← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 3.8, De Stekelhuidigen, Plantdieren en Sponsen

DE SPONSEN (Spongiae).

Reading edition

Wie voor den eersten keer eene verzameling Sponsen, gedroogd of in spiritus bewaard, bekijkt, zal niet zelden over de dierlijke natuur van deze in verschillende vormen (zooals beker-, bol-, knots-, waaier- of trechtervormige) voorkomende voorwerpen in twijfel staan en de totaalindruk zal wezen, dat het planten zijn. Daar men echter zulke Sponsen in een museum van natuurlijke historie vindt, zal men allicht oordeelen, dat zij dan zeker in leven en op de plaatsen wáár zij leven er anders uit zullen zien en dan meer den indruk van dieren maken. Laten wij daarom de Sponsen in de natuur opzoeken. Zij komen slechts in het water voor, en zeer spaarzaam zijn zij in zoet water vertegenwoordigd door de Zoetwater-sponsen of Spongillen. Op den bodem van menig water, aan houten brugpijlers, kan men gedurende den zomer groenachtige of grijze, vertakte of rondachtige dingen, ter grootte van een vuist of van een hoofd, bestaande uit een weeke of papachtige massa, zien, die voor het bloote oog niet het geringste spoor van leven vertoonen, die, in een glas met water bewaard, zich weken lang onbeweeglijk vertoonen, en die, in de zon gelegd, snel indrogen, zonder iets van hun vorm te verliezen en dan gemakkelijk tot poeder zijn te knijpen.

Het microscoop toont dat dit poeder of stof grootendeels uit fijne, met twee punten voorziene kiezelnaalden bestaat en wij zijn nog even wijs als vroeger. Laten wij daarom de zee opzoeken, waar Sponsen in menigte voorhanden zijn.

Op sommige plaatsen van de Adriatische Zee en de Ionische eilanden zijn de rotsen bij plekken door een korst van O.5–2 cM. dikte bedekt, die witachtig van kleur is en die men gemakkelijk er af kan breken. Als men deze korst losbrokkelt, ziet men dat zij ten deele bestaat uit lichaampjes van een onregelmatigen, ten deele van een kegelachtigen of fleschachtigen vorm, die eerst leven en beweging verraden, als men in hunne nabijheid fijn verdeelde verfstof in het water werpt. Daardoor worden dan stroomingen zichtbaar, welke van de groote openingen uitgaan en door de een of andere werkzaamheid in het inwendige van deze lichamen moeten ontstaan. Al deze Kalksponsen zijn hard en ruw op het gevoel of vertoonen tenminste, als zij van een weekere zelfstandigheid zijn, eene ruwe, stekelige oppervlakte.

Waaraan herkent men nu eigenlijk een Spons? Om deze vraag te beantwoorden, kunnen wij niet beter doen dan te wijzen op de meest verbreide soort van Spons, die bij iedereen bekend is, n.l. de gewone Badspons. Maar … om te beginnen hebben wij ons reeds onjuist uitgedrukt, want niet de Badspons is het die bij iedereen bekend is maar … het geraamte er van. Het is, zooals men gemakkelijk kan nagaan, een zeer elastisch, van grootere en ontelbare kleinere poriën en kanalen doorboorde, vezelachtige massa van een stof die men hoornachtig (Spongin) noemt.

Wij hebben over het voorkomen der Sponsen reeds gesproken. De vorm wijzigt zich echter dikwijls naar de omstandigheden waaronder zij groeit en van het voorwerp waarop zij zich heeft vastgehecht. Met uitzondering van den eersten levenstijd, zijn zij vastzittende wezens en niet zelden leven zij ook parasitisch op andere dieren, op de schelpen van Weekdieren, Polypariën enz. Er zijn ook Sponsen, die parasitisch op andere wonen. Eenige soorten hebben zelfs het vermogen om gaten in kalkgesteenten te boren en houden daarin hun verblijf. In verschen toestand bezitten de meeste Sponsen eene tamelijke vastheid, zoodat zij aan drukking weerstand kunnen bieden, zooals b.v. de soorten, welke worden ingezameld om in den handel te worden gebracht. Deze handelsartikelen bestaan echter, zooals wij reeds zeiden, enkel uit het skelet, waaruit alle weeke deelen door uitspoeling en uitwassching zijn verdreven. De kleuren welke zij vertoonen zijn wit, geel, bruin, zwart, rood, violet en groen, en in grootte wisselen zij af van eenige millimeters tot een meter en meer.

Alle Sponsen bestaan uit een skelet en uit eene zeer weeke zelfstandigheid, het sarcode of protoplasma, waarmede de opene holten en kanalen gevuld zijn, die met elkander in verband staan en buitenwaarts uitmonden met tweeërlei soort van openingen, namelijk zeer kleine, poriën genaamd, en grootere, gewoonlijk mondjes (oscula) geheeten. Het stelsel van kanalen mondt uit in eene ruimte, de maagruimte, die naar onderen zakachtig gesloten is, naar boven met eene opening, de schoorsteen genaamd, in verbinding staat. Het omringende water met de daarin zwevende kleine deeltjes, die tot voeding van het lichaam dienen, treedt de kleine poriën binnen en verlaat dit weder door de groote openingen, na de voedende bestanddeelen te hebben achtergelaten.

De instroomingsopeningen of poriën bevinden zich altijd aan de buitenvlakte, de uitstroomingsopeningen daarentegen monden dikwijls uit in een gemeenschappelijke of cloacale holte, die dan één grootere, naar buiten voerende opening heeft. Deze openingen bezitten nog de eigenaardigheid dat zij tijdelijk of blijvend kunnen zijn. Dit hangt af van de meerdere of mindere vastheid van de weeke zelfstandigheid. Is de buitenste sarcodelaag in zekeren graad verhard en een soort certicula geworden, dan zijn de openingen blijvend, is de sarcode week, dan verschijnen en verdwijnen de openingen zonder een spoor achter te laten.

Waarnemingen hebben aangetoond, dat er voortdurend eene strooming van het water naar de ingangsopeningen plaats heeft en dat deze strooming veroorzaakt wordt door de beweging van trilciliën. Aan de wanden der inwendige kanalen komen namelijk binnenwaartsche, lange, draadvormige verlengselen van wandlooze cellen voor, die meestal elk slechts een enkel trilhaar bezitten, soms twee of meer. Op sommige punten zijn zij troepsgewijs vereenigd tot zoogenaamde triltoestellen, ook trilkorfjes genoemd. Door de zweepende beweging nu van deze trilhaartjes, wordt de strooming van het water onderhouden en naar de verschillende gedeelten gevoerd. Uit de uitstroomingsopeningen komt het water verder met kracht naar buiten en voert de faecale stoffen mede. Deze geheele inrichting voldoet voor de Sponsen aan de behoefte tot ademhaling zoowel als aan die der spijsvertering.

Het voedsel wordt in de eerste plaats opgenomen door zekere beweeglijke cellen, geassimileerd en dan naar de plaatsen, waar voedsel noodig is, gebracht. Hier geven deze wandelende cellen haar voedsel af behalve het onbruikbare deel daarvan. Daarna verplaatsen zij zich met die faecale stoffen naar de uitstroomingskanalen waar zij deze afgeven, dan trekken de cellen naar de instroomingsmonden, nemen voedsel op en beginnen hun rondreis van voren af aan.

Het weeke sarcodelichaam, dat wij in de vorige regels schetsten, wordt gedragen, omvat als het ware, door het skelet, dat gedeelte wat wij na droging de „spons” noemen. Men noemt de zelfstandigheid, waaruit dit skelet bestaat, hoornachtig, maar in werkelijkheid is het een geheel andere stof. Zij wordt onderscheiden met de namen spongioline, keratode en keratose, zelfstandigheden waartoe ook de chitine en conchyoline behooren. Deze stof wordt uit de sarcode gevormd in de gedaante van vezels, vliezige platen en spicula, die onderling tot een meer of minder dicht net zijn verbonden. Zij zijn meest cilindrisch van vorm, uit concentrische blaadjes samengesteld, ook hol, in welk geval zij een net van vertakte buizen vormen. Een ander bestanddeel van het skelet is kiezelzuur, dat zich gewoonlijk vertoont in den vorm van afzonderlijke spicula, die, daar zij veelal naaldvormig zijn, ook eenvoudig sponsnaalden worden genoemd. Zeldzamer komt als bestanddeel van het skelet voor koolzure kalk, die ook somtijds in de gedaante van spicula voorkomt en dan van de kiezelspicula moeielijk te onderscheiden zijn.

Ook de eieren ontstaan uit beweeglijke cellen.

De gewone wijze van voortplanting is die door tweeërlei soort van lichaampjes. De eerste zijn bolvormige, eironde, korrelige lichaampjes en liggen verspreid in de sarcode massa, te midden waarvan zij ontstaan, en worden door de uitstroomingsopeningen naar buiten gevoerd. Zij verkrijgen dan geheel of ten deele een trilhaarbekleedsel, zwemmen een tijd rond en hechten zich daarna vast aan eenig voorwerp, waarna de ontwikkeling zijn verder verloop heeft. De tweede soort van lichaampjes zijn grooter en bestaan uit een verzameling cellen, welke door eene opening in den dunnen wand, welke hen bijeenhoudt, naar buiten treden. Er is echter nog eene andere wijze van voortplanting.

Wanneer een levende Spons in stukken verdeeld wordt dan behoudt elk stuk het vermogen om te blijven leven en te groeien. Men neemt aan dat zich uit elk sarcodeklompje een Spons kan ontwikkelen en het schijnt dat deze zelfverdeeling somtijds voorkomt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings