DE KLEUREN I.
Reading edition
De heraldiek staat met de ornamentiek in nauw verband. Vele decorateurs, teekenaars, ornamentisten en calligrafen hebben dan ook meer dan eens in hun leven met wapenschilden en wat daarmee in verband staat, te doen gehad, zoodat een boekje over die hoofdstukken uit de wapenkunde, die voor bovengenoemde categorie personen van belang zijn, in deze bibliotheek niet achterwege mag blijven.
De heraldische kleuren worden ook emails of tinkturen genoemd, en zijn te onderscheiden in:
A. metalen, B. kleuren en C. pelswerk.
Oorspronkelijk waren er 6 tinkturen, n.l. 2 metalen: goud en zilver en 4 kleuren: rood, blauw, zwart en groen.
Naderhand zijn hieraan nog eenige kleuren toegevoegd, n.l. natuur- of vleeschkleur, purper, aschgrauw, ijzerkleur, bruin en oranje.
Goud en zilver worden om praktische redenen dikwijls vervangen door geel en wit. Een goede heraldische gele kleur is chromaat.
Rood = keel; vermiljoen is de aangewezen kleur.
Blauw = azuur; kobalt blauw of ultramarijn.
Zwart = sabel; lampe- of ivoorzwart.
Groen = sinopel; emerald- of Parijsch groen.
Soms werden voor mensch- of dierfiguren en voorwerpen natuurlijke kleuren gebruikt, b.v. voor gelaat en handen vleeschkleur.
Purper, roodpaars werd nooit, behalve in Spanje, als kleur voorkomend op het schild benut.
Aschgrauw, ijzerkleur en bruin zijn vooral in lateren tijd in Duitschland toegepast.
De natuurkleuren kwamen in de vroegere middeleeuwen niet voor; ze werden vervangen door benaderende kleuren, wat heraldisch beter is. Zoo werd een leeuw goud of rood, een adelaar zwart of rood, een visch zilver of azuur. Vooral aschgrauw, ijzerkleur en bruin maken het wapenteeken onduidelijk, en het is daarom goed, deze later toegevoegde kleuren te vermijden. Ook wat oranje betreft moet worden zorg gedragen, dat ze nòch geel, nòch op rood gaat gelijken, maar goed oranje blijft.
Sterk sprekende kleuren, die reeds op grooten afstand zijn te onderscheiden, dus primaire en ongemengd, zijn hoofdvoorwaarde voor een goed heraldisch teeken. Zoo waren ook de zeer oude wapens gekleurd, niet, omdat men geen andere kleuren kende, maar omdat krachtige tegenstellingen, alleen door toepassing van primaire kleuren, een vereischte waren.
Dat het hierdoor kon voorkomen, dat een adelaar blauw, een leeuw groen werd voorgesteld, is ook volkomen te rechtvaardigen; dit vond meestentijds zijn oorzaak in 't feit, dat de verschillende takken van eenzelfde familie moesten worden onderscheiden. In zoo'n geval werd niet de figuur, b.v. de leeuw door een andere vervangen, doch eenvoudig door een andere kleur gewijzigd; en duidelijkheidshalve was men aangewezen op een sprekende heraldische kleur.
Als hoofdregel geldt verder, dat geen metaal op metaal, en geen kleur op kleur mogen worden gebruikt. Toch, waar somtijds bij zeer samengestelde wapenteekens afwijking noodzakelijk was, is deze afwijking niet altijd onheraldisch, maar niettemin ongewenscht, als ze eenigszins kan worden gemeden.
Zoo mag dus geen roode roos op een blauw veld worden aangebracht, evenmin als een gouden leeuw op een zilveren veld.
Purper en vleeschkleur zijn onzijdig, zoodat dus b.v. wel een kop in vleeschkleur op een blauw veld mag worden aangebracht.
Dat metalen niet op metaal mogen worden aangebracht komt, omdat deze elkaar zouden overschitteren, waardoor de teekening verward zou worden en de omtrekken of het silhouet niet goed zouden spreken.
Een andere toevoeging van lateren tijd is het z.g. Pelswerk. Hiertoe behoort onder anderen het hermelijn; dit zijn in den vorm van een Latijnsch kruis gestyleerde staartjes van het hermelijn, van welk dier de vachtjes dienden om koningsmantels te voeren. Het hermelijn komt voor als zwarte figuren op witten of zilveren grond.
Het tegenhermelijn is juist omgekeerd, witte of zilveren figuurtjes op zwarten grond. Indien hermelijn wordt toegepast niet op het schild, dan komt het voor in natuurlijken vorm. Een ander pelswerk, het z.g. vair komt gevarieerd voor als, vair, tegenvair en paalvair. De kleuren zijn steeds blauw en zilver.
Voornamelijk in Duitschland komt ook nog voor het Kürsch, een schubbenvormig gerangschikt pelswerk.
Omdat pelswerk niet als kleur wordt beschouwd, kan dus kleur op pelswerk of metaal op pelswerk worden aangebracht.
Ten slotte is in de heraldiek nog veel gebruik gemaakt van damasceerwerk, dit is een zuiver ornamentaal ornamentwerk, dat overigens geheel zonder beteekenis is en bij wapenbeschrijving nooit wordt genoemd. Zoodat het willekeurig kan worden aangebracht of weggelaten.
Voor het oorspronkelijke damast, bestaande uit geometrische vlakversieringen, kwamen later ranken en slingers, krullen en arabesken in de plaats.
Waar al deze tinkturen dikwijls in zwart en wit moeten worden gereproduceerd, omdat gekleurde afbeeldingen te kostbaar zijn, is sedert de zeventiende eeuw gebruik gemaakt van arceeringen. De oudste voorstellingen van kleuren geschiedde door het in de vakken plaatsen van de voorletters van de kleuren, maar dit gaf aanleiding tot verwarring, waar in de verschillende talen de kleuren verschillende benamingen hadden. Ook andere methoden zijn toegepast, b.v. hemellichaamteekens, en dagen van de week.
Toen echter in 1638 door Petra Sancta een zwarte arceering werd bedacht is deze voor alle landen als heraldische kleuraanduiding in gebruik gekomen.
Op te merken valt, dat deze arceeringen als kleuraanduiding ook in lateren tijd zijn toegepast voor reliefs en graveeringen van zegels etc. Kan het nog voor deze graveeringen worden toegestaan, het is beslist af te keuren, ze voor reliefs toe te passen. Hiervoor dient men om kleur te bereiken te zoeken naar meer of minder relief.
De arceeringen richten zich steeds naar de lengte-as van het schild, zoodat dus een vertikale arceering, die rood voorstelt, in scheeven stand kan komen te staan; en dus is de arceering onafhankelijk van de richting van het teekenvlak. De algemeen geldende arceeringen voor kleur, metaal, pelswerk en damast zijn de volgende:

1. Goud, gepunteerd.
2. Zilver, wit.
3. Rood, verticaal gearceerd.
4. Blauw, horizontaal gearceerd.
5. Zwart, kruisarceering in verticale en in horizontale richting; of wel zwart.
6. Groen, schuin gearceerd, van boven rechts, naar onderen links (schuins links).[1]
7. Purper, schuin gearceerd, van boven links, naar onderen rechts (schuins rechts).
8. Oranje, kruisende verticale en schuinsrechtsche lijnen.
9. Natuurkleur, trapvormige schuinslinksche lijntjes.

10. Aschkleur, afwisselend korte horizontale en verticale streepjes.
11. IJzerkleur, schuinsrechts- en links kruisende lijnen.
12. Bruin, verticale en schuinslinksche lijnen.
13, 14, 15, 16. Hermelijn en tegenhermelijn.
17, 18. Kürsch.

19, 20, 21, 22, 25. Oudere vormen van damast.
23, 24, 26, 27. Nieuwere vormen van damast.
28, 29, 30. Vair, paalvair en tegenvair.

