← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen

DE RIBKWALLEN (Ctenophora).

Reading edition

Het geleiachtig, min of meer doorzichtig lichaam van de Rib- of Kamkwallen is verschillend van vorm; het gelijkt op een bol bij Cydippe, op een Perzische muts bij Beroe, op een lint bij Cestus, enz. Het is tweestralig en niet bilateraal symmetrisch, daar het op twee wijze door een vlak, dat de lichaamsas bevat, in twee gelijke helften kan worden verdeeld. De beide bedoelde vlakken snijden elkander rechthoekig volgens de as. In dit geval kan dus evenmin van rugzijde en buikzijde sprake zijn als bij een regelmatige vaas met twee ooren. Aan de lichaamsas onderscheidt men de mond- en de tegenmondpool (orale en aborale pool). Deze dieren zwemmen in de open zee, maar worden niet zelden door wind of stroom naar de kust gedreven: bij de onze vertoont zich niet zelden de 13 mM. lange Kogelronde Cydippe [Cydippe (Pleurobrachia) pileus], nu en dan ook de 16 mM. lange Kleine Eivormige Beroë (Beroë roseola). Gewoonlijk nemen zij in ’t water een nagenoeg vertikalen stand aan met naar beneden gerichte mondopening. Door deze komt het voedsel in een afgeplat buisvormigen (bij de Beroïden sterk verwijden) zoogenaamden „maagzak” (door instulping van het ectoderm gevormd en dus niet voor de spijsvertering bestemd). De meer of minder wijde (door het entoderm begrensde) gastrovasculaire ruimte, die den „maagzak” omgeeft en waarmede zijn achterste uiteinde, dat door spieren gesloten kan worden, in gemeenschap staat, wordt wegens haar vorm trechter genoemd en strekt zich uit tot in de nabijheid van de aborale pool. Twee hier aanwezige, kleine openingen stellen het dier in staat tot het opnemen van water in of tot het verwijderen van vocht uit den trechter. De inhoud van deze holte bestaat grootendeels uit water, dat echter gemengd is met bloed en deeltjes spijsbrij. Door trilharen wordt dit vocht in beweging gehouden in den trechter en het van hier uitgaande gastrovasculaire kanalenstelsel, welks hoofdstammen dicht onder de oppervlakte langs loopen, daar waar zich van buiten de zoogenaamde ribben bevinden. Meestal zijn (soms 4 korte en 4 lange) ribben aanwezig; zij reiken van de eene pool tot de andere of nemen een deel van deze meridianen in. Elke rib wordt gevormd door een reeks van kammen of zwemplaatjes: korte dwarsreeksen van lange trilharen, die aan den oorsprong met elkander vergroeid zijn. Gewoonlijk trillen deze zwemplaatjes in geregelde volgorde heen en weer, waardoor een golvende beweging van de geheele reeks ontstaat. Het dier kan naar verkiezing sommige ribben of alle te gelijk laten werken, in ’t laatstgenoemde geval verplaatst het zich langzaam in de richting van de trechterpool. Draaiingen en afwijkingen van de oorspronkelijk gevolgde richting komen dikwijls voor; zij geschieden vlug, zonder merkbare inspanning en op sierlijke wijze onder medewerking van de overige lichaamsaanhangsels: mondlobben, oortjes (tongvormige lobjes aan de lichaamsoppervlakte) en vangarmen (gewoonlijk 2, meestal dicht bij de trechterpool aan weerszijden van het lichaam geplaatst, dikwijls zeer lang, met fijne draden en talrijke, tot knopjes vereenigde kleefcellen bezet, te voorschijn komend uit scheeden, waarin zij teruggetrokken kunnen worden). Bij de afgebeelde soort komen alleen de laatstgenoemde aanhangsels voor.

Kogelronde Cydippe (Cydippe pileus). Ware gr.
Kogelronde Cydippe (Cydippe pileus). Ware gr.

Kogelronde Cydippe (Cydippe pileus). Ware gr.

De Ribkwallen hebben, evenals vele andere pelagische (in de open zee levende) dieren, de gewoonte om ’s nachts in de bovenste waterlaag te zwemmen en zich over dag in de diepte te verbergen; zij voeden zich met allerlei diertjes, vooral met kleine Crustaceën, die zij met de armen vangen. De Beroïden echter zijn vraatzuchtige roovers en verzwelgen dikwijls dieren, die hen in grootte evenaren, hiertoe in staat gesteld door een zeer grooten bek en wijden maagzak; hun in dwarse richting ovaal lichaam mist de vangarmen en kenmerkt zich door de fijne zijtakken, die, van de 8 meridiaansgewijs verloopende hoofdkanalen uitgaande, in het geleiachtige weefsel mazen vormen, waardoor het (meestal teer rozerood gekleurde) lichaam als ’t ware gemarmerd is. De grootste soort is Beroë Forskalii, die in de Middellandsche Zee groote scholen vormt en 20 cM. lang wordt.

De prachtigste Ribkwal is de 1.5 M. lange, 8 cM. hooge Venusgordel (Cestum Veneris), die de Middellandsche Zee, den Atlantischen en den Grooten Oceaan bewoont. De schoonheid van zijn sierlijk, doorzichtig, het zonlicht in alle kleuren weerkaatsend lichaam wordt nog verhoogd door zijne vlugge, elegante bewegingen, waarbij het allerlei gracieuse krommingen vertoont. Evenals al zijne verwanten is de Venusgordel phosphoresceerend; de zetel van dit tot na den dood voortdurend vermogen is de wand der meridiaansgewijs loopende kanalen. Het lichten der zee wordt dikwijls voor een groot deel door leden dezer klasse veroorzaakt. De Ribkwallen zijn tweeslachtig; de jongen ondergaan een meer of minder samengestelde gedaantewisseling en verschijnen in den herfst als volwassen dieren aan de oppervlakte.

In de huishouding der natuur speelt deze ongeveer 50 soorten omvattende klasse een ondergeschikte rol. Hare leden bekoren het oog van den mensch, leven van roof en vallen zelf ten buit aan Schermkwallen en Zee-anemonen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings