6. Een ramp op de Maas.
Reading edition
Het is in de laatste dagen van Februari van het jaar 1511. Reeds meer dan drie maanden heerscht er zoo'n strenge vorst, dat alle scheepvaart gestremd is en de rivieren met een dikken ijsvloer bedekt zijn. Ook de Maas is door den wintervorst in boeien geklonken en waar anders de vlugge zeilers het breede, haast onafzienbare, watervlak tusschen Blaak en Overmaaschen oever stoffeeren, zien wij nu de Rotterdammers op de gladde ijzers zwieren.
Zóó hecht en sterk is de ijsspiegel, dat hij zelfs tenten en uitstallingen van allerlei grootte en zwaarte kan dragen. Sleden en vrachtwagens met honderden ponden beladen, wagen zich zonder vrees op het gestolde watervlak. Een ondernemende hoefsmid heeft voor de St. Laurenspoort zijn werkplaats opgericht en zet de paarden scherp, zoowel van den vrachtboer als van den gegoeden stedeling, die zich in zijn slede over de baan laat voeren. Hier en daar zien wij zelfs kolfbanen afgebakend, en verlustigen de poorters zich met dit geliefde, oude volksspel.
Sinds het laatst van November reeds, kan men dagelijks van dit schilderachtig en levenslustig tafereel genieten.
Thans echter schijnt er een eind aan te zullen komen. Een krachtige Noordwestenwind is opgestoken, een sterke dooi ingevallen. De opgestuwde wateren hebben de metalen ijskorst reeds hier en daar doen barsten.
De Vroedschap roept de poorters door klokgeklep voor het Stadshuis en laat mededeelen, dat alle kramen en verdere opstallen van de Maas verwijderd moeten worden. Het sterk opgestuwde water kan in zijn wilden loop ieder oogenblik den ijsvloer verbreken en medevoeren.
Niet allen helaas nemen den welgemeenden raad van het stadsbestuur ter harte. Een groote menigte geestelijken maakt zich zelfs op tot een tocht over de rivier. Wat mag het wel zijn, dat deze vrome mannen het waarschuwend woord van hun Overheid in den wind doet slaan? Is het de zucht tot genot, die hen nog een laatsten keer van het ijsvermaak wil doen genieten? Geenszins, vrome ijver drijft hen, niettegenstaande den ingevallen dooi, dezen reeds lang van te voren beraamden tocht te ondernemen.
Aan den overkant der Maas ligt het nederig dorpje Charlois in het ambacht van dien naam. Het is aldus genoemd naar den heer van Charollois (Karel den Stouten), die de „concessie” tot bedijking heeft verleend. Het aan St. Clemens gewijde bouwvallige houten kerkje is thans van steen opgetrokken en het kerkgebruik eischt een hernieuwde inwijding. Daarom trekt men in plechtigen optocht over de reeds dooiende ijsvlakte. Luid klinken de lofzangen der vrome geestelijken en koorbroeders, omstuwd door een ontelbare menigte, die mee optrekt. De wind giert en het ijs is reeds allerwege met water overdekt. Haast is men op de plaats van bestemming gekomen. Maar hoor, wat is dat! Welk een machtig geluid, dat de angstkreten der processie overstemt! De broze ijsvlakte waggelt onder de voeten van de bijna 5000 menschen, die zich juist boven een draaikolk bevinden, waardoor de ijskorst niet zoo hecht en sterk is, als op andere plaatsen. Schrik en ontzetting teekenen zich op ieders gelaat. Daar scheurt met een donderend geluid het ijs van een, in wilde vaart worden menschen en ijsschollen door het van zijn boeien ontslagen water medegevoerd. Ruim 4000 menschen vinden hun graf in „de Monnikkenput”; in weinige oogenblikken is geheel Rotterdam en omstreken in diepen rouw gedompeld.
Eén groot graf heeft men voor de talrijke slachtoffers van de ramp gegraven. Nabij den Sluisjesdijk, aan den weg naar Pernis, vonden ze hun laatste rustplaats.