VIII. DE HELM.
Reading edition
Helmkroon, kussen, helmkleed, wrong en penning.
Reeds in de grijze oudheid beschermden de strijders zich het hoofd tegen zwaardslagen door een helm. Sedert de 12e eeuw dient de helm ook tot aanbrenging van heraldische versierselen. De helm leent zich uit den aard der zaak minder goed tot versiering van wapens van steden en vereenigingen en van vrouwen. Toch komt de helm ook op deze wapens voor. Behalve de pothelm kan iedere helm tot heraldische versiering dienen; voornamelijk echter de tornooi- en de steekhelm, die dan nog met het kleinood worden verfraaid.
De oudste helm is de pothelm (fig. 318), bijna cylindervormig, alleen aan den gezichtskant flauw uitgebogen en van een neus voorzien. De helmtop is plat, later kegelvormig verhoogd; op oogshoogte zit een gleuf en op mondhoogte zijn gaatjes voor ademhaling aangebracht. Onder den helm is een bassinet aangebracht, met afhangende maliën (weefwerk als 't ware van metalen schakeltjes); op het bassinet of bekkeneel lagen kussentjes, om de slagen op den zeer zwaren helm te breken. De helm rust op de schouders, weegt gewoonlijk meer dan 5 K.G. en is zwart, met verguld of verzilverd beslag. Deze helmvorm wordt in de heraldiek zeer zelden gebruikt.
In de 15e eeuw wordt de salade of renhoed (fig. 330) gebruikt, met een lang staartstuk in den nek. Deze komt in de heraldiek niet voor, daar hij diende voor oorlogsgebruik. Op tornooien werd de in de heraldiek gebruikte steekhelm (fig. 325) sedert de 15e en 16e eeuw gebruikt. Deze weegt ± 20 K.G., maar rust op schouders, borst en rug, daar hij bevestigd is aan borst- en schouderplaten van het harnas. De kijksleuf sprong ver naar voren uit, en leverde daardoor minder gevaar op voor de oogen. Nog sierlijker is de tornooihelm (fig. 331). De kijksleuf hiervan was aanmerkelijk verwijd en werd beschermd door vertikaal uitgebogen stangen. Deze constructie was mogelijk, omdat deze helmvorm diende in den strijd met het stompe zwaard, en niet in een lansgevecht. In de 2e helft van de 15e eeuw wordt tusschen de vertikale stangen een horizontale aangebracht ter versterking, zoodat een traliënrooster ontstond. Inwendig werd de helm donkerrood gevoerd (fig. 332–342).
De Bourgondische helm (fig. 329) heeft geen staartstuk, een beweegbaar vizier en vast kinstuk. Deze helm sluit van terzijde, terwijl men bovengenoemde helmen allen over het hoofd liet zakken.
Slechts de pothelm (13e en 14e eeuw), de steekhelm (15e en 16e eeuw) en de tornooihelm (2e helft 15e eeuw) worden in de heraldiek gebruikt.
De helm van regeerende vorsten is van goud, van prinsen dito, maar met minder traliën. Hertogen hebben zilveren helmen met goud versierd. Verder kunnen helmen nog zijn van zilver en van gepolijst staal. Ook helmen duiden dus een rang aan.
De helm staat steeds vertikaal op het schild; helt dit laatste, dan staat de helm op den bovenhoek. Het schild is steeds iets hooger dan de helm, die „en face” of gedeeltelijk gedraaid kan staan. Het helmteeken draait met den helm mede; de onderrand rust steeds op den bovenrand van het schild. Helmen kunnen in aantal op het schild voorkomen. Hoe meer helmen hoe kleiner ze worden.
Vrouwenwapens vertoonen uit den aard der zaak geen helm; evenmin als die der geestelijken, die den helm vervangen door mijter en kromstaf. Soms echter, om aan te toonen dat ze het geloof verdedigen, voeren ze bovendien een helm en een zwaard. Zie fig. 344 en 350.

Fig. 317. Fig. 318.
}
Pothelmen.
Fig. 319. Fig. 320.
}
Voor en zijaanzicht van een pothelm.
Fig. 321. Bassinet.
Fig. 322. Bourgondische helm.
Fig. 323. Overgangsvorm van pothelm en steekhelm.
Fig. 324. Fransche salade.
Fig. 325. Steekhelm.
Fig. 326. Steekhelm van boven gezien.
Fig. 327. Vizierhelm.
Fig. 328. Steekhelm.
Fig. 329. Bourgondische helm.
Fig. 330. Salade of renhoed.
Fig. 331. Tornooihelm.
De overgang van helm naar helmteeken wordt gevormd door een helmkroon (fig. 335), die steeds zeer eenvoudig is, en waarvan de punten eindigen in Gothische bladvormen, leliën of klaverbladeren. Ze diende oorspronkelijk om de verbinding van helm en helmteeken onzichtbaar te maken en bestond aanvankelijk uit een geel geschilderden rand.
De helmkroon duidt in geen geval eenigen rang of stand aan, zooals de rangkroon.
Een kussen vindt soms plaats onder een wapenbord; het is steeds vierkant en van kwasten op de hoeken voorzien.
De wrong (fig. 368) is een ringvormig kussen, omwonden met een lint in de kleuren van het schild, welk lint aan de achterzijde eindigt in een strik met wapperende einden. Ze vervangt de helmkroon en diende om slagen te breken. Het helmkleed (fig. 332–342) was een lap stof, die, over den helm gelegd, diende tot wering van de zonnestralen, die den metalen helm gloeiend zouden maken; het hangt naar de achterzijde en aan de zijden naar beneden af en behoort bij het wapen. Oorspronkelijk een rechte lap stof, werd het helmkleed, dat uitsluitend op tornooien werd gebruikt, spoedig uitgesneden in bladvormige lobben, om vernieling en gehavendheid in den strijd te verbergen; bovendien waren binnen- en buitenzijde verschillend van kleur; nooit evenwel was de kleur metaal en steeds zijn de bladuiteinden gestyleerd in strakke lijnen, nooit slap neerhangend. Het helmkleed ontspringt onder de wrong. De oudste helmkleeden zijn het minst uitgesneden (fig. 70, 149 en 183).
De penning behoort niet bij den helm en kan worden toegepast of worden weggelaten. Het is een munt, die aan een koord om den hals van den helm is gehangen en sedert de 15e eeuw is toegepast.

