← Table of contents
Faust, Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

OVERZIGT VAN HET DICHTSTUK.

H. (Hendrik) Frijlink translation

Goethe heeft zijn Faust een treurspel genoemd. Wat men onder deze benaming ook versta, op het werk van onzen dichter is zij niet van toepassing, en het wordt dan ook in Duitschland, sedert eene halve eeuw en langer, als Dramatisches Gedicht (met de noodige bekortingen natuurlijk) ten tooneele gevoerd. Reeds Mad. de Stael noemde het un poème dramatique, en in deze navolging is daarom de aanduiding behouden, die er algemeen aan gegeven is. Men moet hierbij echter niet uit het oog verliezen, dat van het “treurspel” eerst een fragment is uitgegeven, en het stuk later is bijgewerkt. Het eerste plan er van is in den winter van 1787–1788 te Rome ontworpen. Men zie hierover Goethe’s Brieven uit Rome.

Het dichtstuk wordt geopend met een Prolog, waarvan het tooneel in den hemel is. Het koor der engelen verheft den roem van het Opperwezen, en de drie aartsengelen komen rekenschap afleggen van de taak, die aan elk hunner in het heelal is toegewezen. Zij zeggen tot den Heer:

Uwe almagt, zonder paal noch perken,

Vervalt ook de englen met ontzag;

Uwe ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

Mephistopheles maakt van deze gelegenheid gebruik, om het menschelijk geslacht te vervloeken, waaraan hij even veel haat als verachting toedraagt. De Heer stelt hem het voorbeeld van Faust voor oogen, een man vol van wetenschap en vroomheid, even als dit bij Job het geval was. De vermetele demon, met al de zwakheden van het menschelijk hart bekend, vraagt den Heer verlof om den wijsgeer lagen te leggen; en de vreemdste overeenkomst wordt nu gesloten tusschen den Schepper aller dingen en den Boozen Geest, aan wien hij heeft toegestaan vrijelijk kwaad te mogen plegen.

Nu leidt de dichter ons de woning van Faust binnen. Het is nacht. De geleerde is in zijn studeervertrek alleen, gezeten voor eene schrijftafel, die met boeken en papieren bedekt is. Het vertrek wordt door eene lamp verlicht, en om hem heen zijn allerlei instrumenten verspreid, die tot verschillende studiën dienen. Zijn geest wordt gepijnigd door de onzekerheid der wetenschap, en te gelijker tijd overweldigd door dien dorst naar kennis, die zich van den mensch meester maakt, naar mate zijne kundigheden zich uitbreiden. Deze ontevredenheid van een grooten geest, in strijd met de grenzen van het gewone leven, is uitstekend uitgedrukt in eene alleenspraak, die door verscheidene tusschenkomende zaken wordt afgebroken, waarvan de voornaamste de verschijning is van den Aardgeest, die, getrokken door de magtige oproepingen van Faust, zich aan hem vertoont onder de gedaante van een gelaat, dat door vlammen is omringd. In weêrwil der ontzetting, die dit gezigt op Faust te weeg brengt, doet de hoogmoed, die de voornaamste trek van zijn karakter is, hem tot den geest zeggen:

Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?

Ik ben het, Faust; ik, uws gelijken!

Een ironisch en dubbelzinnig antwoord werpt den geleerde in den afgrond van twijfel en wanhoop.

Een nieuw tooneel brengt den lezer buiten de stad, ter plaatse waar het volk bijeenkomt, om zich te verlustigen. Faust begeeft er zich ook heen met Wagenaar; verscheidene omstandigheden vereenigen zich, nu eens om in hem die bittere ironie op te wekken, die somwijlen in het hart van den wijsgeer op het gezigt der ijdelheid in onze kennis schijnt te ontwaken, en dan weder om de verbeelding en den geest te verheffen bij het zien van de merkwaardigheden der natuur. Het contrast tusschen den geleerde, die zijne kennis uit de natuur, en hem, die haar uit boeken put, blijkt hier uit het gesprek tusschen Faust en Wagenaar. Eindelijk wenscht Faust, als door een toovermantel, opgetrokken te worden, om dingen te aanschouwen, die hem onbekend zijn. Wagenaar waarschuwt hem wel, doch te laat; want deze onvoorzigtige wensch is gehoord. De helsche geest heeft op dit appèl geantwoord; de avond begint te vallen, en in de schemering ziet Faust een dier, waarvan vorm en bewegingen hem buitengewoon voorkomen; hij deelt zijne bevinding aan zijn medgezel mede, die in het verschijnsel niets dan een zwarten poedel ziet, die op het veld zijnen meester verloren heeft. Faust ontdekt een vurig spoor op de schreden van het beest, en in de kringen, die het al nader komende beschrijft, iets dat wel naar tooverkringen gelijkt. Maar door Wagenaar gerustgesteld, zet hij zich over zijne bedenkingen heen, en gaat weder de stad in, door den zwarten poedel gevolgd, een omkleedsel, waaronder Mephistopheles verborgen is.

In zijne studeerkamer teruggekomen, wil Faust zich aan zijne gewone studiën overgeven. Hij wordt hierin echter telkens gestoord door gegrom, geknor en buitengewone bewegingen van den gevaarlijken logeergast, die hij bij zich ontvangen heeft. Weldra wordt dit geknor zoo hevig en verschrikkelijk, dat de geleerde het beest de deur wil uitzetten; maar wel verre van gebruik te maken van de gelegenheid, die hem wordt aangeboden, staat de poedel op, zet zich uit, wordt al grooter en grooter, en neemt eindelijk eene reusachtige gedaante aan. Te zelfder tijd hoort men buiten het vertrek een koor van geesten, die weeklagen en de gevangenschap betreuren van een hunner, die teruggehouden wordt door een tooverband, dien zij niet kunnen losmaken. Faust neemt zijne sterkste bezweringen te baat, om zich geheel meester te maken van den gevangene, dien het toeval hem in handen heeft gespeeld. De dampen, door den helschen geest verspreid, verdwijnen, en in plaats van het monster vertoont zich een jongman in het gewaad van een reizenden student, die kortaf en op een stouten toon vraagt, wat zijn meester begeert.

Faust, reeds aan wonderen gewoon, verliest zijne tegenwoordigheid van geest niet; hij ondervraagt zijn nieuwen leerling zeer familiair over het een en ander. De duivel laat zich met alle mogelijke voorkomendheid in een gesprek met hem in; vervolgens stelt hij listiglijk zijn antwoord tot eene volgende gelegenheid uit, en vraagt verlof om te vertrekken; want hij is onvoorzigtig in een valstrik geloopen: een tooverformulier op den drempel der kamer houdt hem gevangen. Faust verheugt er zich over: maar in plaats van zich de gelegenheid ten nutte te maken om den Boozen Geest te overwinnen of eenig voordeel uit de zaak te trekken, bepaalt hij zich om hem zijn goed geluk te laten voorspellen. Dit ijdel verlangen geeft aan Mephistopheles al zijne magt terug. Hij roept de geesten, die hem gehoorzamen; deze benevelen door allerlei begoochelingen de zinnen van den wijsgeer, en dompelen hem weldra in een diepen slaap. Mephistopheles maakt van dit oogenblik gebruik om door eene rat het formulier te doen doorknagen, dat hem gebannen houdt. Hij ontvlugt, en met hem verdwijnen al de fantastieke droombeelden, die hij had te weeg gebragt.

Faust ontwaakt. Hij is alleen, en meent gedroomd te hebben, toen hij aan de deur hoort kloppen. “Binnen!” roept hij, vol wrevel dat hij alweêr gestoord wordt. Na te hebben voldaan aan het bevel, dat dit “binnen!” driemaal gezegd moet worden, ziet hij een jong heer binnen treden, in een scharlaken kleed met gouden borduursel, met een korten satijnen mantel, eene haneveêr op zijn hoed en een degen op zijde. Het is Mephistopheles, die Faust komt voorstellen om de wetenschap nu maar aan den kapstok te hangen en eindelijk het leven eens te genieten. De bitterheid, die dit voorstel in de ziel van den wijsgeer te weeg brengt, afgemat door jaren studie en nachtbraken, verleidt hem om alles te vervloeken, tot zelfs het geloof, de hoop en het geduld.

Mephistopheles, door deze vlaag van somberheid aangemoedigd, zegt nu: “Zoo gij u bij mij wilt aansluiten, en mij uwe schreden door het leven laat besturen, wil ik terstond uw medgezel, of, als dit u beter voorkomt, uw dienaar en slaaf worden.” Faust vraagt hem, op welken prijs hij zijne diensten stelt. De duivel ontwijkt deze vraag. Faust volhardt er bij. Nu antwoordt Mephistopheles: “Ik wil mij hier in uwe dienst verbinden, en aan uwen minsten wenk gehoorzamen; als wij echter daarginds elkander wedervinden, zult gij voor mij het zelfde doen.”

Faust, wiens wetenschap hem tot razernij heeft gebragt (om met den apostel Paulus te spreken) stoort zich weinig aan deze bepaling, waarvan hij toch zeer goed de waarde begrijpt; hij twijfelt alleen, of de duivel zijne belofte wel zal houden, en zegt bij wijze van uitdaging:

Begin ik immer naar gemak te haken,

Dan zij ’t met mij terstond gedaan!

Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,

Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—

Kunt gij mij met genot bedriegen,—

Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Mephistopheles stelt nu een geschrift hierover op, en Faust onderteekent het met zijn bloed. In geheel het overige van dit tooneel ontwikkelt Mephistopheles een karakter en beginselen, die waarlijk duivelsch zijn. De ongelukkige geleerde gevoelt er reeds den noodlottigen invloed van; maar hij werpt zich wetens en willens in de armen van den goddelooze, en is nu alleen vervuld van het denkbeeld aan de genietingen, die hem tot zoo hoogen prijs worden aangeboden.

Wij gaan de episode van den naïven leerling voorbij (die Faust komt raadplegen over den weg, dien hij heeft in te slaan, om het veld der wetenschappen binnen te treden, en waar Mephistopheles, in het gewaad van den doctor vermomd, den kandidaat ondervraagt, en hem geheel de hersens op hol brengt), om Auerbach’s wijnkelder te Leipzig op te zoeken, waar vrolijke drinkebroêrs bijeenkomen. De gesprekken, de liedjes, de kwinkslagen, die daar worden aan den man gebragt, zijn op de hoogte van het personeel, dat er bijeen is. Mephistopheles, die zich belast heeft met Faust de wereld in te leiden en hem er de genoegens van te leeren kennen, begint die taak van onderen op, of uit de laagste kringen. De nieuw aangekomenen worden voor vreemdelingen gehouden, en men ontvangt hen als zoodanig. Mephistopheles doet zich aan het gezelschap voor als iemand, die gaarne een ander eenig pleizier doet, als het in zijn vermogen staat, en ofschoon hij voor den wijn van het gezelschap bedankt, neemt hij toch plaats aan tafel. Weldra—om aan zijn kweekeling eens een denkbeeld te geven van den trap van verlaging, waartoe de dronkenschap iemand brengt, en tevens om te doen zien waartoe hij in staat is—stelt hij aan de drinkebroêrs voor, dat ieder eene wijnsoort zal opgeven, die zij het aangenaamst vinden. Het voorstel, dat men natuurlijk slechts als eene grap beschouwt, wordt aangenomen. Terstond boort Mephistopheles gaatjes in de tafel, en ieder drinker, nadat hij in zijn beker den verlangden wijn ontvangen heeft, drinkt het door hem begeerde druivensap met lange teugen. Maar hunne vreugde is van korten duur. Een van hen heeft, in weêrwil der waarschuwing van Mephistopheles, wijn op den grond gestort; het helsch brouwsel—want dit is het—verandert in eene vlam. Nu ontstaat eene groote opschudding onder de dronkaards; zij schreeuwen dat het tooverwerk is, en willen allen Mephistopheles te lijf; maar deze spreekt eenige woorden, waardoor hunne zinnen verward worden. Zij wanen zich in een verrukkelijk oord te bevinden: de een ziet wijnbergen met rijpe druiven bedekt, de ander bekers vol wijn. De Booze Geest maakt van hunne verwarring gebruik om met Faust te ontsnappen, wien deze dronkemanspret begint te walgen.

Hij brengt hem nu over in de keuken van eene heks, om hem een minnedrank te doen slurpen, die hem moet verjongen. Bonte dieren, half aap en half kat, rondom den haard gehurkt, passen op een soepketel, die op het vuur staat te koken. Faust, wien dit alles bijzonder afkeer baart, vraagt, of het niet mogelijk is om het doel te bereiken zonder al dien omslag, waarvan hij de doelloosheid reeds sedert lang heeft ingezien. Het antwoord van Mephistopheles is merkwaardig. Hij zegt:

Spreek op! Wat meent ge? Een middel zonder geld

En arts en tooverkunsten wilt ge weten?

Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,

En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;

Beperk u, vóór elk ander ding,

In een zeer kleinen, engen kring;

Voed u, op ’s landbewoners wijzen,

Met schamele, ongekruide spijzen;

Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,

Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:

Dat zijn, om te verjongen, vrind,

Van al de middelen de besten.

Faust antwoordt hierop, dat dergelijke arbeid voor hem niet geschikt is, en hij niet eens weten zou, hoe hij een schop of spade in de hand moest nemen. “Wel nu,” zegt Mephistopheles, “dan is de heks het eenige wat u overblijft.”

Intusschen is Faust een tooverspiegel genaderd, en het beeld, dat hij daarin ontdekt, brengt een geheelen ommekeer in zijn binnenste te weeg: het is eene slapende schoone jonge vrouw. Door verbazing en liefde bevangen, verlangt hij het origineel te bezitten; Mephistopheles belooft hem daaraan te helpen. De heks komt nu door den schoorsteen de keuken in, maakt den minnedrank gereed, en trekt een tooverkring; bij het licht van toortsen, welke de dieren in de hand houden, wier rug tevens tot lessenaar dient, leest zij uit een foliant een geheimzinnig formulier voor, en Faust drinkt het brouwsel, dat hem zijne jeugd moet hergeven.

Hier eindigt het eerste gedeelte van dit dramatisch dichtstuk.

In het tweede gevoelt hij zich inwendig verjongd. Eerst ziet men hem op straat een jong meisje aanspreken, dat juist van de biecht huiswaarts keert. Door hare schoonheid getroffen, vraagt hij haar, of hij haar mag te huis brengen; zij wijst echter vol fierheid zijn aanbod van de hand, en gaat haren weg.

Deze ontmoeting heeft intusschen het lot van Faust beslist. “Hoor!” zegt hij tot Mephistopheles, die op de loer heeft gestaan en nu naar hem toe komt: “gij moet mij dat meisje bezorgen!” De duivel, die zijne dienst op prijs gesteld wil zien, maakt allerlei zwarigheden. In zijn verliefd ongeduld zet Faust zich over alle heen, en de duivel belooft hem eindelijk zijn best te zullen doen.

Het wordt avond. Margareta—dus heet het jonge meisje—is in haar kamertje teruggekeerd. Terwijl zij hare schoone lokken ontbindt, denkt zij na over den eleganten heer, die haar dien morgen heeft aangesproken, en verklaart, dat het haar wel wat waard zou zijn, indien zij wist wie hij was.

Met dezen wensch beslist zij ook haar lot, en laat het veld aan haren verleider vrij, die, onder geleide van Mephistopheles, haar kamertje binnensluipt. De ziel van Faust gevoelt zich onwillekeurig aangetrokken door het gezigt van orde en netheid, die in het vertrekje heerschen, en het schijnt alsof de Engel der Eerbaarheid dit maagdelijk verblijf verdedigt tegen de gevaarlijke begoochelingen van den Geest des Kwaads. Deze, onvatbaar voor alle dergelijke indrukken, plaatst, met een zekeren triomf, een klein koffertje met juweelen in Margareta’s kast, en vertrekt nu onverwijld met den smoorlijk verliefden Faust, die echter reeds wroeging begint te gevoelen over eene daad, die hij verfoeit.

Margareta is teruggekeerd. Zij vindt het in haar kamertje benaauwd en drukkend; een onbekend iets beklemt haar; zij schijnt een voorgevoel te hebben van het gevaar, dat haar toeft. Eindelijk ontkleedt zij zich, onder het zingen van eene oude ballade. Toen zij hare kleederen in de kast wil bergen, ontdekt zij het koffertje. Een kleine sleutel hangt er bij. Het meisje, door nieuwsgierigheid gedreven, opent het, en wordt verbijsterd op het gezigt der kostbaarheden, die het bevat. De glans er van verleidt haar, en wekt eerst in haar het verlangen op om er zich mede te tooijen, vervolgens om den schat te bezitten. Zij beproeft voor haar spiegeltje, hoe dat alles haar staan zou; maar deze gevaarlijke en ijdele bezigheid laat in hare ziel slechts het gevoel van hare armoede achter.

Intusschen heeft de zegepraal van den Boozen Geest schipbreuk geleden. De voorzigtige moeder van Margareta, aan wie dat geheimzinnige koffertje verdacht voorkomt, heeft haren biechtvader er over gesproken, en deze steekt het eenvoudig bij zich, alleen te kennen gevende, dat hij er een goed gebruik van zal maken. Mephistopheles wordt hierdoor echter niet afgeschrikt; hij bezorgt een ander juweelkoffertje in Margareta’s kamer, en het onvoorzigtige meisje, misnoegd over de wijze waarop hare moeder zich van het eerste heeft ontdaan, houdt het zorgvuldig verborgen, en heeft geene andere vertrouwelinge dan hare buurvrouw Martha, eene vrouw van niet al te gestrenge grondbeginselen. Deze maant het meisje aan, om er hare moeder nu vooral niets van te zeggen, daar anders de biechtvader er weder mede heen zou gaan. Nu laat zij Margareta alles aan- en omdoen, en roept ten slotte: “O kind, wat zijt ge gelukkig!”—“Maar”, merkt deze aan, “ik, arm schaap, zal mij zoo toch niet in de kerk of op straat durven vertoonen?”—“Dat hoeft ook niet,” zegt Martha. “Kom ’s avonds nu en dan maar eens bij me, dan kunt ge al die dingen omdoen. Als ge dan daarmede voor den spiegel heen en weêr loopt, zult ge zelf zien hoe mooi u dat alles staat. En als uwe moeder soms mogt vragen, waarom gij zoo dikwijls bij mij komt, dan zullen wij haar wel wat op de mouw spelden.”

Het meisje, reeds ten halve verleid, wijst deze verderfelijke raadgevingen niet van de hand, en op dit oogenblik wordt er aan de deur geklopt. Het is Mephistopheles. Deze begint met Margareta allerlei vleijerijen te zeggen; en om Martha voor zich in te nemen, onderhoudt hij deze over haren man, die sedert lang afwezig is, en van wien zij in geruimen tijd niets gehoord heeft. Hij vertelt haar dat zij weduwe is, en dat een zijner vrienden, die even als hij bij het overlijden in Italië tegenwoordig is geweest, gereed is om voor den regter eene verklaring daarvan af te leggen. Dit is echter slechts een voorwendsel om Faust bij haar toegang te verschaffen. Een rendez-vous heeft nog dien zelfden avond plaats in den tuin achter Martha’s huis; en inderdaad, het paartje maakt met elkander kennis, terwijl Mephistopheles zich van Martha heeft meester gemaakt, en wel zorgt, dat de gelieven niet gestoord worden. De minnaar is teeder en hartstogtelijk, het meisje eenvoudig en beschroomd, ja durft naauwelijks antwoorden. Intusschen komt zij aan het spreken over hare huiselijke omstandigheden, en deelt het een en ander daarvan mede. Allengs echter begint hare verlegenheid te wijken, en teedere verklaringen volgen.

Eindelijk ontrukt zij zich aan zijne omhelzingen, en vlugt in een tuinhuisje, waar zij, om haren minnaar te plagen, zich achter de deur verbergt. Faust is haar gevolgd; hij vat haar op nieuw aan, omhelst haar, en het meisje beantwoordt zijne kussen en bekent hem hare liefde. Weldra echter wordt dit bijeenzijn gestoord door Mephistopheles, die zich in de deur vertoont en de beide gelieven scheidt.

Hier weidt de dichter niet uit in het schilderen van tooneelen van zielsverrukking, die op deze eerste bijeenkomst gevolgd zijn; integendeel vertoont hij ons Faust als reeds geblaseerd door zijn geluk. Hij begint het gewigt te gevoelen der keten, waaraan hij zichzelven heeft vastgeklonken door zich met een wezen te verbinden als Mephistopheles. Deze, vindingrijk in allerlei plagerijen, wakkert tevens den hartstogt van Faust aan, die Margareta in het ongeluk moet storten. Deze waant zich reeds verlaten, en geeft, in haar kamertje bij het spinnewiel gezeten, aan hare boezemklagten lucht. Ten slotte daarvan roept zij:

Hoe hijgt mijn boezem

Alleen naar hem!

Mogt ik hem grijpen

Met tooverklem!

Mogt ik hem kussen

Naar hartelust!

O, stierf ik dan ook,

Ik stierf gerust.

De vervulling van dit noodlottig verlangen laat niet lang op zich wachten. Faust komt terug, en de nu gelukkige Margareta legt haar hart voor haren minnaar bloot, doch geeft hem tevens den afkeer te kennen, dien zij voor Mephistopheles gevoelt. Nu zou men denken, dat al de rampen, als gevolgen van zulk eene betrekking, haar drukken; maar zoo de onschuld van het ongelukkige kind op hare hoede is tegen de inblazingen van den Geest der Duisternis, zij is zonder wapenen tegen de liefde. Op de dringende aanzoeken van Faust werpt zij hem slechts de moeijelijkheid tegen om alleen te zijn, de vrees dat hare moeder zal wakker worden, die, zoo als zij zegt, zoo ligtslaapsch is. Faust stelt haar een fleschje ter hand, met bijvoeging, dat slechts een paar droppels er uit hare moeder in een diepen slaap zullen doen verzinken. Deze droppels doen hare moeder dan ook insluimeren, doch om nooit weêr te ontwaken. In de volgende tooneelen worden de wroegingen geschetst, die haar na haren val aangrijpen.

Intusschen hebben de buren haar gadegeslagen, en aan aanmerkingen heeft het niet ontbroken. Deze praatjes komen ter ooren van haren broeder Valentijn, den soldaat, waarvan zij vroeger gesproken heeft. Op zekeren avond komt hij eens over, om haar over haren toestand en de gevolgen er van te onderhouden, en vindt twee mannen onder haar venster, bezig om haar eene serenade te geven. Terwijl hij naar de woorden van het lied luistert, die luchtig genoeg zijn, maakt een hevige toorn zich van den krijgsman meester: hij werpt zich op de twee onbekenden, verbrijzelt de guitar van den eenen, en overlaadt beide met smaadredenen. Mephistopheles laat Faust den degen trekken, en, terwijl hij zelf zijne stooten bestuurt, valt Valentijn doodelijk getroffen neder. De twee schuldigen ontvlugten.

Margareta en Martha openen nu hare vensters en roepen: “moord!” De buren komen met licht toesnellen. Margareta verlaat hare woning; men omringt den doodelijk gewonde, en zij vraagt wie daar is neêrgestooten, waarop men haar antwoordt, dat het haar broeder is. Al stervende wendt deze nu zich nog eens tot zijne zuster, en overlaadt haar met verwijtingen over haar levensgedrag. Daarop blaast hij den laatsten adem uit.

Van dat oogenblik af wordt Margareta’s hart door wroegingen bestormd, die vooral in een tooneel geschilderd zijn, dat in de kerk wordt voorgesteld. De Booze Geest (Mephistopheles), achter haar verborgen, herinnert haar den tijd, toen zij, nog onschuldig, in dien zelfden tempel hare gebeden kwam uitstorten. Het is eene zamenspraak tusschen den Boozen Geest, die hier de rol van het geweten speelt, het ongelukkige meisje en het koor van priesters, die in de tusschenpoozen het Dies irae, dies illa aanheffen; zijnde een kerklied of hymne uit de dertiende eeuw, voor welks vervaardiger de Italiaan Tomo de Celano gehouden wordt. Deze hymne behoort tot het Requiem der Katholieken. Dit geheele tooneel is van eene sombere en verschrikkelijke schoonheid, in de manier van Dante’s tafereelen.

Het ongeluk van Margareta is volbragt, en Mephistopheles bemoeit zich verder niet met haar, daar het doel bereikt is; hij heeft nog alleen met Faust te doen, wiens val hij voltooijen moet. Om zijn geest verder van edele gevoelens af te leiden, brengt hij hem naar den heksensabbat, die op het Hartsgebergte gevierd wordt. Een sombere en stormachtige nacht vertoont zich aan beide reizigers in al zijne verschrikkingen en gevaren. Men hoort het gekraak van boomen, die door den storm worden neêrgeworpen, of van hunne takken, die van den stam worden afgerukt. Dit geheele tooneel moet worden gelezen zoo als Goethe het beschrijft, of de vertaler in zijne navolging getracht heeft het terug te geven.

Dat de gevolgen van een eersten misslag, door Margareta begaan, haar eene misdaad hebben doen plegen, komt Faust eindelijk ook te weten, alsmede dat de menschelijke geregtigheid zich van de schuldige heeft meester gemaakt. Overstelpt door de opeenvolgende verliezen, die zij heeft ondergaan, verlaten door Faust, aan wien zij alles heeft opgeofferd, heeft zij de schande niet kunnen doorstaan, die gereed is haar te verpletteren. De ongelukkige droeg een pand der rampzalige liefde voor Faust onder het hart, en—heeft haar kind omgebragt.

Zij is zonder mededoogen in de gevangenis geworpen, en in afwachting dat het vonnis aan haar voltrokken zal worden, geeft zij zich aan al de angsten van wroeging en wanhoop over. Mephistopheles verheugt zich met koelheid over eene ramp, die zijn werk is. Hij heeft dezen afloop zorgvuldig voor Faust verborgen gehouden; hij heeft hem in drinkgelagen gebragt, om hem van eene liefde los te maken, die misschien nog een sprankje deugd in zijn hart zou achterlaten, en tevens om Margareta aan zijne hulp te onttrekken en haar aan de wanhoop ten prooije te geven. En toen Faust hem daaromtrent hevige verwijten doet, geeft hij ten antwoord: “Zij is de eerste niet!”

Op deze helsche woorden kent de woede van Faust geen perken meer. Hij vervloekt den helschen geest, aan wien hij zich heeft overgeleverd; hij gaat zelfs verder, door hem met den toorn des Hemels te bedreigen. Op deze verwijten geeft de duivel aan Faust koel ten antwoord, dat deze, in weêrwil van zijne verhevene denkbeelden omtrent eer en deugd, het toch alleen is, die Margareta heeft verleid en bewerkt dat zij ter plaatse gekomen is, waar zij zich thans bevindt. Hij herinnert hem den moord waarvan hij oorzaak is, dien welken hij zelf begaan heeft; kortom; hij stookt zijne smartelijke vervoering op eene afschuwelijke wijze aan. Maar in een van nature edelen geest, al is deze ook van zijnen rang nedergedaald, behaalt de liefde toch de overhand, en verheft zich te midden van al de wanhoop van Faust. Hij vraagt slechts één ding van zijn gids ten kwade, namelijk dat Margareta bevrijd worde; de duivel belooft hem de middelen om dit doel te bereiken. “Ik zal,” zegt hij, “de zinnen van den gevangenbewaarder benevelen, en u in het bezit der sleutels stellen; want er is slechts ééne menschelijke hand, die haar de vrijheid hergeven kan. Maar ik zal aan de deur de wacht houden. Tooverpaarden staan gereed, en ik zal u beide van daar vervoeren; dit is al wat ik voor u doen kan.”

Zij vertrekken terstond op paarden, die als door den wind worden voortgedreven. Het is nacht, en als zij de stad naderen, komen zij het galgeveld voorbij, waar Faust nog het een of ander meent te ontdekken, en Mephistopheles daarnaar wil vragen; doch deze maant hem aan om zich nu maar voort te spoeden.

Faust komt eindelijk de gevangenis binnen. Op het zien van het jeugdig en teeder slagtoffer, in hare cel op vochtig stroo uitgestrekt, bestormt alles, wat de smart het grievendst heeft, de ziel van den schuldige.

Terwijl Margareta de deur van hare cel hoort openen, denkt zij dat men haar reeds ter strafplaats komt halen. Zij herkent de stem van haren minnaar niet, maar meent die van den scherpregter te hooren; de ongelukkige heeft het verstand verloren! Hartverscheurend is dit tooneel, waar de eenvoudige woorden den hoogsten trap van verhevenheid bereiken. Faust werpt zich aan hare voeten; hij bezweert haar bij hunne liefde, dat zij hem hare boeijen late losmaken en hem volge. Het slot van dit alles is een worstelstrijd tusschen Mephistopheles, die zich nu in de deur van den kerker vertoont, Margareta, welke, in hare krankzinnigheid, hem voor den persoon aanziet, die haar naar de strafplaats wil voeren, en Faust, wiens wanhoop geen grenzen meer kent. Eindelijk heft Margareta hare handen ten hemel, en roept:

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!

Gij engelen, gij heilge scharen,

Omringt mij en wilt mij bewaren!…

O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

waarop zij den laatsten adem uitblaast. “Zij is gevonnisd!” roept Mephistopheles nu. Maar eene stem van den hemel doet zich hooren, en zegt dat zij gered is. “Kom meê!” roept Mephistopheles thans Faust toe, en beide verdwijnen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings