← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen

DE SLANGSTERREN (Ophiuroidea).

Reading edition

Brooze Stekelslangster (Ophiothrix fragilis) van de rugzijde gezien. ⅔ van de ware grootte. Deze soort komt op een diepte van 0 à 50 vademen langs de kusten van Groenland, IJsland, Noorwegen, Denemarken, de Britsche eilanden, Nederland en de Middellandsche Zee voor.
Brooze Stekelslangster (Ophiothrix fragilis) van de rugzijde gezien. ⅔ van de ware grootte. Deze soort komt op een diepte van 0 à 50 vademen langs de kusten van Groenland, IJsland, Noorwegen, Denemarken, de Britsche eilanden, Nederland en de Middellandsche Zee voor.

Brooze Stekelslangster (Ophiothrix fragilis) van de rugzijde gezien. ⅔ van de ware grootte. Deze soort komt op een diepte van 0 à 50 vademen langs de kusten van Groenland, IJsland, Noorwegen, Denemarken, de Britsche eilanden, Nederland en de Middellandsche Zee voor.

Ook bij deze dieren is het lichaam uit een schijf en armen samengesteld. De buitengewoon slanke en lenige armen vertoonen zich niet als onmiddellijke voortzettingen van de schijf, maar als aanhangsels van haar onderzijde, die er als ’t ware ingevoegd of aangezet zijn. De schijf heeft in ’t midden van de buikzijde een stervormige mondopening, welker stralen zich tot aan den oorsprong der armen, maar niet in den vorm van groeven hierover uitstrekken. De armen zijn bekleed met reeksen van naar achteren gerichte schubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. De zeer eenvoudig ingerichte ambulacraalpootjes hebben aan ’t einde geen hechtschijfje en worden aan weerszijden van de onparige reeks van buikschubben, tusschen deze en de meestal stekeldragende zijschubben uitgestoken. De aarsopening ontbreekt; de madreporenplaat ligt aan de buikzijde van de schijf bij de mondopening, in welker omgeving men ook 10 (zelden 20) voor de ademhaling dienende spleetvormige openingen aantreft.

Van de klasse der Slangsterren zijn niet minder dan 700 levende, daarentegen slechts een 50-tal fossiele soorten bekend; zij is dus rijker aan hedendaagsche vormen dan alle overige klassen van Stekelhuidigen. Het talrijkst zijn zij op rotsachtige kusten met weligen plantengroei; het is echter niet gemakkelijk ze hier te vinden daar zij sluw en vreesachtig zijn en zich zeer behendig door rotsspleten, tusschen takken van polypenstokken, kokers van Wormen en wortels, kortom langs de minst gebaande paden weten te bewegen. Hierbij vervullen de ambulacraalpootjes een ondergeschikte rol; de armen daarentegen kronkelen zich als slingerstaarten om allerlei dikke en dunne voorwerpen. Allerlei lagere dieren, vooral Polypen, worden als voedsel gebruikt; de mondhoeken doen als kaken dienst.

Verreweg de meeste soorten (650) behooren tot de orde der Echte Slangsterren (Ophiurae), die zich kenmerkt door enkelvoudige (onvertakte) armen en in alle zeeën, op alle diepten vertegenwoordigd is, door een drietal soorten, ook bij de kusten van Nederland. Bij de meeste Medusasterren (Euryalae) daarentegen vertakken de armen zich hetzij aan hun einde of reeds dicht bij hun oorsprong en hebben tevens het vermogen om zich naar de mondzijde op te rollen; vermoedelijk dienen zij niet slechts als bewegings- en grijporganen, maar brengen ook den buit naar den mond. Zonder uitzondering bewonen zij groote diepten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings