← Table of contents
Langs Rotte, Maas en Schie. I.

1467–1536.

Reading edition

De achtbre wijsheit zelf knielt neer Voor Uw grooten Desideer.

Ieder onzer kent wel den grijzen monnik op de Grootemarkt, die, zonder zich te storen aan het geroezemoes der groentevrouwen vòòr hem, of het ratelen van den trein àchter hem, aandachtig in zijn boek staat te lezen. Gedurende al de jaren, die over hem zijn heengegaan—en dat zijn er heel wat—heeft hij geen oog opgeslagen.

Desiderius Erasmus Rogerii, of Erasmus Roterodamus, zooals hij zich schreef, werd ± 1467 in het huisje in de Wijde Kerkstraat, dat later naar hem het Erasmushuisje genoemd is, geboren. Dit gebouwtje bestaat reeds sinds lang niet meer, maar toch kunnen we ons nog een denkbeeld vormen van het uiterlijk. Men heeft nl. de gelukkige gedachte gehad den vroegeren gevel in zijn oorspronkelijken vorm tegen het daar nu staande huis aan te bouwen. Om de illusie nog volkomener te maken, heeft men ook een luifel en den klopper, waarvan vroeger haast alle huizen voorzien waren, aangebracht.

Den 27sten September 1549 was er in onze stad een aanzienlijk gezelschap bijeen. Philips van Spanje, de latere Philips II, en zijn tante Maria van Hongarije, de Landvoogdes, die met een aanzienlijk gevolg de Nederlanden doorreisden, vereerden ook Rotterdam met een bezoek. De tweeëntwintigjarige Prins, die deze reis op verlangen van zijn vader deed, om kennis te maken met zijn toekomstige onderdanen, werd feestelijk ingehaald. De geheele versierde stad jubelde den hoogen gast het welkom tegen. De huizen waren behangen met lakens van verschillende kleuren, voornamelijk rood en wit. Op alle waren de letters P. P. aangebracht, wat de dubbele beteekenis had van: „Aan Prins don Philips” en „Padre de la Patria”, dit is „Aan Prins Philips, den Vader des Vaderlands”. De burgemeesters, toen twee in getal, beijverden zich den Prins volgens rang en stand te ontvangen. Ze leidden hem door de kwistig getooide straten, tusschen twee rijen poorters, die, naar Zuidelijk gebruik, met brandende fakkels in de hand stonden. Toen de stoet op de plaats kwam, waar nu de Grootemarkt is, maar destijds nog voor het grootste deel water was, werd er halt gehouden. Hier wachtte Erasmus, de geleerde en beroemde Rotterdammer, den Prins op en overhandigde hem een welkomstgroet, geschreven in de taal der geleerden, het Latijn, en vertaald aldus luidende:

„Desiderius Erasmus aan Filips van Bourgondië, Prins van Spanje. Rotterdammer zijnde, heb ik wel willen toonen, dat ik mijne medeburgers niet verlaat. Op hun verzoek heet ik U, doorluchtige Prins, welkom binnen onze wallen, en ik beveel dit volk aan in Uwe genegenheid en bescherming. Allen huldigen U, o Keizerszoon, als Heer en kennen geen grooter geluk”.

Philips betoonde zijn tevredenheid, door onder de saamgestroomde menigte handenvol geld te strooien, wat denkelijk eveneens de goedkeuring onzer voorvaderen wegdroeg en voor de koninklijke bezoekers een amusement te meer was.

De Prins kon Erasmus zelf niet danken voor zijn welkomstgroet, evenmin als deze den keizerszoon den volgenden morgen in zijn nederige woning kon rondleiden, toen Philips na de godsdienstoefening in de St. Laurenskerk te hebben bijgewoond, een gang deed naar het geboortehuis van Erasmus en dit woninkje bezichtigde. De groote geleerde toch was reeds in 1536 te Bazel gestorven en met veel statie in de hoofdkerk begraven. Nog wijst een gedenkteeken, door zijn vereerders opgericht, de rustplaats aan van den grooten denker. En hoe kon Erasmus dan den vorigen dag Philips verwelkomen, zult gij vragen? Het zal u duidelijk zijn, als we zeggen, dat de feestredenaar van ..... hout was.

Zooals we zagen, werd Erasmus ± 1467 te Rotterdam geboren. Zeer kort daarna verliet hij deze stad, waar hij nooit meer is teruggekeerd.

(vergroting: 1168×1785, 335kb)

ERASMVS ROTERODAMVS.
ERASMVS ROTERODAMVS.

Gouda werd zijn woonplaats, waar hij zijn eerste opvoeding en onderwijs genoot. Daarna woonde hij te Utrecht en kwam in 1478 te Deventer op de Fraterschool. Reeds als kind blonk hij zoo zeer uit door schranderheid, ijver en leerlust, dat hij zich op twaalfjarigen leeftijd door een beroemd persoon hoorde toevoegen: „Ga zoo voort, eenmaal wordt gij een groot man”. En hij heeft zijn leermeesters niet teleurgesteld; integendeel, hij heeft hun stoutste verwachtingen overtroffen. Als groot geleerde heeft hij zich een naam gemaakt, die nu nog in alle beschaafde landen met eere wordt genoemd. De boeken, die hij heeft geschreven, zijn in vele talen overgezet en worden thans nog gelezen en bewonderd. „De lof der zotheid” is zijn bekendste werk.

Als monnik heeft hij een tijdlang in een klooster te Stein bij Gouda doorgebracht, waarna hij in verschillende landen, o. a. Zuid-Nederland, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland reisde en studeerde, zich steeds grooter naam als geleerde verwervende. Koningen en Keizers overlaadden hem met gunsten en eerbewijzen, en bij zijn bezoeken aan verschillende plaatsen werd hij gevierd, als was hij van koninklijken bloede. Als een bewijs, dat men den grooten geleerde nog steeds eert, kan het bericht in Engelsche bladen dienen, dat de toren van de Anglikaansche Kerk te Aldington voltooid is en daarmede een werk, dat ondernomen werd ter eere van Erasmus, die korten tijd rector van die gemeente is geweest. Het geld voor dezen toren, die men vier eeuwen geleden begon te bouwen en in 1911 eindelijk voltooid is, werd bijeengebracht door vereerders van Erasmus over de heele wereld.

Al had hij na zijn prille jeugd Rotterdam nooit meer betreden, hij noemde zich toch steeds Erasmus Roterodamus; hij maakte zijn geboortestad, die aldus in zijn roem deelde, tot ver over de landsgrenzen bekend, en het is dus in de Rotterdammers te prijzen, dat ze 13 jaar na zijn dood den grijzen geleerde nog eens ten tooneele voerden, om als een waardige zoon van zijn vaderstad den Prins te verwelkomen.

Wat nu echter met het houten beeld gedaan? Opbergen tot er zich weer een feestelijke gelegenheid voordeed? Onze voorouders wisten beter. Ze plaatsten het op de brug, die over het Steiger gelegd werd en aldus het West-Nieuwland met de Hoogstraat verbond. Op deze brug werd markt gehouden, zoodat de man, die bij zijn leven steeds de stilte en de eenzaamheid zocht, in Rotterdam althans deze nooit heeft gekend. Want al meer dan 300 jaren is hij getuige geweest van het bedrijvige marktgewoel vóór hem.

Niet lang duurde het, of regen en wind hadden het houten beeld verteerd. Men was echter reeds te zeer gehecht aan en te trotsch op dezen beroemden stadgenoot om hem voortaan niet meer in zijn midden te wenschen. Daarom verrees er in 1557 een beeld van steen, dat beter tegen den tand des tijds bestand was en het tot 1622 uithield. Toen werd door den beroemden beeldhouwer Hendrik de Keyser—naar wien de Hendrik de Keyserstraat is genoemd—een nieuw beeld van koper vervaardigd. Dit metalen gietsel heeft de eeuwen getrotseerd en staat nog ongeschonden op de Grootemarkt.

Wanneer de ernstige man eens spreken kon, wanneer hij zijn eigen lotgevallen en die van zijn stad eens kon verhalen, ge zoudt wat hooren. Hij zou u vertellen van al de veranderingen, die in zijn onmiddellijke omgeving hebben plaats gegrepen; hoe langzamerhand mèt de stad, ook zijn terrein, de Markt is gegroeid; hoe de eenvoudige houten brug, waarop hij eerst een plaatsje kreeg, is geworden tot het breede terrein van heden. Hij zou u wat weten te vertellen van al de Rotterdammers, die hij aan zijn voeten heeft zien spelen, groot worden en heengaan. En wanneer de geleerde eens van eigen lijden en strijden ging verhalen! Dan zou hij u spreken over de woeste Spanjaarden, die hem in 1572 beschoten, verminkten en ten slotte te water wierpen, hoe hij later weer is opgehaald en opnieuw zijn oude plaats verkreeg. Hij zou het tegenwoordige geslacht zeker ook danken, dat het hem met rust laat en 's zomers niet meer blank poetst, want hij schaamt zich zijn oud gewaad, dat bij zijn ernstig uiterlijk past, niet. Met smart zou hij u spreken van den Franschen tijd; hoe hij er getuige van is geweest, dat daar voor hem de brooddronken Rotterdammers hand in hand met de Franschen om den vrijheidsboom dansten; van de daarop gevolgde vernedering, die zijn vaderstad ondervond; van den handel, die verliep; de industrie, die kwijnde; de armoede, die heerschte; hoe hij zelf in angst en beven verkeerde, toen Napoleon, bij zijn bezoek aan Rotterdam, hem, den man des vredes, tot kanonnen had willen gieten; van zijn dankbaarheid, toen vermogende stadgenooten dit gevaar door betaling van een aanzienlijke som gelds wisten te bezweren. En zeker zou hij u met fierheid verhalen, hoe hij, na de jaren van vernedering te hebben medegemaakt, zich op een morgen, met de oranjekleur getooid, aan zijn medeburgers vertoonde, hoe hij door zijn tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen, Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

een der eersten was, die den Franschen dwingeland openlijk durfde trotseeren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings