← Table of contents
Heraldiek

IX. HELMTEEKENS.

Reading edition

Het helmteeken is een heraldisch sieraad, even hoog of hooger dan de helm zelf (in verband met het gewicht); het is erfelijk en onafscheidelijk aan den helm verbonden, zoodat een enkele helm geen wapenhelm is. De voorstelling houdt meestal verband met het wapenbeeld, ook wat kleur betreft. Het eerst wordt het helmteeken toegepast op den pothelm; ter bevestiging dienden gaatjes, zooals fig. 326 aantoont.

Hoorns komen veel als sieraad voor; ze zijn eenvoudig als een halve maan gebogen, of dubbel gebogen. Zie fig. 339 en fig. 342; de eerste vorm is de oudste. Hoorns met open ringvormige einden noemt men trompen (deze naam houd echter geen verband met een olifantsslurf); ze komen sedert de 15e eeuw voor. Hoorns worden versierd met bladeren, schelletjes, vlaggetjes of platte stukjes blik, die bij 't bewegen een rinkelend geluid geven; bovendien zijn ze gekleurd als het schild; dus b.v. geschaakt.

Ook hertenhoorns of geweien (fig. 336) komen voor, maar zeldzaam. Een voorbeeld is het wapen van Oranje, met gouden gewei. Tusschen de hoorns is vaak een dier geplaatst, b.v. een griffioen, een leeuw, etc.

Vluchten zijn niet-naturalistische kunstmatige adelaarsvluchten, van leer of dun hout of blik vervaardigd; òf evenwijdig aan de schouders van den helm afstaand, òf als een kam loodrecht op de richting van de schouders over den helm afloopend (zie fig. 338, 348). Steeds paarsgewijs komen ze voor en heeten open of gesloten vlucht.

Wapenborden dienden voor beschildering met herautsstukken, die niet plastisch af te beelden zijn. Het waren beschilderde planken, met versieringen aan de kanten en op de hoeken, rustend meestal op een op den helm liggend kussen.

Vederbossen zijn bundels ganze-, hane-, pauwe- of struisveeren. Ze zijn meestal in beschilderde kokers vereenigd (fig. 351) of komen direct uit een wapenkroon (fig. 335). Pauweveeren wijzen oorspronkelijk op hooge geboorte; struisveeren zijn uit lateren tijd.

Hoeden, mutsen en mijters komen dikwijls boven schilden voor, zonder helm. Ook vlaggen (fig. 73) en planten (fig. 333 en 334) worden dikwijls gebruikt.

Menschen en dieren komen voor in hun geheel of als deelen. Zie fig. 69, 180, 337, 341, 346 en 349.

Rompen zijn meestal voorgesteld zonder armen en voeten. Bloemen of andere voorwerpen nemen de plaats in van de armen, terwijl de romp overgaat in het dekkleed. Het hoofd is vaak met aller hande vreemde mutsen versierd, terwijl mannen meestal een baard en vrouwen eigenaardig en opgemaakt versierd haar dragen. Ook borstbeelden met armen zijn nog goed heraldisch (fig. 341). Voorts komen voor adelaar, leeuw, brak, zwaan, eenhoorn, lelie, roos etc.

In 't algemeen is men tamelijk vrij in de voorstelling van het helmteeken, zooals uit de fig. 332–351 is te zien. Alleen moet het steeds verbonden zijn aan den helm en niet, zooals b.v. in Frankrijk, er boven zweven.

Figuren 332–342.
Figuren 332–342.

Fig. 332, 333, 334, 335, 336. Helmteekens, naar Hans Burgkmair.

Fig. 337. Helmteeken, naar Israel van Meckeren.

Fig. 338. Heele vlucht.

Fig. 339. Hoorns.

Fig. 340. Bandvormig helmkleed.

Fig. 341. Helmteeken, naar een Duitschen graveur.

Fig. 342. Hoorns, versierd met bladeren.

Figuren 343–351.
Figuren 343–351.

Fig. 343. Bisschopshoed, groen met 2 × 6 kwasten. Van een boekband.

Fig. 344. Helmteeken, naar gravure van Michael Wohlgemuth.

Fig. 345. Aartsbisschopshoed, groen met 2 × 10 kwasten.

Fig. 346. Zittende leeuw tusschen twee trompen.

Fig. 347. Pauselijke tiara.

Fig. 348. Vlucht van terzijde.

Fig. 349. Hoorns in plaats armen.

Fig. 350. Bisschopsmuts, naar Hans Burgkmair.

Fig. 351. Veerenkoker.

Kronen, mutsen, emblemen, orden.

Soms wordt de helm vervangen door een kroon, die den rang aanduidt van den eigenaar van het wapen. Oorspronkelijk waren de dragers alleen koningen, die in werkelijkheid bij officieele plechtigheden de kroon ook droegen als hoofddeksel. Tegenwoordig voert hoogere en lagere adel eveneens een kroon, wel te onderscheiden van de helmkronen.

De Duitsche keizerskroon is zeer verschillend van teekening. De oudere vorm, fig. 354, vertoont een haarband, versierd met email en edelgesteenten; hierop rusten bladvormige versierselen, z.g. fleurons; de kroon wordt naar boven afgesloten door een kap, in 2 helften gedeeld, waar tusschen een beugel van voren naar achteren loopt, die den rijksappel draagt.

De tegenwoordige Duitsche keizerskroon, fig. 358, wijkt in vorm belangrijk af. Ze bestaat uit 4 groote en 4 kleine platen; van de groote loopen 4 beugels naar den top samen, dragend den rijksappel. Beide kronen hebben aan weerszijden linten.

De koningskroon is een haarband, met fleurons versierd; 5 beugels komen samen in den top; tusschen de 5 zichtbare fleurons zijn 5 paarlen geplaatst, terwijl ook de beugels, die den rijksappel dragen, met paarlen zijn versierd. In 't hart van iedere fleuron staat een roode steen. De kroon is van goud, de wereldbol blauw. Afwijkende vormen zijn o. a. de Hongaarsche en de Boheemsche koningskroon.

Groothertogen dragen een gevoerde koningskroon. De overige adel draagt in alle landen niet dezelfde kronen. De voornaamste kronen zijn verder die van den: hertog, vorst of prins, markies, graaf, burggraaf, baron, ridder en edelman. Voor de verschillende gebruikelijke kroonvormen raadplege men de fig. 352-371.

Ook hoeden en mutsen wijzen op een rang en worden ook werkelijk gedragen.

Hertogen- en vorstenhoeden zijn oorspronkelijk van purper, met, inplaats van haarband, een hermelijnen omslag. De Doge van Venetië droeg een phrygische vrijheidsmuts met haarband en één dwarsbeugel. Zie fig. 371.

De Paus draagt de tiara, een hooge, witte muts, met uitgebogen zijden, omgeven door 3 boven elkaar geplaatste kronen en op den top den rijksappel; 2 banden bevinden zich aan weerszijden. Fig. 347.

Een bisschop draagt een mitra of mijter; de muts is even boven den haarband in 2 helften gespleten zóó, dat er tusschen een segment uitvalt. Met 2 banden aan weerszijden is verder de mijter rijk versierd, fig. 350.

Een kardinaal draagt een rooden platten hoed met 15 roode kwasten aan weerszijden afhangend (totaal dus 30). Elke groep is van boven af in aantal gerangschikt 1, 2, 3, 4, 5.

Een patriarch draagt een dito hoed, doch alles in 't groen.

Een bisschop draagt soms, inplaats van een mijter, een hoed als boven, n.l. de aartsbisschop een groenen met 10 kwasten, een bisschop een groenen met 6 kwasten. De lagere geestelijkheid draagt zwarte hoeden met 6 tot 2 kwasten.

Emblemen zijn waardigheidsteekens of zinnebeelden van bepaalde personen en niet erfelijk. Ze worden om of achter het schild geplaatst.

De paus gebruikt hiervoor 2 gekruiste sleutels (fig. 347), een aartsbisschop een 2 armig kruis (fig. 343). Andere emblemen zijn b.v. een kromstaf en zwaard gekruist, een maarschalkstaf, ankers voor admiralen, etc.

Andere voorkomende waardigheidsemblemen zijn nog de ridderorden, eveneens (op een zeer zeldzame uitzondering na, b.v. de stichters der orde) niet erfelijk. Als versiering van het wapen worden ze toegepast als schildhoofd, kwartier of bijschild; het laatste was een klein, aan den bovenhoek van het schild bevestigd schildje.

Enkele der voornaamste orden zijn:

De Maltheser of Johanniterorde, gesticht 1090, insigne een zilveren Maltheserkruis. (Zie fig. 157).

De Duitsche orde, een zwart kruis met zilveren randen.

De Orde van het gulden vlies, in 1429 gesticht door den hertog van Bourgondië; een gouden ramsvel aan een ketting van vuursteenen en vuurslagen, om het schild gehangen. Het devies is: Praetium non vile laborum (een niet geringe prijs voor wat volbracht werd). (Fig. 379).

De orde van de Tempeliers (nu opgeheven).

De zwanenorde; de orde Van het heilige graf.

De orde van den kouseband, spreuk: Hony soit qui mal y pense. Oorspronkelijk alleen een donkerblauw fluweelen band met gouden rand en bovenstaand devies.

De orde van den Deenschen olifant, hangende aan een keten van olifanten.

In Frankrijk treft men nog dikwijls om vrouwenschilden (ruitvormig) een gewonden koord aan, met liefdeknoopen.

Tegenwoordig heeft ieder land ordeteekens. De oudste zijn echter de voornaamste, en werden en worden alleen door oude adellijke geslachten gedragen.

De deviesen hier boven genoemd, zijn wapen- of lijfspreuken, meestal in oud-Fransche taal of in Latijn. Ze zijn kort en krachtig. Lijfspreuken zijn niet erfelijk. Wapenspreuken behooren aan een geslacht. Meestal is de spreuk op een onder het wapen slingerend lint aangebracht. Soms staan wapenspreuken in verband met, d. w. z. zij zijn afgeleid van den naam van het geslacht.

Figuren 352–371.
Figuren 352–371.

Fig. 352. Hongaarsche koningskroon.

Fig. 353. Boheemsche koningskroon.

Fig. 354. Oude Duitsche keizerskroon.

Fig. 355. Tegenwoordige koningskroon.

Fig. 356. Hertogshoed.

Fig. 357. Groothertogkroon, roode voering.

Fig. 358. Duitsche keizerskroon.

Fig. 359. Vorstenhoed.

Fig. 360. Gravenkroon, met 9 paarlen zichtbaar.

Fig. 361. Gravenhoed.

Fig. 362. Koningskroon.

Fig. 363. Baronnenkroon, 7 paarlen zichtbaar.

Fig. 364. Markiezenkroon.

Fig. 365. Fransche baronnenkroon.

Fig. 366. Stedenkroon. Geen rangkroon.

Fig. 367. Kroon ter versiering, voor dieren.

Fig. 368. Wrong.

Fig. 369. Ridderkroon, 5 paarlen zichtbaar.

Fig. 370. Ouderwetsche kroon, geen rangkroon.

Fig. 371. Muts van den Doge van Venetië.

Schildhouders en Wapententen.

Schildhouders komen eerst sedert de 14e eeuw voor. Ze staan naast of achter 't schild, bewaken en steunen dit en zien er naar, kijken den beschouwer aan of kijken afgewend als er twee zijn. Overigens zijn voor de toepassing geen vaste regels te geven. Het meest gebruikelijk zijn: engelen (staand, knielend), menschen, wildemannen en wildevrouwen, eenhoorns, leeuwen en griffioenen. Vogels, hoewel voor dit doel toegepast, leenen zich minder goed. De schildhouders houden het wapen met de handen of voorpooten vast en zijn soms gewapend. B.v. de wilde mannen met een knots.

Een schildhouder staat naast het schild of er achter, en kan ook 2 wapenschilden vasthouden (bij huwelijk).

Twee schildhouders zijn van dezelfde of van verschillende soort, en staan soms in verband met den geslachtsnaam (beer, geslacht Orsini).

Vele landen hebben tegenwoordig de schildhouders vastgesteld, b.v. Nederland gekroonde leeuwen.

Wapenmantels komen sedert de 17e eeuw voor, het eerst in Frankrijk. Het zijn aan de hoeken en in 't midden boven 't wapen opgenomen draperieën, die geheel achter 't schild hangen, zuiver decoratief, en van franje en koorden met kwasten voorzien. Boven het in 't midden opgenomen gedeelte staat de rangkroon. In dit geval heet de draperie wapenmantel. Staat alles wat op 't schild betrekking heeft vóór de draperie, dan noemt men deze wapentent.

Alleen vorstelijke personen voeren een wapenmantel.

Deze is purper, rood of blauw, bezaaid b.v. met lelies, leeuwen of adelaars en gevoerd met hermelijn.

Figuur 373.
Figuur 373.
Figuur 372.
Figuur 372.

Fig. 372. Compleet wapen, met wildemannen als schildhouders, naar een Fransch meester.

Fig. 373. Compleet wapen, met leeuwen als schildhouders, naar een Duitsch meester.

Figuren 374–381.
Figuren 374–381.

Fig. 374. Schildhouder, naar Hans Burgkmair.

Fig. 375. Renaissance schildhouder, naar Albrecht Dürer.

Fig. 376. Schildhouder, naar een onbekend meester.

Fig. 377. Drukkersmerk, naar Alexander Minutiano.

Fig. 378. Wapentent.

Fig. 379. Ordeteeken van het gulden vlies; 2 verschillende stylaties.

Fig. 380. Knoopenkoord of Liefdekoord.

Fig. 381. Orde van het Heilige graf.

Ten slotte verwijzen we hen, die een meer uitgebreide studie van de heraldiek willen maken, dan we hier geven, naar het uitmuntende werk van Jan H. Junius: Heraldiek.

Decoratieve illustratie
Decoratieve illustratie
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings