DE ZEEROLLEN (Holothuroidea).
Reading edition
Slechts zelden worden enkele vertegenwoordigers van deze klasse in de nabijheid van onze kust aangetroffen. Eén van die, welke men hier zou kunnen ontmoeten, is de hierachter (fig. 5) afgebeelde soort, welke op een diepte van 10 à 70 vademen de Middellandsche Zee en den Atlantischen Oceaan, langs de kusten van West- en Noord-Europa (ook de Noordzee) bewoont, Hyndman’s Zeebuidel (Cucumaria Hyndmani) kan 5 cM. lang worden en heeft een grijze of witte, glanzige huid. Zijn wormvormig, van achteren dun eindigend lichaam is door de 5 (grootendeels dubbele) reeksen van ambulacraalpootjes, die zich op onderling gelijken afstand van voren tot achteren uitstrekken, min of meer vijfkantig. Van de 5 ambulacra behooren 3 tot de buikzijde (het trivium), 2 tot de rugzijde (het bivium). De mondopening is omgeven door 10 boomvormig vertakte voelers; de geheele krans kan door het inpersen van vocht uit het watervaatstelsel uitgestoken en met het geheele voorste lichaamsdeel door de spieren van het slokdarmhoofd in de lichaamsholte teruggetrokken worden. Behoudens de veel geringere lengte en minder sterke vertakking van de voelers, die vóór het middelste ambulacrum van het trivium gelegen zijn, heeft deze lichaamsafdeeling hetzelfde voorkomen als het bivium. Hiermede staat in verband, dat de Zeebuidel niet, zooals vele van zijne verwanten, gewoonlijk op den bodem verblijf houdt, maar allerlei verhevenheden, uitstekende rotspunten, groepen van oesterschelpen, bij voorkeur echter boom- of netvormige stokken van Hoornkoralen, beklimt. Dit geschiedt met behulp van de lange, dunne, tamelijk stijve ambulacraalpootjes, die slechts weinig teruggetrokken kunnen worden. Het spijskanaal is ᔓ-vormig gekromd en loopt aan het achtereind van ’t lichaam uit in de kloak, een zak met sterk gespierde wanden. De kloak staat tevens in gemeenschap met twee wijde, boomvormig vertakte buizen en dient, bij wijze van pomp, tot het vullen en ledigen van deze onder den naam van waterlongen bekende ademhalingsorganen. Na verscheidene snel opeenvolgende inademingen wordt door de wijd geopende kloak een dikke waterstraal in weinige sekonden naar buiten geperst. De microscopisch kleine diertjes, die onze Zeebuidel tot voedsel gebruikt, worden naar den mond gebracht door de voelers, die zich één voor één verkorten, binnenwaarts krommen en tot aan hun basis in het spijskanaal begeven. Zij worden, voordat zij op hun vorige plaats terugkeeren, door de beide kleine voelers tegen de mondranden aangedrukt en als ’t ware afgelikt. Maanden lang kan dit dier in een aquarium in ’t leven blijven. Nagenoeg voortdurend behoudt het de eens gekozen standplaats, waaraan het zich bij voorkeur met het achtereind van ’t lichaam vasthecht; aan het verticaal omhooggerichte lichaam verschaffen de uitgespreide voelers een zeer fraaien tooi. De huid wordt gesteund door een zeer groot aantal rad- of roostervormig doorboorde, knobbelige, niet samenhangende kalkplaatjes.
De leden van het geslacht Holothuria kruipen voortdurend op de buikzijde, die daarom merkbaar platter is dan de rug en dicht bezet met ambulacrale pootjes, die op den rug door papillen vervangen zijn. Hoewel zij in dit opzicht van hare duidelijker radiaal gebouwde verwanten verschillen, stemmen zij er in alle hoofdzaken mede overeen. Zeer veelvuldig is in de Adriatische en de Middellandsche Zee de Pijp-holothurie (Holothuria tubulosa), die een lengte van meer dan 25 cM. kan bereiken. Men vindt haar zoowel op 20 vademen diepte als op zeer ondiepe plaatsen in de nabijheid van den oever, zelfs op zulke, die bij eb droog vallen; zij trekt de voelers in, gelijk al hare verwanten bij de geringste storing doen, en is dan tegen een uren lang verblijf op het droge bestand. Door de lederachtige, roodachtige of zwarte huid tegen uitdroging beschut, liggen deze nu worstvormige dieren als levenloos op het zand en tusschen de steenen, versmaad door de Vogels, die op het strand voedsel zoeken, zoowel als door de menschen, die hier verzamelen wat van hun gading is.

Scotoplana globosa, opgehaald van een diepte van 4000 M. Ware grootte.
Een door ’t water bedekt exemplaar ziet men langzamerhand de teruggetrokken voorste lichaamsdeelen weer uitstulpen en met de gesteelde, aan den top schild- of bladvormige voelers, oogenschijnlijk zonder eenige keuze, slib, steentjes, schelpgruis en dergelijke bodembestanddeelen naar den mond voeren; de hierin voorkomende verteerbare stoffen maken zijn voedsel uit. Omvat men zulk een dier met de hand, dan trekt het zich krampachtig samen en spuwt zijn eigen ingewanden uit. Ieder die eens zulk een ervaring heeft opgedaan en zich door den kleverigen inhoud van een groote Holothurie heeft laten bevuilen, gaat naderhand omzichtiger met deze dieren om.

a) Klis-holothurie (Synapta inhaerens), ⅔ van van de ware grootte.—b, c, e) Anker (1 mM. groot) en ankerplaat van Synapta Beselii, de grootste bekende soort van haar orde; zij bewoont den Indischen en den Stillen Oceaan en wordt vooral op koraalriffen gevonden. (Semper zag op het eiland Bohol exemplaren van 2 M. lengte, die door de inboorlingen „Zeeslangen” werden genoemd.)—d) Bovenste uiteinde van den steel van het anker, van ter zijde gezien, nog iets sterker vergroot dan de fign. b, c en e.
De Holothuriën zijn over alle zeeën verbreid. Verscheidene soorten van de geslachten Holothuria en Stichopus worden door de inboorlingen van de Molukken en Philippijnen en van Nieuw-Guinea, vooral echter door de Polynesiërs, ingezameld, gekookt, gedroogd en aan opkoopers afgeleverd, die ze in de Chineesche havensteden, in Manila, Batavia en Singapore ter markt brengen. De Chineezen stellen dit artikel, dat Trepang wordt genoemd, op hoogen prijs en schrijven er bijzondere werkingen aan toe. Om het tot spijs te bereiden wordt het vooreerst afgekrabd, om de korst vuil, die er op zit, met de buitenste, kalkhoudende laag te verwijderen, en daarna 24 of 48 uur lang in zoetwater geweekt. De hierdoor gezwollen huid heeft een vuilgrauwe kleur; zij wordt verscheidene malen afgewasschen, zorgvuldig bevrijd van ingewanden, zand en andere vreemde stoffen, in kleine stukjes gesneden en bij de bereiding van sterk gekruide soepen of andere spijzen gebruikt. Evenmin als aan de eetbare vogelnestjes, is aan Trepang een eigenaardige smaak waar te nemen.
Alle genoemde vormen behooren tot de orde der Echte Zeekomkommers (Pedata), die zich kenmerken door het bezit van ambulacrale pootjes en waterlongen.
Verscheidene wetenschappelijke expedities hebben in de laatste helft van deze eeuw licht verspreid over de verschijnselen, die de zee op groote diepten oplevert. Hierdoor heeft men een geheel nieuwe, zeer merkwaardige, meer dan 50 soorten omvattende orde van Zeerollen, de Diepzee-holothuriën (Elasipoda), leeren kennen. Hun uitzicht verschilt aanmerkelijk van dat der typische Zeekomkommers; verscheidene kenmerken komen bij hen voor, die, naar men meent, aan de voorouders der thans levende Holothuriën eigen waren. Sommige herinneren aan rupsen, andere aan naakte Zeeslakken, nog andere gelijken door hun platte gedaante op Platwormen. Alle zijn duidelijk bilateraal symmetrisch; de ambulacrale pootjes zijn tot de meestal afgeplatte buikzijde beperkt; van de drie typische ambulacra zijn in den regel slechts de beide zijdelingsche aanwezig; aan den rug komen kegelvormige uitsteeksels voor; de longen en de spieren voor het terugtrekken van de voorste lichaamsdeelen ontbreken. De meeste soorten leven op diepten van 1800 à 3600 M., waar zij zich, vermoedelijk vlug, over den bodem bewegen en intusschen met den bek voortdurend zand en slib opnemen.
De laatste orde is die der Pootlooze Holothuriën (Apoda). Zij zijn voor ’t meerendeel tweeslachtig en worden naar het bezit of gemis van longen in 2 groepen verdeeld. Het laatstgenoemde geval doet zich voor bij de Klis-holothuriën (Synaptidae), die hun naam danken aan de zeer eigenaardige ankervormige kalklichaampjes, die in haar huid voorkomen. Het anker steekt met de schaft in een plaat met gaatjes, waarin het door een knop aan ’t einde wordt vastgehouden (fign. b, c, d, e). Deze lichaampjes, welker spitsen boven de oppervlakte uitsteken, zijn zoo groot, dat een scherpzichtig persoon ze met het bloote oog kan onderscheiden. Van de drie Europeesche soorten komt de hiervoor afgebeelde Synapta inhaerens aan de noordwestkust van Frankrijk en in de Middellandsche Zee voor. De beide andere (Synapta digitata en de veel zeldzamere S. hispida) werden uitsluitend in de Adriatische en de Middellandsche Zee gevonden.
Synapta’s, die men in gevangenschap houdt, stooten bij aanraking, en ook wel zonder eenige merkbare reden, gedurig stukken van het achterste gedeelte van ’t lichaam af, tot er nagenoeg niets van overblijft dan de voelerkrans met een kort ringvormig deel van het lichaam, waaronder dan nog het begin van het darmkanaal als een blaas uitsteekt. De afgescheiden stukken bewegen zich nog eenigen tijd; het is echter niet waarschijnlijk, dat zij in leven kunnen blijven, daar zij zich zonder mond niet kunnen voeden en er geen feiten bekend zijn, waaruit men zou kunnen afleiden, dat zulke stukken opnieuw een kop zullen vormen. Een stuk van den romp zonder kop is niet meer tot zelfverminking in staat. Baus heeft opgemerkt, dat het dier na het doorsnijden van den voorsten zenuwring het vermogen om zich zelf te verminken mist.
R. Semon, die de levenswijze van de Synapten der Golf van Napels heeft nagegaan, betwijfelt de juistheid van de heerschende meening, dat deze dieren meestijds, in zand en slib verborgen, een onderaardsch leven zouden leiden. Hoewel het zeker is, dat zij zeer dikwijls in den bodem vertoeven, bewegen zij zich waarschijnlijk nog vaker kruipend er over; hierop wijst de overeenkomst van de kleur der lichaamszijde, die bij het kruipen naar boven gekeerd moet zijn, met die van den omgevenden bodem, waarvoor alleen als middel tot bescherming van het dier reden kan bestaan. Onjuist is de bewering, dat de Synapten wegens de kalklichaampjes in de huid door roofdieren algemeen versmaad worden. Door allerlei soorten van Zeesterren, waarvan sommige zeer goed kunnen zien, worden zij gaarne gegeten. Ook de zelfverminking wordt door Semon als een middel tot beveiliging beschouwd. Wanneer het dier door een vijand gegrepen is, wordt het in gevaar verkeerend lichaamsdeel afgeworpen; daar deze operatie zeer schielijk afgeloopen is, heeft het vrij geworden kopeinde den tijd om zich in het zand te verbergen.