12. Een wandeling door Rotterdam. (± 1600)
Reading edition
I.
Laten wij thans in gedachten eens een wandeling door Rotterdam maken. Stellen we ons daarbij voor, dat wij de stad van de zijde van Delft naderen.
In de verte zien we reeds den grijzen kolossus, den toren van de St. Laurenskerk, zich statig verheffen boven de stadsmuren, die zich flauw tegen den horizon afteekenen. We loopen langs de Westzijde der Schie tot bij de Waelheul, waar een cirkelvormig terrein, door een muur en boomgewas aan het gezicht onttrokken, onze aandacht vraagt. Het is het Galgenveld. Daarbinnen is de driehoekige galg opgericht. Ze bestaat uit drie arduinsteenen pilaren, van boven door ijzeren bouten verbonden en met leeuwen versierd. Het steenen poortje in zijn groenwitte stadskleur geeft toegang tot deze plaats der gerechtigheid. Gehangen te worden tusschen hemel en aarde is een veel voorkomende straf. De executie zelf wordt, daar ze als afschrikwekkend voorbeeld bedoeld is, in het publiek, op het schavot achter het stadhuis voltrokken. Daarna wordt het ontzielde lichaam naar het Galgenveld vervoerd om aan de vertering te worden prijsgegeven en tot voedsel te dienen voor de vogelen des hemels. Schrikkelijk nietwaar! En toch is deze straf, hoewel zeer onteerend, nog niet de onmenschelijkste. Nog in 1567 heeft een valsche munter zich hooren veroordeelen om levend gekookt te worden! We gruwen reeds als we het „Sensentie”- of Strafboek doorbladeren en lezen van straffen als levend begraven, verdrinken, de tong doorboren met een gloeiende priem enz.
Zorg dan ook maar niet tegen de „keuren” te zondigen, als wij straks de stad binnentreden. De „Schout en zijn rakkers” zouden u spoedig voor de „Schepenen” leiden en deze weten u de bekentenis wel te ontlokken; gaat het niet goedschiks, dan zal een scherpe „examinatie” op de pijnbank u de tong wel los maken. Wees vooral nooit weerspannig tegen het gerecht, want dan haalt ge u zeker een strenge straf op den hals. In 1542 werd Digna Mercelisdochter, die van de Overheid kwaad gesproken had, veroordeeld om acht uren te pronk te staan. Bovendien werd haar een stuk van de kwaadsprekende tong afgesneden. Twee jaar later zag Jacob Hasepoot wegens bedreiging van een stedelijk ambtenaar zich tot een dergelijke straf veroordeeld. Hem werd een puntig ijzer door de tong gestoken, terwijl hij in geen twee jaar de stad mocht verlaten of een herberg bezoeken. Geeselen en brandmerken zijn ook veel voorkomende straffen. Daar men nog geen gevangenisstraf kent, loopt men al tamelijk spoedig een geeseling op. Ze kan zijn: „simpel, strengelijck” of „tot bloedens toe”.
Veel ziet ge hier aan de Schiekade niet. Waar ginds aan de Oostzijde die enkele woningen verrijzen, stond vóór 1426 het machtige slot Weena.
„Nu leydt dit Hoff Geheel tot stoff, En d'ouwe steenen Van Weena weenen”.
Ook aan de Westzijde merken we, behalve eenige watermolens, slechts één flink, groot gebouw op.
Wilt ge het binnentreden? Ge zoudt het niet doen, als ge wist, waarvoor het dient. Het is het Leprooshuis. De lijders aan melaatschheid—een Oostersche ziekte door de Kruisvaarders naar Europa overgebracht—worden hier verpleegd. Naar den Heiligen Lazarus, die ook aan deze ziekte geleden heeft, worden de gebouwen ook wel Lazarushuizen genoemd en daar het Latijnsche woord voor melaatschheid lepra is, staan ze algemeen bekend als Leprooshuizen.
Niet alleen Rotterdam heeft zoo'n ziekenhuis, in vele gemeenten treft men ze aan, evenals hier, buiten de stad, om zooveel mogelijk besmetting te voorkomen.
Het is een flink gebouw, het staat er reeds van vóór 1438 en is in 1580 geheel vernieuwd.
Ziet ge ginds uit de richting van de stad dien man aankomen? Het is een der lepralijders. Daar ziet hij ons. Direct laat hij zijn lazarusklep hooren, om ons te waarschuwen. Hier op de Schiekade, waar weinig menschen loopen, had hij zijn vermoeide hand, die in de stad de klep voortdurend in beweging moest houden, wat rust gegund. Houd maar op, arme man, uw „swarte hoet, bekleet met eenen witten bant” vertellen ons toch wel, dat gij door de vreeselijke ziekte zijt aangetast en een aalmoes zullen wij u niet onthouden.
Daar komen uit de richting van het gebouw twee personen, waarvan de een geen spoor van de vreeselijke ziekte vertoont. Zeker een chirurgijn, meent ge? Neen, het is een „provenier” of „kostkooper”. Hij heeft zich, door zijn geheele bezitting aan de inrichting te schenken, voor zijn geheele verdere leven een tehuis verzekerd in een deel van het gebouw, dat geheel gescheiden is van het eigenlijke Leprooshuis. Daar het aantal lijders aan Lepra gelukkig voortdurend afneemt, is het gebouw te groot geworden. Laten wij hopen, dat het nog eenmaal in zijn geheel tot Proveniershuis ingericht kan worden17).
En die andere man met dat wit geschilderde bordje op borst en rug? Hij draagt een bus en een langen stok met een netje er aan in de hand. Tast maar in den zak en offer voor de arme zieken den duit, dien de „klapknecht” ons komt vragen.
Let nu eens op de Marktschuit, die uit de richting van Delft komt aanvaren. Ziet ge, wat de schipper doet? Hij werpt een bosje stroo in de Schie en het goed gedresseerde hondje van den klapknecht is reeds te water gesprongen om het in den bek te nemen en aan zijn meester te brengen, die er binnenin een kleine gave vindt.
De Delftsche- of St. Jorispoort. (vergroting: 1693×1188, 262kb)

Maar laat ons verder gaan, we hebben in de stad nog heel wat te bekijken.
Hier staan we voor de Delftsche- of St. Jorispoort. Ze heet naar den St. Joris-Doelen aan de Spuivaart (thans de Doele aan het Haagsche Veer), waar de voetboogschutters te zamen komen om zich te oefenen. Straks zullen wij het gebouw zien. Bekijken we thans de poort eens aandachtig. Ziet ge daar aan de voorzijde en in de hoogte dien man te paard afgebeeld? Het stelt St. Joris voor, den draak bevechtende. Stevig ziet het gebouw er uit, hè? Dat mag ook wel, want in tijden van belegering moet het een stootje kunnen verdragen. De neergelaten brug verleent ons den toegang tot de stad. Nà zonsondergang is het niet zoo gemakkelijk in de stad te komen. Als de „poortklok” geluid heeft, is het zaak, spoedig binnen te zijn, want dan wordt de brug opgehaald, de zware met ijzer beslagen deuren worden gesloten en niemand kan meer in of uit de stad. Als ge een stadgenoot zijt, kunt ge, als ge poortgeld betaalt, nog binnen komen, maar anders moet ge, niettegenstaande al uw bidden en smeeken, den nacht buiten doorbrengen. Wilt ge dan beproeven om door de Schiedamsche-, Goudsche of Oostpoort de stad te betreden? Het zou u niet baten. Ook deze zijn gesloten en de poortwachters laten u evenmin binnen. De gracht overvaren? En hoe woudt ge dan dien steilen muur beklimmen, die de geheele stad omringt en aan het oog der wachters ontsnappen, die in de torens op deze muren voor de veiligheid hunner medeburgers zorgen?
Zelfs bij vorst zou het u niet gelukken binnen te komen. Zoodra de stadsbode, op een horen blazende, door de stad gaat, begeven de „Schuitenvoerders”, „Waagdragers” en „Turfdragers” zich naar de vesten om het ijs stuk te hakken. Dat geeft dubbele veiligheid, zoowel tegen ongewenscht bezoek als bij brand.
Op het oogenblik echter ligt de weg voor ons open en wij kunnen ons gerust in de stad wagen. Het gerecht behoeven wij niet te vreezen: wij zijn geen bannelingen, die bij ontdekking gevaar loopen de rechterhand te verliezen.
Hier ziet gij het gebouw, waarover wij zoo even reeds spraken: den St. Joris-Doelen. Veertig mannen komen hier te zamen om zich te oefenen in het schieten met den voetboog. Ze vormen met de handboogschutters, die St.-Sebastiaan tot schutspatroon hebben gekozen en die hun Doele vroeger in de Lombardstraat hadden, de twee schuttersgilden.
Waarom ze „schutters” heeten? Ze moeten de stad in tijden van nood beschutten, d. i. beschermen. Geen wonder dus, dat het Stadsbestuur deze vereenigingen op hoogen prijs stelt. Vooral het St. Jorisgilde mag zich in de gunst verheugen. De Zilveren St. Joris kan er van getuigen. Het is een „giftbrief”, reeds ± 1422 door de Overheid aan het gilde geschonken. Deze kostbare brief wordt in een zilveren doos bewaard, vandaar den naam van Zilveren St. Joris. Heel wat voorrechten zijn de vereeniging geschonken. Hoor maar eens. Het gilde zal genieten:
1º. van elk Hollandsch pond visch, dat verkocht wordt, 8 penningen;
2º. het vischrecht in de Schie en de Stadsvesten;
3º. 16 penningen peesgeld voor elken schutter, die buiten de Vest dienst doet;
4º. een mengsel Rijnschen wijn per man op St. Maartenavond (11 November);
5º. vrijdom van accijns voor den wijn en het bier, die verbruikt worden bij het schieten naar den papegaai tusschen 1 Mei en 24 Juni.
Tegenover deze voorrechten staan ook eenige verplichtingen voor het gilde, waartoe het een eer gerekend wordt, te behooren:
ten 1e moeten de leden zich oefenen in het schieten, van den eersten Zondag in April tot 1 November. Wie zonder geldige reden verzuimt, beloopt een boete van 4 „schellingen”. Is deze boete den derden dag niet aangezuiverd, dan moet de gestrafte voor iederen dag, dien hij te laat betaalt, 1000 baksteenen leveren voor den kerkbouw;
ten 2e hebben alle leden zich te voorzien van een wapenrok of „caproen”;
ten 3e behooren ze op Sacramentsdag (d. i. de Donderdag volgende op den Zondag na Paschen) bij de „processie” in den optocht te zijn.
Nu wij het toch over de gilden hebben, willen wij, al voortwandelende, u nog wat over de ambachtsgilden vertellen.
Dit zijn vereenigingen van menschen, die hetzelfde vak of bedrijf uitoefenen. Zoo hebben we hier in Rotterdam gilden van: bakkers, brouwers, wevers, timmerlieden, metselaars, wapensmeden, harnasmakers, schilders, kleer- en schoenmakers, chirurgijns, naaisters en nog meer andere. Ge zoudt geen beroep kunnen opnoemen, waarvan geen gilde bestaat. Alle hebben hun eigen „deken” en „hoofdlieden”, die hun vaste „kamerdagen” in hun gildehuis houden.
De bazen of „meesters” zijn de leden van het gilde. Meen niet, dat elkeen maar opgenomen wordt in de vereeniging. Iedere „leerling” moet eerst zijn „proefstuk” leveren, dat door de overlieden gekeurd wordt. Wàt streng wordt er gekeken. Is het niet in orde, hij moet nog maar eens terugkomen. Voldoet het aan de eischen, dan krijgt hij zijn getuigschrift als „gezel”. Wil de gezel meester worden, dan moet hij ook daarvoor een proeve van bekwaamheid afleggen.
Iedere week houdt het bestuur een „kamerzitting”, waar zoowel de meesters als de gezellen en de leerlingen met klachten kunnen komen, die dan door deken en overlieden worden onderzocht.
De jaarlijksche bijdragen of „jaarzangen” aan de „gildekas” worden in de stevige ijzeren „gildekist” bewaard. De „gildeknecht” bewoont het huis; tot meerdere veiligheid hebben de meesten hunner zich een „gildehond” aangeschaft.
De gilden staan onder streng toezicht van het bestuur der stad, die ze heel wat verplichtingen heeft opgelegd. Zoo moeten b.v. de bakkers aan elk brood een teeken aanbrengen en wel aan een brood van 1 penning één stip, van 2 penningen twee stippen enz. Elke week moet in de kerk afgelezen worden, wat het brood zal kosten. Er mag alleen overdag en niet in woonhuizen gebakken worden. Wil iemand leeren bakken, dan moet hij twee pond was voor het altaar der kerk geven18). Wil de gezel meester worden, dan dient hij allereerst een getuigschrift over te leggen, dat hij twee jaar in het bakkersbedrijf werkzaam geweest is. Daarna wordt hij tot het proefstuk toegelaten, waarvoor hij negen gulden moet betalen. Zijn proef bestaat in het bakken van een tarwe-, een rogge- en een wittebrood in een oven, die met rijs heetgemaakt is.
Al pratende en wandelende zijn we door de St. Jacobstraat in den Oppert gekomen.
Laten wij hier onze aandacht eens aan de huizen schenken. Let allereerst eens op de gevels. Van sommige woningen loopen zij spits toe, andere hebben een trapgevel. De ramen zijn klein, de in lood gevatte ruitjes evenzoo. Geen wonder, dat er niet veel licht naar binnen valt. En dat weinige licht wordt nog onderschept door de overal uitstekende luifels. Waarvoor die dienen hebt ge waarschijnlijk reeds opgemerkt. De gildebroeders verrichten er hun werkzaamheden onder. En de talrijke pothuizen voor de woningen, die de toch al niet breede straat nog meer vernauwen? Gluur maar eens naar binnen en ge zult een schoenmaker, kleermaker of blikslager aan den arbeid zien. IJverig zijn ze bezig tot zonsondergang toe. Dan is het werken gedaan; bij het zwakke kunstlicht gaat het slecht en ze zouden bovendien nog maar een boete oploopen. Ge moet nl. weten, dat de Overheid, om het brandgevaar te verminderen, bepaald heeft, dat er alleen bij daglicht gewerkt mag worden. Zoodra dan ook de schemering valt, wordt de arbeid gestaakt, men verpoost zich wat en houdt een buurpraatje op de houten of steenen bank, die terzijde van de stoep aan vele woningen aangebracht is, waarna het niet lang duurt, of allen begeven zich ter ruste, om den volgenden morgen met het krieken van den dag de taak weer te hervatten.
Daar komt een knaap ons al zoekende te gemoet. Hij vraagt iets aan een voorbijganger. „O, moet ge in „het blaauwe Schaep” zijn,” zegt deze, „dat is verderop, dicht bij „De Roode Hant”.” Ge staat verbaasd te kijken van een „blauw schaap” en een „roode hand”. Wat zegt ge dan wel van „de Vergulde Besem”, de „Drie Swerte Verkens”, „'t Blaaeuwe en Roo Paert”, of „de Blaauwe Arent” en „Blaauwe Voet”? Wilt ge die rariteiten zien? Nu, daar is gelegenheid te over voor. Ge hebt op de verdere wandeling maar naar de gevels der huizen te kijken. Om de gebouwen uit elkaar te houden, hebben de meeste een uithangteeken of een gevelsteen, al of niet voorzien van een òp- of onderschrift. Het „blaauwe Schaep”, waar de knaap moet wezen, is een lakenververij, waar grootendeels blaauw laken gemaakt wordt. Lijkt de naam nu nog zoo dwaas? Van deze lakenververijen treft men er nog al wat aan in den Oppert. In de winkels, waar deze veel gedragen stof verkocht wordt, „hangt bijna overal het laken uit” en wel bij voorkeur dat, waarin het meest handel wordt gedreven. Zoo zijn er hier in de stad nog: „het Blaauwe Laken”, „het Carmozijnrood Laken”, „het Goude Laken”, „het Zwarte, Groene, Witte en Gele Laken”, „het Spaansche Laken” en „het Wit Engelsch Laken”. Of al die kleuren gedragen worden? Ja zeker, maar zwart en blauw toch het meest. Dat is de dracht der poorters. Voor een gulden of acht is er al een heel goed lakenpak te verkrijgen. Daar moet een handwerksman een vijftal weken voor werken, want die verdient een stuiver of 5 per dag. Eén geluk, hij behoeft zich niet dikwijls in het nieuw te steken! Aan mode stoort hij zich niet, en onze lakenwevers verstaan hun ambacht zoo goed, dat de stof haast onverslijtbaar is.
Als iemand zich van echt Leidsch laken Een mooijen bruigomsrok liet maken, Zijn zoon had levenslang daaraan Een Zondagskleed om uit te gaan. De kleinzoon kon weêr, al zijn dagen, Dienzelfden rok als weekpak dragen, En de achterkleinzoon kreeg op 't lest Een buis en broek nog uit de rest; En dan—dat mogt eerst laken heeten, Was hij er uitgegroeid, eer 't pak nog was versleten!
II.
Wat is het hier in den Oppert morsig. De regen der laatste dagen heeft de straat in een waren modderpoel herschapen. Ons schoeisel ziet er dan ook fraai uit! Al tien keer zeker hebben wij in zoo'n verraderlijk met water gevulden kuil gestapt. Die poorter daar voor ons is er beter achter. Hij heeft plankjes met rolletjes onder de schoenen. Dat loopt wel niet zoo gemakkelijk, maar nu spaart hij ten minste zijn met mooie figuren bestikte „snavel- of puntschoenen”. Zoo fraai uitgedost zijn echter alleen de zeer aanzienlijke poorters. Misschien is hij wel een der leden van de vroedschap! Ziet gij wel dien langen „tabberd”, met wijde mouwen en bont omzoomd, over het zijden onderkleed en zijn „toppermuts” met kleurigen zijden „lamfer”? De „joffer”, die daar juist de deur uitkomt, behoort zeer zeker tot de deftige poorteressen. Haar hoofddeksel of „tuit” is van duur Kamerijksch doek vervaardigd, de sluier, die tot over de schouders valt en in een punt eindigt, is van fijne kant vervaardigd. Het satijnen, laag uitgesneden „keurs” is met gouddraad bestikt. Daarvan zien we echter niet veel, want het tot op den grond hangende overkleed bedekt het bijna geheel en al. Aan één zijde is het kleed echter opgenomen en nu zien we ook de „hulse” of rok en de puntschoentjes met kleine hakjes. Het is de joffer zeker te vuil op straat om te loopen, ze neemt ten minste plaats in een draagkoetsje.
Het drietal, dat ge ginds ziet aankomen, is heel wat eenvoudiger gekleed. De man met wijde „hozen”, wollen buis en muts is waarschijnlijk een schipper; de ander heeft een rok tot aan de knieën reikend, die door een gordel om het middel wordt gesloten. Zijn mantel of „kovel” heeft hij thuis gelaten, zoodat wij zeer goed kunnen zien, dat kousen en broek uit één stuk zijn vervaardigd. De vrouw, die in hun gezelschap is, schijnt ook tot den minderen poortersstand te behooren. Voor tuit heeft zij een gewoon linnen doek om het hoofd, terwijl haar kort jak en lange rok eveneens van eenvoudige stof en snit zijn.
De woning, die ze binnengaan, is nog met riet gedekt. Zoo zijn er nog heel wat in de stad. De huizen, na den brand in 1563 gebouwd of vernieuwd, hebben echter alle een pannen dak. Hebt ge ook wel opgemerkt, dat de woningen lang niet overal tegen elkaar aan staan? Hier en daar liggen nog groote, onbebouwde stukken, die als weiland of tuin in gebruik zijn.
Nu staan we voor de Groote Kerk, het hoogste en grootste gebouw uit de stad. Zooals ge ziet, wordt het terrein rondom de kerk voor begraafplaats gebruikt. De rijken vinden hun laatste rustplaats in de kerk, de gewone burgers rònd het bedehuis. Men zal echter weldra naar een andere begraafplaats moeten omzien: er dreigt gebrek aan ruimte te ontstaan.
De Binnenrotte (18de eeuw). (vergroting: 1782×1042, 263kb)

De kruisvormige gedaante der kerk vertelt ons, dat ze oorspronkelijk voor den Roomsch-Katholieken eeredienst gebouwd is. Sinds 1572 is ze door de Protestanten in gebruik genomen. Aan den buitenkant is dat niet te zien, wel als wij de kerk binnentreden. De altaren, ook die van de gilden, waarvan de voornaamste hun eigen kapel bezaten, zijn weggenomen, evenals de mooie beelden en schilderijen, die het gebouw vroeger sierden. Gelukkig, dat de beeldenstorm, die zooveel schoons heeft vernield of beschadigd, hier niet gewoed heeft. Wel hebben er eenige onregelmatigheden plaats gegrepen en heeft een zekere Snap het gewaagd zich aan een Christusbeeld te vergrijpen—voor welke daad hij onthalsd is—maar de eigenlijke storm is Rotterdam voorbijgegaan.
Gezicht op de Oudehaven en de stad in de 17de eeuw. (vergroting: 1783×1048, 277kb)

Verlaten wij het bedehuis, dat ons, ontdaan van zijn tooi, wel wat leeg en somber lijkt en begeven wij ons door de Wijde Kerkstraat langs het geboortehuis van Erasmus naar de Hoogstraat. Nu, die draagt haar naam niet ten onrechte. Hoog ligt ze. Zie maar eens, hoe hellend de Kerkstraat loopt. Geen wonder ook. We staan thans op een deel van den langen zeedijk, die vroeger de Maas moest keeren. Het is het oudste en hoogste deel van Rotterdam. Gaan we nu het „Merctveld” over. Dit is eigenlijk een steenen brug over het Steiger gebouwd. Erasmus staat vlak aan het water, met zijn gelaat naar de Markt gekeerd. Loopen we het West-Nieuwland over langs de Kolk, dan zien wij op het einde, dicht aan de Blaak een der bekendste stadstorens. Menigeen heeft reeds in dezen „Blauwen toren” angstige uren doorgebracht, voor hij zich door de „schepenen” zijn vonnis hoorde aanzeggen. Rechts ervoor, over de Blaak, ligt de lange Gapersbrug. We zullen ze niet overgaan. Aan den overkant is nog niet veel meer te zien dan enkele scheepstimmerwerven. Slaan we liever linksom over de Draaibrug. Wat een mooi gezicht hebben wij hier. Vòòr ons de Oudehaven, met aan het eind de fraaie Hoofdpoort; het gebouw met het sierlijke torentje op den hoek van het Haringvliet is de pas voltooide Koopmansbeurs; achter ons zien we de Kolk, waarin de Zeeuwsche schepen een ligplaats gevonden hebben. Daar komt juist de Dordtsche Marktschuit de Oudehaven binnenglijden. Dat gaat vlot genoeg, want de zware boom, met dikke ijzeren punten bezet, ligt tegen den wal. 's Nachts echter sluit deze de haven af en een knappe schipper, die dan de stad binnen komt. Het schijnt, dat de schuit vlak op onze brug komt aanvaren. Dat zal stukken geven. Laten wij vlug maken, dat we er afkomen. Heb maar geen nood. Let eens op, hoe de handige schipper hem dat levert. Hij weet zijn schuit precies de richting te geven, die zij hebben moet, zoodat de mast tegen het middelste deel van de brug stuit. Dit stuk biedt wel eenigen weerstand, doordat het verzwaard is door een bak met steenen, die er onder aanhangt, maar toch draait het onder den uitgeoefenden druk mee en het schip vaart met staanden mast door de nu ontstane opening. Wijd is deze niet en menige rappe gast springt er dan ook maar overheen, als de brug, nadat er een schip is doorgevaren, nog niet goed gesloten is. Want de schipper draait ze wel open, maar het sluiten laat hij in den regel aan de voetgangers over. Daar het draaibare deel lang niet de volle breedte van de brug inneemt, is het duidelijk, dat ze niet voor voertuigen gebruikt kan worden. Ook kruiwagens en andere smalle vervoermiddelen mogen echter niet over de brug: ze is alleen voor voetgangers bestemd.
Grondkaart of plattegrond van de erven bij den Blauwen Toren, door Simon Dammasz. van Dueren, landmeter. (No. 2 uit het Kaartenboek der Gemeente Rotterdam, 1578.) (vergroting: 1808×1363, 220kb)

We staan voor de Hoofdsteeg. Deze is heel wat breeder dan een 50 jaar geleden. Toen was het werkelijk een steeg, thans kan ze met de flinkste straten wedijveren. Laten wij nu linksaf slaan en den Rijstuin doorgaan. Veel huizen treffen wij hier nog niet aan. De rijswerkers oefenen er hun bedrijf uit en hebben binnen een afgesloten ruimte hun opslagplaats van rijshout. Willen de gildebroeders hun waar aan den man brengen, dan behoeven zij niet ver te loopen. De Mandenmakersbrug19) is hun marktplaats. Ze is wel niet groot, maar in ieder geval breeder dan de meeste straten met de grachten midden in. Dat de markt juist hier is, is geen toeval. Een „keur” uit ± 1420 bepaalt nl., dat er alleen mandenwerk verkocht mag worden op den marktdag in het Oost-Nieuwland en anders ieder voor zijn eigen deur.
Nu staan we weer op de Hoogstraat en hebben het Stadhuis met zijn aardig torentje voor ons. De verguld koperen windwijzer in den vorm van een haringbuis of „bun” zegt ons, dat de haringvisscherij voor de Rotterdammers van groot belang is. De ruimte onder den toren wordt als gevangenis gebruikt. Als men van iemand zegt: „Hij zit in de bun”, wees dan verzekerd, dat hij goed opgeborgen is. Wanneer ge het Stadhuis door den hoofdingang wilt binnentreden, dient ge het bordes van twintig trappen te beklimmen. De twee opzittende leeuwen aan weerszijden houden, zooals ge reeds opgemerkt zult hebben, het stadswapen. Behalve als Raadhuis en Gevangenis dient het gebouw ook tot Vleeschhal en Waag. Nog veel vroeger was het zelfs Gasthuis. De zieken en zwakken hebben echter plaats moeten maken voor de Vroedschap.
Het Stadhuis aan de voorzijde in de 17de eeuw. (vergroting: 1584×1188, 338kb)

Gaan we door de Waagstraat (thans Stadhuissteeg) naar de achterzijde van het gebouw.
We staan op de Huibrug, zoo genoemd omdat volgens een keur uit ± 1420 hier de huidenmarkt gehouden moest worden. De eertijds houten brug is nu al veel verbreed en heeft thans meer van een plein. Soms kan het hier stampvol staan; dan verdringen de poorters zich langs Kipsloot en Botersloot. Hier wordt nl. het schavot opgeslagen, wanneer er een terechtstelling plaats zal vinden. Op het balcon aan het Stadhuis nemen dan de rechters plaats. Ook dient dit tot afkondiging van belangrijke mededeelingen. Boven het balcon ziet ge twee staande leeuwen, die het stadswapen dragen. We lezen het onderschrift: „Ik, oprechtheid sterk U, Bedieningen en wijze raad geven sterkte. O, Rotterdam! Uw recht groent als een laurier”. En daar geheel in de hoogte, op den top van den gevel staat de Gerechtigheid. In de eene hand draagt ze de weegschaal, in de andere het zwaard. Ze is geblinddoekt, want zonder onderscheid des persoons dient ze recht te spreken.
Langs de Botersloot gaande, staan we weldra voor het Prinsenhof. Dit gebouw is oorspronkelijk een nonnenklooster geweest. De zusters van St. Agnes, naar haar kleeding ook Grauwe Zusters genoemd, hadden er kort na 1400 reeds haar woning, die na dien tijd zeer vergroot is.
Het Prinsenhof. Het Admiraliteitsjacht ligt voor den hoofdingang. (vergroting: 1771×1195, 281kb)

Na de Hervorming was het echter met den bloei der kloosters gedaan. Ook het St. Agnietenklooster verminderde zeer in bewoonsters. In 1575 werd dan ook reeds een groot deel van het gebouw tot andere doeleinden in gebruik genomen. Sommige vertrekken werden ingericht tot logement voor den Prins van Oranje, als deze in de stad vertoefde, andere tot woning van den pensionaris der stad. Oldenbarnevelt, die van 1576 tot 1586 deze betrekking heeft bekleed, had hier zijn woonplaats. Sinds 1593 zijn de overgebleven nonnen in het Gasthuis ondergebracht en hebben de Heeren van de Admiraliteit van de Maze hun kantoor in het Prinsenhof. Zij zijn de bestuurders van het deel der vloot, dat in Rotterdam thuis behoort.
Johan van Oldenbarnevelt. (vergroting: 1188×1452, 217kb)

Behalve dit klooster heeft Rotterdam nog andere binnen zijn muren gekend.
In 1441 werd het Cellebroedersklooster aan de Delftsche Vaart, dicht bij de Kerk gevestigd. De Cellebroeders waren zeer godvruchtig en leidden een sober bestaan.
Ze wijdden zich aan het verplegen van zieken en het afleggen en begraven van dooden, die zij zingende ten grave droegen, waarom zij ook wel „Lollaerts” werden genoemd. Vooral bij het heerschen van een besmettelijke ziekte, zooals pokken en pest, waren de Cellebroeders20) goud waard. Waar soms het geheele gezin door de vreeselijke ziekte was aangetast, waar niemand de besmette woning durfde betreden, daar gingen de Cellebroerkens binnen, en al konden zij geen genezing brengen, ze gaven tenminste troost en verlichting van lijden en zorgden voor een Christelijke begrafenis van de gestorvenen. In hun stemmig zwarte kleeding liepen zij barrevoets rond; daarom werden ze ook wel Zwarte monniken of Barrevoeters geheeten.
Nog van een ander mannenklooster willen wij u wat mededeelen.
Keeren we daartoe langs de Botersloot en de Kipsloot terug. We zijn in de Oostwagenstraat21), zoo genoemd, omdat hier het Goudsche Wagenveer afrijdt. Volgen we de helling naar den dijk en slaan wij linksom naar het Oosteinde der Hoogstraat. Ook hier heeft een klooster gestaan. Het was dat van de Predikheeren of Dominicanen. Deze vrome heeren kwamen reeds in het begin der 15de eeuw in Rotterdam prediken. Hun eerste gebouw, een schenking van een godsdienstig poorter, stond in de Lombardstraat. Het aantal monniken nam echter dermate toe, dat men reeds in 1444 er toe overging hier op het Oosteinde een klooster te bouwen. Het bevatte meer dan honderd cellen voor de kloosterlingen, die lang zoo sober niet leefden als de Cellebroeders. Zij zagen dan ook niet, zooals deze ongeletterde monniken, altijd maar weer smart en ellende rondom zich. Hun aandacht en bemoeiingen betroffen meer de levenden. Wie behoefte gevoelde aan een geestelijk woord, hij trad de prachtige kapel der „heeren” binnen om straks, gesterkt door de gehoorde „preek”, weer aan den arbeid te gaan. Vele der Dominicanen wijdden zich aan de studie. Zij waren de dragers der wetenschap; de geleerden, die boeken schreven en versierden met prachtige gouden en zilveren letters. Anderen onderwezen de zonen der rijke poorters of arbeidden in den grooten kloostertuin, die zich ver tot over de Achterkloostergracht uitstrekte.
Bij den brand in 1563 is ook dit klooster voor het grootste deel vernield. Twee jaar later is het gedeeltelijk opgebouwd en weer door de monniken in gebruik genomen. Thans echter doet het dienst als Gasthuis. Nadat het Stadhuis geheel door de Vroedschap in gebruik was genomen, is dit ziekenhuis ondergebracht aan de Kipsloot, sinds 1575 in het oude Predikheerenklooster.
Nog andere inrichtingen van liefdadigheid vinden we op dit deel der Hoogstraat.
Het Heilige Geesthuis of Oudemannenhuis, een stichting van Aelwijn Floriszoon van der Meer, biedt een onderkomen aan XIII ouden van dagen, waarom ze ook wel „de kamer van XIII” genoemd wordt. Het is geen toeval, dat de inrichting juist aan een dertiental een onderkomen biedt. Met opzet is dit aantal vastgesteld, als een herinnering aan Jezus en zijn 12 discipelen.
Behalve deze dertien, die een te huis vinden in het gebouw, verschaft de stichting nog aan velen onderstand in den vorm van brood, turf, enz. De bedeelden dragen een penning, waarop een duif is afgebeeld, het zinnebeeld van den Heiligen Geest, „van den geest des vredes en der liefde, het schoonste beeld van een weldoend, zachtaardig Christendom”.
Kaatje. Een verpleegde uit het Oudevrouwenhuis op de Hoogstraat. (vergroting: 807×1427, 137kb)

Waarvoor dient dat nieuwe gebouw naast het Gasthuis? Laten wij maar eens nader treden en het opschrift op dien ingemetselden steen lezen:
„In 't jaer 1599, sonder confuis, Heeft Jan Claessoen den eersten steen gelegt van dit Huis”.
Dat zegt ons nog niet veel. Misschien geeft het opschrift op dien anderen steen meer licht.
„De Heeren van de Stadt hebben bedogt Dit Huis te bouwen Voor Mans en Vrouwen Die met de gave Godts sullen werden besocht”.
Onwillekeurig deinzen wij een schrede terug, nu we begrijpen, dat wij voor het Pesthuis staan. Toch behoeven wij niet bang te zijn voor besmetting. De „Zwarte dood” heerscht thans niet in de stad. Nog maar enkele jaren geleden23) heeft de „pestilentie” echter op een vreeselijke wijze gewoed. Honderden zijn er aan gestorven. Om de besmetting tegen te gaan, verordineerde het Stadsbestuur toen, dat op marktdagen niet in den namiddag zou begraven worden en dat er geen vrouwen mede ter begrafenis mochten gaan. Gelukkig is thans de ziekte weer geweken en wordt het gebouw op het oogenblik alleen gebruikt als Dolhuis. De „dollen” of krankzinnigen worden er verpleegd, vandaar dat de inrichting den dubbelen naam van Pest- en Dolhuis draagt. Bij de laatste epidemie is echter de wenschelijkheid gebleken van een afzonderlijk gebouw voor de zinneloozen. Men heeft er dan ook reeds over gedacht naast het Pesthuis afzonderlijke Dolhuisjes te bouwen. Vóór 1598 was het Pesthuis op het eind van de Oostwagenstraat bij de Goudsche Poort, in het vroegere vrouwenklooster van St. Anna. Thans is daarin het Weeshuis gevestigd, dat eertijds in de Weste Wagenstraat en nog vroeger op de Hoogstraat, tegenover deze straat stond24).
En hiermede zullen wij onze wandeling maar eindigen. Nog veel meer zou er in de stad te bezien zijn, doch het merkwaardigste hebben we bekeken.
Laten wij van onzen vermoeienden tocht wat uitrusten en ons verfrisschen in de taveerne „de Vergulde Valk” daar vlak bij ons, om daarna de stad te verlaten. Het zal toch zoo heel lang niet meer duren, dat de poortklok geluid wordt en dan—ge weet het—wordt de poort gesloten.