11. Rotterdam vergroot naar de Maas.
Reading edition
„Daar hij15) slib en slijk weleer Uit zijn kill' plagt op te lossen, Ziet hij nu de speelkarossen Daeglijks rijden ginds en weer”.
Na het vertrek van Bossu met zijn soldaten heeft Rotterdam de Spanjaarden gelukkig niet meer binnen zijn muren gezien. Na het ontzet van Leiden in 1574 werd het oorlogstooneel, dat steeds in de Noordelijke Nederlanden geweest was, zuidelijker verplaatst.
In twee opzichten is dit voor de Noordelijke steden—ook voor Rotterdam—van groot belang geweest.
Nu toch konden handel, scheepvaart en industrie, die voor een goed deel verloopen waren, zich weer herstellen van de toegebrachte slagen. Dank zij de inspanning en volharding onzer voorouders merken we dan ook ± 1600 in haast alle steden—en niet het minst in onze stad—een wederopbloei van deze middelen van bestaan. Weldra heerschte er in de koopsteden een betrekkelijke welvaart, zooals men die vóór den oorlog niet had gekend.
Middellijk had hiertoe de oorlog zelf mede geholpen.
Het verblijf van de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden toch, deed een groot aantal kooplieden en handwerkslieden die gewesten ontvluchten en zich in de groote steden in Noord-Nederland vestigen. Na de Spaansche Furie in 1576 en vooral na den val van Antwerpen in 1585, kwamen velen uit deze en andere Belgische steden naar ons land. Middelburg, destijds een flinke koopstad, zag op deze wijze in drie jaar tijd zijn bevolking met 2700 nijvere burgers vermeerderen. De toeloop in Rotterdam was niet zóó groot, maar toch kwamen er hier ook heel wat, zoo bv. in 1584 vijftig weversgezinnen. Het stadsbestuur zag zulke gasten gaarne komen. Zij verstonden—en in den regel goed—een ambacht, brachten op deze wijze nieuwe industrieën in de stad en daardoor leven en vertier, werk en brood.
Het gevolg van dezen toevloed van nieuwe bewoners was al heel spoedig een te kort aan woningen, zoodat men alle nog beschikbare ruimten ging bebouwen.
In dien tijd zijn toen een groot aantal huisjes verrezen tusschen Goudschesingel, Goudsche Wagenstraat, Kipsloot en Pannekoekstraat. Bijkans dit geheele stuk was nog onbebouwd en in gebruik als boomgaard, weiland en lijnbanen. Langs de talrijke slootjes, die dit terrein doorsneden, bouwde men in smalle, donkere straatjes, huizen, die natuurlijk erg vochtig en ongezond moesten zijn.
Hier en daar bracht men, op erg ondiepe bouwterreinen, de huizen met den achterkant zelfs tot aan het water. Voorbeelden van deze bouworde kunnen we nog heden ten dage zien aan het Hang en de Weste-Wagenstraat.
Niet alleen dat er gebrek aan huizen ontstond, men kreeg evenzoo een te kort aan werkplaatsen, pakhuizen en havenruimte. Daarom ging men er toe over de stad uit te breiden en wel naar den waterkant, dus naar de Maaszijde. De Blaak en de Nieuwe Haven waren de stadsgrachten; daar voor strekte zich een groot terrein uit, rivierslib, door de Maas zelf gedurende eeuwen daar neergelegd. Dit gors of slik werd opgehoogd, omdat het veel te laag en moerassig was, om, zooals het daar lag, in gebruik te worden genomen. Den grond voor deze ophooging verkreeg men, doordat men tegelijk havens ging graven. Zoo ontstonden: Haringvliet, Buizengat, Leuvehaven, waarvoor men de Leuve alleen had uit te diepen en te verbreeden, Glashaven, Bierhaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven16).
De namen dezer havens duiden al aan, waarvoor ze voornamelijk dienden, òf waar de Rotterdammers hun bestaan in vonden. De wijnhandel en de bierbrouwerij waren van zoo groote beteekenis, dat er twee havens naar werden genoemd. Twee andere herinneren ons aan de visscherij; de Scheepmakershaven aan de scheepsindustrie. De Glashaven verkreeg haar naam, omdat het eerste gebouw aan deze haven een glashuis of glasblazerij was.
Om de stad, die nu tot aan de Maas gebracht was, te versterken, werden er verschillende bolwerken gemaakt. Deze zijn thans al lang verdwenen, maar het tegenwoordige Bolwerk duidt nog aan, waar één er van gelegen heeft. Achter de Scheepmakershaven bouwde men langs de Maas een muur. Hier zou dus het landen voor vijandelijke schepen al heel gemakkelijk gemaakt zijn. Dit was echter niet de bedoeling en daarom werden er langs de geheele Maaszijde, op een afstand van eenige Meters, palen in de Maas geslagen, die dus als verdedigingsmiddel bedoeld waren.
De Boompjes, met het Oost-Indisch huis op den voorgrond. (vergroting: 1191×1023, 217kb)

De werven, die aan de Scheepmakershaven ontstonden, lieten tusschen deze en de Maas nog een breede strook grond open. Hier werden door het Stadsbestuur drie rijen lindeboomen geplant (later vervangen door twee rijen olmen), die aan deze wandelplaats, want dit werd het, den naam Boompjes gegeven hebben. Daar kon men in de 17de eeuw, op zomersche dagen, wanneer de brandende zon den geheelen dag had gelaaid en gestoofd en de sloppen en stegen tot ovens had gestookt, de Rotterdammers, zoowel rijken als armen, verkwikking en verpoozing zien zoeken in het frissche rivierwindje en den heerlijken aanblik, die de zacht deinende Maas met haar langzaam naar den mond der Oude- of Leuvehaven voortglijdende schepen aanbood.
Om den toegang tot deze havens te beschermen, werden er vier poorten gebouwd. Die aan de oostzijde van de Oudehaven werd de mooiste. Ze is later bekend geworden als de Oude Hoofdpoort en gebleven tot 1856, toen dit kunstwerk, daar men het voor het verkeer hinderlijk achtte, onder sloopershanden is gevallen. Modellen in het Museum van Oudheden vertellen ons thans nog, hoe de Rotterdamsche poorten er hebben uitgezien.
De Oude Hoofdpoort van de Maaszijde gezien. Het scheepje, dat als windwijzer dienst doet, wordt in het Museum van Oudheden bewaard. Het gat in het zeil is door een in 1830 naar België vertrekkenden schutter daarin geschoten. (vergroting: 1700×1187, 230kb)

Des nachts werd de toegang tot de haven tusschen de twee poorten afgesloten door een zwaren balk, met stevige ijzeren punten bezet.
Aan de westzijde der Leuvehaven werd de stad eveneens uitgelegd. De Coolsingel werd als Schiedamschesingel tot in de Maas verlengd. Aan dezen nieuwen Singel werden twee bolwerken gebouwd. Eén ervan lag ter plaatse, waar de Singel de bocht maakt naar het Vasteland. Ook moest de Schiedamsche Poort, die op het begin van den Schiedamschedijk stond, verplaatst worden. Ze werd op het Vasteland gebouwd en kreeg om haar kleur den naam van Roodepoort. Tusschen den Coolsingel en den Schiedamschesingel kwam ten slotte de Binnenwegsche Poort, die toegang tot den Binnenweg gaf.
Dit alles was voor dien tijd een reuzenwerk, dat jaren tijds en schatten gelds kostte. Dat men het noodig oordeelde en durfde ondernemen, is wel het beste bewijs voor de welvaart, die hier heerschte; den sterken vooruitgang, dien men verwachtte; den grooten ondernemingsgeest en den ver vooruitzienden blik, dien onze Vroedschap bezat; want ge begrijpt wel, dat die havens zich niet als door een tooverslag vulden, dat de kaden niet direct geheel en al bebouwd werden. Dit ging geleidelijk. Woonhuizen hebben zelfs in dit stadsdeel lang op zich laten wachten. Maar een glasblazerij, pottebakkerijen, bierbrouwerijen, touwbanen, scheepswerven, met daartusschen pakhuizen voor de koopmansgoederen—ze verrezen tamelijk spoedig.
Een schrijver uit dien tijd, die al die veranderingen heeft zien worden, noemde het dan ook bijkans een wonder, dat geschied was.
En de nog onbebouwde gedeelten zouden zich vullen in de eeuw, die men was ingetreden, die voor geheel ons land, voornamelijk voor de groote steden en zeker niet het minst voor Rotterdam in zooveel opzichten is geworden de „Gouden Eeuw”.