← Table of contents
Faust, Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

IN DEN HEMEL.

H. (Hendrik) Frijlink translation

DE HEER. DE HEMELSCHE HEERSCHAREN. Naderhand MEPHISTOPHELES.

De drie aartsengelen treden voor.

RAPHAËL.

De zon doet weêr haar loflied hooren,

In ’t koor der spheren als altijd;

Haar baan voleindigt ze als te voren,

Al donderende wijd en zijd.

Haar glans, die grenzen kent noch perken,

Vervult zelfs de englen met ontzag;

Gods ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

GABRIËL.

En snel draait, in haar voorwaarts zweven,

Zich de aarde rond met al haar pracht,

Hier als door hemelgloed omgeven,

En daar gehuld in diepen nacht.

De zee drijft, onder schuimend klotsen,

Gevaarten uit haar worteling,

En verder rukken zee en rotsen

In eeuwig snelle wenteling.

MICHAËL.

En hevig bruisen storm op stormen

Van zee naar land, van land naar zeên,

Terwijl ze in ’t woên een keten vormen

Der diepste wieling om zich heen.

Daar vlamt de bliksem alvernielend;

De donder volgt met majesteit:

Maar wij vereeren, Heer, al knielend

Uwe almagt en uw heerlijkheid.

TE ZAMEN.

Uwe almagt, zonder paal noch perken,

Vervult ook de englen met ontzag;

Uwe ondoorgrondelijke werken

Zijn schoon, als op den eersten dag.

MEPHISTOPHELES.

Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,

En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,

Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,

Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.

Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,

En mooije woorden heb ik nooit gekend:

Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,

Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.

Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;

Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.

De kleine wereldgod blijft van den zelfden slag

En is zoo wonderlijk als op den eersten dag.

Misschien zou hij een weinig beter leven,

Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;

Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,

Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.

Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—

Veel van een sprinkhaan in landouwen,

Die altijd vliegt en vliegend springt,

En in het gras zijn oude liedje zingt;

En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,

Maar overal wil hij zijn neus in steken.

DE HEER.

Hebt gij mij anders niets te vragen?

Komt gij dan altijd bij mij klagen,

En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?

MEPHISTOPHELES.

O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.

De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;

Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.

DE HEER.

Zeg! kent gij Faust?

MEPHISTOPHELES.

Zeg! kent gij Faust? Den doctor?

DE HEER.

Zeg! kent gij Faust? Den doctor? Ja, mijn knecht.

MEPHISTOPHELES.

Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:

Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.

Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.

Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,

Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,

Van de aarde elk hoogst genot en lust;

En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,

Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.

DE HEER.

Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,

’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:

De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,

Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.

MEPHISTOPHELES.

Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,

Wanneer gij mij verlof wilt geven,

Hem aan mijn hand te voeren door het levend?

DE HEER.

Zoo lang hij nog op aarde leeft,

Zoo lang zij dat u niet verboden:

De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.

MEPHISTOPHELES.

Ik dank u, Heer! want met de dooden

Heb ik nooit gaarne iets aangevangen;

Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;

Voor al wat dood is ben ik niet te huis;

Het gaat mij als het poesje met de muis.

DE HEER.

Nu, ’k wil hem aan u overlaten.

Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;

Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,

Op uwen weg meê in het graf,

En sta beschaamd, als gij bekennen moet,

Dat de edele ook op ’s levens kronkelpaden

Zich voor het struikelen behoedt!

MEPHISTOPHELES.

Ik zal mij hierop niet beraden,

En ben ook voor die weddingschap niet bang.

Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,

Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.

Stof eten zal hij al zijn leven lang,

Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang!

DE HEER.

Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.

’k Heb uws gelijken nooit gehaat:

Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,

Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.

Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;

Hij is het liefst van alle zorgen vrij:

’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,

Die hem als duivel wakker weet te houên.

Doch gijliên, de echte godentelgen,

Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!

Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,

Omvatte u met de liefde in al haar krachten,

En wat als nevel u voor de oogen zweeft,

Bevestig dat met blijvende gedachten.

De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.

MEPHISTOPHELES alleen.

Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,

En ’k wacht mij wel met hem te breken.

Het is toch mooi van zulke groote liên,

Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.

Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.

Faust onrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.

FAUST.

’k Studeerde nu philosophie,

Geneeskunde en juristerij,

En ook, helaas, theologie;

Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!

Daar sta ik nu, ik brekebeen,

En ben zoo wijs nog als voorheen!

’k Heet meester, doctor, redenaar,

En leid reeds in het tiende jaar,

Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,

Mijn jongren bij hun neuzen om—

En zie toch dat wij niets beseffen.

Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!

Ik weet wel meer dan al die apen,

Magisters, doctors, schrijvers, papen;

Geen angst noch twijfel kan mij plagen,

Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:

Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;

Ik heb ’t geloof geheel verloren.

Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leeren

Om zich te beteren of te bekeeren;

Ook heb ik goed noch geld bespaard

En eer noch roem mij opgegaard.

Maar langer zou geen hond zoo willen leven;

’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:

Ligt worden mij door hare kracht

Geheimen aan het licht gebragt,

Waardoor ’k niet meer in angst en zweet

Moet zeggen wat ik zelf niet weet;

Welligt wordt mij dan toevertrouwd

Wat heel de wereld zamenhoudt,

Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,

En woordgezift aan andren overlaat.

O, zaagt gij, vriendelijke maan,

Voor ’t laatst het harteleed eens aan,

Waarmeê ’k zoo menig winternacht

In dit vertrek heb doorgebragt,

Gij waart voorzeker aan mijn zij,

Ook zonder al die schrijverij!

Mogt van een bergtop mijn gezigt

Zich spieglen in uw helder licht!

O, mogt ik ginds met geesten leven,

Op velden in uw schijnsel zweven,

En, niet door boekenstof beladen,

In uwe frissche dauw mij baden!

Maar—’k steek nog in den kerker, dat

Vervloekt en vunzig, muffend gat,

Waar zelfs het lieve hemellicht

Zich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!

Benaauwd door dezen boekenlast,

Met rook en vuil en stof bedekt,

Die, tot de zoldring opgetast,

Tot spijs van mot en worm verstrekt;

Met flesschen, potten om mij heen,

Met instrumenten volgepropt,

Grootvaders pruik er in gestopt—

Dat is uw wereld—anders geen!

En vraagt gij nog, waarom uw hart

Zich bang in uwen boezem klemt?

Waarom eene onverklaarbre smart

Den bloedloop in uwe adren stremt?

In plaats van ’t leven der natuur,

Waarvoor de Heer den stervling schiep,

Omringt ge u door een beendrenmuur;

In rook en walm verzinkt gij diep.

O vlugt! Ruk af dien slavenband!

En hier, dit boek, dees gouden mijn,

Van Nostrodamus’ eigen hand,

Laat dit u tot geleider zijn!

Erken daarin der sterren loop;

En als natuur u onderwijst,

Ontwaakt de zielskracht en de hoop,

Gelijk een geest den andren spijst.

O ja! De diepste duisterheên

Verklaren deze teekens u.

Gij zweeft, o geesten, om mij heen:

Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!

Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.

O, welk een weelde heeft bij dit gezigt

Op eenmaal al mijn zinnen ingenomen!

Ik voel een jong, een heilig levenslicht

Gelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.

Was het een God, die deze teekens schreef,

Die thans mijn weetlust stillen zullen,

Het arme hart met vreugd vervullen,

En met een drift, die steeds mij dreef,

De krachten der natuur me onthullen?

Ben ik een God? Het floers verbleekt;

Ik zie in deze reine trekken

Wat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.

Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:

“Het geestenrijk is niet gesloten;

“Uw zin is weg, uw hart is dood.

“Op, kweekeling! baad onverdroten

“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”

Hij beziet het teeken.

Hoe alles zich hier zamenweeft,

Het eene in ’t andre werkt en leeft!

Hoe hemelkrachten op en neder zweven,

Elkaâr de gouden emmers geven,

En onder ’t Hallelujah zingen

Van boven door deze aarde dringen,

Harmonisch ’t wereldruim omringen!

Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!

Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?

Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,

Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,

Waarnaar het dorstend hart verlangt?

Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!

Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den Aardgeest.

Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!

Gij, geest der aarde, zijt mij nader;

’k Voel reeds mijn krachten al te gader,

En mij doordringt een frissche gloed.

’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,

Het leed der aarde en haar geluk te dragen,

Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,

Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…

Een floers benevelt mijn gezigt.…

De maan verbergt haar licht.…

De lamp verdwijnt;

Een damp verschijnt;

Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…

O, spaar mij verdre smart!

Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!

Ontsluijer u! niet lang gemard!

Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,

Tot nieuw en blij gevoelen

Mijn zinnen komt doorwoelen!

’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;

Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!

Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit. Eene roodachtige vlam flikkert. De Geest verschijnt in de vlam.

GEEST.

Wie roept me?

FAUST, afgewend.

Wie roept me? O, wat mijn oog daar ziet!

GEEST.

Uw roepstem heeft mij hier doen komen

En uit mijn spheer mij weggenomen,

En nu—

FAUST.

En nu— Wee, ik verdraag u niet!

GEEST.

Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,

Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:

Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—

Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwen

Grijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?

Waar is de borst, die zich een wereld schiep,

Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,

Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?

Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?

Die wilde dat ik bij hem kwam?

Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,

Aan al uw leden schijnt te beven,—

Een worm, die wegkruipt in het stof?

FAUST.

Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?

Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!

GEEST.

In ’s levens stroom, in huis en hof,

Zweef ik op en neêr,

Zweef ik heen en weêr!

Geluk en wee,

Eene eeuwge zee,

Een wislend weven,

Een gloeijend leven,—

’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,

En lever het kleed aan de godheid gewijd.

FAUST.

Gij, die het wereldruim doorzweeft,

O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!

GEEST.

Een geest der aarde, waar ge op leeft,

Gelijkt ge, maar niet mij!

Verdwijnt.

FAUST, in zijn stoel nedervallende.

Hoe nu?

Niet u?

Ik, evenbeeld der godheid,

En niet eens u?

Er wordt geklopt.

O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?

Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!

Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.

Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!

Wagenaar, in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.

WAGENAAR.

Verschoon me; ik hoorde u declameeren;

’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.

’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;

Want tegenwoordig wil men dat.

Men zegt zelfs, dat de geestelijke heeren

Van een komediant nog kunnen profiteeren.

FAUST.

Ja, als de geestlijke een komediant is,

Zoo als dat soms wel eens gebeurt.

WAGENAAR.

O, als men in zijn vak niet bij de hand is,

En van de wereld weinig maar bespeurt,

Of op haar door een kijker slechts mag turen—

Hoe kan men haar dan door verstand besturen!

FAUST.

Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,

Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,

En met een overstelpend treffen

In ’t hart van uwe hoorders dringt.

Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;

Maak daar ragout en andre morserij,

En blaas de jammerlijkste vonken

Uit uwe potjesbakkerij!

U wacht bewondering van apen en hun vrinden,

Zijt gij misschien daarmeê gebaat;

Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,

Indien ’t u niet van harte gaat.

WAGENAAR.

Met voor te dragen maakt men meestal een begin;

Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.

FAUST.

Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,

En wees geen nar met bellen aan;

Hij toch bezit den grootsten schat,

Die nedrig op zichzelf kan staan.

En is ’t u ernst eens meê te spreken,

Waartoe naar woorden dan gekeken?

Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,

En zoo het heet met geestigheid dooraderd,

Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,

Die in den herfst giert door het dor gebladert.

WAGENAAR.

Helaas! De kunst is lang,

En kort slechts is ons leven.

Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,

Toch in mijn hart en nieren bang.

Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,

Waardoor men tot de bron geraakt!

En eer men nog ten halven weg genaakt,

Moet wel een arme duivel sterven.

FAUST.

Is boekenstof de bron van heil en zegen,

Waaruit een dronk u laafnis schenkt?

Verkwikking hebt gij niet verkregen,

Zoo die uw eigen ziel niet brengt.

WAGENAAR.

Vergeef! Het is een groot genoegen,

Zich in den geest der eeuw te voegen,

Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,

En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.

FAUST.

O ja, tot aan der sterren trans!

Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althans

Zij zijn een boek voor u en mij gesloten:

Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,

Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,

Maar niet door God hem ingegoten.

Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,

En kiest op stel en sprong het hazenpad;

Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,

Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.

Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;

Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.

WAGENAAR.

Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,

Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.

FAUST.

Ja, wat men zoo beseffen heet;

Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?

De weinigen, geloof me, in ieder land,

Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,

Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,

Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—

Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;

Wij moeten nu elkaâr verlaten.

WAGENAAR.

Ik had dit waarlijk niet gedacht;

Ik zou bij u nog wel wat willen praten.

Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,

Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!

’k Was altijd op de studie als bezeten;

’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.

Vertrekt.

FAUST, alleen.

Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,

Die altijd zich aan flaauwheid laaft,

Met gierge hand naar schatten graaft,

En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!

Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,

Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?

Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,

Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!

Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,

Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,

Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,

Dat ik het als een dwerg genaakte.

Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,

Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—

Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,

En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—

Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije kracht

Vermat door de adren der natuur te vlieten

En ’t leven als de Goden te genieten—

Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;

Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!

’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,

Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;

U hier te houden, stond niet in mijn magt.

Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,

Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;

Maar, wreede! gij zijt heengetogen,

En laat mij met mijn lot alleen!

Wat staat mij nu te doen, te mijden?

Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?

Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,

Zij stremmen onzes levens gang!

Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,

Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;

Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,

Dan heet dit zelfbedrog en waan.

Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,

Verstijft in aardsche jammer en gewoel.

Terwijl verbeelding met een stoute vaart

En vol van hope de eeuwigheid gaat meten,

Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,

Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.

De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,

En vestigt daar geheime smart;

Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,

Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.

Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,

Als vuur, als water, gift of dolk,

Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,

En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.

’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;

Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,

Den worm, die in het stof zich laaft,

En dien de tred des wandelaars begraaft.

Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wanden

Uit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?

De prullekraam, die met zijn duizend banden

Me in deze mottenwereld d’ adem stremt?

Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?

Moet ik misschien in duizend boeken lezen,

Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?

Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?

Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!

Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?

Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,

En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?

’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,

Met rad en kammen, wals en bendel;

’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?

Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!

Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,

Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;

Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,

Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.

Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,

Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;

De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,

Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.

’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,

Dan hier des nachts te zweeten en te waken;

Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,

Ontvangt men om er van gebruik te maken.

Wat ons niet dient, dat is een zware last;

Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.

Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?

Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?

Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,

Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?

Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,

Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!

’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.

Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,

Extract van alle doodelijke krachten,

Bewijs uw meester nu uw gunst!

Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;

Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;

De springvloed van den geest begint terug te gaan;

Ik voel mij in de volle zee verwezen;

Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;

Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.

Een vuurge wagen komt mij nader zweven,

O zie! en ’k voel mijn geest bereid,

Op nieuwe baan den aether door te streven

Tot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.

Dit hooger leven, dat een godheid baarde,

Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?

Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aarde

Den rug vol moed en vastberaden toe!

Vermeet u stout de poorten in te dringen,

Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;

Hier is het tijd om naar den roem te dingen,

Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—

Niet voor die donkre holen te vertsagen,

Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,

Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,

Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;

Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,

En stout in ’t onbekende u te begeven.

Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,

Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—

Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!

Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:

Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,

Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.

Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,

De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,

En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,

Herinnert mij aan menig blijden nacht.

’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;

’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:

Hier is een sap van bovenaardsche kracht.

Een donker vocht zal ’k in u gieten;

Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;

Dees laatste dronk zij nu met blij genieten

Aan ’t hooge feest van morgen toegebragt!

Hij zet de drinkschaal aan den mond.

Klokkenspel en Koorgezang.

KOOR VAN ENGELEN.

Hij is verrezen!

Juich nu, o sterveling,

Die het verderf ontving,

En wien beangstiging

Kwelde voordezen!

FAUST.

Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,

En rukken met geweld de schaal mij van den mond?

Laat plegtig klokgelui op dezen stond

Reeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?

Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,

Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?

KOOR VAN VROUWEN.

Wij, droeve vrouwen,

Daalden vol smart hier af;

Wij, zijn getrouwen,

Legden hem neêr in ’t graf.

Balsemen, winden,

’t Is al door ons geschied:

Maar ach, wij vinden

Christus hier niet!

KOOR DER ENGELEN.

Hij is verrezen!

Zalig de sterveling,

Die na een loutering,

Als hij van God ontving,

Nu is genezen!

FAUST.

Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,

Mij in het stof, o hemeltoonen?

O klinkt daar, waar men menschen heeft,

In wie ’t geloof altijd mogt wonen!

Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;

Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,

Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.

En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,

Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!

Voorheen, o ja, ontving ik van omhoog

Een hemelkus bij plegtig sabbathvieren;

’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.

Een onbeschrijfelijk verlangen

Dreef mij door bosch en velden rond,

En met de tranen op de wangen

Gevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.

Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,

Herinnert mij mijn lentetijd,

En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,

Van dezen laatsten worstelstrijd.

O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!

De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!

KOOR VAN JONGEREN.

Heeft die den dood verwon

Reeds in dit leven,

Heeft onze gloriezon

Ons reeds begeven?

Is hij hierboven al

Hemelsche vreugd nabij?

Ach, in dit aardsche dal

Is ’t woestenij!

Liet hij de zijnen

Hier onder zorg en druk?

Ach, wij verkwijnen

Bij zijn geluk!

KOOR DER ENGELEN.

Licht werd het duister:

Christus verliet het graf!

Mensch, werp den kluister

Blij van u af!

Gij, die hem prijzen wilt,

Liefde bewijzen wilt,

Broederen spijzen wilt

En onderwijzen wilt,

U is de Heer nabij;

Hij ’s aan uw zij!

Buiten de poort.

Allerlei wandelaars komen er uit.

EENIGE WINKELBEDIENDEN.

Waarom dien weg nu op?

ANDEREN.

Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.

DE EERSTEN.

Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.

EEN WINKELBEDIENDE.

Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!

EEN TWEEDE.

De weg daarheen is niet heel mooi.

EEN DERDE.

En wat doet gij?

EEN VIERDE.

En wat doet gij? Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.

EEN VIJFDE.

Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergier

Zijn mooije meisjes en uitstekend bier;

Men heeft er altijd veel pleizier.

EEN ZESDE.

Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?

Zijt gij die gekheid nog niet moê?

Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.

EEN DIENSTMEISJE.

Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!

EEN ANDER.

Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.

DE EERSTE.

Ja, meisje! maar ik vat het wel:

Hij zal met u en niet met mij gaan.

Gij danst en springt, nu daar, dan hier:

Ik vraag: wat raakt mij uw pleizier?

DE ANDERE.

Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;

Hij sprak mij van Martinus Rijzig.

EEN STUDENT, tot een anderen.

Vertikt, wat snappen daar die meiden!

Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!

Een goed glas bier, een lekkere cigaar,

Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.

EENE BURGERDOCHTER, tot eene vriendin.

Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!

Mijn Hemel, welk een smaak is dat!

Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,

En volgen nu die meiden op haar pad.

TWEEDE STUDENT, tot den eersten.

Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar

Ze zijn heel proper in de nopjes.

Die eene woont bij Kouwenaar;

’t Is een van de allerliefste popjes.

Zij gaan daar wel heel stemmig voort,

Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.

DE EERSTE.

Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.

Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.

De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,

Zal zondags u het beste streelen.

EEN BURGER, tot een paar anderen.

Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;

Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.

En voor de stad—wat doet hij dan?

’t Wordt immers erger alle dagen?

Men mag niet eens zijn nood hem klagen;

Want die dit waagt, die lust er van.

EEN BEDELAAR zingt.

Och, goede heeren, lieve vrouwen!

Ik ben bejaard en ’t leven moê.

O, wilt mij armen man aanschouwen,

En reikt een kleine gift mij toe!

Laat mildheid uwe hand bestieren!

Slechts hij is blij, die geven mag.

Een dag, dien alle menschen vieren,

Zij ook voor mij een blijde dag!

TWEEDE BURGER.

Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,

Dan over vechten wat te praten,

Zoo als, bij de eene of andre schans,

Door Deensche en Pruissische soldaten.

Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,

En ziet de menschen wandelen of rijden;

Men keert weêr huiswaarts tot besluit,

En zegent vrede en vredestijden.

DERDE BURGER.

Ja, buurman! zoo vind ik het ook.

Laat anderen zoo veel zij willen kijven;

Laat vreemde volken overgaan in rook;

Maar hier moet het bij ’t oude blijven.

EEN OUD WIJF, tegen de eene burgerdochter.

Wel, lieve kind, hoe opgedrild!

Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.

Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:

Mag ik u dat bezorgen?

BURGERDOCHTER.

Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liên

Als u mij niet weêr in te laten:

Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;

Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.

DE ANDERE BURGERDOCHTER.

Mij toonde zij een minnaar in kristal,

Als een soldaat, met andre zijner vrinden:

’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;

Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.

SOLDATEN.

Burgen met hooge

Muren en tinnen,

Meisjes met trotsche,

Honende zinnen,

Willen wij winnen,

Stout is het pogen,

Heerlijk het loon.

En de trompetten

Laten wij werven,

Zoo tot de vreugde

Als tot verderven.

Dat is een stormen,

Dat is gewin!

Meisjes en burgen

Nemen wij in.

Stout is het pogen

Van den soldaat,

En wij in ’t einde

Poetsen de plaat.

FAUST en WAGENAAR.

FAUST.

Van ijs bevrijd zijn beek en stroomen

Door d’ adem van het lentsaizoen:

Alom ontluikt het malsche groen;

De winter, hier ten eind gekomen,

Gaat zich naar ruwer oorden spoên.

Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,

Nog sneeuw en hagel enkle dagen;

Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,

En weg is ’t in een oogenblik.

Men ziet alom een welig tieren;

’t Wil alles zich met kleuren sieren:

Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;

’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.

Keer u eens om—wij zijn nu boven—

En zie eens naar de stad terug!

Men zou het waarlijk niet gelooven:

’t Komt al de poort uit, langs de brug.

Men loopt er praten, lagchen, tieren,

En dat heet nu het Paaschfeest vieren,

Het hoogtij der Verrijzenis!

Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;

Want zij zijn zelve thans verrezen.

Uit muffe kamers, donkre holen,

Omringd van goten en riolen,

Of waar ze ook anders zamenscholen,

Zijn zij, als uit een kerkernacht,

Op eenmaal aan het licht gebragt.

Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,

Door bosch en beemd en velden heen!

Zie zich die bootjes, groot en kleen,

Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!

Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;

Het is tot zinkens toe geladen;

En zelfs op verre heuvelpaden

Ziet men nog menig bonten doek.

Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;

Hier vindt het volk zijn waren hemel.

Tevreden juicht nu groot en kleen:

Hier ben ik mensch, ja hier alleen.

WAGENAAR.

Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,

Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;

Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,

Daar ik een vijand van gemeenheid ben.

Dat zingen, springen, razen, tieren,

Staat me altijd tegen, maakt mij bang;

Zij gaan te werk als wilde dieren;

En dat heet vreugde, ’t heet gezang!

BOEREN, onder een lindeboom.

Dans en gezang.

De herder tooide zich ten dans;

Met strikken, kwikken, lint en krans

Trok hij nu aller oogen.

’t Was op het grastapijt reeds vol,

En alles sprong in ’t rond als dol;

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

’t Was alles opgetogen.

Hij spoedde haastig zich er bij;

Hij stiet een meisje in hare zij,

En staarde haar in de oogen.

Zij keerde zich verbolgen om,

En zeide: Nu, dat vind ik dom;

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

Wees wat meer ingetogen!

Maar vrolijk danste men in ’t rond;

Men raakte naauw den groenen grond,

En alle rokken vlogen.

Men werd er rood, men werd er warm;

Men drukte al dansend arm aan arm,

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

En heup aan ellebogen.

En hiermeê was het nog niet uit.

Hoe menig heeft niet meisje of bruid

Belogen en bedrogen!

Hij lokte haar dan van dat oord,

En van het grasperk klonk het voort:

Fideldei, fideldool!

Met fluit en viool;

Men bleef er opgetogen.

EEN OUDE BOER.

Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,

Dat gij op zulk een feestdag u,

Daar al het volkje is op de been,

Zoo familjaar begeeft hierheen.

Neem dan ook nu den schoonsten beker,

Gevuld met echten rooden bleeker!

’k Wensch dat de wijn uit deze flesch

Thans niet alleen den dorst u lesch’,

Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,

Nog toegevoegd zijn aan uw leven!

FAUST.

Volgaarne aanvaard ik dezen drank.

Ontvangt gij allen mijnen dank!

Het volk verzamelt zich in een kring om hen heen.

DE OUDE BOER.

Voorzeker, het is welgedaan,

Dat ge op dit feestgetij verschijnt:

Gij meende ’t altijd met ons goed;

Wij waren anders weggekwijnd.

O, menig is er onder ons,

Die nog uw vader heeft gekend;

Hij was altijd met hulp nabij,

En overwon de ziekte in ’t end.

En ook gij zelf—gij waart nog jong—

Gingt ieder gasthuis in en uit,

Maar wie ook leven bleef of stierf,

Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.

Men moest om uwen vlijt u loven;

Den helper helpt de Helper boven.

ALLEN.

Gezondheid zulk een braven heer!

Hij helpe ook ons nog menig keer!

FAUST.

Blijft Hem daarboven steeds gedenken,

Die helpen leert en hulp kan schenken.

Hij gaat met Wagenaar verder.

WAGENAAR.

Welk een gevoel, o groote man,

Moet u bij zulk een lof niet streelen!

Heil d’ enkele, die onder velen

Zich zulk een roem verwerven kan!

Men wijst hem aan met luider kelen,

En ieder vraagt en snelt en dringt;

’t Houdt alles op wat speelt en zingt.

Gij gaat; men blijft in rijen staan.

De mutsen vliegen dan voor u omhoog;

’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,

Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.

FAUST.

Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;

Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.

Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,

En bad om kracht tot dooden mijner lusten.

Vast in geloof en rijk aan hoop,

Met tranen, zuchten, handenwringen,

Dacht ik het einde van dien ziekteloop

Van God daarboven af te dwingen.

De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.

O, kondet ge in mijn boezem lezen,

Hoe evenmin de vader als de zoon

Zulk een vereering waard mogt wezen!

Mijn vader was een somber peinzend man,

Die over de natuur en hare heilge wetten

Steeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,

Dat nooit iets strookte met zijn plan;

Die in gezelschap van adepten

Zich in de zwarte keuken sloot,

En na oneindige recepten

Het aakligst brouwsel zamengoot.

Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,

In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,

En beide dan, omringd van vuur en vlammen,

Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.

Verscheen daarop in bonte verven

De jonge koningin in ’t glas,

Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,

En niemand was er, die genas.

Zoo hebben wij, als duivels, menigmalen

In dit gebergte, in deze dalen,

Veel erger dan de pest gewoed.

Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:

Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,

Dat men mij als een menschenvriend begroet!

WAGENAAR.

Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?

Doet niet een brave man genoeg,

De kunst, die men hem overdroeg,

Naar best vermogen te beproeven?

Hij, die als jongeling zijn vader eert,

Wordt door hem liefderijk ontvangen;

Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,

Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.

FAUST.

Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t end

Uit deze zee van dwaling op te duiken!

Wat men niet weet, dat had men graag gekend,

En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.

Maar laten we ons nu in dit avonduur

Niet pijnigen door sombre mijmeringen!

Beschouwen wij de kalmte der natuur,

Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen!

De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;

Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.

O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,

Om haar nabij en meer nabij te streven!

Dan zag ik in een heerlijke avondpracht

De wereld kalm en stil aan mijne voeten,

De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,

Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.

Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:

’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.

Reeds doet de zee, met al haar bogten,

Zich op voor ons verwonderd oog.

Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.

Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.

’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;

Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!

De hemel boven mij, en onder mij de baren:

Een schoone droom, maar die te ras vervliet.

Ach! aan de vleuglen van den geest zal niet

Een vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!

Toch is het ieder ingeboren,

Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,

Als boven ons, in ’t groene loof verloren,

De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;

Als hooger, boven rots en wolken,

Met breede wieken de arend zweeft,

Of lager, over meer en kolken,

Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.

WAGENAAR.

Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,

Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.

Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.

Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;

Ook kan men met iets anders zich verblijden

Dan met een beuke- of wilgeblad.

Des winters, in een kring, vervliegen de uren,

Verwarmt ons spel en kout en wijn;

Maar gij—als gij een arend na kunt turen,

Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.

FAUST.

Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.

O, leer toch nooit eene andre kennen!

Twee driften zetelen in mijn gemoed,

En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.

Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,

En kan haar schijnschoon niet ontberen;

Mijn andere beschouwt dit als een last,

En windt zich op tot hooger spheren.

O, zijn er geesten in dien boog,

Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,

Zoo daalt dan neder van omhoog,

En voert mij in uw kring tot rijker zegen!

Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,

Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,

’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,

Ja, voor geen koningsmantel ruilen.

WAGENAAR.

O, laat haar rusten, die bekende schaar,

Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,

Het menschdom duizendvoud gevaar

Op allerlei manier bereid heeft!

Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,

En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;

Verdroogend komt het uit het Oosten voort,

En zuigt het voedsel uit uw longen;

Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,

Die zenggloed op uw schedel neêr doen komen

Het Westen brengt zijn regenbuijen aan,

Om u en bosch en velden te overstroomen.

Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;

Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;

Zij houden zich of haar de hemel zond,

En spreken englentaal, wanneer zij liegen.

Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,

De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.

Des avonds eerst waardeert men huis en haard …

Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?

Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?

FAUST.

Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?

WAGENAAR.

Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?

FAUST.

Beschouw hem goed; waarvoor houdt gij dat dier?

WAGENAAR.

Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,

Dat hij misschien daar straks verloor.

FAUST.

Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwinding

Ons nadert en bereiken zal weldra?

En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbinding

Hem op zijn spoor en kringloop na.

WAGENAAR.

Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;

’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!

FAUST.

Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringen

Tot hechten band om onze voeten trekt.

WAGENAAR.

’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,

Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.

FAUST.

De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.

WAGENAAR.

Het is een hond, en anders niet.

Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;

Dat is bij honden zoo ’t gebruik.

FAUST.

Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!

WAGENAAR.

’t Is inderdaad een aardig dier:

Hij wacht u af, als gij blijft staan;

Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;

Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,

Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.

FAUST.

Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.

Het was geen geest; de hond is afgerigt.

WAGENAAR.

Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,

Wordt steeds door een verstandig man begeerd;

Wil dus de poedel bij u blijven,

Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?

Zij gaan de stadspoort weder in.

Het studeervertrek van Faust.

FAUST, met den poedel binnentredende.

Verlaten heb ik veld en dreven,

Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;

De betre ziel heeft hooger leven

Nu in ons binnenste opgewekt.

De driften slapen met haar woelen,

Met al haar last en leed en smart;

De menschenmin doet zich gevoelen;

De liefde Gods vervult het hart.

Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!

Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?

Kom! leg u ginder op dat kussen neder,

En dat wel daadlijk, zeg ik u!

Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,

Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,

Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;

Hier dient die vrolijkheid gestaakt.

Is onze cel bij dag niet helder,

Als vriendlijk weêr het lampje brandt,

Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,

En ’t harte los van elken band.

De rede vangt weêr aan te spreken;

De hoop straalt weder als een zon;

Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,

En meer nog naar des levens bron.

Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,

Dat nu mijn gansche ziel vervult,

Wordt geen geknor van dieren hier geduld.

Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,

Wat voor hun brein in nevel is gehuld;

Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:

Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?

Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,

Niets immer onzen weetlust still’.

Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,

En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?

Dit is reeds me al te zeer bekend;

Ik had daarvan reeds lang de ervaring:

Daarom de steven nu gewend!

Ons harte trekt naar de Openbaring,

Die nergens schooner stralen zendt

Dan uit het Nieuwe Testament.

’k Voel in mijn borst een hevig blaken

Om nu den grondtekst zelf dit maal

Te geven in onze eigen taal,

Ten einde tot de waarheid te geraken.

Hij slaat een foliant open, en begint.

Welaan nu! “In den aanvang was het woord!”

Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?

Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,

En moet dus anders hier vertalen.

O, mogt me een hooger licht bestralen!

Misschien dus: “In den aanvang was de zin!”

Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,

Opdat uw pen hier niet kan falen!

Is dan de zin de hoogste magt?

O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was de kracht.”

Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,

Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.

Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,

En schrijf getroost: “In d’ aanvang was de daad.”

Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,

Voor uw gezelschap u bedanken;

Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,

Dan wenschte ik dat ge mij verliet.

Blijft ge altijd heen en weder loopen,

Ga dan maar heen; de deur is open.

Een van ons beiden voegt hier niet.

Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?

Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?

Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaak

Is niet regt pluis en in den haak.

Hij is de hond van straks niet meer,

Maar heeft veel van een ruigen beer.

O, welk een spooksel werd mijn buit!

Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,

Met vurige oogen, vreeselijke tanden.

O vriendlief, gij zijt in mijn handen!

Voor zulk een baksel helsch gebroed

Is Salomo’s bezwering goed.

GEESTEN, in den gang.

Gevangen is een daar binnen;

Blijft hier en verroert geen vinnen!

Als een vos in den knip,

Kijkt hij nu op zijn lip.

Maar geeft wel acht!

Zweeft heen, zweeft weder,

Zweeft op en neder,

En hij is uit onze magt.

Kan hij ons gerijven,

Laat hem dan niet blijven;

Want hij heeft voordezen

Ons veel dienst bewezen.

FAUST.

Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,

Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.

Salamander zal gloeijen,

Undine zich krommen,

Sylphe verstommen,

Kobold zich vermoeijen!

Wie der elementen kracht

Niet kende,

En daarbij geen toovermagt

Aanwendde,

Kon der geesten wetten

Naar zijn hand niet zetten.

Geest des vuurs, ga op in rook!

Watergeest, verdwijn gij ook!

Geest der lucht, zoo schoon en vrij,

Sta met uwe hulp ons bij!

Geest der aarde, Kobold, Gnomen,

Wil ook gij te voorschijn komen!

Geen van deze vier

Steekt in het dier.

Daar ligt het stil en grijnst mij aan.

Ik heb hem nog geen leed gedaan;

Maar ’k zal hem wel leeren

En sterker bezweren.

Zeg! Zijt gij, gezel,

Een vlugtling der hel,

Zoo zie dan dit teeken,

Waarvoor steeds bezweken

De duistere scharen!

O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!

Ellendig wezen!

Kunt gij hem vreezen,

Den nooit ontsprotene,

Onuitgesprokene,

In alle heemlen beslotene,

Schandlijk doorstokene?

Ginds, tusschen kagchel en wand,

Zwelt hij als een olifant;

Hij zet zich al meer en meer uit;

Een nevel omringt reeds zijn huid.

Houd nu maar op; niet verder meer!

Kom, leg u bij uw meester neêr!

Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;

’k Verzeng u met een heilig vuur;

O, wacht het gloeijend licht dus niet,

Waarmeê ik driemaal u ommuur!

Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,

De sterkste mijner tooverkunsten!

MEPHISTOPHELES.

treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.

Dat is genoeg zoo, op mijne eer!

Wat is er van uw dienst, mijnheer?

FAUST.

Dat was de kern dus van dien hond?

Een reizende student? Dat had ik moeten weten!

MEPHISTOPHELES.

Ontvang mijn welkomstgroet terstond;

Gij hebt mij niet gering doen zweeten!

FAUST.

Hoe noemt gij u?

MEPHISTOPHELES.

Hoe noemt gij u? Dees vraag vind ik niet fijn

Voor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;

Die, wars van zinbedrog en schijn,

Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.

FAUST.

Bij u en de uwen kan men ’t wezen

Gewoonlijk uit den naam reeds lezen,

Daar elk terstond uw doen en laten weet,

Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.

Maar kort en goed: wie zijt ge?

MEPHISTOPHELES.

Maar kort en goed: wie zijt ge? Ik ben een deel der kracht,

Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.

FAUST.

Wat meent gij met dit raadselwoord?

MEPHISTOPHELES.

Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;

En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,

Is waard dat het te gronde gaat:

’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.

Zoo is dus alles, wat ge als zonde,

Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,

Mijn leven en mijn element.

FAUST.

Gij noemdet u daar straks een deel,

En toch, ik zie u hier geheel?

MEPHISTOPHELES.

Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;

Het is zoo als ik zeg, mijnheer!

Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,

Voor een geheel zich houden willen,

Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,

Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,

Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,

Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,

Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,

Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.

Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,

Een ligchaam stremt het in zijn loop,

En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,

Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.

FAUST.

Nu ken ik uwe lieve pligten!

Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,

En vangt dit in het klein dus aan.

MEPHISTOPHELES.

En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.

Wat aan het niets het hoofd ook bied’,

Dees plompe wereld, ’t stoflijk iet,—

Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,

Ik wist haar nooit te na te komen

Met golven, stormen, schokken, brand—

Kalm bleef toch eindlijk zee en land.

En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,

Daarmede kan ik niets beginnen.

Hoe velen palmde ik niet al binnen,

En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.

Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.

Uit lucht, uit water en uit de aarde

Ontwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;

’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.

Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,

Ik had niets voor mijzelv’ alleen.

FAUST.

Dus wildet gij de Magt der magten

Bestrijden, schoon zij eeuwig schept,

Met uwe kleine duivelskrachten,

Waarmeê ge vruchteloos u rept?

O, zie wat anders te beginnen,

Gij wonderlijke chaos-man!

MEPHISTOPHELES.

’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;

Een andermaal iets meer daarvan!

Maar mag ik thans u wel verlaten?

FAUST.

Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;

Ik heb u nu toch in de gaten.

Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.

Hier is het venster, daar de deur;

Een schoorsteen is hier ook voorhanden.

MEPHISTOPHELES.

Ja, maar ’t verlaten dezer wanden

Staat niet zoo daadlijk in mijn keur.

De Drudenvoet daar op uw drempel.….

FAUST.

Dat pentagram houdt u terug?

Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,

Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?

Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?

MEPHISTOPHELES.

Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.

Die eene hoek, daar aan de buitenzij,

Is, zoo gij ziet, een weinig open.

FAUST.

Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,

En mijn gevangene zijt gij;

Ja, dat zijn van die vreemde dingen!

MEPHISTOPHELES.

De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.

Nu is de zaak geheel verbruid:

De duivel kan het huis niet uit!

FAUST.

Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?

MEPHISTOPHELES.

Het is een wet voor helsche schimmen,

Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,

Ze ook wederom tot uitgang strekk’.

In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.

FAUST.

Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?

Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,

En zeker wel met u, o heeren sluiten?

MEPHISTOPHELES.

Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;

Zoo is de zaak als zij behoort.

Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;

Daarvan dus op een andren keer!

Maar nu verzoek ik u, mijnheer,

Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!

FAUST.

O, blijf nog even, om mij vlug,

Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!

MEPHISTOPHELES.

Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;

Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.

FAUST.

Gij bragt u zelf hier binnen, en niet ik,

En liept vrijwillig in den strik.

Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,

Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.

MEPHISTOPHELES.

O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,

Voor uw gezelschap hier wat blijven;

Doch met beding om u den tijd

Door mijne kunsten waardig te verdrijven.

FAUST.

Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,

Mits slechts de kunst behaaglijk zij.

MEPHISTOPHELES.

Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnen

In dit half uurtje meer gewinnen

Dan anders in een jaargetij.

Wat u de geesten doen aanschouwen,

De zangen, die ze uw oor vertrouwen,

Zij zijn geen ijdel tooverspel.

Ook uw gehemelt’ zal men streelen,

Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;

En dan verrukt zich uw gestel.

Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;

Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!

GEESTEN.

Weg nu, bestoven

Zoldring daarboven!

Heerlijker stare

Vriendlijk de klare

Ether hier neêr!

Ware het donker

Wolkfloers geweken,

’t Sterrengeflonker

Zou niet verbleeken,

Tot ons zou spreken

’t Hemelsche heer.

Godlijke zonen,

Heerlijke schoonen,

Wie zich vertoonen,

Zweeft hier voorbij;

Smachtend verlangen,

Volg gij de rij.

Prachtige kleêren,

Linten en veêren,

Ziet men bedekken

Zalen, vertrekken,

Andere plekken,

Onder abeelen

En in prieelen,

Waar in gedachten

Minnenden smachten.

Heerlijke druiven,

Werp, als gij rijp zijt,

U in den persbak!

Schuimende wijnen

Storten in beken,

Midden door godlijke,

Heerlijke streken,

Laten de bergen

Achter zich liggen,

Breiden tot geurige

Meren zich uit.

En het gevogelte

Klapwiekt het zonlicht,

Vliegt de verruklijke

Eilanden tegen,

Die zich op golfjes

Dobbrend bewegen;

Waar wij de koren

Juichende hooren,

Of in landouwen

Dansers aanschouwen,

Die spelemeijen

Of zich verspreijen.

Deze beklimmen

Bergen en boomen;

Anderen zwemmen

Over de stroomen;

Anderen zweven

Al tot het leven;

Al om een verre,

Minnende sterre

Hulde te biên.

MEPHISTOPHELES.

Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!

Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;

Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.

Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijt

Om zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.

Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.

Maar om thans hier van daan te komen,

Moet mij een rat ten dienste staan.

Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?

Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,

En hem maar dadelijk bezweren.

De heer der muizen en der ratten,

Der vliegen, torren, kikkers, katten,

Beveelt u daadlijk op te dagen

En gindschen drempel te doorknagen,

En dat terstond wel en op slag!

Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!

Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bant

Zit heel vooraan, aan d’ andren kant.

Één beet nog, en het is geschied!

Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.

FAUST, wakker wordende.

Ben ik dan andermaal bedrogen?

Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?

Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,

Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?

Studeervertrek.

FAUST. MEPHISTOPHELES klopt.

FAUST.

Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!

MEPHISTOPHELES.

Ik ben het.

FAUST.

Ik ben het. Binnen!

MEPHISTOPHELES.

Ik ben het. Binnen! ’k Moet dit driemaal hooren.

FAUST.

Nu, binnen dan!

MEPHISTOPHELES.

Nu, binnen dan! Zoo is het goed.

Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;

Want u de grillen te verdrijven,

Is de oorzaak, die met zoo veel spoed

Mij heden bij u komen doet,

En ik u in een dos begroet,

Zoo als een jonker wezen moet.

Een haneveêr prijkt op mijn hoed;

Mijn roode rok is fraai en net

Met gouden boordsel afgezet;

Mijn manteltje is van witte zijde,

Mijn degen of ik toog ten strijde.

Nu moest gij, van den dag van heden,

U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,

Opdat gij, los en frank en vrij,

Moogt leeren wat het leven zij.

FAUST.

In ieder kleed heb ik den knel

Van ’t aardsche leven toch te duchten;

Ik ben reeds te oud voor kinderspel,

Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.

Wat is het heil, dat de aard mij biedt!

Ontberen zult ge, steeds ontberen:

Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,

Waarmeê men ieder, die geniet,

Wil zaligmaken en bekeeren.

’k Sta ’s morgens op met wee en ach,

En voel mij reeds het harte bloeden,

Als ik vooruitzie hoe de dag

Weêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,

Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,

Die in mijn boezem op komt wellen,

Maar ik, vol angst en foltering,

Met duizend zorgen mij moet kwellen.

Ja, ook nog in het nachtlijk uur,

Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,

Dan zullen, zonder rust of duur,

Mij wilde droomen telkens wekken.

De god, die in mijn boezem woont,

Kan wel mijn ziel in oproer brengen,

Maar Hij, die boven starren troont,

Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.

Zoo is het leven mij een last;

O, wierd ik door den dood verrast!

MEPHISTOPHELES.

Toch is de dood geen aangename gast.

FAUST.

Gelukkig wie, na roemvol streven,

Den heldendood op ’t slagveld vindt,

Of, na een kort, maar zalig leven,

In d’arm van haar, die hij bemint!

O, ware ik, door de hooge kracht

Verrukt, al stervend neêrgezonken!

MEPHISTOPHELES.

En toch heeft zeker iemand in dien nacht

Het bruine vocht niet uitgedronken.

FAUST.

Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.

MEPHISTOPHELES.

Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.

FAUST.

Wanneer uit sombre mijmeringen

Een zoete toon mij somtijds wekt,

Die uit mijn vroege erinneringen

In me opdoemt en mijne aandacht trekt

Dan vloek ik alles, wat ons harte

Met waan en goochelarij omspant,

En in dit hol van ramp en smarte

Ons door zijn vleijerijen bant.

Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,

Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,

’t Verblindingswerk van heilbedoelen,

Dat zich aan onze zinnen dringt!

Vloek wat een droom ons voor kan liegen

Van roem en eer, van gunst en lof,—

Wat als bezit ons kan bedriegen,

Als vrouw en kind, als huis en hof!

Vloek zij de Mammon, die ons streelde,

Door schatten onze daden stut,

Of na een dag van lust en weelde

De zachte peluw voor ons schudt!

Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!

Vloek liefde, die ons hart vervult!

Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,

Maar vloek zij bovenal ’t geduld!

GEESTEN, onzigtbaar.

Wee! wee!

Gij hebt haar verstoord,

De schoone wereld,

Die ieder bekoort!

Zij valt—zinkt ineen!

Een halfgod heeft haar verslagen!

Wij dragen

De puin naar ’t onbekende heen,

En klagen

Thans over ’t schoon, dat wij verloren.

Magtiger

Lot zij haar beschoren;

Prachtiger

Worde zij herboren!

Zij vervulle uwen boezem met hoop!

Een nieuwen levensloop

Moet gij thans beginnen

Met heldere zinnen,

Dan zult gij verwinnen

Wat anders u sloop’,

MEPHISTOPHELES.

Dit zijn mijne vrinden,

Die mij komen vinden.

Hoor hoe zij u raden

Tot vreugde en tot daden!

In ’s werelds gewoel,

Uit dezen jammerpoel,

Ver van dit letterblokken,

Willen zij u lokken.

Houd op uw hartzeer toe te geven,

Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;

Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:

Voel dat ge een mensch met menschen zijt!

Maar ’t is daarom mijn meening niet

U bij ’t gemeen te doen verstikken.

Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;

Wilt gij nu onder mijn gebied

Aan ’t werklijk leven u verkwikken,

Dan kunt gij over mij beschikken.

Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,

Dan ben ik tot uw dienst terstond.

Sla toe; ik meen ’t met u opregt;

Ik ben uw dienaar en uw knecht.

FAUST.

En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?

MEPHISTOPHELES.

Dat later; nu daarover niet getwist!

FAUST.

Neen, neen! De duivel is een egoïst,

En zal om niet wel niemand dienst betoonen.

Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:

Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.

MEPHISTOPHELES.

Ik wil mij hier tot uwe dienst verbinden,

Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;

Als wij daarginds elkander wedervinden,

Zult gij voor mij het zelfde doen.

FAUST.

Om ’t ginds zal ik mij niet bekommeren noch plagen:

Hebt ge eenmaal deze wereld stukgeslagen,

Laat dan eene andre ontstaan of niet!

Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;

De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:

Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,

Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.

Ik wil er verder niets van hooren,

Of men ook ginder haat en mint,

En of men bij de hemelkoren

Ook rang en stand en afkomst vindt.

MEPHISTOPHELES.

Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:

Verbind u, en ik zal in deze dagen

Mijn kunsten u te aanschouwen biên;

Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.

FAUST.

Wat wilt gij, arme duivel, geven!

Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,

Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?

Toch hebt gij spijze van de soort,

Die niet verzadigt: goud, dat altijd voort

Gelijk kwikzilver in de hand vervliet,—

Een lot, dat uitkomt met een niet;

Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,

Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;

De ontembre drift naar roem en eer—

Men staart er op, en ze is niet meer.

Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,

Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!

MEPHISTOPHELES.

Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;

Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.

Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,

Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.

FAUST.

Begin ik immer naar gemak te haken,

Dan zij ’t met mij terstond gedaan!

Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,

Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—

Kunt gij mij met genot bedriegen—

Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Dat zij gewed nu!

MEPHISTOPHELES.

Dat zij gewed nu! Top!

FAUST.

Dat zij gewed nu! Top! En slag op slag!

Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinken

Voor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,

Dan moogt gij mij in boeijen klinken,

Dan hebt gij me, en wat mij behoort.

Dat dan de doodsklok voor mij schalle!

Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.

Het uurwerk sta, de wijzer valle!

Dan zij voor mij de tijd voorbij!

MEPHISTOPHELES.

Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.

FAUST.

Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,

En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:

Volhard ik dus, dan ben ik knecht—

Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.

MEPHISTOPHELES.

’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,

Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;

Ik doe mijn woord hierin gestand.

Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,

Verzoek ik een paar regels van uw hand.

FAUST.

Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?

Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?

Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woord

Mij heilig is, en nimmer zal verzwinden?

Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,

En mij zou een belofte binden?

Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;

En gaarne wil men daarop bouwen.

Wien reine trouw is in het hart gegrift,

Geen offer zal hem ooit berouwen;

Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,

Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.

Het woord besterft reeds in de veder;

Wij bukken onder was en leder.

Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!

Erts, marmer, perkament, papier?

Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?

’k Geef u de keus voor alle drie.

MEPHISTOPHELES.

Wat draaft ge door! O Faust, ontzie

U toch, de zaak zoo te overdrijven!

Geloof mij, ieder blaadje is goed:

Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.

FAUST.

Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,

Dan mag het bij die gekheid blijven.

MEPHISTOPHELES.

Bloed heeft een zeer bijzondre magt.

FAUST.

Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.

Het streven toch van al mijn kracht

Is wat ik aan u op wil dragen.

Te hoog schatte ik mij inderdaàd;

In uwen rang behoor ’k alleen.

De Groote Geest heeft mij versmaad:

Ik zocht natuur, doch vond er geen.

Mijn denkkracht is vaneengereten;

Ik walg reeds lang van al het weten.

Kom, laten we in de zinlijkheid

Voldoening voor ons streven zoeken!

In ondoordringbre tooverdoeken

Zij ieder wonder straks bereid!

Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;

Dat zij ons trachten, dat ons doel!

Daar mag dan smart, daar mag genot,

Daar mag erkenning, daar mag spot,

Afwisselen zoo veel het kan:

Slechts rustloos werkzaam zij de man!

MEPHISTOPHELES.

Weet dat ik paal noch perk u stel;

Geniet waar gij genot kunt vinden;

Laat u door schroom noch zorgen binden:

Wat u bevalt, bekome u wel!

Zie overal wat op te vangen.

FAUST.

Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.

Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,

Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.

Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,

Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,

En ’t heil, dat voor een ander open staat,

Wil ’k ook genieten, mij ten baat.

Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,

Hun lief en leed op mijnen schedel laden,

Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,

En in dien roes ten laatste te verpletten.

MEPHISTOPHELES.

Geloof toch mij, die vele duizend jaren

Aan deze harde spijs reeds kaauwt,

Dat levenslang—ik kan het u verklaren—

Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.

’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,

Is voor een God alleen gemaakt;

Hij woont en heerscht in eeuwgen glans daarboven,

En wij zijn in de duisternis geraakt:

Nu zijt gij de eenge, die naar beide haakt.

FAUST.

Maar ’k wil!

MEPHISTOPHELES.

Maar ’k wil! Ik ben een vriend van daden;

Doch slechts voor één ding ben ik bang:

De tijd is kort, de kunst is lang.

Mij dunkt, gij moest u laten raden.

Verbind u met een dichter, arm als Job:

Die voere zijn verbeelding dan ten top,

En hoope dan wat goed is, schoon en edel,

Door u betaald, u op den schedel.

Der leeuwen moed,

De snelheid van de hinde,

Der Italianen vurig bloed,

En wat men verder vinde.

Laat hij u ook ’t geheim verklaren

Om grootheid met arglistigheid te paren,

En u dan met de drift der jeugd

Te wijden aan de minnevreugd.

’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,

En zal hem Mikrokosmus heeten.

FAUST.

Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’

Mij meester van de kroon te maken,

Waarnaar toch alle zinnen haken?

MEPHISTOPHELES.

Gij zijt een regte sukkelaar.

Zet u een pruik op met millioenen lokken,

Uit haar van geiten of van bokken:

Gij zijt en blijft onhandelbaar.

FAUST.

’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schatten

Van ’t menschlijk brein bijeenvergaard,

En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,

Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;

Ik ben met al mijn tobben, droomen

Geen haarbreed verder nog gekomen.

MEPHISTOPHELES.

Mijn goede heer, gij ziet de zaken

Zoo in, als dat altijd geschiedt:

Wij moeten dat heel anders maken

Vóór ons des levens vreugde ontvliedt.

Wat drommel! Zeker, hand en voeten

En al de rest behooren u;

Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,

Behoort dat ook mij niet? Wel nu!

Als ik zes hengsten kan betalen,

Mag ik daarmede dan niet pralen?

Ik span ze voor, en rij daarhenen,

Als had ik vier-en-twintig beenen.

Weg fratsen dus! Maak een begin,

En frisch met mij de wereld in!

Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,

Is als een dier op dorre heide,

Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,

En daaromheen ziet men een schoone weide.

FAUST.

Hoe vangen wij dat aan?

MEPHISTOPHELES.

Hoe vangen wij dat aan? Wij gaan er nu naar toe.

Wat is dit voor een akelig gedoe!

Waartoe den kluisnaar hier te spelen,

U en de jongens te vervelen?

Gun dat maar aan een pruikenbent!

Waartoe nog langer onzin uit te leggen?

Het beste, wat gij weet en kent,

Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.

Ik hoor al een daar in den gang.

FAUST.

Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.

MEPHISTOPHELES.

Die arme jongen wacht reeds lang;

Hij mag niet ongetroost vertrekken.

Kom! Geef me uw toga en uw muts;

Dat masker zal mij goed bedekken.

Hij verkleedt zich.

Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.

Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;

Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.

Faust vertrekt.

MEPHISTOPHELES, in de kleeding van Faust.

Dat gij maar geest en wetenschap veracht,

Des menschen allerhoogste kracht,—

Laat maar in blind- en tooverwerken

U door den logengeest versterken—

Dan heb ik u volkomen in mijn magt.

Hem heeft Natuur een geest gegeven,

Die rustloos voortdrong dag aan dag,

En wiens al te ongebreideld streven

Geen aardsche vreugde kende of zag:

Dien sleep ik door het wilde leven,

Door plat- en onbeduidendheid;

Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,

En in zijne onverzaadlijkheid

Zal spijs en drank voor gierge lippen zweven,

Maar lafenis is hem ontzegd;

En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,

Toch kwam niets goeds van hem te regt.

EEN LEERLING, binnentredende.

Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!

En kom met al ’t betoon van eer,

Om zelf een man te kennen en te roemen,

Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.

MEPHISTOPHELES.

Uw goede dunk verblijdt mij zeer.

Gij ziet een man als andren meer.

Hebt gij reeds elders school gegaan?

LEERLING.

Ik bid u, neem u mijner aan!

Ik kom bij u met goeden moed,

Met eenig geld en jeugdig bloed.

Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;

Wil gij tot leeraar mij verstrekken!

MEPHISTOPHELES.

Tot leeren zijt gij hier te regt.

LEERLING.

En toch bevalt het mij hier slecht;

Hier, tusschen deze sombre wanden,

Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.

Ik voel mij afgemat en loom;

Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;

Ver van aandachtig aan te hooren,

Is ’t meeste voor mij wis verloren.

MEPHISTOPHELES.

Veel is gewoonte, en dat met grond.

Het is daarmede als met een kind:

’t Neemt niet de moederborst terstond,

Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.

Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,

Hier zijt gij in de regte haven.

LEERLING.

’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;

Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen!

MEPHISTOPHELES.

Geef me eerst op ééne zaak bescheid:

Wat kiest gij voor een faculteit?

LEERLING.

Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,

En wenschte gaarne ’t al te omvatten:

Het wereldruim en zijn bestuur,

De wetenschap en de natuur.

MEPHISTOPHELES.

Dan zijt gij op het regte spoor;

Maar heb vooral een luistrend oor!

LEERLING.

Ik ben er bij met ziel en lijf;

Maar wat mij toch wel zou behagen,

Is vrijheid en wat tijdverdrijf

Des zomers met vacantiedagen.

MEPHISTOPHELES.

Gebruik den tijd, die ras vervliet;

Doch orde leert veel tijd u winnen:

Ik raad u, vriend, verzuim dus niet

Met Logica uw lessen te beginnen.

Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,

In Spaansche laarzen ingeregen,

En door u de voorzigtigheid verkregen,

Die uw gedachtenloop regeert,

Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,

Rondhaspelt als een broddelaar.

Dan leert men u ook, wat geschiê,

Om deze of gene zaak te ontvouwen,

Terwijl ge er anders, een, twee, drie,

Maar op zoudt hebben ingehouwen.

Toch is ’t met der gedachten veld

Als met een weefgetouw gesteld:

Daar gaan de draden op en neder;

De schietspoel glijdt al heen en weder;

Al de eersten door een enklen tred,

Terwijl de laatste op ’t weefsel let.

Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,

Bewijst u, dat het zoo ineen zit:

Eerst was het zoo, en toen weêr zus;

Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,

En wanneer een en twee ontbraken,

Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.

Dit wijzen ze aan op rekenborden;

Maar wevers zijn zij niet geworden.

Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,

Zoeke eerst den geest er uit te drijven:

Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;

Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.

Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,

Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.

LEERLING.

Ik kan u niet te best verstaan.

MEPHISTOPHELES.

Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,

Wanneer gij zijt aan ’t reduceeren

En aan het goed classificeeren.

LEERLING.

’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,

Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.

MEPHISTOPHELES.

Voorts, vriendlief, op de Logica

Volgt nu de Metaphysica.

Dan leert ge duidlijk, wat niet past

In ’s menschen brein of hersenkast;

Hetgeen daar al of niet behoort,

Betoogt ge met een prachtig woord.

Doch neem in ’t eerste halve jaar

Toch alle mooglijke orde waar:

Vijf uren hebt gij elken dag;

Wees binnen met der klokken slag.

Heb u eerst goed geprepareerd,

Paragraphos wel bestudeerd,

Opdat men u niet voor de broek slaat,

Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,

Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,

Als dicteerde u de Heiige Geest.

LEERLING.

Dat alles kan mij regt behagen:

Ik ben een vriend van zwart op wit;

Want als men eenmaal dit bezit,

Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.

MEPHISTOPHELES.

Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!

LEERLING.

De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.

MEPHISTOPHELES.

Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,

Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:

Die leer plant zich, van oord tot oord,

Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;

De zonen erven haar van de ouders over,

En denken dat het zoo behoort.

Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;

Verstand wordt onzin; weldaad, moord.

Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,

Dan praat men voor der dooven ooren.

LEERLING.

Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;

Gelukkig hij, dien gij dus leert!

Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.

MEPHISTOPHELES.

’k Wil om de zaak geen doekjes winden.

Als gij hier alles wikt en schift,

Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.

Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;

Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.

Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,

En gij bij ’s meesters woorden zweert.

In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,

Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,

Den tempel der gewisheid in.

LEERLING.

Maar woorden eischen toch een zin.

MEPHISTOPHELES.

Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;

Want waar begrip en zin ontbreken,

Daar valt het woord ons in te regter tijd.

Een bol is ’t, die met woorden strijdt;

Met woorden kan men alle haren kloven;

Aan woorden laat zich ’t best gelooven;

Geen jota kan men van een woord ontrooven.

LEERLING.

Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,

Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,

’k Zag gaarne nog door u vermeld,

Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.

Een korte tijd toch is drie jaren,

En ’t veld is naauwlijks af te staren;

Dus, als ik maar een wenk ontvang,

Dan heb ik al wat ik verlang.

MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.

Die drooge toon begint mij te vervelen;

’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.

Overluid.

Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:

Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:

Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijen

Zoo ’t God behaagt.

’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:

Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;

Hij echter, die slechts durft en waagt,

Dat is de regte man.

Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,

En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:

Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,

Zal zich al ’t andere wel redden.

Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—

Der vrouwen gunst te winnen.

Nu scheelt haar dit, dan weder dat;

Zij weten zelf niet hoe of wat.

Geeft gij wat toe aan ieders luim,

Dan hebt gij ze onder uwen duim.

Eerst moet gij u haar kenbaar maken,

Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;

Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,

Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.

Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;

Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,

Te weten bij ervarenis,

Of zij wel goed geregen is.

LEERLING.

Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.

MEPHISTOPHELES.

Dor, vriend, is alle theorie,

En groen de vruchtbre levensboom.

LEERLING.

Het is mij alles als een droom.

Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—

Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?

MEPHISTOPHELES.

Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.

LEERLING.

Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.

Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,

Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.

MEPHISTOPHELES schrijft iets in het album, en geeft het terug.

LEERLING leest.

Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.

MEPHISTOPHELES.

Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,

Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.

FAUST treedt in eene modekleeding binnen.

Waar gaan wij nu naar toe?

MEPHISTOPHELES.

Waar gaan wij nu naar toe? Waarheen gij zelf maar wilt.

Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.

Veel zult ge bij dit alles leeren,

En tevens regt u diverteeren.

FAUST.

Maar bij al ’t geen ’k als doctor weet

Ontbreekt mij wat men “wereld” heet.

’t Loopt met de proeve vast abuis;

’k Was nimmer in de wereld thuis.

Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;

’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.

MEPHISTOPHELES.

Mijn vriend, waartoe die valsche waan?

Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.

FAUST.

Maar wat brengt ons naar noord of zuid?

Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?

MEPHISTOPHELES.

Wij spreiden slechts den mantel uit;

Die zal ons door het luchtruim dragen.

Doch neem bij deze stoute schrede

Vooral niet veel bagage mede:

Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,

Helpt ons van de aarde, ons allebei;

En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.

Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan!

Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.

EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.

KIKKERT.

Wil niemand drinken, niemand zingen?

Dan zal ik u daar wel toe dwingen!

Nu zit gij als versuft en lam,

En anders zijt ge vuur en vlam.

BRANDER.

Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,

Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.

KIKKERT werpt hem een glas wijn in het gezigt.

Daar hebt gij beide!

BRANDER.

Daar hebt gij beide! Vuile hond!

KIKKERT.

Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!

SIEBEL.

De deur uit wie niet zingt en drinkt

En dadelijk met de andren klinkt!

Hoezee! dat gaat u voor!

ALTMEIJER.

Hoezee! dat gaat u voor! O wee, ik ben verloren!

Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!

SIEBEL.

Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,

Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.

KIKKERT.

Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!

Vifalderaldera!

ALTMEIJER.

Vifalderaldera!

KIKKERT.

Vifalderaldera! De kelen zijn gestemd.

Zingt.

Het lieve, heilge Roomsche rijk,

Hoe blijft het nog zoo hangen!

BRANDER.

Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,

Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.

’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,

Noch kanselier noch keizer ben.

Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:

Wij kiezen dus een paus of deken.

Gij weet toch welk een rang hij heeft,

Die in een zaak den uitslag geeft.

KIKKERT zingt.

Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,

En groet mijn liefje duizendmaal!

SIEBEL.

Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.

KIKKERT.

Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.

Zingt.

Open, liefje! ’t Is nu nacht.

Open, liefje! Uw minnaar wacht.

Sluit nu, liefje, stil en zacht!

SIEBEL.

Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:

Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.

Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.

Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:

Dien moge zij haar gunsten schenken;

Misschien is hij daarmeê vereerd.

Een oude bok, die van den Bloksberg keert,

Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.

Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,

Is voor die deerne veel te goed.

’k Wil van geen andre groeten weten,

Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.

BRANDER, op de tafel slaande.

Pas op! Hoor wat ik u gebied!

Bekend is, dat ik weet te leven,

’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,

En dezen moet ik nu een lied

Tot een besluit ten beste geven.

Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,

En zingt den laatsten regel meê.

Zingt.

Daar was een rat in ’t keldernest;

Zij hield veel van gepeuzel,

En had zich dik en vet gemest

Met boter, spek en reuzel.

Vergift bragt eindelijk haar de meid:

Toen kromp ze ineen van narigheid,

Als iemand, die verliefd is.

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

BRANDER.

Zij liep benaauwd deur in, deur uit,

En kroop in alle hoeken;

Zij slaakte een akelig geluid,

En wist niet, waar ’t te zoeken.

Zij sprong van angst nu hier, dan daar,

En maakte een vreemd en wild gebaar,

Als iemand, die verliefd is.

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

BRANDER.

Ja, eindlijk, midden op den dag,

Kwam ze in de keuken loopen,

Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!

Nu met den dood bekoopen.

Toen riep al lagchend nog de meid:

“Zie daar! Zij sterft van narigheid,

Als iemand, die verliefd is!”

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

SIEBEL.

Wat maakt dat volkje daar een leven!

Het is ook al een heele kunst,

Een arme rat vergift te geven!

BRANDER.

Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!

ALTMEIJER.

Die dikzak, met zijn kalen knikker,

Vindt in dit lied zich niet gestreeld:

In een gezwollen rat of kikker

Ziet hij zijn eigen evenbeeld.

FAUST en MEPHISTOPHELES komen binnen.

MEPHISTOPHELES.

Ik moet nu, vóór alle andre dingen,

U brengen in fideele kringen,

Opdat ge van uw somberheid geneest.

Dit volkje hier viert ieder dag een feest.

Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,

Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,

Als om zijn staart een jonge hond.

Zoo zij niet over hoofdpijn klagen

En hun de waard maar verder borgt,

Zijn ze opperblij en onbezorgd.

BRANDER.

Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!

Men ziet het aan hun bleeke kaken,

Zij zijn vast nog geen uur in stad.

KIKKERT.

Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,

Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.

SIEBEL.

Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?

KIKKERT.

Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—

Trek ik, gelijk een kindertandje,

De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.

Het zijn voorzeker groote liên;

Men kan het aan hun trotsche houding zien.

BRANDER.

Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!

ALTMEIJER.

Misschien.

KIKKERT.

Misschien. Laat mij dat eens beredden!

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,

Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.

FAUST.

Gegroet, mijnheeren!

SIEBEL.

Gegroet, mijnheeren! Dank tot wedergroet!

Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.

Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?

MEPHISTOPHELES.

Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?

Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,

Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.

ALTMEIJER.

Gij schijnt mij een verwend sinjeur.

KIKKERT.

Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.

Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?

MEPHISTOPHELES.

Wij hebben hem op onze reis gezien,

En mogten toen nog even met hem praten.

Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;

Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.

Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.

ALTMEIJER zacht.

Die vent is bij de hand!

SIEBEL.

Die vent is bij de hand! ’t Ontbreekt hem niet aan praats.

KIKKERT.

Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.

MEPHISTOPHELES.

Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,

Gezang van wakkre mannenkoren:

Voorzeker moet een lustig lied

In dit gewelf zich goed doen hooren.

KIKKERT.

Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?

MEPHISTOPHELES.

Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.

ALTMEIJER.

Zing eens een lied!

MEPHISTOPHELES.

Zing eens een lied! ’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.

SIEBEL.

Maar splinternieuw en flink en vlug!

MEPHISTOPHELES.

Wij komen pas uit Spanje hier terug,

Het schoone land van druiven en gezangen.

Zingt.

Daar was ereis een koning,

Die had een groote vlooi.

KIKKERT.

Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?

Zoo’n onderwerp is me al te kras!

MEPHISTOPHELES zingt.

Daar was ereis een koning,

Die had een groote vlooi;

Hij mogt haar gaarne lijden

En vond haar o zoo mooi!

Toen riep hij eens zijn snijder;

Die kwam in een fourgon.

“Meet gaauw dien jonker kleêren,

“En ook een pantalon!”

BRANDER.

Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,

Dat hij goed meet en knipt en rijgt,

Opdat, zal alles wel gelukken,

De pantalon geen plooijen krijgt.

MEPHISTOPHELES.

En in fluweel en zijde

Was nu de vlooi gedost;

Ook had ze een ridderkruisje,

Maar nog geen hoogen post.

Toen werd ze op eens minister,

En droeg een groote ster;

Nu bragten ook haar broêrtjes

Het aan het hof zeer ver.

En al wat aan het hof was

Werd even zeer geplaagd,

De prinsen en prinsesjes

Gestoken en geknaagd.

Toch durfden zij niet kikken,

Maar lieten ze begaan.

Als ons een vlooi komt steken,

Dan is ’t met haar gedaan!

KOOR, juichend.

Als ons een vlooi komt steken,

Dan is ’t met haar gedaan!

KIKKERT.

O bravo! bravo! dat was mooi!

SIEBEL.

Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!

BRANDER.

Spits de vingers en pak ze beet!

ALTMEIJER.

Maar dat men nu niet den wijn vergeet!

MEPHISTOPHELES.

Graag dronk ik van uw wijn een glas,

Indien hij maar wat beter was.

SIEBEL.

Breng dat niet weder hier te pas!

MEPHISTOPHELES.

Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;

’k Liet anders deze waarde heeren

Uit onzen kelder eens probeeren.

SIEBEL.

Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!

KIKKERT.

Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,

Maar niet te weinig, moet ge weten;

Want zal ik in de regten promoveeren,

Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.

ALTMEIJER zacht.

Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.

MEPHISTOPHELES.

Geef eens een boor.

BRANDER.

Geef eens een boor. Maar wat daarmeê gedaan?

Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?

ALTMEIJER.

Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.

MEPHISTOPHELES neemt er een boor uit. Tot Kikkert.

Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?

KIKKERT.

Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?

MEPHISTOPHELES.

Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.

ALTMEIJER tot Kikkert en Siebel.

Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!

KIKKERT.

Goed! Als ik kiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;

Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.

MEPHISTOPHELES, terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.

Wat was, om proppen van te maken!

ALTMEIJER tot Kikkert.

Maar dat zijn immers goochlaarszaken!

MEPHISTOPHELES tot Brander.

En gij?

BRANDER.

En gij? Ik wil Champagnewijn,

En regt mousseerend moet hij zijn.

MEPHISTOPHELES boort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.

BRANDER.

Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:

Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.

Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;

Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.

SIEBEL, terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.

Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:

Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!

MEPHISTOPHELES, al voortborende.

Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!

ALTMEIJER.

Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!

Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.

MEPHISTOPHELES.

Kom, kom! Met zulke schrandre koppen

Spot zelfs niet de allergrootste guit.

Maar spoedig! Langer niet vertraagd!

Met welken wijn kan ik u dienen?

ALTMEIJER.

Met elken. Nu niet meer gevraagd!

MEPHISTOPHELES. nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.

Druiven draagt de wijnstok,

Horens de geitenbok.

De wijn is sappig; de ranken zijn hout;

Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.

Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:

Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.

Trekt uit de proppen nu en drinkt!

ALLEN, terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.

O, schoone bron, die hier ontspringt!

MEPHISTOPHELES.

Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt!

ALLEN drinken herhaalde malen, al zingende:

Wij voelen ons zoo blij te moê

Als vijftienhonderd zwijnen!

MEPHISTOPHELES.

Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.

FAUST.

’k Had nu wel lust om op te stappen.

MEPHISTOPHELES.

Neen, wacht nog wat en blijf nog even;

Dan zult ge een andre grap beleven.

SIEBEL drinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.

Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!

MEPHISTOPHELES, de vlam toesprekende.

Bedaar wat, goede medgezel!

Tot de drinkebroêrs.

Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!

SIEBEL.

Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!

Het schijnt als of gij ons niet kent!

Wij passen voor dat element.

KIKKERT.

Daarmeê komt ge ons niet weder aan.

ALTMEIJER.

Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.

SIEBEL.

Hoe nu? Gij durft u onderstaan

Om hier den toovenaar te spelen?

MEPHISTOPHELES.

Stil, oude wijnzak!

SIEBEL.

Stil, oude wijnzak! Maagre haan!

Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?

BRANDER.

Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.

ALTMEIJER haalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.

Ik brand! Ik sta in vlam!

SIEBEL.

Ik brand! Ik sta in vlam! ’t Is tooverij!

Stoot neêr! Die man is vogelvrij!

Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.

MEPHISTOPHELES, met een gebaar van ernst.

Een enkel tooverwoord

Verandre zin en oord:

Wees hier en waar ’t u meer bekoort!

Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.

ALTMEIJER.

Waar ben ik? Welk een heerlijk land!

KIKKERT.

Wijnbergen, zie ik wel?

SIEBEL.

Wijnbergen, zie ik wel? En druiven bij de hand!

BRANDER.

Hier, onder deze wijngaardbosschen,

Zie, welke ranken, welke trossen!

Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.

MEPHISTOPHELES, als boven.

O waan, laat los dien tooverband,

En zie, hoe Joost u kan verblinden!

SIEBEL.

Wat doet ge?

ALTMEIJER.

Wat doet ge? Wat?

KIKKERT.

Wat doet ge? Wat? Moet ik uw neus hier vinden?

BRANDER, tot Siebel.

En d’ uwen heb ik in mijn hand!

ALTMEIJER.

Het was een schok, die al mijn leên deed beven;

Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!

KIKKERT.

Maar zeg nu, wat er is geschied!

Weet gij het soms? Ik weet het niet.

SIEBEL.

Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,

Laat ik hem levend niet vertrekken.

ALTMEIJER.

Ik kon hem door de kelderdeur

En rijdende op een vat ontdekken.

Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.

Naar de tafel ziende.

Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.

SIEBEL.

Bedrog was alles, louter schijn.

KIKKERT.

’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.

BRANDER.

En ik zag druiven van den Rijn.

ALTMEIJER.

Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn!

Heksenkeuken.

Aan een lagen haard staat een groote ketel te vuur. In den damp, die er van omhoog rijst, vertoonen zich verschillende gestalten. Eene MEERKAT zit bij den ketel, schuimt hem, en zorgt dat hij niet overkookt. De MEERKATER met de jongen zit er naast, en warmt zich. Het zeldzaamste heksenhuisraad ziet men aan wanden en zoldering.

FAUST. MEPHISTOPHELES.

FAUST.

Al dat geheks begint mijn ziel te knellen:

Denkt gij nu, dat ik zal herstellen

In dezen kring van razernij?

Verlang ik raad van oude draken?

En kan die paddenkokerij

Me een dertig jaren jonger maken?

Wee mij, zoo gij niets beters kent!

Reeds acht ik alle hoop verloren.

Weet dan natuur en de eedle geest in ’t end

Niet hier of daar een balsem op te sporen?

MEPHISTOPHELES.

Mijn vriend, nu spreekt gij weder zoo ’t behoort.

Verjongt ge u graag, ge hebt het maar voor ’t zeggen;

Maar ’t boek, waarin het staat, is van eene andre soort,

En ’t hoofdstuk niet zoo maklijk uit te leggen.

FAUST.

Spreek op! Wat meent ge?

MEPHISTOPHELES.

Spreek op! Wat meent ge? Een middel zonder geld

En arts en tooverkunsten wilt ge weten?

Wel, vriend! begeef u dan naar ’t veld,

En ga daar ploegen, zwoegen, zweeten;

Beperk u, vóór elk ander ding,

In een zeer kleinen, engen kring;

Voed u, op ’s landbewoners wijzen,

Met schamele, ongekruide spijzen;

Leef met het vee als vee, en wees niet ongezind,

Den akker, vóór het oogsten, zelf te mesten:

Dat zijn, om te verjongen, vrind,

Van alle middelen de besten.

FAUST.

Dat ben ik niet gewoon; ’t zou mij geheel bevreemen

Een spade of schop ter hand te nemen;

Zoo’n boerenlevenswijs bevalt mij niet.

MEPHISTOPHELES.

Dan is ’t alleen de heks, die overschiet.

FAUST.

Waarom nu juist dat oude wijf?

Kunt gij dien drank dan zelf niet brouwen?

MEPHISTOPHELES.

Dat ware een aardig tijdverdrijf;

In dien tijd kon ’k wel duizend bruggen bouwen.

Niet kunst en wetenschap alleen maakt iemand sterk,

Maar ook geduld behoort bij ’t werk.

Een stille geest zit jaren lang te denken;

De tijd slechts kan zijn streven rijpheid schenken,

En hoe men alles wendt of keert,

Het zijn zeer wonderbare zaken:

En heeft de duivel ’t iemand ook geleerd,

De duivel kan het zelf niet maken.

De dieren ziende.

Zie welk een regt aanvallig paar!

De meid is hier, de knecht is daar!

Tot de dieren.

De vrouw is, naar het schijnt, niet thuis?

DE DIEREN.

Stil als een muis,

Zonder geluid,

Vloog zij den schoorsteen uit.

MEPHISTOPHELES.

Hoe lang pleegt zij wel weg te blijven?

DE DIEREN.

Zoo lang we ons hier den tijd verdrijven.

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Hoe vindt gij wel die lieve dieren?

FAUST.

Zoo flaauw en laf als ’k ooit iets zag.

MEPHISTOPHELES.

O neen! Een praatje van dit slag

Kan mij altijd het meest pleizieren.

Tot de dieren.

Maar zegt me eens, beestjes om te snoepen,

Wat kookt en roert gij in dien kliek?

DE DIEREN.

Wij koken magere armensoepen.

MEPHISTOPHELES.

Dan krijgt ge vast een groot publiek!

DE KATER komt naar Mephistopheles toe, en zegt vleijend:

O schrandere kop,

Kom, dobbel eens op,

En laat mij eens winnen!

Mijn beurs is zoo plat;

Maar had ik weêr wat,

’k Was vrolijk van zinnen.

MEPHISTOPHELES.

Wat zou het zulk een aap niet streelen,

Zoo hij in ’t lotto meê kon spelen!

Intusschen hebben de jonge meerkatjes met een grooten bal gespeeld, en rollen hem vooruit.

DE KATER.

Zoo is de hoop,

Zoo ’s werelds loop!

Zij rolt bestendig;

Zij klinkt als glas,

Zij breekt zoo ras,

Is hol inwendig.

Hier blinkt zij zeer,

En hier nog meer;

Ik ben behendig,

Maar ’t is uw graf;

Kom, blijf er af,

Of gij moet sterven;

Dit is de straf:

Zij spat in scherven.

MEPHISTOPHELES.

Wat moet die zeef, mijn lief?

DE KATER haalt haar naar beneden.

Waart gij een dief,

Gij kondt het niet verbloemen.

Hij loopt naar de Meerkat, en laat er haar doorheen kijken.

Ziehier, mijn lief!

Gij kent den dief,

En moogt hem toch niet noemen.

MEPHISTOPHELES, het vuur naderende.

En deze pot?

KATER en KAT.

De vent is zot!

Hij kent geen pot,

Hij kent geen ketel!

MEPHISTOPHELES.

Brutaal gespuis!

DE KATER.

Doe hier als thuis,

En zet u in den zetel.

Hij noodigt Mephistopheles plaats te nemen.

FAUST, die intusschen voor een spiegel heeft gestaan, dezen nu eens genaderd is, en dan er zich weder van verwijderd heeft.

Wat zie ik! Welk een engel uit den hoogen

Vertoont zich in deez’ spiegel voor mijne oogen!

O liefde, leen me uw snelste vleugelspan,

En voer mij waar ’k die schoonheid vinden kan!

Ach! zoo ik niet op deze plek blijf staan,

Maar ’t wage naderbij te gaan,

Kan ’k slechts als in een nevel haar aanschouwen,

Dat schoonste beeld van alle vrouwen!

Hoe? Is het geen bedrog misschien?

Moet ik, als zich mijn oog niet laat verblinden,

Dit als ’t sieraad van alle heemlen zien,

Of is het ook op aard te vinden?

MEPHISTOPHELES.

Natuurlijk, als een God zich eerst zes dagen plaagt,

En bravo roept, als hem zijn werk behaagt,

Dan moet het wel uitstekend blijken.

Haal nu uw hart maar op met kijken.

Ik ken wel zulk een lieve maagd;

Gelukkig hij, die er in slaagt,

Er als zijn bruid meê heen te strijken!

FAUST ziet bij voortduring in den spiegel. Mephistopheles, zich in zijn stoel uitstrekkende en met zijn staart spelende, gaat voort met spreken.

Hier zit ik als een koning op zijn troon;

Den scepter hou ik vast; me ontbreekt alleen de kroon.

DE DIEREN,

die tot hiertoe allerlei wonderlijke bewegingen door elkander gemaakt hebben, brengen Mephistopheles eene kroon, al schreeuwende:

O, wees toch zoo goed,

Met zweet en met bloed

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings