DE PLANTDIEREN (Coelenterata).
Reading edition
Slechts weinige uitverkorenen hebben zich kunnen verlustigen aan de liefelijke pracht van de eilanden der Groote Zuidzee, die door de levenswerkzaamheid der Koraaldieren in ontzaglijke tijdruimten zijn opgebouwd of vervormd, en welker stille lagunen een onvergetelijken indruk wekken door den overvloed en de schitterende kleuren van hare bewoners. Zulke heerlijke tafereelen verschaffen de Bloemdieren in de Europeesche zeeën niet, hoewel ons ook hier door sommige van hunne verwanten een verrukkelijk schouwspel wordt bereid. Op kunstwerken van lichtpaars, rooskleurig of geelachtig glas gelijken de scherm- of klokvormige Kwallen, die met guirlandes en lange franje getooid, bij stil weer om de langzaam voortdrijvende boot zweven, waarbij zij beurtelings haar schijf uitzetten en samentrekken om in de nabijheid van den waterspiegel te blijven. Menigeen heeft op een zeebadplaats van een nadere kennismaking met deze Sirenen een minder aangename herinnering behouden. Met hare netelorganen, die een brandende gewaarwording veroorzaken, beantwoorden zij de belangstelling van ieder, die, door de prachtige kleuren dezer levende juweelen verlokt, het waagde ze aan te raken. Velen, die niet in de gelegenheid waren om in de zee het fraaie schouwspel te genieten, dat de Plantdieren kunnen opleveren, hebben dit natuurtafereel op kleinere schaal nagebootst gezien in een aquarium. Een der schoonste sieraden voor deze kooien met zeebewoners, welker verzorging zooveel moeite vereischt, zijn de Actiniën of Zee-anemonen. Evenals de houwmeesters der koraalriffen behooren zij tot de Polypen. Deze vormen met de Kwallen de groep der Neteldieren (Cnidaria), die met de Ribkwallen (Ctenophora) en de Sponzen (Spongiae) de hoofdafdeeling der Coelenteraten uitmaken.
Hunne zeer eenvoudige organen, die, evenals bij alle overige Metazoën, opgebouwd zijn uit talrijke cellen, welker verschillende aard in verband staat met het door haar verrichte deel van den levensarbeid, vertoonen een geheel andere wijze van rangschikking. De Coelenteraten zijn echte Straaldieren en niet, zooals de Stekelhuidigen, aanvankelijk en ook later bilateraal symmetrisch. Bij deze bedraagt het aantal der (op lateren leeftijd optredende) stralen in den regel 5, bij gene daarentegen 2, 4 of 6 of een veelvoud van 4 of 6, en vertoonen zij zich onmiddellijk nadat de moerbeivormige opeenhooping van cellen, welke door dooierklieving ontstond, door indeuking aan den top een bekervormige darmlarve of gastrula geworden is. Alleen de Sponzen verheffen zich weinig boven den laatstgenoemden oertoestand. Ook bij vele andere Plantdieren is echter, evenals bij de gastrulen, de lichaamswand uit slechts twee lagen—een buitenste (het ectoderm) en een binnenste (het entoderm) samengesteld; het bij alle hoogere dieren optredende mesoderm (middelste laag) ontbreekt, of staat, zoo het aanwezig is, tot de beide andere lagen in zeer nauwe betrekking. De huid, die bij de leden der vorige afdeeling lederachtig verdikt is en skeletdeelen vormt, wordt hier slechts bij uitzondering aan leder gelijk. Bij vele Coelenteraten (b.v. bij de Ribkwallen en de Echte Kwallen) ontwikkelen zich in ’t geheel geen harde deelen; deze vertoonen zich bij de meeste Polypen en Sponzen aan de oppervlakte van het ectoderm of in het mesoderm als uitscheidingen van het chitine, koolzure kalk of kiezelzuur.
Aan hun belangrijkste kenmerk danken de Coelenteraten dezen naam, die „Darmholte-dieren” beteekent. De lichaamswand omsluit bij hen slechts één holte, die zoowel voor het verteren van de spijs, als voor de verspreiding van voedsel en zuurstof door het geheele lichaam dient; de eindproducten van de stofwisseling (bij de hoogst ontwikkelde Plantdieren ook de voortbrengselen der geslachtsorganen) worden door één zoowel voor mond als voor aars bestemde opening verwijderd. Bloedvaten en uitscheidingsorganen ontbreken.
Het opperhuid (soms ook het entoderm) van de Neteldieren bevat netelcellen, cellen van verschillende grootte, doch steeds microscopisch klein, welker tamelijk stevige wand een doorschijnend blaasje omsluit, dat een spiraalswijs gewonden, draadvormig buisje bevat; deze draad is meer dan 20-maal zoo lang als het blaasje, loopt aan ’t vrije einde spits uit en is tot dicht bij deze plaats met een of 2 spiraalvormige reeksen van fijne weerhaakjes voorzien. Iedere aanraking of andere wijze van prikkeling van de netelcel veroorzaakt het plotseling naar buiten schieten en gelijktijdig omstulpen van den draad en geeft dus aanleiding tot verwonding van den aanraker. Naar het schijnt, is de draad met een vergiftige stof gevuld, die na het omstulpen haar oppervlakte bedekt en met de scherpe punt van den draad in de wonde doordringend, op de huid van den mensch een soortgelijke werking teweeg brengt als de brandharen der brandnetels. Zeer dikwijls zijn de netelcellen tot groepen vereenigd, die men netelknoppen of netelbatterijen noemt. Elke netelcel wordt, nadat zij slechts éénmaal dienst gedaan heeft, vervangen door een andere, die zich er onder bevindt.
De Gewone Roode Zeeanemone (Actinia mesembryanthemum) van de Noordzee, die men b.v. onder steenen aan den voet van den zeedijk bij laag water aantreft, heeft in een vangarm van gemiddelde grootte meer dan 4 millioen rijpe netelcellen; in hare gezamenlijke vangarmen minstens 500 millioen. Een vangarm van de prachtige, fluweelglanzig groene Anthea cereus bevat meer dan 43 millioen netelcellen; een exemplaar met 150 tentakels heeft dus 6450 millioen wapens in voorraad.
Tot dusver heeft men slechts bij één soort van Ribkwallen (en bij deze in geringen getale) netelcellen gevonden; bij de overige leden dezer klasse zijn zij vervangen door „grijpcellen”, halfbolvormige uitsteekseltjes van de vangdraden, die een veerkrachtige, spiraalswijs opgerolde draad, doch geen gif bevatten.