VI. HERALDISCHE BEELDEN.
Reading edition
We zijn nu gekomen aan een der voor den ontwerper meest interessante hoofdstukken van de heraldiek, n.l. aan dat van de Heraldische beelden, die ontleend zijn aan de natuur, aan gebruiksvoorwerpen of aan de fantasie. Kortom, alle heraldische beelden, die niet onder zijn te brengen bij het hoofdstuk herautsstukken. Het groote onderscheid tusschen beide groepen is dan ook, dat de laatstgenoemde hun grenzen hebben in den schildrand, en eerstgenoemde geheel vrij liggen of slechts gedeeltelijk den schildrand raken.
Zijn de herautsstukken geometrische of geconstrueerde figuren, de heraldische beelden vereischen van den teekenaar groote vaardigheid en handigheid in het styleeren. Hoewel er regelen bestaan, die niet uit het oog mogen worden verloren, is de teekenaar toch niet zoodanig aan strenge wetten en regels gebonden, dat hij niet eenige vrijheid zou hebben om, waar de stijl of de omgeving zulks gebieden, hiervan een weinig af te wijken.
Een eerste eisch is natuurlijk weder: duidelijkheid. Een gevolg hiervan is, dat tijdens de Gothiek de heraldische beelden niet naturalistisch werden voorgesteld, maar gechargeerd en gestyleerd. Eerst tijdens de Renaissance kwam het afbeelden van b.v. naturalistische dieren- en menschfiguren in gebruik.
Dit terugbrengen van natuurvormen tot een bepaalden stijl, zooals zoo dikwijls wordt gevraagd, is niet terstond te leeren. Vaardigheid hierin wordt verkregen door dikwijls goede voorbeelden uit de verschillende stijlperioden te bekijken. De fraaiste en meest tot bestudeering aanbevolen heraldische beelden zijn afkomstig uit de 13e, 14e en 15e eeuw.
Naderhand heerschte in de heraldiek te veel het naturalisme, waardoor het karakteristieke van het heraldische beeld, en daardoor van het geheele wapen, verloren ging. Wat wel te verklaren is overigens, omdat de practische waarde van het schild als zoodanig verloren ging.
De volgende hoofdregels gelden voor de heraldische beelden:
1. De figuur vulle zooveel mogelijk het geheele veld en sta in juiste verhouding tot de fond.
2. De figuur kan ook zijn een onderdeel van een voorstelling, b.v. een lichaamsdeel.
3. De figuur kan gecombineerd worden met andere figuren en ook met herautsstukken.
4. Het heraldische beeld moet zooveel mogelijk zijn een vlakversiering, dat wil zeggen een vlakke figuur, in omtrek, ingevuld door een vlakke kleur. Vermijding van schaduw is daarom aanbevolen.
5. Het heraldisch beeld behoort te worden voorgesteld in den stijl van het wapen en de omgeving, waarin of waarop het is aangebracht.
A. Het kruis.
Het kruis is een der veelvuldig toegepaste heraldische beelden; zinnebeeld van den Ghristelijken godsdienst, is het dikwijls tijdens de kruistochten, toen dus ook het praktisch nut van het schild zeer groot was, aangenomen als wapenteeken.
In zijn eenvoudigsten vorm komt het kruis voor als kruis en als schuinkruis. We zagen het kruis als zoodanig reeds voorgesteld bij de herautsstukken. Waar de kruisridders uit alle christelijke landen optrokken, kon verwarring niet uitblijven; daarom werd getracht den kruisvorm zooveel mogelijk te varieeren door veranderde plaatsing op het schild of door verandering van de armen van het kruis.
Een zeer belangrijke plaats is nog het hart van het kruis, dat ook voor talrijke varianten geschikt is.
De kruizen, waarvan de armen hun beëindiging vinden in den schildrand, behooren, mits ze niet vervormd zijn, tot de herautsstukken. Zijn de armen verkort of vervormd, dan behooren ze tot de heraldische beelden. Het totaal aantal verschillende kruizen bedraagt ongeveer 300, welk groot aantal door ons hier niet kan worden behandeld.
De voornaamste vormen evenwel, die ook overigens voor een ontwerper of teekenaar van belang zijn, daar ze vaak ook in de symboliek werden en worden toegepast, laten we hier volgen:

Fig. 150. Het Latijnsch kruis of lijdenskruis; een kruis met 3 verkorte armen, waarvan alleen de onderste verlengd is.
Fig. 151. St. Anthoniekruis. De bovenste arm ontbreekt.
Fig. 152. Het krukkenkruis, waarvan de armen door St. Antoniekruizen worden gevormd.
Fig. 153. Het Jeruzalemsch kruis. Goud op een zilveren veld, dus hier is gezondigd tegen de regelen van de heraldische tinkturen.
Fig. 154. Geboord kruis. De rand is aangebracht, om in een geval als boven geen kleur op kleur te krijgen.
Fig. 155. Het ankerkruis, eindigende in twee omgebogen punten; varianten hierop zijn het klaverbladkruis en het leliekruis, waarvan de punten eindigen in klaverbladen of leliën.
Fig. 156. Patriarchale kruis met 2 of 3 horizontale armen, die naar onderen in lengte toenemen.
Fig. 157. Het Maltheser kruis, vaak ook met een vergroot hart, van de Maltheser of Johanniter orde, steeds wit op rood. Oorspronkelijk droegen de ridders van deze orde op een zwarten mantel een wit kruis. De ridders van de Duitsche orde droegen op een witten mantel een zwart kruis.
Fig. 158. Het hakenkruis. Dit kruis is afkomstig van veel vroeger datum dan Christus' geboorte en o. a. reeds als teeken van de eeuwigheid in gebruik bij de oude Indische volksstammen. Terwijl eveneens de oude Noorsche volkeren aan dit teeken eenzelfde beteekenis hechtten.
Fig. 159. Het Grieksche kruis, volgens welk grondplan ook dikwijls nog in de Middeleeuwen kerken werden gebouwd, in tegenstelling met den gewonen basiliekvorm, die een Latijnsch kruis tot grondplan had. Wit op veld van azuur.
Fig. 160. Kruis met een vergroot hart.
Fig. 161. Kruis met uitgebroken hart.
Fig. 162. Kruis gevormd van ruiten.
Fig. 163. Geklaverd kruis.
Fig. 164. Geledigd kruis. Hiervan is als 't ware alleen de smalle rand blijven staan.
Fig. 165. Gepunt kruis. Ontstaan uit het houten kruis, dat met de punt in de aarde werd gestoken.
Fig. 166. Geschaakt kruis.
Fig. 167. Herkruist kruis.
Voor de verdere kruizen zie men de herautsstukken.
Tenslotte merken we nog op, dat eenzelfde kruis in verschillende tinkturen nog kan worden benoemd naar de nationaliteit: b.v. een Grieksch kruis is wit op azuur; een Engelsch kruis of St. Georgekruis is wit op rood. Terwijl verder het Duitsche kruis is sabel op zilver en het Fransche kruis eindigt in leliën inplaats van in klaverblaadjes.
B. De Mensch-figuur.
Dikwijls werd in de heraldiek van de menschfiguur gebruik gemaakt. Zij is dan voorgesteld in verschillende houdingen, kleeding en bezigheden; mannen, zoowel als vrouwen uit alle standen, en in 't bijzonder zulke, die iets kenmerkends hebben, b.v. koningen, ridders, monniken, negers, jonkvrouwen, wildemannen (naakt, met een bladerenkrans om de lendenen, en geheel behaard), heiligen en ook Turken.
Is de geheele menschfiguur toegepast, dan is deze gewoonlijk „en face” geplaatst, zoodat deze in dezelfde richting kijkt als de drager van het schild. De figuur staat, zit (b.v. de H. Maagd) of knielt.
Gedeelten van de menschfiguur, die ook worden toegepast zijn: 't hoofd, dat meestal naar rechts gewend is, en zelden aanziend; het oog, dat nooit van terzijde gezien, maar steeds in vooraanzicht geteekend werd; de arm, die naar de gedeeltelijke bedekking van kleeding is te herkennen als die b.v. van een ridder, als ze geharnast is; bovendien is het meest een rechterarm, die iets in de hand gekneld houdt.
De hand zelve komt èn afzonderlijk voor en ook als twee in elkaar geslagen handen, als teeken van broederschap. Zie fig. 69.
Het hart staat vertikaal, evenals de beenen, die overigens meestal gebogen zijn in de knie, en 3 in getal, onderling verbonden of afzonderlijk.
Ook het doodshoofd en twee gekruiste doodsbeenderen komen voor; de symbolische beteekenis hiervan is bekend genoeg.
Vaker komen de onderdeelen van den mensch voor in verbinding met diervormen, maar deze heraldische beelden behooren tot de fantastische.
Menschelijke lichaamsdeelen kunnen bovendien nog op twee verschillende wijzen worden voorgesteld, en wel als afgescheurd, in welk geval er nog lappen huid aan zijn blijven vast zitten, en als afgesneden, in welk geval de snijlijn recht is. Zie fig. 174 en 175.

Fig. 168. Hoofd, aanziend.
Fig. 169. Man, zich met de rechterhand een zwaard in de borst stekend.
Fig. 170. Van zilver, met 3 Moorenhoofden van purper.
Fig. 171. Drie geharnaste en gespoorde beenen, in 't hart samengevoegd met de dijen.
Fig. 172 a. Een hart in 't rechter kwartier. b. Een oog in 't linker kwartier. c. Een geopende binnenhand in de punt.
Fig. 173. Een geharnaste arm, een ring houdend.

Fig. 174. Een afgerukt been.
Fig. 175. In azuur drie afgesneden zilveren knieën.
Fig. 176. Borstbeeld.
Fig. 177. Doodshoofd met gekruiste beenderen.
Fig. 178. In rood een zilveren hoofd van ter zijde, rechts gewend, met lauwerkrans van sinopel.
Fig. 179. Mensch-figuur.

Fig. 180. Geharnaste ridders.
Fig. 181. Geharnast ruiter, teekening van Albrecht Dürer.

Fig. 182. St. Joris, voorgesteld als een geharnast ridder, (midden 16e eeuw) door Hans Burgmayer.

Fig. 183. Menschelijke lichaamsdeelen als heraldische motieven. Grafsteen te Salzburg ± 1528.
C. Dieren.
In de heraldiek zijn velerlei soort dieren toegepast geworden; bovendien werd variatie aangebracht in den stand of door samenvoeging van meerdere exemplaren; ook onderdeelen als koppen, nagels etc., zelfs onthoofde dieren komen voor.
Voor de afzonderlijke lichaamsdeelen geldt het zelfde, wat gezegd is voor de menschelijke lichaamsdeelen: ze kunnen zijn afgerukt en afgesneden. Een kop kan zijn in profiel of aanziend, terwijl hij vaak is gekroond, of rust op een halsband.
De meest kenmerkende stand van het dier is tevens de meest heraldische stand; zoo is een leeuw 't best in z'n karakter afgebeeld als hij klimmend is voorgesteld met dreigend opgeheven klauwen. Zijn natuurlijke wapens als tanden en klauwen krijgen een gechargeerd karakter; hierdoor spreekt de geheele figuur meer.
Elke kleur kan voor de dieren worden gebruikt; 't best is echter de bij de natuurkleur het meest passende tinktuur. We hebben dit op blz. 7 reeds besproken onder het hoofdstuk: kleuren.
Wat den stand betreft kunnen de viervoetige dieren worden voorgesteld b.v. als klimmend, loopend, zittend, springend, liggend, stappend, staand, hardloopend, neerspringend, zwemmend etc.
Verder is 't mogelijk variatie aan te brengen door de dieren te maken: gekroond, geklauwd, getongd, gehalsband, aanziend, afgewend, omgewend en verminkt.
In den regel worden de viervoeters afgebeeld gezien van terzijde, dus „en profil”, en zijn dan (meestal) naar rechts gewend; of naar links gewend of aanziend als deze minder algemeene stand nadrukkelijk is voorgeschreven.
D. De leeuw.
Van alle viervoetige dieren komt de leeuw het meest voor. Reeds in ons land is hij als wapenbeeld toegepast in de 2e helft van de 12e eeuw door den hertog van Brabant en de graven van Holland en van Vlaanderen. Ook in Duitschland is het gebruik van den leeuw zeer oud.
De wijze van voorstelling is zeer verschillend. De oudste leeuwen hebben een spitsen kop en een geopenden muil, zonder tong of tanden. Het lichaam is bij de heupen zeer smal, bij de borst wat breeder. Manen en haren worden nooit gedetailleerd. De normale stand is klimmend, waarbij de leeuw recht overeind staat, gereed als 't ware om aan te vallen.
De oude styleering is zeer eigenaardig; aangezien de leeuw aan de heraldici niet bekend was, moesten deze afgaan op van hooren zeggen, en de meest gruwelijke eigenschappen, die het verscheurende dier werden toegeschreven, werden overdreven voorgesteld. Zoodat eigenlijk de oudste leeuwen heel weinig lijken op een werkelijken leeuw, maar niettemin echt leeuwerig deden met hun vurig krullende tong, hun groote, wijd uitgespreide klauwen, opengesperden muil en woeste oogen, waaraan een menschelijke uitdrukking werd gegeven.
De staart van den leeuw wordt voorgesteld als zijnde naar boven gericht, terwijl het uiteinde, bestaande uit een zwaren bos haar, naar de rug van het dier is toegekeerd, terwijl vaak ook juist in 't midden van den staart een haarkwast werd aangebracht, een zuiver ornamentaal toevoegsel. Uit dit toevoegsel ontspringt soms nog een tweede staart, waarnaar de staart „gespleten” wordt genoemd.
Bij de blasoeneering komt dit gespleten zijn niet in aanmerking; dezelfde leeuw kan voor hetzelfde wapen enkelvoudig zijn of gespleten, zonder dat dit invloed heeft.
In den beginne worden de klauwen klaverbladvormig voorgesteld, terwijl hier onder nog een met een nagel gewapende teen werd aangebracht.
De kleur van den leeuw is meestal goud of rood, minder vaak zwart en zeer zelden blauw. De nagels en tanden zijn anders gekleurd; is de leeuw van metaal, dan zijn de nagels rood of blauw; is de leeuw gekleurd, dan zijn de nagels metaal; altijd verschillen de wapens van het dier van de kleur van het veld. Ook de oogen zijn òf van zilver, òf, bij een metalen leeuw, van kleur.
In de vroege wapens staat de leeuw met z'n lichaamsas vertikaal; z'n lichaamsas valt dan samen met die van het schild. Gevolg van het vereischte: het driehoekige schildoppervlak zooveel mogelijk regelmatig te vullen met ornament. Vooral in Duitschland is dit het geval. Later, in de 15e eeuw, krijgt de leeuw een meer voorovergebogen stand.
De volkomen beharing van de oudste leeuwen verandert later in een plaatselijke beharing van manen, staart en onderzijde van buik en pooten.
De lijnenschema's fig. 196, fig. 197 en fig. 198 geven de construkties aan voor een Romaanschen, Gothischen en Renaissance leeuw.

Fig. 184. Gekroonde klimmende leeuw, geklauwd en getongd.
Fig. 185. Staande leeuw.
Fig. 186. Stappende of geluipaarde leeuw.
Fig. 187. Liggende leeuw.
Fig. 188. Omziende leeuw.
Fig. 189. Omgewende leeuw, baarswijs geplaatst.

Fig. 190. Neerspringende leeuw, bandswijs geplaatst.
Fig. 191. Onthoofde leeuw.
Fig. 192. Opkomende leeuw.
Fig. 193. Ontlede leeuw.
Fig. 194. Leeuw, in 't hoofd uitkomend, aan de punt opkomend.
Fig. 195. Welpen. Indien meer dan twee leeuwen in één veld voorkomen, noemt men ze welpen.

Fig. 196. Lijnschema voor een Romaanschen leeuw.
Fig. 197. „ „ „ Gothischen leeuw.
Fig. 198. „ „ „ Renaissance leeuw.
In fig. 196 is duidelijk te zien, hoe de stand van de pooten in nauw verband staat met den driehoekigen schildvorm.
Fig. 199. 15e eeuwsche leeuw, met een golvende lichaamsas.
Fig. 200. 14e eeuwsche leeuw, met een vertikale lichaamsas.
Fig. 201. Springende leeuw.
Fig. 202. Zittende leeuw.
Fig. 203. Gehoonde leeuw, d. w. z. ontdaan van tong, tanden, klauwen en staart.
Fig. 204. Gesplitstaarte leeuw.
Bij plaatsing van meer dan één roofdier (b.v. leeuw) op een schild, zijn ze altijd afgewend, omdat ze anders zouden vechten; deze stand komt niettemin soms voor.
E. De luipaard.
De luipaard wordt voorgesteld als een loopende leeuw, met dit onderscheid evenwel, dat de kop aanziend is. In dezen stand is steeds de binnenste (voor den aanschouwer) voorpoot opgeheven en de binnen achterpoot naar voren geplaatst. De staart is horizontaal teruggeslagen over den rug. Voor de rest is het lichaam als van een leeuw. Dit dier in verticalen stand wordt een geleeuwden luipaard genoemd, in tegenstelling weer met een loopend zijwaarts ziend dier, dat een geluipaarde leeuw wordt genoemd. Dikwijls ook wordt geen onderscheid gemaakt tusschen een luipaard en een geluipaarden leeuw; bovendien bestond in de oude heraldische kunst dit onderscheid in 't geheel niet en stelde men luipaard en leeuw op dezelfde wijze voor. Waarschijnlijk ook omdat terwille van de ruimte bij een driehoekig schild, bij toepassing van meerdere leeuwen deze boven elkaar moesten worden geplaatst en dan loopend.

De pluim van den staart behoort naar buiten te wijzen. Overigens gelden dezelfde bepalingen als die, welke genoemd zijn bij den leeuw:
Fig. 205. zwart, met drie luipaards van goud.
Fig. 206. Geleeuwde luipaard.
Fig. 207. Geluipaarde leeuwen op Duitsch cartouche schild.
Fig. 208. Luipaard, stappend.
F. De adelaar.
Wat de leeuw voor viervoeters beteekent in de heraldiek is de adelaar voor de vogels: beide koningen in hun rijk, door moed en kracht uitmuntend. De adelaar is, meer nog dan de leeuw, geheel verworden tot ornament, zoodat alleen de conventie hier nog direct den adelaar in doet herkennen. Het lichaam van voren gezien (buikzijde) draagt een kop en profil naar rechts gewend, met geopenden krommen snavel, uitgestoken gekrulde tong en woest blikkende oogen. De vleugels zijn uitgespreid zóó, dat de uiteinden der afwisselend smalle en breede, licht gebogen veeren met de punten op een boog liggen; deze veeren van iederen vleugel zijn 3–12 in getal, (in de oudste tijden het kleinste aantal) en symmetrisch geplaatst; ze worden naar onderen langer, dus juist omgekeerd als bij het levende dier. De gekrulde staart, uit weinig symmetrisch geplaatste gekrulde veeren bestaand, eindigt in een punt, soms in een lelie.
De pooten worden zeer krachtig en buiten verhouding groot voorgesteld en zijn zijdelings gericht; soms omknellen ze voorwerpen, b.v. een bol en een scepter. Het aantal teenen is drie naar buiten en één naar binnen gericht.
De adelaars in de oude heraldiek hebben aan weerszijden twee gekrulde veeren aan den hals; in de latere heraldiek vermeerdert dit aantal. De veeren, die het lichaam bedekken, zijn als spitse punten geteekend, met een ribbe.
De adelaar met één kop heet koninklijk. De adelaar met twee van elkaar gewende koppen wordt keizerlijk genaamd, doch behoort onder de rubriek fantastische beelden.
Ook deelen van het dier worden toegepast, b.v. een klauw (grijpend) of twee vleugels, met de ruggen naar elkaar gewend (vlucht genaamd). De adelaar wordt arendsvogel genoemd, als hij van bek en pooten beroofd is. De kleur is meestal zwart, soms rood of zilver.
Fig. 209. Adelaar, naar Michaël Ostendorfer. Houtsnede uit 1540.
Fig. 210. Dubbele adelaar, naar een Duitsch meester. Houtsnede uit 1507 (fantastisch beeld).
Fig. 211. 15e eeuwsche adelaar van het Sebaldusgraf te Neurenberg.
Fig. 212 en 213. Als fig. 211, door Peter Vischer.
Fig. 214. Drie afgerukte adelaarskoppen.
Fig. 215. Arendsvogels, steeds meer dan één in aantal, zonder pooten en snavel.
Fig. 216. Lijnschema voor een Gothischen adelaar.
Fig. 217. Lijnschema voor een Renaissanceadelaar.
Fig. 218. Romaansche adelaar.
Fig. 219. Streng gestyleerde adelaar uit de 13e eeuw.
Fig. 220. Tweekoppige adelaar, naar een Duitsch meester (fantastisch beeld). Titelblad uit Zwaben.


G. Andere dieren.
Veelvuldig komen verder voor:
Tijger en panter, producten van de fantasie; de beer, meestal zwart met wapens van rood of goud; de ever, zwart; de wolf, kleur rood met neerhangenden staart en naar voren gerichte ooren; de vos, kleur zwart, rood of zilver meestal, en met opgerichten pluimvormigen staart; het hert, springend of trotsch voortschrijdend, dragend een gewei met zes takken, drie aan elken hoorn; de bok, meestal steenbok met naar achter omgebogen gegroefde hoorns; de ram, met bijna cirkelvormig gebogen hoorns; het schaap; het Paaschlam, vaak met nimbus en kruis voorzien; de stier, stootend of klimmend (woedend); de os; de koe; het paard (hengst) met vliegenden staart en manen en zonder teugels, zadel of stijgbeugels; de hond, meestal zwart of zilver en van de soort hazewind; de brak, een hond met hangende ooren en dikwijls voorzien van een met scherpe punten gewapenden halsband; het stekelvarken; de ezel; de olifant; de haan, in gevechtshouding, met sprekenden kam en weinig gestyleerde staartveeren; de uil; de raaf; de valk, met kap en belletjes en kruk; de meeuw, de eend; de zwaan; de zwaluw; de ooievaar, staand op één poot en in den anderen b.v. een steen houdend; de reiger, met ingetrokken hals en een gekrulde veer achter aan den kop; de pauw, pronkend; de duif; de papegaai; de merels, vogeltjes zonder pooten en snavel, vooral in Frankrijk; de dolfijn, evenals de bot, de zalm en andere visschen, die gebogen, zwemmend, gepaard, stijgend, gevind, geschubd etc. kunnen zijn; de kreeft, rood, dus gekookt; de hagedis; de slang, blauw, groen of zilver; de zeester; de schelp; en minder veelvuldig voorkomend nog tal van andere dieren.
Fig. 221. Hert.
Fig. 222. Brak.
Fig. 223. Beer.
Fig. 224. Brakskop.
Fig. 225. Paaschlam.
Fig. 226. Ever, wild zwijn.
Fig. 227. Wolf.
Fig. 228. Paard, links gewend op Duitsch cartoucheschild. Naar Jost Amman.
Fig. 229. Bok.
Fig. 230. Haas.
Fig. 231. Koe.

Fig. 232. Vlucht.
Fig. 233. Arendsklauw.
Fig. 234. Haan.
Fig. 235. Zwaan.
Fig. 236. Raaf.
Fig. 237. Maarlen, zonder pooten of bek en steeds en profil.
Fig. 238. Uilen.
Fig. 239. Pauw.
Fig. 240. Halve vlucht.

Fig. 241. Adelaars.
Fig. 242. Phoenix of Phenix, een fabelachtige vogel, die, onsterfelijk, uit een brandenden stapel takken verrijst.
Fig. 243. Duif, naar rechts gewend. Teeken van vrede.
Fig. 244. Olifant, stappend; dragend een toren met 4 kanteelen en twee boogschutters.
Fig. 245. Mercurius- of aesculaapstaf.
Fig. 246. Slang, tweemaal geknoopt.
Fig. 247. Visschen.
Fig. 248. Kreeft.
Fig. 249. Drie bijen.
Fig. 250. Gekwartilleerd; in blauw drie gouden leliën in het eerste en vierde kwartier en in het tweede en derde van blauw een dolfijn in goud.
Fig. 251. Schelpen. Boven buiten-, beneden binnenaanzicht.
Fig. 252. Dolfijn, rechts gewend.
H. De Plant en hare onderdeelen.
Reeds in de oude heraldiek leverde het plantenrijk een groot aantal der benoodigde heraldische beelden; boomen, takken, bloemen, bladeren en vruchten werden veelvuldig gebruikt.
De boom staat meestal òf met de wortels in een berg (schildvoet), of is uitgerukt; de stam staat paalswijs en is voorzien van weinig symmetrisch geplaatste takken met naar verhouding buiten proportie groote bladeren, die, de soort kenmerkend, zijn gestyleerd. Soms ook komt een boom zonder bladeren voor. De kleur van de bladeren is groen; de stam is gewoonlijk zwart of bruin.
Het meest komen voor de eik; de linde; de denneboom; de pijnboom; de cypres; de palm; de berk. De linde heeft hartvormige bladeren, de den wordt voorgesteld als een kegel op een stam en de berk heeft een zilveren stam met groen loof.
Ook takken komen voor, soms meerdere op een schild en voorzien van bladeren; bovengenoemde boomsoorten leveren de voorbeelden, terwijl ook nog veelvuldig klaverbladeren en laurierbladeren worden toegepast. Het klaverblad heeft steeds een steel; zonder dezen heet het drieblad. Van de bloemen zijn de roos en de lelie de meest in de heraldiek gewilde.
De roos, van boven gezien, is de wilde roos, met 5 hartvormige of slechts even aan den rand ingebogen bloembladeren, van rood, goud of zilver, en waartusschen 5 spitse groene kelkbladeren. Het hart is van goud. Gevulde rozen hebben meer dan één bladlaag.
De lelie is gestyleerd in den bekenden Franschen lelievorm (fleur de lis).
Reeds in 1179 komt ze voor in het Fransche wapen (vanwaar de naam Francica). Van de 3 bladeren, die in 't midden door een band worden saamgehouden, is het middenste onder en boven toegepunt; de beide buitenste boven en onder naar buiten omgebogen. Het deel onder den band is een verkleinde herhaling van het deel boven den band, terwijl het eerstgenoemde deel somwijlen ook alleen, zonder het tweede deel, voorkomt. Een afwijkende vorm is de ontloken lelie.
Andere vaak voorkomende bloemen zijn nog: de zonnebloem, de papaver, de distel, het viooltje, de korenbloem etc.
Ten slotte zijn nog te noemen de vruchten, meestal hangend aan een tak met bladeren, als daar zijn: appel, pijn- en denneappel; granaatappel, eikel, druif, korenaar, korenschoof.

Fig. 253, 254, 255 en 256. Verschillende heraldische rozen.
Fig. 257, 258. Leliën met gevulden voet.
Fig. 259. Lelie zonder voet.
Fig. 260. Ontloken lelie.
Fig. 261. Rozetak.

Fig. 262. Laurier, uitgerukt (wortels zichtbaar). Meest van groen.
Fig. 263. Wijndruif; klaverblad; hulst.
Fig. 264. Peer; eikel; denappel.
Fig. 265. Bloem en granaatappel.
Fig. 266. Eikel met bladerentak.
Fig. 267. Drie denappels.
Fig. 268. Eiketakken.
Fig. 269. Denappel, wapen van Augsburg, door Jost Amman.
Fig. 270. Lindeboom, op ruitschild.
Fig. 271. Uitgerukte eikeboom. Italiaansch, 1479.
Fig. 272. Lelie, van een relief uit Beieren.
I. Fantastische beelden.
Deze worden gevormd door samenstellingen van mensch en dier of van dieren onderling, en ontstonden uit sagen en overlevering, en grootendeels ook door de kruistochten.
De dubbele adelaar heeft twee van elkaar afgewende koppen.
Reeds in de oud-Egyptische en Assyrische kunst, dus lang voor Christus' geboorte, kwam dit fantastische dier voor; in de heraldiek echter sedert de 13e en 14e eeuw. Als het Duitsche Rijkswapen dateert het uit het begin van de 15e eeuw, tijdens keizer Sigmund. In later tijd werd de dubbele adelaar gekroond, en werden de klauwen voorzien van scepter en zwaard, en rijksappel.
De gevleugelde leeuw, een leeuw met vleugels.
De griffioen of grijpvogel, het bovendeel van een adelaar gezet op een onderlichaam van een leeuw, gevleugeld, met een opgerichten staart of den staart tusschen de achterpooten door onder de buik.
De centaur, half paard, half mensch.
De draak, een reptiel met vleermuizenvleugels, vuur spuwend uit den grooten geopenden muil en neusgaten, met twee adelaars- of leeuwenklauwen en een gekamden, in weerhaken eindigenden staart.
De weerwolf; de salamander; de zeeleeuw.
De meermin, een naakte vrouw met vischstaart; de meerman.
De melusine, een gekleede, gekroonde vrouw, wier lichaam onder de borst overgaat in 2 vischstaarten, die ze met beide handen vasthoudt. (12e eeuw, wapen van Palermo).
De Eenhoorn. Een springend paard met gespleten hoeven, leeuwenstaart en rechten, doch gedraaiden hoorn voor het voorhoofd.
De Harpy, een adelaar met vrouwenbuste, (hoofd, hals en borst).

Fig. 273. Meermin of Melusine, met twee staarten; zie ook fig. 281.
Fig. 274. Zeeleeuw, combinatie van leeuw en visch.
Fig. 275. Eenhoorn.
Fig. 276. Grijpvogel, klimmend. Kop en vleugels van een adelaar.
Fig. 277. Draak; oude houtsnede.
Fig. 278. Draak, twee adelaarsklauwen. Gevleugeld reptiel.
Fig. 279. Eenhoorn, in twee kleuren; fragment van een Italiaansch wapen.
Fig. 280. Wapen van Neurenberg; combinatie van jonkvrouw en adelaar, Harpij.
Fig. 281. Sirene; eindigt in vischstaart.
Fig. 282. Lintworm; drakenkop, slangenlichaam en vischstaart.
Fig. 283. Panter. Zonder vleugels, lijkend op grijpvogel.
J. Hemellichamen en elementen.
De zon wordt voorgesteld als een zestienstralige schijf met een gelaat „en face”. Deze zijn vaak afwisselend recht en vlammend gebogen. De kleur is goud. In de oude heraldiek heet de zon in den rechterbovenhoek opgaand, in den linkerbovenhoek ondergaand.
De maan is een zilveren, naar links of rechts gekeerde sikkel; ook kunnen de punten naar boven of naar beneden wijzen. Voorzien van een gelaat, is dit in profiel en van goud.
De sterren zijn 5-puntig (Fransch, Italiaansch en Engelsch) of 6-puntig en 8-puntig (Duitsch, Nederlandsch). Steeds wijst de punt naar boven. Als komeet heeft de staart een andere tinktuur.
Verder komt de aarde voor als wereldbol met equator (niet in de oude heraldiek); de regenboog, een gebogen balk van rood, goud en blauw; de wolken, zie fig. 56, zijn blauw of zilver; de bliksem, nooit zigzagvormig maar als een van boven komende bundel stralen of vlammen; voorts golven (blauw en zilver); bergen, drie- en zesberg; grasveld, zee of rivier.
Fig. 284, 298. Zon.
Fig. 285. Maan en sterren.
Fig. 286. Golven.

K. Gebouwen, gebruiksvoorwerpen etc.
Onder deze rubriek worden heel veel voorwerpen gerangschikt, waarvan men nu naam nòch beteekenis meer kent. Toch heeft men zich te beperken bij toepassing van producten uit de moderne industrie, daar heraldische beelden uit deze rubriek een bepaald karakter behooren te dragen; terwijl toch geen bepaalde regels voor die vormgeving zijn vast te stellen.
Bij de bestudeering van de oude heraldiekprenten merken we op, dat vele voorwerpen, die niet direct herkenbaar zijn, verband houden met den naam van den schilddrager.
De voorwerpen zijn te verdeelen in een aantal rubrieken, b.v.
a. gebouwen, schepen.
b. wapens en oorlogswerktuigen.
c. werktuigen en voorwerpen, betrekking hebbend op jacht, vischvangst, landbouw en veeteelt.
d. kleeding.
e. muziekinstrumenten, huisraad, religieuse voorwerpen etc.
Alle te geven is ondoenlijk. Bepalen we ons tot beschrijving van enkele.
Fig. 287. Handschoen.
Fig. 288. Hoed of muts.
Fig. 289. Vuurslag.
Fig. 290. Eg.
Fig. 291. Gesp en ring.
Fig. 292. Weerhaken.
Fig. 293. Zwaard.
Fig. 294. Voetangel.
Fig. 295. Sleutels (zie fig. 303).
Fig. 296. Wiel of rad.
Fig. 297. Letter.
Fig. 298. Zie onder J.
Fig. 299. Schaats, viool.
Fig. 300. Molenijzer.
Fig. 301. Monogrammen.

Fig. 302. Toren.
Fig. 303. Sleutels.
Fig. 304. Standaard.
Fig. 305. Schaar.
Fig. 306. Jachthoorn.
Fig. 307. Wolfshaken.
Fig. 308. Ketelhaak.
Fig. 309. Schaakstuk.
Fig. 310. Poort.
Fig. 311. Hakmes.
Fig. 312. Karbonkel.
Fig. 313. Kan.
Fig. 314. Lansen.
Fig. 315. Wereldbol.
Fig. 316. Paalswijs in blauwe en zilveren degen, dragend op de punt een gouden kroon en vergezeld van twee leliën van hetzelfde. Wapen van Jeanne d'Arc.
Verder komen veelvuldig voor:
Kasteel, met tinnen en torens; poort of valdeur; kerk, in zij- of vooraanzicht met 2 tot 4 torens en hooge vensters; molen; schip-brug; palissade; piek; knots; dolk; stormram; vaandel; weerhaak; pijl en boog; strijdbijl; schild; vuurwapen; stompe vogelpijl; molensteen; zeis; sikkel; ploegijzer; hoefijzer; gordel; kroon; harnas; harp; luit; hamer; bijl; stoel; anker; ballen en ringen; schakel (onderdeel van de ketting van de guldenvlies orde); muuranker; herdersstaf; altaar; bisschopsstaf; bijbel; wierookvat; kandelaber; etc., te veel om op te noemen of af te beelden. Voorwerpen uit de moderne techniek en kunstnijverheid zijn zooveel mogelijk te vermijden en te vervangen door oude symbolen.

