← Table of contents
Faust, Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

OVERLEVERING OMTRENT FAUST.

H. (Hendrik) Frijlink translation

Johann Faust, zoon van een boer uit Weimar, werd in het begin der zestiende eeuw geboren. Door een zijner ooms opgevoed, studeerde hij eerst in de theologie, en ontving, in weêrwil van een vrij losbandig leven, den doctortitel. Daarna liet hij deze studie varen, om zich op bovennatuurkundige wetenschappen en tooverkunst toe te leggen.

Deze bijzonderheden ontleenen wij aan een werk, over zijn leven en zijne merkwaardige avonturen, van Georg Rudolph Widmann, uitgegeven te Frankfort in 1587. Het schijnt echter, dat deze auteur niets anders heeft geschreven dan een roman of een dier fabelachtige legenden, die in dat tijdvak zoo in zwang waren. Hij stelt ons doctor Faust voor als den eersten der magici of sterrewigchelaars, die metalen kon zamenstellen, de elementen gebieden, naar zijne verkiezing al de gedeelten van dit ondermaansche doorklieven niet alleen, maar zich zelfs tot de verst verwijderde planeten verheffen. Op zijn gebod verrezen de dooden uit hunne graven; hij deed zich omringen door de schimmen van Alexander den Groote en meer andere helden der oudheid. Voor hem heeft het noodlot niets verborgens; en boeken, die hij met behulp van Beëlzebub tot in het oneindige zamenstelt en vermenigvuldigt, openbaren allerwege een groot aantal van onfeilbare voorspellingen.

Wij zullen over de geloofwaardigheid van het in een werk als dit aangevoerde geen woord verliezen. Bijna zouden wij in het gevoelen deelen van een Hoogduitsch schrijver, die deze geheele historie eenvoudig als eene lastering beschouwt, uitgevonden door de monniken dier ligtgeloovige eeuw, tegen Johann Fust of Faust, van Ments, een der verbeteraars—volgens sommigen uit dien tijd de mede-uitvinder—van de boekdrukkunst, en derhalve hun vijand. Intusschen moeten wij bekennen, dat deze opvatting slechts op zwakke gronden steunt. Sommige landgenooten van Faust, den toovenaar van Weimar, twijfelen niet aan zijn bestaan; en een bibliograaf heeft zelfs een catalogus van zijne werken over tooverkunst uitgegeven.

Goethe had echter niet noodig, dat een historisch feit van zoodanige belangrijkheid goed toegelicht en behoorlijk bewezen was, om het tot een onderwerp voor een dramatisch dichtstuk te maken, waarin hij de ijdelheid der menschelijke kennis wilde voorstellen, het gevaar om de studie van afgetrokken wetenschappen te ver te drijven, kortom, een man, die onder den invloed van den booze handelt. Er is iets grootsch zoo wel als iets vreemds in deze opvatting. Het werk van den Duitschen Shakspere bevat sublime stukken en tafereelen. Alleen heeft de dichter misschien wat te veel toegegeven aan de zucht om, bij het schilderen van helsche tooneelen, staatkundige en andere zinspelingen op het hof van Weimar in te lasschen, die de Duitschers uit den tegenwoordigen tijd niet meer begrijpen. Maar zijn ook de dingen van het oogenblik voorbijgegaan, wat het genie leverde, is onsterfelijk.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings