← Table of contents
Langs Rotte, Maas en Schie. I.

10. Rotterdam onder het Spaansche Juk.

Reading edition

Wat al nare en bange dagen Sleet zij, toen de Spaensche Vorst 't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst! Wat verdroeg ze al harde slagen Onder Alvaes tiranny! Toen Bossu haar kwam bespringen, En met scherpgewette klingen, Woedde op hare Burgerij.

Wij kennen allen de monumentale fontein op de Nieuwemarkt. Bezien we deze nader, dan lezen wij de volgende opschriften: Ter Herinnering aan de feestviering van 1 April 1872–1 April 1572. Het morgenrood der vrijheid—Onthuld 22 October 1874—

Den Briel ontrukt aan Spanje Behouden door Oranje.

Het statige, uit zandsteen gehouwen vrouwenbeeld, dat het geheel kroont, stelt de Nederlandsche Maagd voor. Zij rust met de hand op een speer, waarop de vrijheidshoed prijkt. De hoeken zijn versierd met vier staande leeuwtjes, die als schildhouders dienst doen. Daaronder zien we vier mannenfiguren, voorstellende: een Batavier, een Poorter, een krijgsman en een zegelbewaarder13). De hardsteenen kom, die het water opvangt van twee zwanen en twee dolfijnen, voltooit het geheel. Ge wist het al wel en anders vertellen de opschriften het u zeer duidelijk, dat dit monument daar is geplaatst als een herinnering aan een der roemruchtigste gebeurtenissen uit onze heldenhistorie: de inneming van den Briel door de Watergeuzen.

Waarom heeft men dit gedenkteeken nu juist in Rotterdam opgericht? Heeft onze stad dan wat met de inneming van den Briel te maken gehad?

Zeer zeker, en niet weinig ook. De Rotterdamsche burgerij, die in 1872, bij het driehonderdjarig herdenken van dit overbekende wapenfeit zoo duchtig heeft feest gevierd, had daarvoor in 1572 al zeer weinig reden. Gloorde voor de Brielenaren de dageraad, voor de Rotterdammers werd het donkere nacht; zal de daad der Watergeuzen menig dankgebed in de St. Catharinakerk hebben doen opgaan, de St. Laurens zal de stille getuige geweest zijn van menige smeekbede om verlossing; zal de grijze steenklomp aan den Maasmond met vreugde en trots de wapperende Oranjekleur aan land en zee hebben vertoond, onze oude toren zal met smart en tegenzin de Spaansche kleuren hebben gedragen. En wij willen hopen voor de jubelende Rotterdammers uit 1872, dat er ook onder hen zijn geweest, die zich een oogenblik aan de feestvierende menigte hebben onttrokken en met eenigen weemoed de voorvaderen hebben herdacht, die in 1572 door de handen der moord- en plunderzieke Spanjaarden zijn gevallen.

Den 1sten April 1572 was den Briel door de Watergeuzen ingenomen. Zoodra Bossu, stadhouder van Holland, van de Rotterdamsche burgemeesters deze tijding in den Haag ontving, spoedde hij zich naar Maaslandsluis (Maassluis). Hier trok hij zijn troepen te zamen, stak den Maasmond over14) en landde in de Bornesse, tusschen Voorne en Putten. Onder bewaking van een geringe krijgsmacht liet hij de transportschepen daar achter en rukte zelf op den Briel aan. Krachtig tastte hij de stad aan en het scheen, dat de Spanjaarden overwinnaars zouden blijven in den strijd. Daar veranderden echter de oorlogskansen: de Geuzen hadden een bondgenoot gekregen in het bruisende water, dat den polder, waarin gestreden werd, binnenstroomde. Rochus Meeuwiszoon, een Brielsch timmerman, had al zwemmende, onder een regen van musketschoten, de Nieuwlandsche sluis weten te bereiken en open te hakken, zoodat het terrein van den strijd geheel onder water kwam te staan. Toen bovendien de slecht bewaakte transportschepen door de Watergeuzen in brand waren gestoken of tot zinken gebracht, oordeelde Bossu het maar het verstandigst het beleg op te breken en de stad voorloopig in handen der Watergeuzen te laten.

