← Table of contents
Langs Rotte, Maas en Schie. I.

4. De Jonker Fransenoorlog.

Reading edition

I.

't Lust mij in het breed te melden Hoe zij vaek werd aengetast Of door Jonker Frans verrast.

Rotterdam lag dus nu versterkt aan de Maas. In de rumoerige tijden, die volgden, was dit van zeer groot belang. Heeft men hier toch reeds de nadeelige gevolgen van den burgeroorlog ondervonden, het is maar moeilijk te zeggen, hoe het met onze stad gegaan zou zijn, indien ze gedurende dit tijdperk niet van muren en grachten voorzien geweest was.

Driemaal heeft Rotterdam van zeer nabij kennis gemaakt met deze bloedige twisten.

Allereerst in 1358, toen Willem V krankzinnig werd en zijn broer Aelbrecht hem als ruwaard verving. Delft weigerde hem als zoodanig te erkennen, waarom de Hertog een heirvaart tegen de weerspannige stad uitschreef. Rotterdam nam, evenals andere omliggende steden, deel aan het beleg, dat 10 weken duurde. Toen de stad zich overgegeven had, werden de bewoners tot strenge straffen veroordeeld: 1000 burgers moesten blootshoofds en barrevoets vergiffenis vragen. Met hangende haren en in haar beste kleeding, moesten 500 vrouwen voor haar echtgenooten het behoud hunner betrekkingen komen afsmeeken. Bovendien werden velen voor goed verbannen en de verdedigingswerken der stad geslecht. En alsof dit alles nog niet genoeg was, werd de stad een boete van 60 000 Brugsche schilden4) opgelegd.

In 1426 zagen de Rotterdammers van nog meer nabij den strijd. Toen woedde hij onder de muren hunner stad. In dat jaar toch werden door de Hoekschen de kasteelen Honingen, Weena en Spangen verwoest. Ook het slot te Hillegersberg, waarvan men nog heden ten dage de ruïne kan zien, moest het ontgelden. De stad zelf liep bij deze gelegenheid vrij, maar wat zou haar lot geweest zijn, indien zij niet versterkt geweest was!

Het Slot te Hillegersberg. (vergroting: 1760×1130, 249kb)

Het Slot te Hillegersberg.
Het Slot te Hillegersberg.

II.

We schrijven 1488. Meer dan 60 jaren reeds zijn er verloopen, sedert de Kennemer vrijbuiters onder Jan van Nagel de Rotterdammers met angst en beven naar de brandende kasteelen in den omtrek hebben doen staren. De strijd tusschen de rood- en grauwmutsen loopt ten einde. De Hoekschen hebben steeds meer en meer in aanhang en macht verloren en zich teruggetrokken in hun laatste wijkplaats: Sluis. Nog eenmaal zullen ze een poging wagen om hun oude macht en aanzien te herwinnen. Jonker Frans van Brederode zal hun aanvoerder zijn. Wel is hij jong, zoodat aanvankelijk niet allen hem als hun gebieder willen erkennen, maar hij is een afstammeling van een der oudste en edelste geslachten; de naam Brederode heeft een goeden klank en de tweeëntwintigjarige jongeling wordt als hoofd gekozen. Als hij na eenige aarzeling beloofd heeft de Hoeksche zaak met zijn zwaard en, moet het zijn, met zijn leven te dienen, toont hij zich een waardig zoon van een roemrijke familie: zonder dralen ontwerpt hij een plan van aanval.

Den 18den November zeilt hij, met een vloot van 48 schepen, bemand met 2000 Hoekschen, de Maas op. Tot Delfshaven kunnen zij het brengen, dan belet de ijsmassa het verder voortvaren. Acht honderd en vijftig man worden in alle stilte ontscheept; zij zullen trachten Rotterdam te overrompelen, terwijl de anderen achterblijven om de vloot te beschermen. Over het landijs en den hard bevroren grond trekt een deel den Coolpolder door tot voor den Heer Jan Vettentoren5). Behoedzaam kruipt men over het ijs in de gracht, dat de zorgelooze Rotterdammers vergeten hebben stuk te hakken. En dit was toch wel noodig geweest, daar de muren in een zeer bouwvalligen toestand verkeeren. Met groote behendigheid worden de stormladders aan de muren gehaakt, als katten klauteren de Hoekschen er tegen op en de eerste vijanden zijn weldra in de stad. Vlug volgen de anderen. Nu allen naar de Schiedamsche Poort. De wachters, in slaap verzonken, zijn overrompeld, voor ze aan tegenweer kunnen denken; de poort wordt geopend en de rest der 850 manschappen, die over den Schiedamschedijk tot voor de poort zijn genaderd en zich in het langs den dijk groeiend riet verborgen hebben, komen binnen. De andere stadspoorten en het Stadshuis worden bezet en als de morgen aanbreekt, is de stad in handen der vijanden, zonder dat er één doode gevallen is. Aan tegenweer is niet gedacht, men kende het aantal Hoekschen niet, en bovendien, velen in de stad maakten gemeene zaak met Jonker Frans.

De Rotterdammers schikten er zich wonderwel in, zoo eensklaps van Kabeljauwsch Hoeksch te zijn geworden. Niet weinig droeg daartoe bij de verstandige handelwijze van Jonker Frans, die de Rotterdammers liever te vriend, dan te vijand maakte. Alleen de hoofden der tegenpartij moesten de stad verlaten.

Om zijn manschappen tevreden te stellen, kregen zij als buit de Keulsche, Brabantsche, Engelsche, Fransche en Oostzeeschepen, die met koren, wijn en andere goederen geladen, in de havens aangetroffen werden.

Jonker Frans begreep zeer goed, dat hij in zijn veroverde veste niet met rust gelaten zou worden. Om goed tegenweer te kunnen bieden, moest vooral de rivierzijde beter versterkt worden. Mannen, zoowel als vrouwen en kinderen werden hiertoe opgeroepen. Niettegenstaande den strengen vorst, die den grond zoo hard als ijzer maakte, kwamen de verdedigingswerken, dank zij de vele handen en den ijver, waarmee gewerkt werd, binnen vijf weken gereed.

Maximiliaan van Oostenrijk. (vergroting: 1157×1666, 297kb)

Maximiliaan van Oostenrijk.
Maximiliaan van Oostenrijk.

Wat de Hoeksche aanvoerder verwacht had, gebeurde. Maximiliaan van Oostenrijk, die voor zijn minderjarigen zoon Filips den Schoonen, na den dood van diens moeder Maria van Bourgondië, regeerde, riep de groote steden op tot een heirvaart tegen Rotterdam. Persoonlijk kwam hij naar deze landen om tot krachtige hulp op te wekken. Haarlem, Leiden, Amsterdam, Naarden, Muiden, Weesp, den Haag, Dordrecht, Gouda, den Briel, Vlaardingen, Schiedam en Delft gaven aan den oproep van hun landsheer gehoor en Rotterdam werd aan alle zijden ingesloten. Aan de Maaszijde werd de stad bedreigd door de Kabeljauwsche schepen, terwijl het voetvolk te Schiedam, Overschie, Bleiswijk, Nieuwerkerk en Capelle aan den IJsel werd gelegerd. De Hoekschen zaten dus als een muis in de val; van alle kanten werden ze bedreigd.

Vóór evenwel het net, waarin de vogel gevangen moest worden, toegehaald was, hadden de Hoekschen al heel wat ellende en rampen veroorzaakt. Beschouwden zij de Rotterdammers zoo half en half als hun bondgenooten, wien men derhalve zoo min mogelijk overlast aandeed, de omliggende plaatsen werden met de gewone wreedheid dier tijden op een gruwelijke wijze gebrandschat. Uren ver werden de rooftochten uitgestrekt, men waagde zich zelfs tot den Haag, Woerden, Schoonhoven en Geertruidenberg. De plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van Rotterdam hadden, zooals te begrijpen is, het meest te lijden. Open vlekken en alleenstaande boerenwoningen vielen den Hoekschen zonder slag of stoot in handen. Wie zich verzette, werd gedood, of zag minstens zijn huis in vlammen opgaan.

Schiedam, hoewel goed versterkt en bewaakt, kreeg ook bezoek van de ruwe gasten.

Den 4den December vertoonen zich voor de Ouwerschiesche Poort honderdvijftig, met buit beladen Hoekschen. De Schiedammers doen een uitval en de Hoekschen slaan op de vlucht met achterlating van den roof. De Schiedammers zetten hen na en ..... loopen in de val. Even voorbij het kasteel Starrenburg6) aan den weg naar Ouwerschie gelegen, worden ze in den rug aangevallen door een troep Hoekschen, die zich in den boomgaard verscholen hebben. De vluchtelingen keeren ook om, zoodat de Schiedammers tusschen twee vuren zitten en haastig een goed heenkomen moeten zoeken. Velen hunner sneuvelen.

Natuurlijk zinnen zij op wraak.

Als de Rotterdammers een poosje daarna met een groot aantal schepen de Maas zijn afgevaren en met buit beladen naar hun stad terugkeeren, zien ze zich tusschen Vlaardingen en Schiedam door de Schiedammers aangevallen. Weer is de zege aan de zijde der Hoekschen. Na twee uur strijdens worden de Kabeljauwschen met groote verliezen terug geslagen en de roovers bereiken veilig en wel hun woonplaats.

Na deze twee nederlagen meent Schiedam van batterij te moeten veranderen. Delfshaven, tusschen beide steden gelegen, zal door hen worden bezet, en vandaar uit zullen de Hoekschen worden bestookt.

Deze geven echter hun vijanden de gelegenheid niet het zoover te laten komen. Den 18den December trekken 300 Rotterdammers langs den dijk naar Delfshaven, dat geheel verwoest wordt. Geen huis of schip wordt gespaard, alles gaat in vlammen op. Het dorp Schoonderloo wordt eveneens in brand gestoken. Met buit beladen keert de bende des middags drie uur weer door de Schiedamsche Poort in de stad, zonder zich te bekommeren om al de ongelukkigen, die van huis en haard beroofd, in de strenge koude ronddolen.

Nu de Schiedammers zien, dat er met geweld niet veel tegen de Hoeksche roofbenden uit te richten valt, wenden ze het weer over een anderen boeg. Ze zullen het thans met list beproeven.

Tusschen de puinhoopen te Delfshaven graven ze diepe kuilen, die door takken, latten, rijs en stroo, met puin bedekt, onzichtbaar gemaakt worden. Vele gewapenden verbergen zich achter brokstukken muur, terwijl men er voor zorgt, dat in Rotterdam de tijding verspreid wordt, dat er een troep Schiedammers op weg naar Rotterdam is. Meer is er niet noodig om de Hoekschen uit hun tent te lokken. Gerard Rooftas krijgt van Jonker Frans verlof met vier schepen, bemand met 150 man, langs de Maas naar Delfshaven te stevenen. Ze roeien de haven in en stappen aan land. Geen spoor van vijanden is echter te zien. Ja toch, daar ginds vluchten zes of zeven man langs de Haven. De Hoekschen hen na, maar zooals ge begrijpt, niet ver, want eenige schreden nog en de aanvoerder met een dertigtal zijner mannen liggen in de modderputten te spartelen en te vloeken op de slimme Schiedammers. Deze komen natuurlijk uit hun schuilhoeken en vallen de verschrikte vijanden aan, die hals over kop naar hun schepen ijlen en met achterlating van een 60 tal dooden naar Rotterdam terugkeeren, waar ze nu juist wel niet vriendelijk door Jonker Frans ontvangen zullen zijn.

Rooftas en zijn makkers worden met groote moeite uit de modder geheschen, stevig gebonden en in triomf medegevoerd.

Deze welgeslaagde list geeft den Schiedammers nieuwen moed.

Als ze hooren, dat de roovers weer in het Overmaasche bezig zijn, trekken zij de Maas over en vinden daar de negen schepen, waarmee de Rotterdammers gekomen zijn en die slechts door een gering aantal mannen bewaakt worden. Vier zijn er spoedig genomen, de vijf andere worden op de vlucht gedreven. Nu gaan de veroveraars aan wal, de Hoekschen, die met grooten buit beladen, op den terugweg zijn, tegemoet. De landlieden, wien alles ontnomen is, zijn geprest om den roof met paard en wagen naar de schepen te brengen. Aan tegenweer denken de arme menschen niet; die is immers toch nutteloos en zal hun ellende slechts vergrooten. Daar komen echter de Schiedammers, die op hun vijanden indringen. Nu durven de boeren ook en met vereende krachten worden de roovers op de vlucht gedreven naar hun schepen ...., die er niet meer zijn. Medelijden kennen de verbitterde boeren, nòch de Schiedammers en zonder genade wordt ieder, die niet vluchten kan, neergeslagen.

Het spreekt van zelf, dat de Hoekschen op wraak zinnen. Schiedam zit hun bij alles, wat ze ondernemen, dwars.

Jonker Frans heeft spoedig een plan beraamd. In Schiedam zijn behalve schutters uit Haarlem, Leiden, Amsterdam en Delft, Duitsche en Zwitsersche huursoldaten gelegerd. Dat ze tegen de Hoekschen durven strijden, hebben ze bewezen. Maar niet altijd is er te vechten. Wat ze dan in Schiedam uitvoeren, is niet veel goeds. Menige vechtpartij tusschen de poorters en de ingekwartierden is daarvan reeds het gevolg geweest.

Een drietal van deze gehuurde helpers is ten slotte zoo op de Schiedammers gebeten, dat ze besluiten de stad in handen van den vijand te spelen. Bij een uitval tegen de Hoekschen ondernomen, laten ze zich gevangen nemen en deelen, voor Jonker Frans gebracht, dezen hun plan mede. Of dit ook in goede aarde valt!

Er wordt afgesproken, dat de verraders zullen trachten zooveel mogelijk soldaten tot hun plannen over te halen. Om den Jonker op de hoogte te houden zal er op een nader aangeduide plaats in het verbrande Delfshaven telkens een brief neergelegd worden.

Nu moeten ze echter weer in Schiedam terug zien te komen. Hierop verzint men het volgende.

Ze rijden met een troep Hoekschen over Overschie naar Schiedam. Daar vertoont zich in de verte een troep krijgsvolk uit Delft. Nu begint de komedie. Onder veel geschreeuw en getier worden de drie verraders aangevallen, overmeesterd en gebonden. Daar verschijnen de ijlings toegeschoten Delvenaars ten tooneele. Ze trekken hun zwaarden en komen de aangevallenen te hulp. De Hoekschen vluchten hals over kop, natuurlijk met achterlating van hun gevangenen. Fluks zijn de koorden doorgesneden en is het dankbare drietal in vrijheid. Straks zijn ze weer in Schiedam terug, waar zij een romantisch verhaal van hun wedervaren opdisschen en hun verraderswerk verder voortzetten. Geregeld worden de berichten in de afgebrande woning te Delfshaven neergelegd en velen van het in Schiedam gelegerde, vreemde krijgsvolk worden tot hun plannen overgehaald. Hoewel de burgers, zoowel als de schutters, zorgvuldig buiten het komplot gehouden worden, lekt er toch iets van uit en daarom besluit men, niet langer te dralen en op den avond van St. Valentijnsdag (13 Februari) den aanslag te wagen.

Op den 12den vertoont zich in den vroegen morgen voor de Delftsche poort van onze stad een zonderling ruiter. Hij maakt een geweld van belang en stelt zich aan als een krankzinnige. Als zoodanig beschouwen de poortwachters den zonderlingen gast dan ook. Als ze hem binnen laten, slaat hij als een dolleman om zich heen, schatert het nu eens uit van lachen en begint dan weer luidkeels te zingen. Zijn gekke kuren wisselt hij af door te roepen: „Ik moet den Jonker spreken, ik moet Jonker Frans spreken”.

Als deze van den vreemden ruiter hoort, laat hij hem voor zich komen en nu ontpopt de krankzinnige zich als een bode van de ontevredenen te Schiedam. Hij overhandigt den Jonker een verzegelden brief, waarin medegedeeld wordt, dat alles voor den aanslag op den volgenden avond in gereedheid is.

We schrijven 13 Februari.

De bondgenooten te Schiedam hebben in de duisternis één hunner buiten de Rotterdamsche Poort gezonden, om uit te zien, of de Hoeken al in aantocht zijn. Door een afgesproken teeken, een schreeuw, zal hij zijn makkers waarschuwen.

Daar slaat het acht uur! Nog een uur en de Rotterdammers zullen er zijn. Maar, wat is dat? Hooren de wachters aan de poort daar niet reeds het bepaalde sein? Zeker zijn de Hoeken vroeger gekomen, dan is afgesproken. Vooruit dan maar! De poort laat men door middel van buskruit openspringen, om de vrienden binnen te laten. Maar geen der Hoeken is in velden of wegen te ontdekken. Zij liggen nog rustig te Delfshaven te wachten. Geen wonder, dat nu de aanslag mislukt. De verraders moeten zich door een snelle vlucht zien te redden. Schiedam, aan een groot bloedbad ontsnapt, is na het voorgevallene nog meer op zijn hoede en twee hernieuwde pogingen van Jonker Frans om de stad te verrassen, mislukken.

De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven. (vergroting: 1767×1180, 370kb)

De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven.
De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven.

De insluiting van Rotterdam wordt voortdurend nauwer, zoodat het steeds bezwaarlijker gaat, levensmiddelen in de stad te brengen. Geen wonder, dat gebrek zijn intrede doet, en dat de poorters gaan mopperen. Zoolang Jonker Frans succes had op zijn rooftochten, was men op zijn hand en deed zelfs dapper mee; maar gebrek lijden, van honger omkomen, handel en scheepvaart totaal zien verloopen, dat heeft men voor den Hoekschen Hoofdman niet over. Ging er enkele maanden geleden een gejuich op, als de Jonker zich aan de menigte vertoonde, thans gaat er een dof gemor door de vermagerde schare. Er wordt geroepen: „Wij sterven van honger. Geef de stad over”!

't Heugt mij, hoe ze in haer wallen Door ondraegbren hongersnoodt Gansch van moedt en magt ontbloot Als in flaeuwte lag gevallen.

Den 25sten Juli vertoont zich voor de Goudsche poort een bode met een witte vlag. Met luider stemme roept hij: „Poorters van Rotterdam. Verdrag! Overgaaf! Vergiffenis. In naam van Koning Maximiliaan opent de poort”!

De bode treedt binnen en richt, door de hongerige poorters gevolgd, zijn schreden naar de woning van den Jonker op de Hoogstraat. Hier neemt Jonker Frans kennis van de voorwaarden, hem aangeboden: hij mag de stad met al zijn soldaten in volle wapenrusting verlaten, doch met achterlating van krijgsvoorraden en oorlogsvaartuigen. De gevangenen zullen op vrije voeten gesteld worden en wie met Brederode de stad wil verlaten, heeft daartoe vrijheid.

Het kost den fieren Jonker grooten zelfstrijd, voor hij een besluit kan nemen. Den trotschen nek te buigen, hij, een Brederode; heeft hij daarvoor alles opgeofferd? Maar toch, de voorwaarden zijn eervol; kunnen haast niet eervoller zijn. En dan—mag hij nog langer den ongelijken strijd volhouden; nog meer bloed vergieten voor een verloren zaak; nog meer ellende en kommer brengen over de burgers van Rotterdam? Hij besluit de stad over te geven.

En Breêroo, de oorzaak van haar tranen, Neemt met zijn ongeschonden vanen, De ellenden van den oorlog mee.

Hij vertrekt naar zijn oude wijkplaats Sluis.

Een maand later vinden wij hem weer in de gevangenis te Dordrecht. Hij heeft zijn laatste gevecht geleverd. Zijn rechterknie is door een kogel verbrijzeld. Met bleek gelaat en pijnlijk verwrongen trekken ligt hij in den kerker. Het bed van stroo, hem gespreid, zal straks zijn sterfbed zijn. En met hem sterft de Hoeksche partij. Van haar aanvoerder beroofd, is haar kracht gebroken.

Zegel in zwart was, gehecht aan het stuk, waarbij Maximiliaan de stad Rotterdam vergiffenis schonk. Het origineel wordt bewaard op het Gemeente-Archief. Maximiliaan houdt, zooals duidelijk is waar te nemen, zijn zoon Filips bij de hand. Een verkorte inhoud van het op perkament geschreven stuk volgt hier. December 1489. Maximiliaan, Roomsch Koning en Philips, zijn zoon, aartshertogen van Oostenrijk enz. verklaren aan de regeering van Rotterdam, op haar verzoek, de stad vergiffenis te hebben geschonken voor hetgeen ze misdreven heeft, bij het innemen der stad door Frans van Brederode, bepalende, dat zij echter de helft der kosten zal dragen van de in de stad aan te leggen sterkten en van de bezetting daarbij noodig. (vergroting: 1318×1192, 186kb)

Zegel in zwart was, (...)
Zegel in zwart was, (...)

Na een kamp van 150 jaren heeft de taaie volharding der poorters gezegevierd over de woeste kracht der edelen.

Hoe ging het nu met Rotterdam?

Zwaar was de stad gestraft geworden voor haar zorgeloosheid. Groot waren de verwoestingen, aangericht tijdens het verblijf der Hoekschen; vele menschenlevens vielen te betreuren. Heel wat poorters, en juist de meest gegoeden, hadden de stad verlaten, vele anderen waren door de duurte der levensmiddelen en door den stilstand van alle handel, scheepvaart en nijverheid tot den bedelstaf gebracht.

En of de stad hierdoor nog niet genoeg getroffen was, werd haar door Maximiliaan nog een schatting van 26000 Rijnsche guldens7) opgelegd. Dat was de prijs, waarvoor de plundering werd voorkomen.

Het ging in onze verarmde stad niet gemakkelijk een zoo groote som bijeen te brengen. Om de door de stadsregeering opgelegde belasting te kunnen voldoen, moesten velen hun kostbaarheden verkoopen; de schatten der kerk, ja zelfs 1700 bedden, werden verkocht en toen was nog slechts de helft der som bijeen. Gelukkig gaf Maximiliaan voor de andere helft uitstel en schold in 1496 zelfs het nog onbetaalde gedeelte kwijt.

Daar gebleken was, dat de verdediging aan de Noordzijde het zwakst gevoerd was, werd bevel gegeven de stad aan deze zijde te verkleinen. Duizend schreden in de lengte en 300 in de breedte zag Rotterdam van zijn grondgebied afgaan. Natuurlijk moest hiervoor de stadsgracht worden verlegd, wat weer veel geld kostte.

„'t Kabeljaeuws beleg had alles schots verkurven, De Rotterdamsche Schie was t'eenemael bedurven, En moest hergraven zijn”.

De Delftsche Poort en andere verdedigingswerken, die veel hadden geleden, eischten herstelling. Geen wonder, dat er vele jaren verliepen, voor de stad zich van de toegebrachte slagen had hersteld.

Thans is de naam van Jonker Frans aan een drukke winkelstraat verbonden. Nog steeds herinnert de dappere jongeling ons daardoor aan zijn heldendaden, maar tevens ook aan al de ellende, die hij over onze stad gebracht heeft.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings