou een uur om op te staan?”

En toen pakte hij Bram beet, terwijl ik Henk onderhanden nam: de spons kwam er weer bij te pas en Bram, zeer lijdend aan ochtendkribbigheden, werd nijdig:

„Schei uit—nou géen gekheden!”

Maar om zes uur hadden we toch een stevig ontbijt op, stak Bram den revolver in den zak.

„Hoeveel patronen zitten er in?” vroeg Boy.

„Een stuk of zes geloof ik.”

„Dat is wéinig,” vond Boy.

„Verdikkie,” bedacht ik opeens, „er is niet vastgesteld hoeveel kogels er gewisseld moeten worden.”

„Natuurlijk tot een resultaat,” meende Bram, met amerikaansche veeleischendheid.

„Een is genoeg,” voorspelde Boy.

En we grepen de fietsen; Henk zou om de beurt op Bram’s en op mijn step staan, want Boy moest gespaard worden.

Het was gemeen koud, er hing een vochtige mist.

„Sakkreju—ik schiet de vent dóod!” gromde Boy, weggedoken in zijn jaskraag. „Wat een pest—zóo vroeg op te staan.”

Met een flinken spurt ging het langs het ververschingskanaal, de sluis over,—zwoegen met de fietsen door het mulle zand:—Grauw, dampig, wijd verlaten lag het strand.—Het was half zeven.

„De eersten op het terrein,” zegevierde Henk.

We gingen liggen tegen het duin, rookten.

„Waar blijven die kerels?” mopperde Boy.

„Ik denk dat katjang wat in de broek gedaan heeft en zich verschoonen moet,” meende Bram.

Om zeven uur knarsten er wielen,—verscheen het rijtuig van de familie katjang.

„Vertrapt deftig,” meende Boy.

„De vent is overtuigd dat ie aangeschoten wordt,” kwam Henk.

De getuigen, in gekleede jas met hooge hoeden, kwamen op ons af, groetten. Piet, vaalbleek, oók in feestkleedij, hield zich op een afstand, dicht bij het rijtuig.

„Bonjour,” groette Bram, lui liggen blijvend.

„Half uur te laat,” bromde ik, aan mijn pet tikkend.

De getuigen kuchten toen:

„Onze vriend Piet—wilde … hm … wilde zijn verontschuldigingen aanbieden.”

We keken verbluft, maar Boy:

„Dat staat niet aan hém—hij is immers de beleedigde.” De getuigen keken bedremmeld, maar Boy vervolgde: „Ik trek mijn beleediging niet in en van m’nheer uw vriend neem ik de excuses niet aan. We zijn er vróeg voor opgestaan en ik wil hier niet komen voor Piet snot.”

„Zoo is zijn naam niet,” verzekerde Bram, die dacht dat over Piet katjang werd gesproken.

De getuigen gingen terùg naar het rijtuig, praatten met Piet, die nòg valer werd.

„Zorg dat ze niet wegrijden,” verzocht Boy.

„Willen we maar beginnen heeren?” vroeg ik—„het is vrij koud en zoó gezellig is het hier niet.”

De getuigen liepen meé op. Dan ging ik met katjang-éen rug aan rug staan, stapten we ieder tien pas vooruit en groeven met de hakken een kuil.

„Neem je passen niet zoo groot,” verzocht Boy mij, tegen alle duelregels in.

Bram lootte met den anderen getuige om de plaats.

Boy, heel bedaard, had een versche sigaar opgestoken.

„Vooruit heeren!” verzocht ik.

Maar Bram begon opgewonden te gebaren:

„Die paarden moeten weg en de koetsier ook, je schiet ze anders gedecideerd voor hun raap,” voorzag hij.

De getuigen voelden dat ook, en het rijtuig trok zich achter de duinen terug. De koetsier, die van het heele geval niets begreep en half angstig, half belangstellend,—zooals men naar gevaarlijke krankzinnigen kijkt,—ons gedoe stond te begluren, kreeg opdracht te waarschuwen als iemand van den kant der sluizen mocht komen.

Bram bracht Boy naar zijn plaats:

„Trek je jas uit,” gebood hij.

„Ben je mal? ik verrek van de kou,” betoogde Boy.

„’t Geeft te groot mikoppervlak;—en zet den kraag van je colbert op, dat je witte boord geen mikpunt geeft.”

Boy deed zooals verlangd werd, pufte terwijl groote rookwolken uit, vroeg:

„Zeg, is die verdomde katjang haast klaar?”

Piet hing in de armen van zijn getuigen, hevig lammenadig.

„Zou die dat wezen?” toonde Henk kalme belangstelling, in zijn city-bag zwachtels schikkend.

„Hij is nog niet eens aangeschoten,” geestigde Boy, „maar daar zorg ik wel voor.”

Toen katjang die enge verbandmiddelen zag, werd hij grauw, liet zich sullig den revolver in den hand stoppen.

„Opgepast!” riep Bram.

Boy, handen in de zakken, sigaar groot dampend in den mond, hoed in de oogen, stond roerloos bij zijn zandkuiltje. Wij getuigen kropen wèg achter katjang; Henk, onvoorzichtig, zat een honderd pas terzijde van de duelleerenden.

„Aanleggen,” gebood Bram.

Maar katjang maakte geen bewéging.

„Vooruit—aanleggen!” porde Bram hem op.

De arm ging slap omhoog.

„Vuur!” kommandeerde ik.

Pang! knalde het schot.

„Verrek!” riep Henk, handen voor de oogen, terwijl Boy, ongedeerd, nog al maar rechtop stond te rooken.

„Verrek!” riep Henk weer, het zand uit de oogen wrijvend, dat Piets kogel, vlak voor hem neerslaande, hem in het gezicht gejaagd had.

„Uilskuiken!” schold Bram tegen Piet—„kijk wáar je heenschiet!—ik heb nog gezegd: niét luk raak schieten.”

De katjang antwoordde niets, zat suffig neer bij zijn zandkuiltje.

„Vooruit! vóortmaken!” schreeuwde ik, toen Henk met zijn roodgewreven, tranende oogen weer wat kijken kon.

Bram laadde den Browning, wipte een kogel in den loop.

„Opstaan,” gebood hij den katjang, daar diens getuigen met het geval geen raad meer schenen te weten.

„Ik kán niet,” kakenklepperde Piet, die Boy met den revolver in de hand zág.

„Klets niet,” driftigde ik. „Hallo heeren—pak eens aan.” En met zijn allen sjorden we katjang op, die klappertande en groote droppen zweette.

„Klaar?” vroeg Bram.

„Allang;—als het nog lánger duurt loop ik een verkoudheid op,” beweerde Boy, die de sigaar had weggeworpen.

„Aanleggen,” klonk Brams bevel, terwijl we ons allen achter Boy hadden geschaard, Henk ditmaal ook.

„Hé—opdónderen!” brulde opeens Bram tegen den koetsier, die op het schot was afgekomen. Deze bleef staan, onbesloten.—„Schiet óp!” gebood Bram, „of we schieten op joú!”—En toen maakte de paardentemmer beenen en verdween.

„Dus aanleggen!” riep Bram weer.

„Sta stil—lafbek!” loeide Boy tegen Piet, die slap, onvast, te schommelen stond.

„Hij is zát,” fluisterde Henk.

„Vuur!” kwam Bram.

Pang!—katjang sloeg neer, achterover.

We waren even stil.—Geen van ons bedacht dat iemand, die pardoes doodgeschoten wordt, vóorover valt en dat alles, wat men op dit ongure gebied op tooneel en in bewegende lichtbeelden vertoond door achterover vallende dooden, klinkklare larie is.—Maar we hadden nu eenmaal nooit iemand heúsch zien doodschieten en dus dachten we dat het nu écht was.

Dan snelde Henk op het lijk toe.

„Die ligt,”—kwam Boy kalm, het moordtuig in den zak stekend. Maar op ieders gezicht stond wanhopige verslagenheid te lezen. Ik voor mij bedacht, dat maar het beste was naar Amerika uit te wijken.

Een schaterlach van Henk brak onze bepiekeringen vreemd af. De dokter neergehurkt bij het lijk, verkneukelde zich. Met reden, want het lijk—o schrikwekkende aanblik!—bewóog en begon in stuipbewegingen de maag te ledigen.

De katjang was flauw gevallen!

Klappertandend, kokhalzend, bevend,—het zeewater, dat Henk hem overmatig over het hoofd putste, opslurpend door zijn bibberende mondhoeken en het dan weer met walggrijnzingen uitspuwend,—kwam hij óp te zitten.

„Ellendige lafbek!” woedde Boy.

„Zullen we maar gáán?” opperde ik, gedachtig aan Loekie’s raad: liggen laten en hard wegloopen.

Piets getuigen lieten het rijtuig komen. De paarden zwoegden lastig door het zand.

„Gunst jonker,—wat is er met ú gebeurd?” verontrustte de koetsier zich.

Maar de „jonker” onthield zich van inlichtingen.

„Vooruit m’nheer—uw equipage staat vóor,” ginnegapte Henk, den vadoek-achtigen Piet opsollend.

„Dat heeft een haar gescheeld,” zei Bram wijzend op een flardende scheur in Piets schouderwatte.

„Als de lummel stil gestaan had, was die ráak geweest,” mopperde Boy. En dan, katjang hardhandig bij de schouders heen en weer schuddend:

„En nou ga je naar Kitty en vertelt wie die anonieme vuiligheden geschreven heeft, versta je?—en anders zal je méer van me merken. Een tweeden keer kom je er zóo niet af.—Ik zal m’n handen niet meer aan je vuil maken, maar als je me nog eens in den weg zit, stuur ik een mannetje van de dienstverrichting en laat je voor een gulden plat slaan.”

„Ja—ja,” jammerde Piet, kokhalzend.

„Begrepen?”—schudde Boy hem nog steeds—„vanmiddag ga je onmiddellijk en je maakt je excuses.”

„Ik … ik …” stotterde het slachtoffer.

„Nou já of já—éen van drieën,” stelde Boy de ruimste keuze.

„Ik … ja … ja—ik … ik zal het niet méer doen,” kwam ontdane Piet stumperig.

„O—zoo. En verschoon je eerst, dat heb je noodig. Want zóo zit je er op,” treiterde Boy, doelend op katjangs ongewonen, wijdbeenschen gang, die op onraad wees.

Het rijtuig zwoegde knarsend weg; we grepen onze fietsen en met Henk om de beurt op onzen opstap, peesden we naar huis, waar, bij een warme kachel en een cognacje, onze verkleuming vergetend, we het malle geval beschaterden.

Aan Loekie bracht ik weer thee en de boterhammen met véel jam, waarin ze zich verslikte toen ik haar katjangs figuur verhaalde.

Toen ze later beneden kwam, kreeg Boy twee klinkende zoenen op de wangen, ter belooning.

„Daar wil ik elken dag wel voor duelleeren,” bekende Boy.

„Ik ook,” openbaarde Henk.

Maar Loekie ging op mijn schoot zitten:

„Dan déed ik het niet,” verklaarde ze grappig.

„Jammer,” vond Henk.

Dien avond kleedden we ons deftig aan,—Loekie ook,—en aten plechtig in de „Twee Steden.”

We hadden veel bekijks en schenen raar te doen; maar ik herinner me niet meer hoé.—Alleen weet ik, dat Boy eenige verwarring bij den kellner stichtte, door een prentkaart voor vijf personen en eén kleintje koffie te bestellen, en dat hij bij het heengaan zich beklaagde, dat er geen bediende was om hem met zijn hoogen hoed te helpen. Bram tolde met de wenteldeur rond en zag lang geen kans er uit te komen.—Loekie verzocht aan den conducteur van Henks tram, om goed op den jongeheer te letten en vooral te zorgen dat hij niet verkeerd uitstapte en zijn pasje niet verloor.—Waarop Henk, zeer weinig terzake, verklaarde dat hij zich èrg aaklig voelde, omdat hij nèt zoo’n gevoel had alsof hij moest trouwen.

Verder ontbrak ook den andren den volgenden dag zonderling alle heugenis.

Dat was misschien ook wel beter.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings