DE SCHILDVORM III.
Reading edition
Het wapenschild diende oorspronkelijk tot dekking tegen zwaardslagen, pijlen en lansstooten. De vorm van het schild is zeer uiteenloopend en hangt voornamelijk af van den tijd, waarin het ontstond. De vroeger gangbare namen: Fransche, Duitsche, of Engelsche schilden in verband met den vorm zijn onjuist, omdat de vorm gelijktijdig voor alle landen dezelfde was. In de vroege middeleeuwen diende het schild dus voor practische doeleinden in den strijd en was de vorm met de praktijk in overeenstemming. Zoodra echter de schilden zuiver heraldisch werden, waren ze gevormd volgens decoratieve beginselen.
Deze decoratieve beginselen in de heraldiek eischen dat voldaan wordt aan:
1. duidelijkheid van het beeld, waardoor
2. doeltreffende schildvorm noodzakelijk is en, in overeenstemming met de kunsthistorie
3. de juiste stijl wordt in 't oog gehouden.
Een compleet heraldisch wapen bestaat uit minstens het schild en een helm, die daarop is aangebracht. Kan de helm desnoods nog gemist worden, het schild als belangrijkste onderdeel kan niet worden weggelaten. In strijd nu met stijl zou zijn een Gothisch driehoekschild op een Rococo gebouw, of een pothelm op een Renaissance schild.
Voorts is niet ieder beschilderd schild een heraldisch; de figuur moet steeds in nauw verband staan met den schildvorm.
De oude Middeleeuwsche wapenschilden waren van hout gemaakt, en overtrokken met leer, geolied linnen, perkament of met pelswerk, waarop de wapenfiguur in uitgeknipte metalen platen was aangebracht. Moest de wapenfiguur in kleur op den metalen grond komen, dan werd het schild met een dunne metalen laag bekleed en de gekleurde figuur daarop in uitgeknipt leer of pelswerk aangebracht. Terwijl later de gedeelten van metaal ook wel door kleur werden vervangen. Eerst veel later ontstonden geheel metalen schilden.
Het gebruik van wapenschilden is al zeer oud; de klassieke strijders dekten er zich mee tegen pijlpunten. Voor de heraldiek echter beginnen de schilden van beteekenis te worden in de 12e eeuw.
In den strijd of bij tournooien, waar de zwaar geharnaste ridder onkenbaar was, werd het herkenningsteeken, het wapen, op de meest in 't oogloopende plaats aangebracht. Als bij uitstek daarvoor geschikt, werd spoedig het schild als die plaats aangewezen, daar dit naar alle zijden tot dekking werd gericht en geheven. Door het wapenteeken werden rang en geslacht aan tegenstanders of toeschouwers kenbaar gemaakt.
Het schild werd aan een band of bandelier om den hals gedragen, terwijl bovendien aan den binnenkant nog een handriem was aangebracht, waarmede het door de linkerhand verplaatsbaar was.
De oudste schilden zijn driehoekig van vorm; ze waren in gebruik in de 12e eeuw en in de eerste helft van de 13e eeuw. Aanvankelijk zeer hoog en puntig, waren slechts de randen van metalen banden voorzien, en had het schild nog slechts zelden een kenmerkende wapenfiguur. De hoogte was ± ¾ manslengte, dus 1.20 Meter hoogte bij 0.60 M. boven breedte. Spoedig echter vermindert deze hoogte tot ½ manslengte, b.v. 0.75/0.60 M.
In de tweede helft van de 13e eeuw en in het begin van de 14e wordt de driehoek bijna gelijkzijdig, en leent zich uitstekend voor van onderen smaller wordende beelden. (fig. 57 en fig. 65).
Gedurende de 14e eeuw komen bovendien de halfronde schilden voor, met rechte zijkanten en aan den onderkant afgesloten door een halven cirkel. Deze uitsluitend heraldische schilden leenen zich goed voor samengestelde wapens, evenals de eveneens uitsluitend heraldische, van onder halfcirkelvormige, maar met toegespitste punt voorziene, schilden. Deze, uit de 15e eeuw afkomstig, en algemeen toegepast in de 16e eeuw, zijn nooit praktisch gebruikt.
Tegen het einde van de 14e eeuw wordt op de tournooien gebruik gemaakt van ren-, of steekschilden, die in vorm gelijken op de halfronde schilden, maar die bovendien aan den rechterflank van een driekwart cirkelvormige insnijding zijn voorzien, waarin de lans kon worden gelegd, en waardoor de rechterhand, waarmede de lans gevoerd werd, beter was beschermd. Dit schild is alweer veel kleiner, ongeveer ⅕ manslengte.
De overige schildvormen, welke in de heraldiek voorkomen, behooren uitsluitend tot de periode van de decoratieve heraldiek, en vinden eerst hun toepassing vanaf de 15e eeuw. Dan verdwijnen de oude praktische vormen door het aanbrengen van insnijdingen en uitschulpingen, die, opgerold en omgebogen aanleiding geven tot het ontstaan van de cartouche schilden, die in het Renaissance tijdperk tehuis behooren.
De voornaamste verdere vormen zijn dan nog: het schild met accoladen boven en onder, 16e eeuw; het cartouche schild; het Italiaansche schild, dat, van boven breed, naar onderen spits toe loopt, van symmetrische uitschulpingen is voorzien, en dat van den beginne af aan een versierden voet en bovenrand kreeg.
Verder: het Rococoschild, dat, hoewel geheel afwijkend van elken praktischen vorm, niettemin volkomen verdedigbaar is uit een oogpunt van stijl, evenals de ellipsvormige, cirkelvormige en amandelvormige schilden uit den Baroktijd en den stijl Louis XVI.
Goede wapenfiguren zijn echter moeilijk op deze schildvormen aan te brengen, vooral waar de heraldische schilden de meest willekeurige vormen verkregen.
Ten slotte noemen we nog het ruitvormige schild, dat uitsluitend bestemd was voor wapens van vrouwen, en soms nog omgeven was door een geknoopt liefdekoord. Natuurlijk was ook dit schild zuiver heraldisch, en werden door vrouwen de schilden niet praktisch gebruikt.
Toch hadden vrouwen grooten invloed op de ontwikkeling van de heraldiek, daar hun tegenwoordigheid bij de steekspelen en tournooien door de ridders zeer gewenscht werd.

fig. 57. Schild uit de 12e eeuw.
„ 58. Schild uit het begin van de 13e eeuw.
„ 59. Halfrond schild, uit de 15e eeuw.
„ 60. Renschild, 15e eeuw.
„ 61. Schildvorm uit de 16e eeuw.
„ 62. Schildvorm uit de 1ste helft van de 16e eeuw.
„ 63. Ruitvormig schild (vrouwen schild).
„ 64. Rococo schildvorm.

„ 65. Constructie van een vroeg-Gothisch schild. A en B zijn de middelpunten van de bogen, die de zijden van het schild vormen.
„ 66. Iets latere schildvorm.
„ 67. De middelpunten van de bogen liggen weer in A en B, evenals in fig. 66. Fig. 65, 66 en 67 leenen zich uitstekend voor het aanbrengen van heraldische figuren.

„ 68. Heel vroege schildvormen, 1ste helft 13e eeuw. Teekening van een verguld koperen schaal, met niëllo-ornament, z.g. Limousiner werk. Schildvorm als fig. 66.

„ 69. Fragment van een grafsteen te Spiers, uit het jaar 1386. Schildvorm als in fig. 67.

„ 70. Renaissance schild, van den vorm van een renschild. Naar een teekening uit den tijd van Albrecht Dürer, 1ste helft van de 16e eeuw.

„ 71 en 72. Twee cartouche schildvormen van Jost Amman, uit zijn „tournooiboek”, (1566). Wapen van Heilbronn, en eenvoudige cartouche. Naar houtsneden.

„ 73. Wapens van een doopdoek uit 1647. Borduurwerk.