Hoezee! Behouden was den Briel, Door Rochus Meeuwisz. trouwe. Hij was er een met hart en ziel Voor Willem van Nassouwe. Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem' Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Waar moest hij nu echter heen? De weg over den Maasmond was voor hem zoo goed als afgesloten. Al had hij schepen kunnen bemachtigen, dan toch zou de overtocht te gevaarlijk geweest zijn, daar de „Piraten” met hun vlugge zeilers de geheele Maas bestreken. Van den nood een deugd makende, besloot hij daarom oostwaarts op Dordrecht aan te trekken. Voor deze stad gekomen, vonden de Spanjaarden echter de poorten gesloten, en hoe mooi Bossu ook praatte, ze bleven dicht; men verkoos het ruwe krijgsvolk niet binnen zijn muren te ontvangen. Het eenige, wat de verbolgen Bossu wist te verkrijgen, was, dat Dordrecht hem de transportschepen leverde, waarmede de troepen verder vervoerd zouden kunnen worden. Het lag in de bedoeling van den stadhouder met deze schepen weer naar Maassluis te stevenen. Dicht bij Rotterdam gekomen, vernam hij echter, dat de Watergeuzen Delfshaven hadden bezet, zoodat hij wel genoodzaakt was van plan te veranderen. Voor Kralingen liet hij dan ook landen en ontscheepte zijn troepen aan den Honingerdijk.

Het was in den avond van den 8sten April, dus pas een week na de inname van den Briel, toen Bossu zich met zijn mannen voor de Oostpoort vertoonde en verlangde binnengelaten te worden, om—zoo hij zeide—met zijn manschappen weer door de Delftsche Poort de stad te verlaten. Aan Bossu zelf werd toegang verleend. Burgemeesteren en Vroedschap ontvingen hem op het Raadhuis, waar hij zijn verzoek om doortocht herhaalde. Bevreesd voor Alva's toorn, indien men niet aan het verzoek van den stadhouder voldeed, was het stadsbestuur aan de andere zijde toch ook weer niet erg geneigd de poorten voor de Spanjaarden te openen, daar het vreesde, dat deze, als ze eenmaal in de stad waren, ze niet zoo spoedig zouden verlaten, als wel door Bossu beloofd werd. Het is dan ook lang niet onmogelijk, dat de bestuurders onzer stad zich van de zaak wilden afmaken, door zich op de vijandig gezinde menigte te beroepen, die aan de Oostpoort was saamgestroomd en met geweld wilde beletten, dat de poort geopend werd. Hoe het zij, de troepen werden niet toegelaten en moesten den nacht in de open lucht doorbrengen. Het eenige, wat het stadsbestuur deed, was den soldaten voedsel en bier verstrekken.

De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572. (Reproductie van één der Schoolplaten voor de Vaderlandsche Geschiedenis.—De Jongh en Wagenvoort.) (vergroting: 1779×1202, 260kb)

De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.
De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.

Den volgenden dag, nadat Bossu nog eens sterk op opening der poort heeft aangedrongen en nadat de Pastoor der St. Laurenskerk, Duifhuis, de menigte voor de poort kalmeerend heeft toegesproken, besluit men eindelijk de Spanjaarden door te laten. Met rotten van 25 man zullen ze worden toegelaten, mits de lonten gedoofd en de musketten naar beneden gericht zijn. Pas is de brug neergelaten en de poort geopend, of het krijgsvolk dringt in grooter getal naar binnen dan als voorwaarde is gesteld. De smid Zwart Jan, die met anderen de wacht houdt, maakt Bossu hierop opmerkzaam. De trotsche edelman, in woede ontstoken over deze terechtwijzing van een geminachten poorter, bijt hem toe: „Het voegt u niet, 's konings krijgslieden te tellen”. Gelijktijdig heft hij zijn zwaard en slaat daarmede in de richting van Zwart Jan. Deze weet den slag echter te ontwijken en valt nu op den Graaf aan, die ten tweedenmale naar den smid slaat en hem nu zoodanig treft, dat deze machteloos ter aarde zinkt. Een musketkogel treft hem ter zelfder tijd in de borst en Rotterdam telt een plichtvol burger minder.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed, Vertrapt door 't woedend rot, En gaf, gelijk een held het doet, Zijn vrome ziel aan God.

Deze korte strijd is het sein voor een algemeenen aanval op de burgerwacht. De bakker Jan Dominicuszoon heeft met anderen weldra het lot van zijn wapenbroeder gedeeld.

En woedende om den wederstand, Met bloedig moordtuig in de hand, Stoof heel het bent de stadspoort binnen.

In Duizend Vreezen. (vergroting: 1134×1696, 264kb)

In Duizend Vreezen.
In Duizend Vreezen.

Joelende en tierende gaat het naar de Grootemarkt, waar de Spaansche vlag wordt geplant. Wie tegenstand biedt, wordt gedood. De Delftsche poort, verdedigd onder den oud-burgemeester Jan Jacobsz. Roos, die eveneens met velen zijner getrouwen het leven laat, is ook weldra in het bezit der Spanjaarden, die nu heer en meester zijn in de stad. Schrikkelijk houden ze thans huis. Mannen, vrouwen en kinderen, het moet alles nu boeten voor de aanvankelijke weigering om de Spanjaarden binnen te laten. Velen verbergen zich voor de moord- en plunderzieke bende. Een huis op den hoek van het Hang biedt een schuilplaats aan enkele familieleden en vrienden. Om het den schijn te geven, of de woning reeds doorzocht is en er dus geen buit meer te behalen valt, heeft de bewoner de deurpost met bloed besmeerd. De list gelukt en een ander huis wordt binnengeloopen en geplunderd, maar niet voor men den weerloozen bewoner uit het hoekhuis aan zijn been in de deuropening heeft opgehangen en dit met een kogel heeft doorboord. Gelukkig werd de man nog intijds gered; hoewel hij zijn geheele leven kreupel bleef, genas hij van zijn wonden.

De zinnebeeldige voorstelling op den steen is niet met zekerheid bekend. Het is waarschijnlijk, dat we in het Lam de Republiek te zien hebben, die van alle zijden door gevaren—de roofdieren—wordt bedreigd. In de twee mannen zouden dan het Staatsche en Spaansche leger verpersoonlijkt zijn. (vergroting: 838×675, 97kb)

in duizend vreezen
in duizend vreezen

Op de plaats, waar dit huis stond, bouwde men in 1594 een nieuw pand. Als herinnering aan de angstige oogenblikken, die de in den kelder verscholen vluchtelingen doorgebracht hadden, metselde men in den gevel een steen, met het opschrift: „In Duizend Vreezen”.

Het oude huisje met het aantrekkelijk oud-Hollandsche trapgeveltje, waarvan nog een model in het Museum van Oudheden te zien is, werd later afgebroken en in nieuwerwetschen stijl herbouwd, maar toch draagt het nog steeds den naam, „In Duizend Vreezen”.

Niet alleen, dat de Spanjaarden hun woede koelden tegen de levenden, ook het levenlooze moest het ontgelden. Erasmus, toen nog van steen, werd beschoten, verminkt, en in het Steiger geworpen.

Hoewel Bossu zelf den 22sten April Rotterdam reeds weer verliet, bleven de Spaansche troepen hier tot 22 Juli, toen ze door Alva naar het Zuiden werden ontboden. Een zucht van verlichting zal onze stad geslaakt hebben, toen de poort gesloten werd achter de muitzieke bende, die voor haar vertrek nog, hoewel gelukkig vergeefs, getracht had, de stad in vlammen te doen opgaan. Is het te verwonderen, dat het volgend jaar, toen door den Prins hulp werd gevraagd om Haarlem te ontzetten, vele stadgenooten, onder wie ook de latere beroemde Oldenbarnevelt, optrokken; dat ze in 1574 zonder morren hun stad voor een deel onder water zagen zetten, toen dit door de in den Maasdijk gemaakte gaten binnenstroomde? De herinnering aan de ondervonden behandeling van de dienaren was niet van dien aard, om de trouw aan den meester te versterken. Rotterdam koos de zijde van den opstand. Men richtte zelfs het oude Agnietenklooster aan de Botersloot—ter plaatse waar nu de Nieuwemarkt gevonden wordt—in, als tijdelijke woonplaats voor den Prins van Oranje.

Is het te begrijpen, dat men juist dezen historischen grond, bij de Prinsenkerk en Prinsenstraat, de eer waardig keurde, de monumentale fontein te dragen?

Als ge door de Oostpoort gaat, bezie dan af en toe eens den steen, daar ingemetseld als herinnering aan het verblijf der Spanjaarden, lees het opschrift en verwijl in uw geest een korte pooze bij mannen als Zwart Jan en Jan Dominicuszoon.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings