← Table of contents
Langs Rotte, Maas en Schie. I.

9. De Brand in 1563.

Reading edition

Het was Zaterdag 10 Juli 1563, omstreeks twee uur in den middag, dat er bij een kuiper in de Molensteeg brand uitbrak. De licht brandbare stoffen in de werkplaats gaven de ramp reeds van den aanvang af een ernstig aanzien. Hoe de meester en zijn gezellen, straks geholpen door de buren, al hun krachten inspanden het vernielend element te beteugelen, het mocht niet baten; zij stonden machteloos tegenover de hoog oplaaiende vlammen, die zich boven het West-Nieuwland verhieven. De toegesnelde mannen, die zich weldra met hun lederen emmers gewapend, dubbel hadden gerijd van de watertrappen aan de Grootemarkt tot de plaats des onheils, mochten zich weren zoo hard zij konden, mochten vliegensvlug de gevulde en weer geledigde emmers en ketels van hand tot hand doen gaan, de vlammen vonden een te willige prooi in de belendende gebouwen, werden te zeer aangewakkerd door den sterken zuidwestenwind, dan dat de strijd tusschen de twee elementen lang onbeslist kon blijven. Na zeer korten tijd stond de geheele steeg in lichtelaaie, kronkelden de lekkende vlammen om de houten huizen en de werkplaatsen, joeg een verstikkende rook over het oostelijk deel der stad, vlogen de brandende rietstengels hoog door de lucht, tot ze dwarrelend neervielen op de daken van de in de nabijheid staande woningen. Wel poogde men, door natte zeilen over de daken te leggen, den brand tot de steeg te beperken, maar vruchteloos; na korten tijd was het geheele West-Nieuwland, van Molensteeg tot Kolk één vlammenzee, die zich door niets liet stuiten, die voortrolde over de brug, welke naar den Rijstuin leidde, die de schepen in de Kolk aantastte en ze in rook deed opgaan, die zich wierp op Rijstuin en Hoofdsteeg, nieuw voedsel vond in Houttuin en Groenendaal, oversprong op Hoogstraat, Achterklooster en Goudsche Wagenstraat, om eindelijk in haar razenden loop bij de Hoenderbrug en Frankenstraat gestuit te worden.

Toen de avond daalde over het verwoeste stadsdeel, en de Julizon haar laatste stralen over het geteisterde Oosterkwartier wierp, bescheen ze één grooten puinhoop, waarover de mannen, vrouwen en kinderen als verwezen rondliepen en naar de verkoolde overblijfselen hunner dierbaren zochten; die in één dag zich ontnomen zagen, waarvoor zij een menschenleven hadden moeten zwoegen; die zich enkele uren te voren nog hadden verheugd in het gelukkige bezit van een bloeiend bedrijf en nu niets meer het hunne konden noemen dan de rookende en smeulende massa daar voor hen.

Van de 1731 huizen, die Rotterdam toen telde, waren er 250 totaal verwoest, 700 zwaar beschadigd. De Waterpoort aan het eind der Hoofdsteeg, de Oost- en Goudsche Poort waren in vlammen opgegaan. Het Pesthuis, op het eind van de Goudsche Wagenstraat—waar nu het Gereformeerd Burgerweeshuis wordt aangetroffen—was, evenals het uitgestrekte Dominicanerklooster op het oosteinde der Hoogstraat, door het vernielend element verteerd. Zestig, meerendeels geladen, schepen in de Kolk, pottebakkerijen, lijnbanen, schuren en loodsen, waren een prooi der vlammen geworden. Daar men nog geen verzekering tegen brandschade kende, misten honderden alle middelen, zich nieuwe woonhuizen of werkplaatsen te bouwen of nieuwe gereedschappen aan te schaffen, om hun bedrijf weer te hervatten.

Is het te verwonderen, dat sommigen de stad verlieten, die hun lief was geworden, maar hun geen brood meer gaf; dat de nood hoog, de armoede groot was?

Filips II. (vergroting: 1428×1217, 250kb)

Filips II.
Filips II.

Gelukkig kwam er hulp en wel van den man, die later zooveel wee heeft gebracht over deze landen; van wien steeds zooveel kwaads en zoo bitter weinig goeds vernomen wordt. Wij Rotterdammers mogen zijn naam dan ook niet noemen, zonder met een gevoel van dankbaarheid te gewagen van de helpende hand, ons toegestoken in de benauwde tijden na den brand.

Filips, onze landsheer, vaardigde nl. eenige besluiten uit, waarbij verordineerd werd, dat onze stad in geen 14 jaren eenige belasting aan hem behoefde op te brengen. Verder verleende hij aan ieder, die schulden bezat, het recht, de betaling hiervan vier jaren uit te stellen, terwijl zij, die iets misdreven hadden, kwijtschelding van straf verkregen, indien zij binnen vier jaar hun woning weer hadden opgebouwd, of verarmden stadgenooten bij den herbouw hunner verwoeste haardsteden hulp hadden verleend.

Onthieven de eerste twee bepalingen onze voorouders van groote zorgen, de laatste twee waren voor velen een prikkel om den herbouw spoediger aan te vangen en flinker door te zetten, dan anders zeker het geval zou geweest zijn.

De Stedelijke Regeering deed eveneens al wat in haar vermogen was, om de geleden schade te herstellen en zoo mogelijk een herhaling der ramp te voorkomen.

Het was toch immers ten duidelijkste gebleken, dat de hoofdoorzaak, waardoor de brand zoo'n omvang verkregen had, gezocht moest worden in de met riet gedekte houten huizen. Daarom werd nu door de Overheid de al te zeer verwaarloosde bepaling van het jaar 1558, waarbij het verboden was nieuwe huizen met riet te dekken of oude daken met riet te herstellen, opnieuw uitgevaardigd en—wat meer zegt—er werd streng de hand aangehouden. Zoodoende werden vele der nieuwgebouwde of herstelde woningen geheel of gedeeltelijk van steen opgetrokken, terwijl zij alle van een hard dak voorzien werden. De kosten van dit laatste werden voor ⅓ deel door het stadsbestuur gedragen.

Doch men deed meer. De steeg van de Hoogstraat naar de Waterpoort, de tegenwoordige Hoofdsteeg, was zeer nauw. Van de gunstige gelegenheid maakte men nu gebruik ze te verwijden tot een straat, welke voor dien tijd als breed kon gelden. De drukke weg van en naar het Hoofd werd zoodoende zeer verbeterd. De nieuw opgetrokken woningen werden hier dus meer achterwaarts geplaatst. Het stadsbestuur had daartoe van Filips het recht verkregen om de strook grond, benoodigd om de straat te verbreeden, te onteigenen.

De opbouw van de stad ging echter niet zóó vlug, als men wel gehoopt en verwacht had. Vooral het volgend jaar was een tijd van kommer en gebrek, toen heerschte hier zeer groote armoede: de levensmiddelen waren schaarsch en dientengevolge duur, de verdiensten gering.

Weer was het de landsheer, die zijn onderdanen ter hulp kwam. Hij schonk Rotterdam het privilegie om ieder jaar een ledermarkt te mogen houden. Dit voorrecht, dat in gewone omstandigheden vaak met goud werd betaald, bracht dagen lang een bonte mengeling van kooplustige vreemdelingen in de stad, gaf leven en vertier, werk en brood.

Ware het niet, dat zoo spoedig na 1563 de tachtigjarige oorlog een aanvang genomen had, wellicht dat Rotterdam zich spoediger had hersteld van den toegebrachten slag, dan nu het geval was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings