DE GEWONE SPONSEN (Coenospongiae).
Reading edition
Bij de tweede klasse der Sponsen, die veel talrijker dan de eerste en in alle zonen en diepten der zee verbreid is, bestaat het skelet uit kiezelnaalden, die gedeeltelijk of ten deele door samenhangende hoornvezels verdrongen zijn, welke harerzijds naar omstandigheden weder onder opneming van vreemde lichamen bijna totaal verdwijnen.
EERSTE ORDE.
DE HALICHONDRIËN (Halichondriadae).
Die Sponsen, welker weeke vormlooze zelfstandigheid een op de gewone badspons gelijkende, min of meer elastisch netwerk oplevert, waarin zich geen kiezelnaalden bevinden, worden Hoornsponsen genoemd. Onder deze Hoornsponsen nemen de verschillende soorten van badsponsen, paarden- en tafelsponsen om hunne beteekenis voor den handel de eerste plaats in. Men vat deze samen in de familie Euspongia. Aan eene behoorlijke indeeling in soorten is niet te denken. De sponsenhandelaars nemen 16 soorten aan, die uit verschillende streken van de Middellandsche Zee komen.
Het is aan iedereen bekend, dat de badspons de eigenschap moet bezitten, zelfs wanneer zij volkomen uitgedroogd is, niet te breken, maar zich oogenblikkelijk, zoodra zij in het water is gelegd, vol te zuigen en elastisch te worden. Het netwerk hetwelk wij spons noemen is niets anders dan het skelet van het dier, hetwelk overblijft als men een levende, volwassen Spons zoolang kneedt en drukt, dat de geheele kleverige massa, welke de gangen en holten vult, er uit verwijderd is. Zulke Sponsen treft men in de koude zone in het geheel niet aan. Alleen in de noordelijke helft der gematigde zone vindt men enkele kwijnende exemplaren. Daarentegen zijn de Adriatische en de Middellandsche Zeeën rijk aan soorten, welke onder de namen Dalmatiner-, Fijne Syrische-, Zimotka- en Paardensponsen in den handel komen.
De fijnste soort, zich onderscheidend door weekheid en zachtheid, en meestal den bekervorm vertoonend, wordt aan de Syrische kust gevischt. Vlakker en uit een dichter weefsel bestaande is de Grieksche Zimotkaspons. De Dalmatiner-spons daarentegen legt het tegen beide soorten af, hij is door de geheele Adriatische Zee verbreid, is wat grover van vezel en verkrijgt niet geregeld dien vorm welke in den handel gewenscht is.
In de Grieksche zeeën en aan de Turksche kusten verkrijgt men de Sponsen door duikers. Aan de kusten van Dalmatië en Istrië bemachtigt men ze door middel van de lange vierpootige vork, welke men op oude afbeeldingen als het attribuut van Neptunus ziet afgebeeld. Alleen de bewoners van het kleine eiland Krapano wijden zich aan deze bezigheid en met 30–40 barken zoeken zij gedurende het gunstige jaargetijde de ingeschaarde en aan eilanden rijke kusten af. Op elke bark, aan welks voordek zich een vierhoekig uitsteeksel bevindt, zijn twee man; de man, die de vork hanteert, bevindt zich op dit uitsteeksel om voorover gebogen met het bovenlijf goed te kunnen balanceeren. De steel van de vork is 7.14 M. lang eene reserve-vork en stelen zijn altijd aan boord. De tweede man zit op de riemen, welker rustpunten in een over het boord uitstekenden balk liggen, waardoor de noodzakelijke scherpe bewegingen der boot zekerder kunnen gemaakt worden. Terwijl nu de boot dicht langs den rotsigen oever over een diepte van 4–13 M. langzaam voortdrijft, spiedt ieders oog naar de door hunne zwarte huidkleur kenbare Sponsen. Algeheele windstilte is natuurlijk het wenschelijkst. Is de zee te woelig dan wordt de oppervlakte met olie overgoten. Tot dit doel ligt altijd op den voorsteven der boot een hoopje gladde kiezelsteenen, waarnaast een pot met olie staat. De visscher doopt eenige dezer steenen met de punt in de olie en werpt ze dan in een halven cirkel om zich heen in zee. De uitwerking is verrassend, want hoe gering de hoeveelheid olie is welke op deze wijze op de oppervlakte wordt overgebracht, is het toch voldoende om de kleine golven tot rust te brengen en het oog wordt niet meer gehinderd door het spiegelen en kabbelen van de golfjes. De visscher kan echter de Sponzen niet allen zien, daar velen in de schaduw leven. Hij moet dus met zijn vork of viertand tot onder de overhangende rotsen en steenen wroeten om ze te bekomen en zeker is het dat een groot deel niet gevangen wordt.
Als zij gesorteerd en aan den oever gebracht zijn worden de Sponsen daar zoolang getrapt, gekneed, gedrukt tot er alle sporen van de slijmachtige zelfstandigheid uit verdwenen zijn en slechts het skelet is overgebleven. De Sponsen behoeven daarna niets meer dan eene wassching en reiniging in lauw zoet water.
Aan de Grieksche en Syrische kusten is de behandeling dezelfde.
Dit is in tegenspraak met de omstandigheid, aan iedereen bekend, dat men groote moeite heeft eene nieuwe spons te reinigen van het daarin zittende zand, maar de zaak is zeer eenvoudig. De Sponsen namelijk, welke door de visschers zuiver afgeleverd worden, worden door de groothandelaars (het is bijna niet te gelooven!) met zand verzwaard, door ze in zand door te schudden, want de Spons wordt bij het gewicht verkocht.
Tot verbetering en uitbreiding dezer visscherij zijn van 1863–72 aan de kust van Dalmatië pogingen gedaan om de Sponsen kunstmatig te kweeken. Dat gelukte ook. Versche Sponsen werden in bepaalde stukken gedaan en, aan houten voorwerpen bevestigd, op de aangewezen plaatsen onder water gebracht. Door gestadige verbetering van deze methode was men reeds tot zeer mooie resultaten gekomen, toen allerlei storende gebeurtenissen, in de eerste plaats door het onverstand en de kwaadwilligheid der sponsenvisschers veroorzaakt, de onderneming verijdelden.

As-spons (Axinella polypoides). Natuurl. gr.
Onder de Sponsen van den tegenwoordigen tijd nemen die, welke enkelassige kiezellichaampjes afzonderen (Monactinellidae) de eerste plaats in.
Een interessante hoornkiezelspons van de Middellandsche Zee, de As-spons (Axinella polypoides), vertoont de nevenstaande afbeelding. Het fraai zwavelkleurige of bruingele dier vertoont een stok met talrijke individuën, wier schoorsteenen in vlakke groeven liggen. Hun bouw is stralig en meestal hebben zij acht stralen, wat hun met een in het binnenste van de spons voorhanden vastere as een groote gelijkenis geeft met een achtstralige polyp.
Het door hare werkzaamheid sterkste en daarom gewichtigste en belangrijkste geslacht is dat der Boorsponsen (Vioa). De beteekenis van deze Sponsen is veel grooter dan die der Badsponsen.
Als deze Oersponsen niet sinds eeuwen en eeuwen gearbeid hadden, zouden de kalk- en krijtlagen van onze aardkorst en de uit deze gesteenten bestaande kusten der tegenwoordige zeeën een geheel ander voorkomen hebben.
Ook vele meest vastzittende Mosselen worden door boorzwammen bezocht en dat is altijd zoo geweest, zooals de fossiele mosselschelpen bewijzen. Dit doet de vraag rijzen op welke wijze de Boorsponsen er in komen. Waarschijnlijk geschiedt dit op de volgende manier. Zij treden slechts in werkelijk uit kalk bestaande vormen op. De vrij zwemmende larve zal zich ergens in de een of andere kleine holte verbergen en daar tot een Spons ontwikkelen, die zijn arbeid voornamelijk langs chemischen weg begint en de kalk oplost.
Zwakke zuren bereiden het wrijven of raspen van de naalden voor, door de oppervlakte van de kalk aan te tasten. De naalden kunnen nu de kalk des te gemakkelijker meester worden. Het fijne boormeel wordt door de zuren opgelost, de stroomingen welke door het lichaam spoelen, nemen het op en zoo wordt de kalk in opgelosten vorm naar buiten gebracht. Het gewicht van de boorzwammen in den grooten kringloop van de eeuwige stof berust daarop, dat het gesteente niet tot in de kleinste stukjes fijn gewreven wordt maar als suiker in een glas water wordt opgelost en in dien toestand in het zeewater wordt gemengd. Daaruit nemen weder de tallooze Schaaldieren hun voedsel en trekken uit het in het bloed opgenomen water de vaste bestanddeelen voor het bouwen hunner woningen, welke eindelijk weder opgelost worden of op den zeebodem blijven liggen als bijdrage tot het vormen van nieuwe aardlagen voor latere eeuwen.
Tot de Kiezelsponsen met eenvoudige naalden behooren ook de Zoetwatersponsen (Potamospongiae), die, zooals hun naam aanduidt, het zoete water bewonen. De rijkdom van vormen onder hen is nog al tamelijk, maar de weinige soorten gaan in elkander over en vormen talrijke locale rassen. Deze dieren schijnen in nagenoeg alle zoete wateren der wereld voor te komen, ja men heeft ze in onderaardsche kolken en beken aangetroffen, die steeds aan het daglicht onttrokken zijn, ook in de buizen der waterleidingen komen zij voor. Het verbreidingsgebied van vele soorten is buitengewoon groot; zoo kennen wij er velen uit de voornaamste zoete wateren van Europa, Siberië en Noord-Amerika, maar tevens ook van Voor-Indië (Bombay) en Australië.
TWEEDE ORDE.
DE GLASBUISSPONSEN (Hexactinellidae).
De meeste der met den naam Glasbuissponsen aangeduide Sponsen kenmerken zich daardoor dat hun kiezelskelet op een fijn spinwerk van glas gelijkt. De gedaante, welke aan deze vormen ten grondslag ligt, is de as-ster van de kubus; dit is altijd het geval, al overtreffen ook de gedurende hun leven afgescheiden kiezelvormen, geïsoleerd van elkander bestaand of met elkander ineengesmolten en samenhangende, aan sierlijkheid alle menschelijke producten.
De gedaanteverwisseling der stralen schept vormen van eene elegance en verscheidenheid, zooals de stoutste fantasie zich nauwelijks kan denken en slechts de later te beschrijven Radiolariën overtreffen hen hierin.
De fraaiste van alle Sponsen wegens haar wonderbaarlijk fijn kiezelvlechtwerk zijn de Euplectelliden, de „Fraaigewevene”, waaronder Euplectella aspergilium. Deze fraaie Sponsen hebben een buisvormig kiezelskelet; de wand der buis bestaat uit een zeer regelmatig traliewerk van kiezelmazen. Het kiezelskelet der soorten van Euplectella wordt gevormd door een enkele zoodanige buis, die gewoonlijk min of meer gekromd is. Bij groote exemplaren kan die buis tot 30 cM. lang en 4 cM. breed zijn. Het traliewerk van den wand is uiterst sierlijk en regelmatig en gelijkt op een fraai kantwerk. Het is samengesteld uit overlangs en loodrecht daarop overdwars loopende kiezelvezelen, waardoor vierkante mazen begrensd worden, waarin zich nog diagonaal loopende balkjes vertoonen, zóó geplaatst in een gedeelte der mazen, dat er ronde openingen overblijven, die vermoedelijk de uitstroomingsopeningen zijn. Langs de buitenvlakte der buis verheffen zich (bij E. aspergilium, niet bij E. cucumer Owen) min of meer regelmatig spiraalsgewijs loopende en groote, vrije tusschenruimten openlatende dunne kammen, die zelve ook uit kiezelspicula zijn samengesteld. De bolle, horlogeglasvormige plaat, die het boveneinde bedekt, bestaat uit een dergelijk traliewerk van minder regelmatige mazen met iets grootere openingen, welke waarschijnlijk als de uitstroomingsopeningen mogen beschouwd worden. De buis vernauwt zich benedenwaarts en is aan haar ondereinde bezet met bundels van dunne kiezelharen, die een vrij aanmerkelijke lengte (10 cM. en meer) bereiken.
De meest bekende soort, Euplectella aspergilium, is afkomstig uit de zee bij de Philippijnsche eilanden, waar zij op vrij aanmerkelijke diepte leeft.
Niet zelden wordt zij door twee soorten van Schaaldieren bewoond, behoorende tot de geslachten Aega en Palaemon, die daar blijkbaar een parasitisch leven leiden en die in hun eerste jeugd in de spons moeten zijn geraakt, toen zij nog klein genoeg waren om door de openingen van het kiezelskelet te dringen. Vooral voorwerpen van Palaemon, een garnaal, komen er vrij regelmatig in voor als gevangenen.