5. De St. Laurenskerk.
Reading edition
Jongens, jongens, als die eens vertellen kon, wat er al gebeurd is in den tijd, dat zij daar staat, wat zouden we dan een massa te hooren krijgen. De Groote Kerk toch is het alleroudste gebouw in Rotterdam; al vijf eeuwen staat ze daar op dezelfde plaats en hoe lang zal ze den tand des tijds nog wel kunnen doorstaan? Ze ziet er nog niet naar uit, dat ze al vijfhonderd jaar allerlei stormen getrotseerd heeft en toch is dat zoo.
S. Laurentius Martyr. (vergroting: 709×1199, 192kb)

In het begin der 15de eeuw was Rotterdam nog maar een klein plaatsje met niet meer dan 1200 huizen—op 1 Januari 1911 waren er 45751 gebouwen, die 94870 woningen bevatten. Onder de regeering van Graaf Albrecht heerschten er rust en welvaart in deze gewesten. Ook Rotterdam profiteerde van die rust en ging goed vooruit. De poorters wenschten een bedehuis te bezitten, hetwelk wedijveren kon met dat der omliggende plaatsen, ja, als het kon, de kerken uit den omtrek overtreffen. Dat was geen kleinigheid voor zoo'n kleine plaats, maar de geheele burgerij was vol moed het grootsche plan uit te voeren. Hoe aan het geld voor den bouw te komen? Vele burgers schonken vrijwillige bijdragen; wie als poorter zich binnen de muren der stad vestigde, moest 3000 steenen leveren voor den kerkbouw. Heel wat opgelegde boeten kwamen het bouwfonds ten goede; allerlei belastingen werden ten bate van den kerkbouw aangewend. Ofschoon het geld voor den bouw der geheele kerk nog lang niet bij elkaar was, begon men toch met moed en hield zich overtuigd het tot een goed einde te zullen brengen.
In 1409 werd de eerste spade in den grond gestoken; in 1412 werd de eerste steen gelegd; in 1426 kon een deel der kerk in gebruik genomen worden.
Volgens Katholieke gewoonte werd zij aan een Heilige gewijd en wel aan den Heiligen Laurentius. Bij zijn leven was Laurentius een der zeven diakenen of armverzorgers der kerk van Rome, onder Paus Sixtus II. Toen deze Paus op bevel van Keizer Valerianus gevangen genomen werd, begeleidde Laurentius hem naar de strafplaats. Daar werd hem door den Prefect van Rome bevolen alle rijkdommen der Kerk, welke hij onder zich had, uit te leveren. Laurentius vroeg drie dagen uitstel om aan het bevel gevolg te kunnen geven; hij verkreeg dit, verkocht in dien tijd alle kostbaarheden en verdeelde de opbrengst onder de armen. Toen de Prefect na drie dagen bij hem kwam om de schatten in bezit te nemen, toonde Laurentius hem een aantal armen en gebrekkigen en zei: „Ziedaar de schatten der kerk”. Volgens de overlevering was de Prefect over deze handelwijze zoo vertoornd, dat Laurentius gegeeseld en op een rooster levend verbrand werd. Onder de regeering van Keizer Constantijn den Grooten werd op de plaats, waar Laurentius begraven werd, een der zeven patriarchale zuilenkerken van Rome gebouwd.
De naamdag van den Rotterdamschen beschermheilige, 10 Augustus, wordt nog ieder jaar herdacht; vroeger met groote plechtigheid. Na het einde der Hoogmis trok een processie, waaraan aanvankelijk slechts geestelijken, maar later ook de schutters en ambachtsgilden deelnamen, door de versierde straten.
Aert van Nes. (vergroting: 1193×1658, 339kb)

Evenals met zooveel oude kerken het geval geweest is, is ook onze Sint-Laurenskerk niet achter elkaar afgebouwd. Nu eens ontbrak het aan geld om verder te bouwen, dan weer maakten de Hoekschen met hun kaperschepen het den Rotterdammers zoo lastig, dat zij wel aan wat anders te denken hadden, dan aan den opbouw van het bedehuis. Eerst tegen het einde der 15de eeuw kon men zeggen, dat het gebouw voltooid was. Bijna een eeuw lang was men met groote tusschenpoozen bezig geweest het trotsche gebouw, dat wij nog dagelijks kunnen aanschouwen, te doen verrijzen. De Kerk was voltooid, maar de toren nog niet. In 1449 was men met den bouw hiervan begonnen. Aanvankelijk was hij door een smal watertje van de kerk gescheiden. Het hoogheemraadschap van Schieland had nl. bezwaar gemaakt „de Sluysvliet” te dempen, daar er niet voor een goede afwatering kon gezorgd worden. Doch in 1460 geloofde men, dat het dempen van het watertje geen overwegend bezwaar zou opleveren. Het schip der kerk werd nu zoover verlengd, dat kerk en toren één geheel uitmaakten. Op het einde der 15de eeuw was men met den torenbouw nog niet verder gevorderd, dan tot het dak der kerk. Eerst in 1548 werd de toren belangrijk verhoogd; een eeuw later, in 1645 nog eens, zoodat hij toen zijn tegenwoordige hoogte bereikte. Oorspronkelijk bestemd voor den dienst der Roomsch-Katholieken, ging de kerk, na de Hervorming in deze gewesten, in 1572 aan de Hervormden over. Sedert dien is zij in het bezit der laatsten gebleven.
Graftombe van Witte Cornelisz. de With. (vergroting: 764×975, 136kb)

Het mooiste gedeelte van de Kerk is het koor; het was oorspronkelijk dan ook bestemd de aandacht der talrijke bezoekers te trekken. Immers, daar stond eens het hoogaltaar, waar de plechtigste missen werden gehouden. Het fraaie koperen hek, dat het koor sinds 1715 afsluit, is door den kopergieter F. van Douwe vervaardigd en kostte niet minder dan de voor dien tijd kapitale som van 32000 gulden.
In het koor liggen verschillende beroemde personen begraven; o. m. Aert van Nes, de rechterhand van admiraal De Ruyter, die meer dan 50 jaren lang—van 1637 tot 1692—het land zijn diensten heeft bewezen. Was hij op het veld van eer gesneuveld, wellicht had men voor hem ook een sierlijk monument opgericht, evenals voor Witte Cornelisz. de With, wiens graftombe ten zuiden van het koor te vinden is.
Tot blijvende gedachtenis aan dezen zeeheld, die van 1579 tot 1658 bijna onafgebroken de zee bevaren heeft en in 1658 in de Sont sneuvelde, werd in 1660 deze schoone graftombe opgericht. Het geharnaste beeld van den held ligt uitgestrekt op een sierlijke lijkbus, waarvoor twee kinderen een keurige afbeelding ontrold houden van den zeeslag, waarin hij het leven liet. Aan de voeten staat de geopende, gepluimde helm. Tusschen twee gevlamde marmeren kolommen vinden we den aardbol, daarachter den steen, die in gouden letters den roem en de bedrijven ter zee van den „Kregel Mennoniet”8) in het Latijn vermeldt. Links van den steen staat de zeegod Neptunus, met den drietand in de hand en een dolfijn aan zijn voeten; rechts zien we den krijgsgod Mars, met den haan als zinnebeeld der waakzaamheid. De twee kinderen boven houden het wapenschild van W. C. de With vast. Evenals zoovele geslachtswapens is ook dit in den Franschen tijd weggehakt. Het bestond uit drie geknotte vogels door een kroon gedekt. Op de kolommen rust een kroonlijst; daarop bevinden zich de wapenschilden van ons land, dat van Rotterdam en dat der Admiraliteit van Holland en West-Friesland, waarvan De With in 1637 vice-admiraal geworden was. Tusschen deze wapens bevinden zich twee beelden, de Zeevaart en de Faam voorstellende. Vlaggen, wimpels, scheeps- en krijgstuig voltooien het geheel, dat door den beeldhouwer Ricx vervaardigd werd en door een ijzeren hek omgeven is.
Johan van Brakel. (vergroting: 795×985, 110kb)

In de Metselaarskapel, achter de tombe van De With, hangt een schilderij met het onderschrift „gebouwd op het fondament der apostelen en profeten”. Op het schilderstuk zien wij een burcht, waarvoor kinderen de attributen van het metselaarsvak opheffen. Beneden vinden we de zerk, die het stoffelijk omhulsel van Johan de Liefde dekt, die als vice-admiraal in den zeeslag bij Kijkduin (1666) sneuvelde. In de daarachter liggende Schoenmakerskapel is Johan van Brakel, schout-bij-nacht van Holland en West-Friesland, die in 1690 tegen de Franschen sneuvelde, begraven. De wit marmeren zerk draagt het volgende opschrift:
Hier rust d' Heer Johan van Brakel Schoudt bij Naght van Hollandt en West-Vrieslandt geschooten in de bataelje tegen de France Koninghs vloot den 10 Julius 1690.
Tegen den muur prijkt het borstbeeld van den zeeheld, eveneens van wit marmer. De buste is door een lauwerkrans omgeven. Daaronder vinden we een Latijnsch bijschrift en het volgend Hollandsch gedicht:
Door ketens, donders, loot en staal en bliksemstraalen Te vliegen, en een roof op 's vijands grond te haalen, Was Brakels werk, die zijn triomf rukte uit den brand Zijn naam en krijgsdeugd eert zijn graf en Vaderland.
Als pendant van de graftombe van W. C. de With, vinden we links van het koor het monument van Egbert Meeuwisz. Kortenaer, die in 1665 bij Lowestoff tegen de Engelschen sneuvelde. Op de tombe ligt het beeld van den dapperen held in wit marmer uitgehouwen. Zijn hoofd rust op een gevlochten matras; den bevelhebbersstaf houdt hij in de handen geklemd. De verminking aan het linkeroog en de rechterhand, waarvan het grafschrift spreekt, is duidelijk te zien. Aan de voeten merken wij weer den gepluimden helm en achter het beeld een zegetronk met een sierlijken lijfrok behangen, die op den linkerarm een schild, vroeger het familiewapen vertoonende, draagt. Vier ranke, wit marmeren pilaren dragen het zwarte frontespice met het wapenschild der Generaliteit, een kroon en twee kruiswijs liggende ankers. Op de kroonlijst vinden we weer een Latijnsch opschrift. Op de tombe zelf lezen we het bekende gedicht van Gerard Brandt:
De Heldt der Maes, verminckt aen oog en rechterhandt En echter 't oog van 't roer, de vuyst van 't Vaderlandt De groote Kortenaer, de schrick van 's vijants vlooten D' ontsluyter van de Sondt, leyt in dit graf beslooten.
Graftombe van Egbert Meeuwisz. Kortenaer. (vergroting: 723×971, 124kb)

Tal van vlaggen en ander oorlogstuig voltooien weer het geheel, dat door den beeldhouwer Verhulst vervaardigd, in het laatst van 1669 werd opgericht.
Wel niet aan een of ander zeegevecht, maar toch aan een belangrijke gebeurtenis uit onze geschiedenis herinnert het Julianaraam, dicht bij de graftombe van Kortenaer. Dit is ter blijvende gedachtenis aan de geboorte van prinses Juliana opgericht. Het geeft ons Koningin Wilhelmina met de kleine Prinses te zien; Prins Hendrik staat naast haar onder het baldakijn, waarover de „Oranjezon” haar stralen op de jonggeborene schiet.
Rotterdams stedemaagd wordt gevolgd door de Zeevaart, de Binnenvaart, den Koophandel en de Industrie en brengt Hare Majesteit hulde; een page draagt het wapen der stad, terwijl Fortuna haar gaven voor den troon nederlegt.
Op den achtergrond ziet men de Maas met de stad in het verschiet; tusschen de wolken slingert zich een lint met de woorden: „Wilhelmus van Nassauwe ben ick van Duytschen bloedt”.
Op de onderste helft vinden we de wapens van het Huis van Oranje, van Prins Willem I tot Koningin Wilhelmina ter eener zijde, aan den anderen kant de wapens der elf Provinciën. Tusschen deze verschillende wapens staat de opdracht:
„Ter herdenking van de geboorte van H. K. H. Juliana, Louise, Emma, Marie, Wilhelmina, Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Mecklenburg, enz. enz. den 30sten April 1909”.
Hoewel er in de Kerk nog heel wat geschiedkundige herinneringen door de opschriften op de zerken kunnen gewekt worden, willen wij het hierbij laten om nog een kort oogenblik te verwijlen bij den fraaien preekstoel, door het doophek omringd en in 1707 vervaardigd. De balustrade der trap is met mooi houtsnijwerk versierd. De glorie der kerk is en blijft echter het orgel, een der grootste van ons land. Reeds lang voor dat de Sint-Laurens voltooid was, bezat de kerk een orgel. In het laatst der 18de eeuw bleek een nieuw instrument dringend noodig te zijn. De Fransche tijd was evenwel niet geschikt om het groote werk te bevorderen en eerst in 1828 was het orgel voltooid. In 1845 is het hersteld en vergroot met een vierde klavier.
Enkele jaren geleden heeft het belangrijke herstellingen ondergaan. De reusachtige pijpen in het front zijn 32 voet hoog, de grootste dier pijpen (in het geheel zijn er ruim 5000) weegt 500 pond. De engel met de bazuin is 5 Meter hoog. Een voetstuk met twaalf marmeren zuilen draagt het orgel, dat 126000 gulden gekost heeft.
Hier volgt nog een vertaling der Latijnsche opschriften in de les genoemd:
1. Op het grafmonument van Egbert Meeuwiszoon Kortenaer:
„Voor den onvergelijkelijken held Egbert Meeuwisz. Kortenaer hebben de Edelmogende Heeren der Admiraliteit van de Maas dit gedenkteeken van heldendeugd en roemrijken dood gesticht”.
2. Op het grafmonument van Witte Cornelisz. de With:
„Aan de verdiensten en onsterfelijkheid van den Ridder Witte Corneliszoon de With”.