8. Anneken Jans.
Reading edition
Nadat Maarten Luther in 1517 de 95 stellingen aan de slotkerk te Wittenberg had aangeplakt en daarmee openlijk met de Roomsch-Katholieke kerk en leer had gebroken, sloten zich velen, die slechts op een voorganger hadden gewacht, bij den Hervormer aan.
Begon de Hervorming in Duitschland, als een niet te keeren stroom drong ze voort over de grenzen. Weldra waren er ook in ons land velen, die, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, de nieuwe leer beleden.
De veranderingen, die Luther en zijn volgelingen wilden invoeren, bepaalden zich tot den godsdienst. Andere Hervormers echter wilden niet alleen de kerk, maar ook de maatschappij volgens hun inzicht inrichten; ze droomden zich onder meer een samenleving in gemeenschap van goederen.
Onder Jan Mathijszoon van Haarlem en Jan van Leiden wisten deze godsdienstige dweepers—Wederdoopers werden ze genoemd, omdat zij zich voor de tweede maal lieten doopen—Munster in Duitschland in hun macht te krijgen. In deze stad ging men nu leven volgens de door hen verkondigde denkbeelden. Er werden daar echter, zoowel door de voorgangers als de volgelingen, zulke buitensporigheden en wreedheden bedreven, dat ze terecht als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde werden gebrandmerkt. Geen wonder dan ook, dat de aanhangers dezer leer aan felle vervolgingen blootstonden. Te vuur en te zwaard werden ze vervolgd; want, werden àlle afvalligen gevaarlijk geacht, de secte der Wederdoopers in dubbele mate. Wel waren er onder hen stille en bedaarde menschen, die al gelukkig geweest zouden zijn, indien ze ongemoeid hun nieuwe leer hadden kunnen belijden en verkondigen, maar in de vervolgingen, waaraan ze blootstonden, maakte dit geen onderscheid: ze waren allen des doods schuldig. Velen van hen zijn op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Ook in Rotterdam hebben enkelen terecht gestaan. Van één dezer strafoefeningen willen wij hier wat verhalen.
Het is 24 December 1538. Zoo juist zijn twee vrouwen, die de Delftsche poort uittraden om met de schuit naar Delft te vertrekken, aangehouden. Ze zijn dezen morgen met den vrachtwagen van het Kralingsche Veer gekomen en hebben de onvoorzichtigheid begaan onderweg een lied te zingen, dat geen twijfel liet, of ze behoorden tot de secte der Wederdoopers. Een reiziger heeft enkele klanken opgevangen en spoedig is zijn besluit genomen. De 50 Carolusguldens9), die op het aanbrengen van een ketter gesteld zijn, wil hij verdienen. Als de vrouwen, waarvan de jongste met een knaapje op den arm, zich na eenig oponthoud in de stad, te voet naar de Delftsche schuit begeven, snelt hij naar den Baljuw Minnebeek, wien hij zijn ontdekking mededeelt. Enkele „rakkers” worden den verklikker medegegeven en weldra zijn de beide weerlooze, doodelijk verschrikte vrouwen aangehouden. Nog denzelfden avond worden ze ten huize van den baljuw, voor dezen en de vier schepenen geleid. Daar hooren wij de ondervraging, de namen en ook de bekentenis, dat zij tot de gehate secte behooren. De oudste is Christina Michiel Barents uit Leuven, oud 50 jaar, de jongste Anneken Jans uit den Briel, 28 jaar oud. In plaats door ontkenning te trachten haar leven te redden, bekennen zij onbeschroomd tot de Wederdoopers te behooren. Met geestdrift, die haar rechters niet kunnen begrijpen, roept de jongste der vrouwen uit: „Gij hoort het, wij bekennen ons geloof, omdat het geen misdaad is, maar een eeuwige eere, dat men wordt waardig gekeurd om de martelkroon te dragen ter eere Gods, tot verheerlijking van dien Heer, die in der Eeuwigheid woont, Wiens oogen ons gadeslaan en Die ons roept tot een oordeel der wereld en tot Zijnen en onze glorie, Amen”.
Thans is haar vonnis geveld. Ze zullen beiden den waterdood sterven.
Een maand is voorbijgegaan. Het is de 23ste Januari 1539 en het uur der voltrekking van het vonnis heeft geslagen. Beide vrouwen zullen verdronken worden buiten het Hofpoortje, waar de Rotte en Schie te zamen vloeien10). Naargeestig luidt de klok op dien somberen Januarimorgen. Bleek en verzwakt, de hoofden ontbloot, in het grauwe gewaad der boetelingen, de verkleumde handen wringende in doodelijken angst, treden ze nader. Achter haar loopen de beul en zijn knechten, niets dragende dan twee zakken en eenige koorden.
De beul is gekleed in den bloedrooden mantel en heeft een witte twijg in de hand: het symbool der gerechtigheid.
Daar achter treden eenige geestelijken, die de ter dood veroordeelden straks woorden van moed en troost zullen toespreken, en baljuw en schepenen, allen plechtig in het zwart gekleed.
Zoo treedt de droeve stoet den Oppert in, omstuwd door een groote menigte, die getuige wil zijn van de terechtstelling. Hier en daar hooren wij een afkeurend gemompel tegen de goddelooze ketters11), maar ook treffen ons oor uitingen van medelijden met de twee ongelukkigen, die, ten doode gedoemd, zich met wankelende schreden naar haar kille graf voortsleepen. Vooral de jongste wekt het medelijden op. Haar kind, een knaapje van nog geen twee jaren, houdt ze krampachtig in de armen gekneld. Met smeekenden blik keert ze zich tot de burgers en roept: „Goede lieden, in den naam Gods en ons aller Verlosser, op Wiens genade ik hoop, maak mij het sterven licht door dit arm, onschuldig kind tot u te nemen en op te voeden, in eere en in de vreeze Gods! Dit geld, alles wat ik nog bezit, zij het uwe, en Gods zegen zal er op rusten en uw werk is welgevallig in Zijn oog! Mannen, vrouwen, moeders als ik, moet ik dan sterven, sterven en mijn kind nalaten in handen van hen, die wellicht den zoon van de wederdoopster zullen mishandelen en haten om mijnentwil. Genade alleen voor hem; dit geld is toereikend voor zijn onderhoud! Is er dan niemand onder u allen? niemand! niemand! O mijn God, dit is de zwaarste beproeving!——de zwaarste!”
Iedereen is diep bewogen, maar geen arm strekt zich uit naar het hulpeloos jongske. Zou er dan niemand zijn, die den moed heeft het kind van een kettersche tot zich te nemen en daarmee zich aan het gevaar bloot te stellen, zelf voor een afvallige te worden aangezien?
„Daar drong een man de drommen door, Een schaamle bakkersknecht; Hij gaf zijn hart alleen gehoor En stapte voor 't geregt. Dit bloedje heeft geen maag of vrind; Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind, Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij, Daar kan een zesde bij”!
Het gelaat van de ter dood veroordeelde moeder wordt door een laatsten vreugdeblos overtogen. Nog eens kust ze hartstochtelijk het weenende knaapje en geeft het daarna over aan den menschlievenden bakker, zeggende: „O, dat loone u God, brave man! volg mij, tot daar, dáár”!
Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint. (vergroting: 1193×958, 197kb)

En voort gaat de droeve stoet weer, het Hofpoortje uit. De schuit, die de vrouwen tot midden op het water zal brengen, ligt reeds gereed. Christina Barents wordt er opgebracht; de beul werpt haar een wijden zak over het hoofd en bindt dezen dicht. De beulsknechten doen hun plicht.... een kreet weerklinkt, een doffe plomp en de ongelukkige heeft haar straf ondergaan.
Thans is het de beurt van Anneken Jans. Nogmaals drukt de moeder haar lieveling aan het hart. Ze is gereed haar vonnis te ondergaan. Maar wat is dat? Vanwaar dat gekraak en angstgegil? Het brugje buiten de poort, propvol met nieuwsgierigen, is bezweken en een aantal menschen spartelt in den vloed.
„Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven, Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij, Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij”.
Zouden Anneken Jans, de toeschouwers en de rechters, er geen teeken in zien van Gods toorn, dat men daar twee vrouwen ter dood brengt, wier grootste overtreding bestaat in het dienen van God op een andere wijze, dan volgens de wetten geoorloofd is? De rechters zeker niet, want geen genade wordt verleend. Nog eenmaal omhelst Anneken haar lieveling, daarna geeft ze hem aan zijn pleegvader. „Neem dit kind, zijn naam is Esaias, voedt het op in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes, Amen”! Het zijn haar laatste woorden,—weldra is zij haar geloofsgenoote in den dood gevolgd.
Tegen den avond werden de beide vrouwen uit het water opgehaald en op het kerkhof aan het Roodezand begraven. Voor ter dood gebrachten en zelfmoordenaars was geen plaats in den gewijden grond rondom de St. Laurenskerk.
De bakker, De Lint genaamd, die in zijn edelmoedigheid het hulpeloos knaapje tot zich had genomen, zag zijn goede daad beloond. Zijn zaak nam van jaar tot jaar in bloei toe en de man, die eertijds met moeite zijn brood kon verdienen, liet bij zijn dood een aanzienlijke erfenis na12).
En het kind! Het had een gelukkiger leven dan zijn moeder. Esaias Arentsz. de Lint werd een welgesteld man en mocht zich in later jaren zoo in het aanzien zijner medeburgers verheugen, dat hij Burgemeester werd van de stad, waar zijn moeder was terechtgesteld. Moge hij zich in deze waardigheid verdraagzamer hebben betoond, dan zij, die zijn moeder hadden gerecht. Hij zal er haar gedachtenis het best door hebben kunnen eeren.