TOEWIJDING.
H. (Hendrik) Frijlink translation
Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,
Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!
Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?
Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?
Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,
Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.
Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,
Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.
Gij brengt met u wat eens mij mogt behagen
En menig zoete erinring van weleer;
Gelijk een droom uit lang vervlogen dagen
Komt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.
De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagen
Van ’s levens kronkelpaden meer en meer,
En noemt het goede, dat ik mogt genieten,
Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.
Zij zullen deze liederen niet hooren
De zielen, in wier kring ik vroeger zong;
Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;
Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.
Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,
Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;
En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,
Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.
En mij bevangt een reeds ontwend verlangen
Naar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;
Daar zweven nu mijn fluisterende zangen
Als windgesuis, de Eolusharp gelijk.
Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;
Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.
Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;
En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.