IN DEN HEMEL. (continued 2)
H. (Hendrik) Frijlink translation
Dees kroon eens te lijmen!
Zij gaan onhandig met de kroon om, zoodat zij in twee stukken breekt, waarmede zij rondspringen.
Nu is het geschied!
Wij zingen een lied;
Wij hooren en rijmen.
FAUST, voor den spiegel.
Wee mij! ’k Verlies haast mijn verstand!
MEPHISTOPHELES, op de dieren wijzende.
Ik ook, als ’k zie hoe zij daar hasplen met haar tweeën.
DE DIEREN.
En gaat het verband
Ons goed van de hand,
Dan krijgt men ideeën.
FAUST, als boven.
Mijn hoofd klopt zonder te bedaren;
Weg uit dit kattenmagazijn!
MEPHISTOPHELES, in opgemelde houding.
Nu, zeker moet men wel verklaren,
Dat het opregte dichters zijn!
De ketel, waarop de katten in den laatsten tijd niet gelet hebben, begint over te loopen; er ontstaat eene groote vlam, die den schoorsteen uitslaat. De Heks komt, door de vlam heen, met ontzettend geschreeuw naar beneden.
DE HEKS.
Au! au! au! au!
Dat lompe beest loopt van ’t gebrouw,—
Verzuimt het vuur, verzengt de vrouw!
’t Vervloekte dier!
Faust en Mephistopheles ziende.
Wat is dat hier?
Wie zijt gij hier?
Wat wilt gij hier
In deze muren?
Die sluipmanier
Zult gij bezuren!
Zij steekt de schuimspaan in den ketel, en besprengt Faust, Mephistopheles en de dieren met vuur. De dieren kermen van pijn.
MEPHISTOPHELES, terwijl hij zijn staart, dien hij in de hand houdt, omkeert, en er mede onder de glazen en potten slaat.
Op zij! op zij!
Daar ligt de brij!
Het glas ligt daar!
’t Was gekheid maar,
De maat voorwaar
Bij uwe melodij!
Terwijl de heks gramstorig en vol ontzetting terugtreedt.
Herkent ge, ribbekast, oud vel,
Uw meester niet? Zeg, totebel!
Wat let me, spooksel, of ik trap
U en uw kattenboel tot pap!
Zal ’t roode wambuis u niet zeggen wie ik ben?
Mijn haneveer mijn stand verbloemen?
Verberg ik mijn gelaat, dat men mij niet herkenn’?
Moet ik misschien mijn naam nog noemen?
DE HEKS.
O Heer, vergeef mijn lompen groet!
Maar waar is dan uw paardenvoet?
Waar hebt ge uw raven dan gelaten?
MEPHISTOPHELES.
’k Hoû thans hiermede mij tevreên;
Want zeker, ’t is al lang geleên,
Sinds we eens te zamen mogten praten.
Ook de beschaving, die thans iedre feil bedekt,
Heeft tot den droes zich uitgestrekt;
Het oude duivelbeeld is thans niet meer te aanschouwen
Waar ziet men horens, staart en klaauwen?
En wat den voet betreft, dien ik niet missen kan,
Die zou aan vele lieden stuiten:
Daarom bedien ik mij, als menig deftig man,
Sinds jaren reeds van valsche kuiten.
DE HEKS, dansende.
Zin en bewustheid begeven mij schier;
’k Zie nu het jonkertje Satan weêr hier!
MEPHISTOPHELES.
Noem mij zoo niet, wijf, en maak geen getier!
DE HEKS.
Waarom? Wat heeft de naam u dan gedaan?
MEPHISTOPHELES.
Hij is reeds lang naar ’t fabelboek verdreven.
Maar toch, de mensch is er niet beter aan:
Is hij den booze kwijt, de boozen zijn gebleven.
Noem mij maar “heer baron!” Zoo is mijn titel goed.
Ik ben een edelman, als andren die zoo heeten.
Gij twijfelt toch niet aan mijn edel bloed?
Zie, dit ’s mijn wapen, zoo als gij zult weten!
Hij maakt een onvoegelijk gebaar.
DE HEKS, in lagchen uitbarstende.
Ha! ha! dat is ulieder aard!
Gij zijt een schalk, als ge altijd waart.
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Dit ’s de manier, leer ’t wel verstaan,
Om met die heksen om te gaan.
DE HEKS.
Zegt, heeren, waarmeê ’k u nu dienen kan!
MEPHISTOPHELES.
Met een goed glas—gij zelf weet wel waarvan.
Alleen moet ik van d’ oudsten thans verwachten;
De jaren toch verdubbelen zijn krachten.
DE HEKS.
Zeer gaarne. Zie, hier is een flesch,
Waaruit ik zelf mijn dorst wel lesch,
En die ook niet in ’t minste stinkt.
Ik wil u gaarne een glaasje geven.
Zacht tot Mephistopheles.
Maar als nu deze man onvoorbereid het drinkt,
Dan kan hij, zoo gij weet, geen enkel uur meer leven.
MEPHISTOPHELES.
Het is een goede vriend, dien ik bij u onthaal;
Ik gun hem gaarne ’t beste van uw keuken.
Trek uwen kring, spreek uwe spreuken,
En schenk hem maar een vol bokaal.
De heks trekt met vreemde gebaren een kring, en plaatst er allerlei wonderlijke dingen in. Intusschen beginnen de glazen te klinken, de ketel te razen en alles muziek te maken. Eindelijk komt zij met een groot boek voor den dag, plaatst in den kring de meerkatten, die haar tot lessenaar dienen en een fakkel voor haar moeten vasthouden. Zij wenkt Faust om bij haar te komen.
FAUST tot Mephistopheles.
Nu zeg mij, wat moet dit beduiden,
Die zotteklap, die razende geluiden,
Dat goochelspel met pot en pan?
Ik ken dat, en ik walg er van.
MEPHISTOPHELES.
Och kom! Wat valt daaraan te laken?
Heb daarvoor nu niet zooveel schroom;
Zij moet, als arts, wat hokuspokus maken,
Opdat het vocht u wel bekoom’.
Hij wenkt Faust om in den kring te treden.
DE HEKS begint met groote emphase uit het boek te declameeren.
Wil goed verstaan!
Maak tien uit een,
Laat twee dan gaan,
En drie meteen.
Maak dit gelijk,
Dan zijt gij rijk.
Dat vier nu wijk’
Uit zes en vijf,
Zoo zegt het wijf;
Maak acht en zeven;
Dan wordt het even.
En tien is geen,
En negen een:
Dat is het heksen-eenmaal-een!
FAUST.
Mij dunkt, dat wijf spreekt als in waan!
MEPHISTOPHELES.
Dat is vooreerst nog niet gedaan:
Zoo luidt het heele boek; ik ken die zaak,
En heb veel tijd daarmeê verloren;
Want een volkomen tegenspraak
Klinkt wijz’ en dwazen als orakeltaal in de ooren.
De kunst is oud en nieuw, hoe men ’t bezie;
’t Was steeds gebruik bij Christen, Jood en Heiden,
Door drie en een, en een en drie,
Bedrog voor waarheid te verspreiden.
Zoo snapt en leert men ongestoord;
De gekken laat men rustig kallen;
Meestal gelooft de mensch, schoon hij slechts woorden hoort:
Er moet daarbij toch iets te denken vallen.
DE HEKS vervolgt.
De hooge kracht
Van wijsheids magt
Blijft menigeen verborgen;
Kwakzalverij
Ontvangt haar vrij;
Zij krijgt haar zonder zorgen.
FAUST.
Wat kraait ze ons toch voor onzin voor!
Mijn hoofd dreigt mij kapot te breken.
Mij dunkt, ik hoor een razend koor
Van honderdduizend gekken spreken.
MEPHISTOPHELES.
Genoeg, genoeg, voortreflijke Sibylle!
Geef thans uw drank eens hier, en vul nu, mij ten wille,
De schaal terstond tot aan den rand!
Want deze drank zal aan mijn vriend niet schaden;
Hij is een man van vele graden
En wees nooit beker van de hand.
De heks schenkt met vele ceremoniën den drank in eene schaal; zoodra Faust haar aan den mond brengt, slaat er eene ligte vlam uit.
Drink maar gerust; het kan geen kwaad;
’t Zal voor uw hart noch zuur noch wrang zijn:
De duivel is uw kameraad,
En zoudt gij voor de vlam dan bang zijn?
De heks ontbindt den kring. Faust treedt er uit.
MEPHISTOPHELES.
Kom! laat ons nu naar buiten spoên!
DE HEKS.
Moge u de nasmaak steeds behagen!
MEPHISTOPHELES tot de heks.
En kan ik soms voor u iets doen,
Gij hebt mij ’t op Walpurgis slechts te vragen.
DE HEKS.
Hier is een lied; als gij ’t somwijlen zingt,
Zal een bijzondre werking u beheeren.
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Kom nu maar meê, of ’t zou u deren;
Gij moet noodwendig transpireeren,
Opdat de kracht door heel uw wezen dringt.
In d’ eedlen lediggang leer ik daarna u voegen,
En dan gevoelt ge ras met innerlijk genoegen,
Hoe zich Cupido roert en heen en weder springt.
FAUST.
Laat me in den spiegel even nog aanschouwen
Het beeld, dat zich aan mijnen blik kwam biên.
MEPHISTOPHELES.
Neen, neen! Gij zult het pronkjuweel der vrouwen
Heel spoedig levend voor u zien.
Zacht.
Gij ziet, met dezen drank in ’t lijf,
Een Helena in ieder wijf.
Eene straat.
FAUST. MARGARETA, voorbijgaande.
FAUST.
Mijn schoone juffer … Wil niet vreezen!.…
Mag ik wel uw geleider wezen?
MARGARETA.
Ik ben geen juffer, ook niet schoon,
En vind alleen wel ’t huis waar ’k woon.
Zij maakt zich los en gaat heen.
FAUST.
Verduiveld, wie dat meisjen is!
Iets schooners heb ik nooit gezien.
Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,
En ook wat spijtig bovendien.
Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;
Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.
Dat zij zoo ras zich van mij wendt,
Staat diep mij in het hart geprent;
En, wat nog alles overtrof,
Zij was al bijster kort van stof.
MEPHISTOPHELES treedt op.
FAUST.
Gij moet dat meisje mij bezorgen!
MEPHISTOPHELES.
Wie meent ge?
FAUST.
Wie meent ge? Zij ging juist voorbij.
MEPHISTOPHELES.
Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;
Hij sprak het kind van alle zonden vrij;
Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.
Het is een zeer onschuldig ding,
Dat zonder reên ter biechte ging.
Geen magt bezit ik over haar.
FAUST.
Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,
Dien ieder bloempje zet in gloed,
En meent dat eer noch gunst bestaat,
Die zich door hem niet plukken laat.
Maar altijd gaat dat toch niet aan.
FAUST.
Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!
Houd voor uzelf uw zedepreêken,
En dit zeg ik u kort en goed:
Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,
Zal ’k morgen ons contract verbreken.
MEPHISTOPHELES.
Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?
’k Behoef meer dan een week alleen
Om een gelegenheid te zoeken.
FAUST.
Had ik slechts zeven uren vrij,
’k Behoefde niet uw kunstnarij,
Om zulk een meisje te verkloeken.
MEPHISTOPHELES.
Gij spreekt reeds als een Don Juan;
Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!
Wat helpt u dadelijk genieten?
Het zou u al te ras verdrieten.
Eerst dient met zorg en veel beleid
Zoo’n lekkerbeetje goed bereid,
Gekneed en smaaklijk toegerigt:
Dit leert ons menig Fransch gedicht.
FAUST.
Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;
Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!
MEPHISTOPHELES.
Thans zonder gekheid, kort en goed!
’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,
Geloof mij, zoo op eens niet gaan.
Met haast is hier niets uit te rigten;
Slechts list kan onze taak verligten.
FAUST.
Bezorg me iets van mijne engelin,
Of breng mij hare woning in;
Bezorg me iets van mijn waarde pand,
Al ware ’t maar een kouseband.
MEPHISTOPHELES.
Opdat gij zie, dat ik uw pijn
Zoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,
Zult gij, ’k beloof het u, nog heden
Met mij haar kamertje betreden.
FAUST.
En zal ’k haar zien? Omhelzen?
MEPHISTOPHELES.
En zal ’k haar zien? Omhelzen? Neen!
Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,
Om u in ’t geen er volgt te schikken,
In haren dampkring u verkwikken.
FAUST.
Gaan we er nu heen?
MEPHISTOPHELES.
Gaan we er nu heen? ’k Ben nog niet klaar.
FAUST.
Denk ook aan een geschenk voor haar!
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES.
Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.
Ik ken een schoone plek of wat
En menig daar begraven schat;
Ik moet een weinig overleggen.
Een zindelijk kamertje. Het is avond.
MARGARETA, terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.
Wie of die heer toch wezen mag,
Die mij van morgen tegenkwam?
Hij is zoo knap, als ’k immer zag,
En wis ook van een eedlen stam:
Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;
Geen ander zou zoo vrij ook wezen.
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES en FAUST komen binnen.
MEPHISTOPHELES.
Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!
FAUST, na eenig stilzwijgen.
Ik bid u, laat mij thans alleen!
MEPHISTOPHELES, rondziende.
Neen, netter woning is er geen.
Vertrekt.
FAUST.
Wees welkom, zoete schemering,
Gij, die dit heiligdom doorzweeft!
Doordring me, o minbetoovering,
Die van den dauw der hope leeft!
Hoe ademt alles stil gevoelen
Van orde, van tevredenheid
In deze hut, bevrijd van woelen,
In deze hut vol zaligheid!
Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.
O neem mij op, die van het aanbegin,
Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!
Hoe vaak heeft in deez’ troon van oudermin
Een schaar van kindren om u heen gehangen!
Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,
Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,
Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.
Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,
Den geest van orde mij omzweven,
Die moederlijk u daaglijks leert
Het tafeldoek te spreiden ongedeerd,
Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.
O meisje, d’ engelen gelijk,
De hut wordt door uw hand een hemelrijk!
En hier—
Hij schuift de bedgordijn open.
En hier— O welk gevoel grijpt me aan
En heeft mijn zinnen ingenomen!
Natuur, hier deedt ge in zoete droomen
Een engel op deze aarde ontstaan!
Hier lag het kind, den teedren boezem
Met levenswarmte mild bedeeld,
En hier, uit dezen reinen bloesem,
Onthulde zich het godenbeeld.
En gij! Wat heeft u hier gevoerd?
Hoe innig voel ik mij geroerd!
Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?
Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.
Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?
Ik had een drang om daadlijk te genieten,
En voel dien in een liefdedroom vervlieten!
Zijn wij een spel van elken druk der lucht?
En als zij hier nu binnentrad,
Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!
Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,
Laagt dan vernietigd aan haar voeten!
MEPHISTOPHELES.
Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.
FAUST.
Ik blijf; vertrek gij maar alleen.
MEPHISTOPHELES.
Hier is een kistje; ’t is wel kleen,
Maar de inhoud is zeer ongemeen;
Ik heb ’t van elders weggenomen.
Daar! Zet het nu in gindsche kast;
Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,
Als zij door d’ inhoud wordt verrast;
Een andren schat zult ge er meê winnen.
Och, kind is kind, en spel bedrog.
FAUST.
Ik weet niet; zou ’k.…
MEPHISTOPHELES.
Ik weet niet; zou ’k.… Wat vraagt gij toch!
Wilt gij misschien den schat bewaren?
Dan raad ik u, tot ons profijt,
Uzelv’ den kostelijken tijd
En mij de verdre moeite te besparen.
Ik hoop niet dat gij gierig zijt?
Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden.…
Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.
Kom nu gezwind,
Om ’t jonge kind
Naar uwen wensch en wil te kneden;
En gij beschouwt de gansche zaak
Als een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taak
In physiologie of metaphysica.
Ik ga nu; kom en volg mij na!
Zij vertrekken.
MARGARETA, met eene lamp.
Wat is het drukkend hier en zoel!
Zij opent het venster.
En buiten is het toch zoo koel!
Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.
Och, kwam mijn moeder maar weêrom!
Mij loopt een rilling door de leden;
Ik huiver, en toch zonder reden.
Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.
Daar was in Thule een koning,
Getrouw tot aan het graf,
Wien stervend zijn beminde
Een gouden beker gaf.
Het was zijn dierbaarst kleinood,
Waarin men wijn hem schonk;
Hem werden de oogen vochtig,
Zoo vaak hij daaruit dronk.
En eindlijk, bij zijn scheiden,
Doorliep hij zijn gebied:
Hij gunde veel zijn’ erven,
Maar toch den beker niet.
Hij zat aan ’t hoofd der ridders,
Bij feesten, ieder keer,
In ’t slot, dat met zijn tinnen
Zich ginds verheft bij ’t meer.
Daar stond nu de oude drinker;
Hij slurpte nieuwen gloed,
Nam toen op eens den beker
En wierp hem in den vloed.
Hij zag den beker vallen,
En hoe hij nederzonk;
Daarop sloot hij zijne oogen:
Het was zijn laatste dronk.
Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het juweelkoffertje.
Hoe komt dit koffertje hierin?
’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!
Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!
’t Is zeker hier als pand gebragt.
Mijn moeder leende er op misschien.
O zie! een sleutel is er bij!
Nu moet ik toch eens even zien,
Wat of wel de inhoud er van zij!
Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?
Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.
Een tooisel, waarmeê edelvrouwen
Ter kerke op hoogtij konden gaan.
Hoe zou mij wel dees keten staan?
Wien zou dit pronksieraad behooren?
Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.
En dan die ringen in mijne ooren!
Zoo ziet men toch er anders uit!
Wat helpt u schoonheid, jonge spruit!
Zij baart u zeker geen verdriet;
Maar dat is alles, meer ook niet.
Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.
Naar ’t goud toch dringt,
Naar ’t goud toch wringt
Zich alles. Ach, wij armen!
Wandelplaats.
FAUST gaat in gedachten op en neder. MEPHISTOPHELES is bij hem.
MEPHISTOPHELES.
Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!
Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!
FAUST.
Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?
Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!
MEPHISTOPHELES.
’k Zou mij terstond den duivel overgeven,
Zoo ik de duivel zelf niet was.
FAUST.
Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?
Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.
MEPHISTOPHELES.
Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,
Daar is een paap meê heen gaan strijken!
De moeder krijgt het ding te zien,
En daadlijk ruikt ze lont misschien.
Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,
Maar altijd in gebedenboeken,
En weet, geloof ik, op de gis,
Of iets profaan of heilig is,
En aan het tooisel zag zij ras,
Dat daarbij niet veel zegen was.
“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed
“Verblindt de ziel, bederft het bloed.
“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,
“Zal ons met hemelmanna laven.”
Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:
“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,
“En godloos waarlijk is hij niet,
“Die mij aldus een tooisel biedt.”
De moeder liet nu heerom komen;
Maar dees had naauw de zaak vernomen,
Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—
“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;
“Hij wint voorwaar, die overwint.
“De kerk kan alles goed verdragen;
“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,
“En al verslond ze ook heele landen,
“Gaaf bleven toch hare ingewanden;
“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,
“De kerk verteert oneerlijk goed.”
FAUST.
Dat kan de kerk juist niet alleen,
Maar koning, Jood en iedereen.
MEPHISTOPHELES.
Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,
Alsof het zoo van zelve sprak,
Bedaard het koffertje in zijn zak,
Beloofde haar het eeuwig licht,
En beide waren zeer gesticht.
FAUST.
En Grete?
MEPHISTOPHELES.
En Grete? Zij heeft rust noch duur,
Verdiept zich in dit avontuur,
Denkt aan het tooisel dag en nacht,
Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.
FAUST.
Haar kommer spijt mij inderdaad.
Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;
Het eerste was zoo mooi toch niet.
MEPHISTOPHELES.
’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.
FAUST.
En maak en rigt het naar mijn zin.
Vervoeg u bij haar buurvriendin.
Wees toch als duivel niet zoo flaauw,
Maar breng een nieuw versiersel gaauw!
MEPHISTOPHELES.
Ik zal voor ’t een en ander zorgen.
Faust vertrekt.
Waarachtig, zoo’n verliefde kwant
Steekt zon en maan en sterren morgen
Tot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand!
Het huis van de buurvriendin.
MARTHA alleen.
God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,
Maar dat is toch geen handlen, neen!
Hij loopt als door den wind gedreven,
En laat mij arme ziel alleen!
En ik speelde altoos ja en amen;
Wij hadden nooit een woord te zamen.
Zij weent.
Misschien is hij wel dood, mijn schat;
Als ik nu maar zijn doodceêl had!
MARGARETA, binnenkomende.
Vrouw Martha!
MARTHA.
Vrouw Martha! Wel mijn kind, wat is ’t?
MARGARETA.
Ik voel me aan al mijn leden beven.
Bedenk maar eens! Ik vind zoo even
Al wederom zoo’n kleine kist,
Met halssieraad en andre praal,
Veel mooijer nog dan de eerste maal.
MARTHA.
Zeg dat nu niet aan moeder weêr;
’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.
MARGARETA.
O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!
MARTHA.
Wat zijt gij een gelukkig kind!
MARGARETA.
Ik durf het evenwel niet wagen
Zoo iets in ’t openbaar te dragen.
MARTHA.
Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,
En tooi er u dan meê gerust.
Gij wandelt dan eens op en neder
En voor den spiegel heen en weder,
En gij en ik, wij beide dan,
Wij hebben regt pleizier er van.
Dan moeten we ook eens menschen vragen,
Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:
Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;
Maar moeder blijft er buiten, hoor?
MARGARETA.
Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,
Die koffertjes van daan gekomen?
Er wordt geklopt.
O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!
MARTHA.
Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer!
MEPHISTOPHELES, binnentredende.
Ik moet u wel verschooning vragen,
Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!
Wendt zich eerbiedig tot Margareta.
Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.
MARTHA.
Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?
MEPHISTOPHELES, zacht tot haar.
Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.
Die dame wacht voornaam bezoek van daag.
Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;
’k Zal tegen d’ avond wederkomen.
MARTHA.
Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—
Noemt u een dame; denk eens aan!
MARGARETA.
Ik ben een arme, jonge bloed;
Voorwaar, mijnheer is al te goed.
Dees tooi behoort mij niet—o neen!
MEPHISTOPHELES.
Het is het tooisel niet alleen:
Haar blik wekt eerbied en ontzag;
’t Verheugt mij dat ik blijven mag.
MARTHA.
Wat brengt u hier dan?
MEPHISTOPHELES.
Wat brengt u hier dan? ’k Gaf wel wat,
Zoo ik een blijder tijding had.
Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!
Uw man is dood en laat u groeten.
MARTHA.
Die trouwe ziel! Och, is hij dood?
’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!
MARGARETA.
O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!
MEPHISTOPHELES.
’k Verhaal u heel de zaak getrouw.
MARGARETA.
Ik wilde daarom nooit beminnen;
’t Verlies benam mij al mijn zinnen.
MEPHISTOPHELES.
Hij is nu in een veilge haven.
MARTHA.
Vertel mij van zijn sterven flus!
MEPHISTOPHELES.
Hij ligt te Padua begraven,
Niet ver van Sint Antonius.
Daar rust hij, die van smart bevrijd is,
Nu op een plek, die wel gewijd is.
MARTHA.
Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?
MEPHISTOPHELES.
Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:
Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;
En verder zijn mijn zakken leêg.
MARTHA.
Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,
Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,
Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,
Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?
MEPHISTOPHELES.
Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,
Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.
Hij treurde om zijn gebreken zeer,
Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.
MARGARETA.
Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!
Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.
MEPHISTOPHELES.
O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;
Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.
MARGARETA.
Och neen; ik ben te jong nog voor een man.
MEPHISTOPHELES.
Wel nu! vooreerst een minnaar dan.
Het is voorwaar een zielsverrukken,
Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.
MARGARETA.
Dat is hier geen gebruik, mijnheer!
MEPHISTOPHELES.
Gebruik of niet, men ziet het meer.
MARTHA tegen Mephistopheles.
Vertel nu voort!
MEPHISTOPHELES.
Vertel nu voort! Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;
’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;
Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—
En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.
“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?
“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!
“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.
“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”
MARTHA, weenende.
Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!
MEPHISTOPHELES.
“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”
MARTHA.
Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!
MEPHISTOPHELES.
’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;
Zoo scheen het mij ten minste toe.
“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,
“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,
“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.
“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”
MARTHA.
Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,
En mijn getob bij dag en nacht!
MEPHISTOPHELES.
O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;
Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,
“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:
“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,
“Dat ons fregat een schip der Turken ving,
“Dat met een schat den sultan wou verrassen.
“Wij namen ’t na een kort besluit,
“En ik, zoo als ook wel zou passen,
“Ontving mijn aandeel van den buit.”
MARTHA.
Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?
MEPHISTOPHELES.
Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!
Een schoone dame nam zich zijner aan,
Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;
Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,
Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.
MARTHA.
Die schelm! die dief van vrouw en kindren!
Zelfs onze ellende en onze nood
Kon zijn lichtmisserijen niet verhindren!
MEPHISTOPHELES.
Ja zie, daarom is hij nu dood.
Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:
Ik rouwde een jaar nu en zes weken,
Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,
Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.
MARTHA.
Ach! een, zoo als mijn eerste was,
Zal ik zoo ligt niet wedervinden!
Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.
Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;
Ook mogt hij vreemde vrouwen wel
En vreemden wijn, en dan dat dobbelspel!
MEPHISTOPHELES.
Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,
Als hij bij u ten naastenbij
Niet minder door de vingers had te zien,
Ik zweer u, dat ik dan misschien
Uw tweede man wel wezen wou.
MARTHA.
Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Nu hier van daan! want zulke wijven zouden
Den duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.
Tot Margareta.
Maar zeg! hebt gij alreê bemind?
MARGARETA.
Wat meent mijnheer daarmeê?
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Wat meent mijnheer daarmeê? Dat goed, onschuldig kind!
Overluid tegen de vrouwen.
Vaarwel!
MARGARETA.
Vaarwel! Vaarwel!
MARTHA.
Vaarwel! Vaarwel! O, zeg eens even nog gezwind:
’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,
Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.
Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.
’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.
MEPHISTOPHELES.
Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigt
Komt meest de waarheid aan het licht.
Ik heb een vriend; die zal ’t wel klaren
En u veel moeite en tijd besparen.
Ik breng hem hier.
MARTHA.
Ik breng hem hier. O, doe dat toch!
MEPHISTOPHELES.
En hier, die dame is ook er nog?
Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,
En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.
MARGARETA.
’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.
MEPHISTOPHELES.
Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.
MARTHA.
Daarginder ligt mijn tuintje, en over achten
Zal ik de heeren daar verwachten.
Eene straat.
FAUST. MEPHISTOPHELES.
FAUST.
Hoe is het? Lukt het haast? Spreek op!
MEPHISTOPHELES.
Ah, bravo! Stijgt uw drift ten top?
In kort zal Grete de uwe wezen.
Van avond ziet gij haar bij hare buurvriendin.
Die Martha is als uitgelezen
Voor koppelaarster of Heidin.
FAUST.
Heel goed.
MEPHISTOPHELES.
Heel goed. Maar ook van ons wordt iets verwacht.
FAUST.
Nu, de eene dienst is de andre waard.
MEPHISTOPHELES.
Wij levren een bewijsje, geldig en van kracht,
Dat Zwaardman’s leden rusten, kalm en zacht,
Te Padua in heilige aard.
FAUST.
Uitmuntend! Laten wij ons daadlijk derwaarts spoên!
MEPHISTOPHELES.
Sancta simplicitas! daarom is ’t niet te doen;
Getuig slechts, zij het mis of raak.
FAUST.
Als gij niets beters weet, dan komt niets van de zaak.
MEPHISTOPHELES.
O heilge man, ’t is om te beven!
Zou dit dan ’t eerst zijn in uw leven,
Dat gij een valsch getuignis hebt gegeven?
Hebt gij wat God is, wat de wereld en haar streven,
Waardoor de mensch tot goed of kwaad wordt aangedreven,
Dan niet met kracht en klem betoogd,
Om ’t even of gij waarheid spraakt of loogt?
En wilt gij ’t gul en gaaf belijden,
Zult gij er dan wel tegen strijden,
Dat ge er niet meer van dan van Zwaardman’s sterfuur wist?
FAUST.
Gij zijt en blijft een loognaar, een sophist.
MEPHISTOPHELES.
Ja, als men niet wat dieper door kon dringen;
Want zult gij niet vóór alle dingen
Op morgen, als ik ’t wel beschouw,
Uw Grete zweren liefde en trouw?
FAUST.
En wel van harte.
MEPHISTOPHELES.
En wel van harte. Goed gedaan!
Dan krijgt men eeuwge trouw en liefde
En mingloed, die u ’t hart doorgriefde:
Maar zal dat juist ook zoo van harte gaan?
FAUST.
Laat af! Als ik voor mijn gevoel
Voor dat wat in mijn binnenst’ woel’
Naar namen zoek, maar geen er vinde,
Dan door de wereld zwerf als een gejaagde hinde,
Mij met het zoeken naar doeltrefbre woorden kwel,
En dezen gloed, waarvan ik blake,
Oneindig noem en nooit verzake,
Is dat dan duivelsch logenspel?
MEPHISTOPHELES.
’k Heb toch gelijk.
FAUST.
’k Heb toch gelijk. Men heeft altijd gehoord:
Wie onder edelen of boeren
Gelijk wil hebben en zijn tong maar weet te roeren,
Behoudt het laatste woord.
Maar kom nu! ’k Ben het praten moê;
Gij hebt gelijk: het ligt er eenmaal toe.
Martha’s tuin.
MARGARETA, aan den arm van FAUST, MARTHA, aan dien van MEPHISTOPHELES, op en neder wandelende.
MARGARETA.
Ik voel, mijnheer, uw gunstbetoon,
En dankbaarheid moet mij betamen;
Een reiziger is dit gewoon
En wil geen meisje als ik beschamen.
Ik weet zeer goed, dat zulk een schrander man
Mijn beuzelpraat niet onderhouden kan.
FAUST.
Een blik, een woord van u is meer mij waard
Dan alle wijsheid op deze aard.
Hij kust hare hand.
MARGARETA.
Laat af, mijnheer, mijn hand te kussen!
Ze is voor uw lippen veel te min;
’k Heb altijd wat te doen, en ondertusschen
Is ’t moeder somtijds nog niet naar den zin.
Zij gaan voorbij.
MARTHA.
En gij, mijnheer, gij reist zoo altijd voort?
MEPHISTOPHELES.
Ach, dat beroep en pligt mij daartoe drijven!
Met hoeveel smart verlaat men menig oord,
Waar men zoo gaarne nog zou blijven!
MARTHA.
O, als men jong is, kan ’t nog gaan,
De wereld te bezien in alle hoeken;
Maar eindlijk komen toch de dagen aan,
Dat men alleen den weg naar ’t graf moet zoeken,
En dit is niemand aan te raân.
MEPHISTOPHELES.
’k Zie mij met smart die dagen wenken.
MARTHA.
Daarom, wil u in tijds bedenken!
Zij gaan voorbij.
MARGARETA.
Ja, uit het oog is uit het hart!
Gij kunt, terwijl ik hier moet blijven,
Met vrienden u den tijd verdrijven,
Verstandiger dan ik; dat voel ’k met smart.
FAUST.
Hoor, kindlief! wat verstand soms wordt geheeten,
Is dikwijls niets dan ijdelheid.
Het schoonste, wat Natuur verspreidt,
Is onschuld en eenvoudigheid,
Twee gaven, die haar waarde zelf niet weten.
MARGARETA.
O denk aan mij slechts nu en dan!
Ik denk aan u gewis zoo vaak ik kan.
FAUST.
Gij zijt waarschijnlijk veel allen?
MARGARETA.
Ja; ons gezin is wel slechts kleen,
Maar toch, ik heb mijn bezigheên.
Wij houden er geen meid op na;
’k Moet koken, loopen, vroeg en spa,
En moeder is in alle dingen
Precies, tot zelfs in beuzelingen.
Niet dat zij zich behelpen moet,
O neen, wij kunnen ’t vrij wel stellen.
Mijn vader liet, ik wil ’t u wel vertellen,
Een huisje en tuintje na, en ook wat geld en goed.
Toch heb ik nu vrij stille dagen.
Mijn broeder is soldaat; mijn zusje is dood.
Ik had met haar wel altijd zorg en nood,
Maar gaarne heb ik die gedragen,
Zoo lief was mij het kind.
FAUST.
Zoo lief was mij het kind. Een engel zoo als gij!
MARGARETA.
Ik voedde ’t op, en hartlijk minde ’t mij.
’t Was na mijns vaders dood geboren.
Mijn moeder achtten wij verloren,
Zoo lag zij toen op ’t ziekbed neêr.
Maar toch herstelde zij al langzaam meer en meer.
Haar krachten konden echter niet gedoogen
Het arme wurmpje zelf te zogen,
En toen heb ik het jonge bloed
Met melk en water opgevoed.
’t Was in mijn arm of op mijn schoot;
Het lachte, dartelde en werd groot.
FAUST.
Dat waren wis voor u gelukkige uren!
MARGARETA.
O ja, maar ook veel leeds moest ik verduren.
Het wiegje naast mijn bed behield ik steeds in ’t oog,
En als mijn zusje zich bewoog,
Was ik ook wakker. ’t Kind begon te fleemen;
’t Moest drinken, of ik moest het bij mij nemen;
En hielp dit niet, dan was ik niet zoo goed,
Of ’k moest het bed uit, al zijn dagen,
En ’t kind al wandlend door de kamer dragen;
Dan werd het eindlijk weder zoet.
’k Moest ook reeds vroeg mij met de wasch bemoeijen,
Dan weêr aan ’t melken van de koeijen,
Dan naar de markt—ik had maar zelden rust;
Maar dit geeft etenstrek en ’s avonds slapenslust.
Zij gaan voorbij.
MARTHA.
Wij, arme vrouwen, zijn er slecht aan toe;
Och, oude vrijers zijn zoo moeilijk te bekeeren!
MEPHISTOPHELES.
Dit hangt maar af van ’t wie en hoe.
O! menigeen zou gaarne willen leeren!
MARTHA.
Zeg op, mijnheer! Hebt gij nog niets gevonden?
Heeft zich uw hart nog niet verbonden?
MEPHISTOPHELES.
Het spreekwoord zegt: Een eigen haard
En brave vrouw zijn goud en paarlen waard.
MARTHA.
Ik meen: werdt gij nog nooit bekropen door verlangen?
MEPHISTOPHELES.
Men heeft mij overal zeer vriendelijk ontvangen.
MARTHA.
Ik wilde zeggen, of ’t nooit ernst werd in uw hart.
MEPHISTOPHELES.
Met vrouwen schertst men niet; zoo iets baart ligt haar smart.
MARTHA.
Och, gij begrijpt mij niet!
MEPHISTOPHELES.
Och, gij begrijpt mij niet! Voorwaar, dat spijt mij zeer;
Doch ik begrijp—dat gij zeer goed zijt, op mijne eer!
Zij gaan voorbij.
FAUST.
Gij kendet mij, o engel, daadlijk weder,
Toen ik dit tuintje binnen kwam?
MARGARETA.
Zaagt gij het niet? Ik sloeg mijne oogen neder.
FAUST.
En gij vergeeft de vrijheid, die ik nam,
Toen ge uit de kerk kwaamt, naar ik reken,
En ik op straat u aan dorst spreken?
MARGARETA.
Ik was ontsteld, toen gij me uw arm kwaamt biên;
Geen mensch kon immer me iets ten laste leggen.
“Ha!” dacht ik: “hij zal zeker zeggen,
“Dat hij iets onbehoorlijks heeft gezien,
“En schijnt wel niet veel morgenspraken
“Met zulk een meisje als gij te maken.”
Guluit gezegd, ik vroeg me een poos,
Wat me in mijn hart zoo daadlijk voor u won;
Maar zeker was ik op mij zelve boos,
Dat ik op u niet boozer worden kon.
FAUST.
Lief meisje!
MARGARETA.
Lief meisje! Wacht eens!
Zij plukt eene bloem, en trekt de blaadjes een voor een af.
FAUST.
Lief meisje! Wacht eens! Zeg, wat dat beduidt!
MARGARETA.
’t Is voor mijzelve iets.
FAUST.
’t Is voor mijzelve iets. Hoe?
MARGARETA.
’t Is voor mijzelve iets. Hoe? Loop heen! Gij lacht mij uit!
FAUST.
Wat prevelt gij?
MARGARETA, half hoorbaar.
Wat prevelt gij? Hij mint mij—mint mij niet!
FAUST.
O, wie u, meisje, zoo bespiedt.…
MARGARETA gaat voort.
Hij mint mij—niet—hij mint mij—niet.
Het laatste blaadje afplukkende, vol vreugde.
Hij mint mij!
FAUST.
Hij mint mij! Ja, mijn kind! O laat dees bloemenspraak
De godspraak zijn, die ons gelukkig maak’!
Weet gij wel wat het zegt, dat ik van liefde blaak?
Hij grijpt hare beide handen.
MARGARETA.
Het duizelt mij!
FAUST.
Vrees niets! Laat deze blik,
Laat deze handdruk u verklaren
Wat onuitspreeklijk is:
Geheel zich toe te wijden, en een heil
Te smaken, dat eeuwig zijn moet;
Ja, eeuwig; want het einde zou vertwijfling zijn.
O neen! Geen einde! Neen, geen einde!
MARGARETA drukt hem de handen, maakt zich los, en loopt heen. Hij staat een oogenblik in gedachten; dan volgt hij haar.
MARTHA, aankomende.
Het wordt al donker!
MEPHISTOPHELES.
Het wordt al donker! Ja, en tijd dat wij vertrekken.
MARTHA.
’k Zou gaarne uw bijzijn willen rekken,
Maar ’t is hier stil om dezen tijd,
En juist een plaats, waar zekre lieden
Een ander, uit nieuwsgierigheid of nijd,
Wel wilden nagaan en bespieden.
Maar waar zou nu ons paartje zijn gebleven?
MEPHISTOPHELES.
Ik zag ze in gindsche laan zoo even.
MARTHA.
Hij mag, naar ’t schijnt, haar zeer wel lijden.
MEPHISTOPHELES.
En zij hem ook. Dat gaat zoo te alle tijden.
Een tuinhuisje.
MARGARETA springt binnen, verbergt zich achter de deur, houdt haren vinger op de lippen, en kijkt door de reet.
MARGARETA.
Hij komt!
FAUST, binnenkomende.
Hij komt! Hoe is het? Fopt gij mij?
Dat ’s mis!
Hij kust haar.
MARGARETA, hem omhelzende en den kus teruggevende.
Dat ’s mis! O beste man! van harte min ik u!
Mephistopheles klopt aan.
FAUST, met den voet stampende.
Wie daar?
MEPHISTOPHELES.
Wie daar? Goed vriend.
FAUST.
Wie daar? Goed vriend. Een dier!
MEPHISTOPHELES.
Wie daar? Goed vriend. Een dier! ’t Is nu wel tijd van scheiden.
MARTHA, binnenkomende.
Ja, ’t is al laat, mijnheer!
FAUST tegen Margareta.
Ja, ’t is al laat, mijnheer! Mag ik u niet geleiden?
MARGARETA.
Neen, moeder zou … vaarwel!
FAUST.
Neen, moeder zou … vaarwel! Zeg! wanneer zie ’k u weêr?
Wel nu.…?
MARTHA.
Vaarwel!
MARGARETA.
Vaarwel! Tot wederziens, mijnheer!
Faust en Mephistopheles vertrekken.
MARGARETA.
Daar gaat hij! Ach, wat zulk een man
Niet alles, alles denken kan,
Daar ik vol schaamte voor hem sta
En zeg op alle dingen ja!
Ik ben toch een onnoozel kind,
En weet niet wat hij aan mij vindt!
Vertrekt.
Eene spelonk in een boschrijk gebergte.
FAUST alleen.
Verheven geest! gij gaaft mij, gaaft mij alles
Waarom ik bad! Gij hebt niet vruchteloos
Uw aangezigt in ’t vuur mij toegewend!
Gij gaaft natuur mij tot een koningrijk,
En kracht om haar te voelen, te genieten.
Geen koel bewonderend bezoek voldoet u;
O neen! ’t was mij vergund in uwe borst
Als in den boezem van een vriend te staren.
Gij liet de rijen van de levenden voorbij
Mijn blik gaan, en gij leerdet mij mijn broeders
In ’t stille woud, in lucht en water kennen.
En als in ’t bosch de stormwind giert en loeit,
De pijnboom in zijn val meêdoogenloos
Nabuurge takken, stammen medesleept,
En aller val luid door ’t gebergte dondert—
Dan voert gij me in een veilige spelonk,
Laat dan mijzelv’ mij zien, en veel geheime
En diepe wondren doen zich voor mij op.
En rijst voor mijnen blik de reine maan,
Tot kalmte stemmend opwaarts,—zweven mij
Van rotsgevaarten, uit het vochtig bosch,
De schimmen uit den voortijd voor mijn blik,
En temperen mijn lust tot verder dringen.
O, dat volmaaktheid nooit den mensch ten deel valt,
Gevoel ik nu. Gij gaaft bij deze vreugde,
Die mij de goden na en nader brengt,
Mij den gezel, dien ik reeds nu niet meer
Ontberen kan, ofschoon hij, koud en ruw
Mij voor mijzelv’ vernedert, en uw gaven
Slechts met een enkel woord in rook verandert.
Hij wakkert in mijn borst een wilde vlam
Naar ’t schoone, lieve beeld behendig aan.
Zoo hol ik van begeerte tot genot,
En in ’t genot versmacht ik naar begeerte!
MEPHISTOPHELES, aankomende.
Dat leven is u nu toch niet meer vreemd;
Maar hoe kan ’t langer u bekoren?
’t Is goed dat men er eens de proef van neemt;
Maar spoedig wil men van iets anders hooren.
FAUST.
’k Wou dat ge iets beters hadt te doen,
Dan mij altijd te komen plagen!
MEPHISTOPHELES.
Nu, nu! Gij hebt, naar ’k mag bevroên,
In ernst niet over mij te klagen!
Aan klanten, barsch en dol als gij,
Is waarlijk weinig te verbeuren:
Den ganschen dag is ’t suklarij;
En wat hem al of niet gevallig zij,
Kan men mijnheer niet aan den neus bespeuren.
FAUST.
Dat is nu juist de regte toon!
Hij wil een dankje nog, voor al zijn kwellen.
MEPHISTOPHELES.
Hoe hadt gij, arme wereldzoon,
Het zonder mij toch kunnen stellen?
Van al het gekke en onbekookte,
Dat in uw doctorhersens spookte,
Genas ik u, en gij, mijnheer,
Waart zonder mij op de aard niet meer.
Waartoe in holen en spelonken
Dan in gepeinzen weggezonken?
Wat hebt ge aan mos of ander vochtig kruid,
En slurpt daar als een pad uw voedsel uit?
’t Is wel een aardig tijdverdrijf!
U steekt de doctor nog in ’t lijf.
FAUST.
Beseft gij, welke nieuwe levenskracht
Ik hier vergaar in eenzaamheid en nacht?
Zoudt gij het slechts bevroeden kunnen,
Gij waart in staat om mijn geluk mij niet te gunnen.
MEPHISTOPHELES.
Het is wat moois, op bergen en in holen
Bij nacht en ontij’ rond te dolen,
En aarde en hemel aan zijn borst te vlijen,
En tot een godheid dan zich uit te laten dijen,
Het merg der aard al vorschend te doorwoelen,
’t Zesdaagsche werk in zijne borst te voelen,
In trotschen waan wat weet ik te genieten,
Dan liefdedronken alles te overvlieten,
Ontslagen van alle aardsche boeijen,
Van hoogre aanschouwing overvloeijen,
En dan—met Grete u te bemoeijen!
FAUST.
Foei! schaam u!
MEPHISTOPHELES.
Foei! schaam u! Ja, dat wil u niet bekoren!
Gij hebt wel regt een “foei!” te laten hooren!
’t Past voor geen kuische en zedige ooren,
Wat kuische harten niet ontberen kunnen.
Doch kort en goed, ik wil ’t vermaak u gunnen,
Zoo nu en dan uzelv’ wat wijs te maken.
Maar lang toch duren nooit die zaken;
Gij zijt weldra weêr de oude mensch;
Gij laat u spoedig weêr bepraten
En wordt alras weêr uitgelaten
In dolheid zonder perk of grens.
Genoeg! Uw liefje zit daar binnen;
Zij smacht naar u; geen oogenblik
Verdwijnt uw beeld haar uit de zinnen;
Zij mint u tot den laatsten snik.
Eerst kwam uw liefdedrift gevloten
Gelijk gesmolten sneeuw, die ’t beekje zwellen doet;
Gij hebt die haar in ’t hart gegoten:
Nu heeft de bergstroom uitgewoed.
Mij dunkt, in plaats van rond te zwerven
In bosch of grot, zou ’t beter zijn,
Dat zulk een heer het maagdelijn
’t Loon voor haar liefde deed verwerven.
De tijd valt haar verschriklijk lang,
Zij staat aan ’t venster, ziet als graauwe vlekken
De wolken over d’ ouden stadsmuur trekken.
“Was ik een vogeltje!” Dit ’s haar gezang
Des daags, ja halve nachten lang.
Ze is vrolijk soms, dan droevig weêr,
Terwijl ze in stilte treurt en kwijnt;
Dan is ’t weêr beter, naar het schijnt.
Naar u verlangt zij zeer.
FAUST.
O slang! o slang!
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Ik wed, vriend, dat ik u nu vang!
FAUST.
Vervloekte! ga terstond me uit de oogen!
Noem nooit weêr zulk een meisje, als dit,
En breng den lust tot haar bezit
Mij niet weêr voor den geest, gij vader van de logen!
MEPHISTOPHELES.
Wat wilt ge dan? Zij denkt dat gij haar nu ontvliedt,
En ’t heeft er wel iets van; of is ’t misschien zoo niet?
FAUST.
Waar ’k me ook bevind’, zij wordt door mij bewaakt;
Ik kan haar nooit vergeten, nooit ontberen;
Ja, ik benijd het ligchaam onzes Heeren,
Als ’t door haar lip wordt aangeraakt!
MEPHISTOPHELES.
Zeer wel, mijn vriend! Ik heb u vaak benijd,
Omdat ge een mensch als andre menschen zijt.
FAUST.
Ga mij uit de oogen, koppelaar!
MEPHISTOPHELES.
Ga mij uit de oogen, koppelaar! Wat maakt ge een leven!
De god, die knaap en meisje schiep,
Wist dat hij ook de drift in ’t aanzijn riep,
Hun zelf gelegenheid te geven,
’t Is eenmaal zoo; ga nu maar heen:
Zijt ge eenmaal met uw liefje alleen,
Dan loopt ge toch geen doodsgevaar.
FAUST.
O, welk een hemel is het in hare armen!
Mogt ik me aan hare borst verwarmen!
Wat is het leven zonder haar!
Ben ik de vlugtling niet? niet de onbesuisde?
Niet de onmensch, nimmer hollens moê,
Die als een waterval van rots tot rotsen bruisde,
Begeerig woedend naar den afgrond toe?
En zijwaarts zij met kinderlijke zinnen
In ’t hutjen op een heuvelkling,
En al haar zorgen, haar beminnen
Besloten in haar kleinen kring!
En mij, den godverzaker! Was het niet genoeg,
Dat ik een rotsstuk greep, en ’t heil aan splintren sloeg?
Hoe kon een God dit ooit gehengen!
U, hel, moest ik dit offer brengen!
Help, duivel, mij den tijd verkorten!
Wat wezen moet, zij ras gedaan!
Moge ook haar lot op mij in puin ter nederstorten,
En zij met mij te gronde gaan!
MEPHISTOPHELES.
Wat kookt het en wat gloeit het weêr!
Loop heen en troost u, goede heer!
Waar zulk een hoofd geen uitkomst ziet,
Daar is ’t gedaan, en anders niet.
Hij leve, die zich ferm houdt als een man!
Gij hebt den duivel toch nu taamlijk ingezogen.
’t Armzaligst, wat men vinden kan,
Dat is een duivel, die tot wanhoop wordt bewogen.
Margareta’s kamer.
MARGARETA aan het spinnewiel alleen.
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Ach! ruste vind ik
Bij hem alleen;
Al de andre wereld
Biedt mij er geen.
Mijn hoofd verwart zich
Door ’t geen ik lij,
En al mijn zinnen
Begeven mij.
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Naar hem slechts staar ik
Het venster uit;
’k Zoek hem, wanneer ik
Mijn kamer sluit.
Zijn gang en houding,
’t Is alles pracht,
Zijn blik, waarmeê hij
Mij tegenlacht.
En o, zijn woorden
Zijn mij een lust!
Hoe drukt zijn hand mij,
Als hij mij kust!
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Hoe hijgt mijn boezem
Alleen naar hem!
Mogt ik hem grijpen
Met tooverklem!
Mogt ik hem kussen
Naar hartelust!
O, stierf ik dan ook,
Ik stierf gerust!
Martha’s tuin.
MARGARETA. FAUST.
MARGARETA.
Beloof mij, Hendrik …
FAUST.
Beloof mij, Hendrik … Wat ik kan.
MARGARETA.
Zeg! Hoe is ’t met uw godsdienst toch gesteld?
Gij zijt een hartlijk goede man,
Maar ’t schijnt toch, of gij ’t kerkgaan niet veel telt.
FAUST.
Hoor, kind! gij weet, ik meen het met u goed.
’k Heb alles veil voor wie ik liefheb, lijf en bloed,
En niemand wil ’k zijn kerkgeloof ontrooven.
MARGARETA.
Dat ’s niet genoeg; men moet ook zelf gelooven.
FAUST.
Moet men?
MARGARETA.
Moet men? Ach, kon ik ’t u in ’t hart maar prenten!
Gij toch vereert niet eens de heilge sacramenten.
FAUST.
’k Vereer ze.
MARGARETA.
’k Vereer ze. Ja, maar geen verlangen drijft u aan.
Ter mis, ter biecht zijt ge in geen langen tijd gegaan.
O spreek! Gelooft ge aan God?
FAUST.
Mijn lief! Wie kan beweren
Dat hij aan God gelooft! Vraagt geestelijke heeren,
En ach! hun antwoord schijnt slechts spot
Op onze vraag te zijn.
MARGARETA.
Op onze vraag te zijn. O! dus gelooft gij niet?
FAUST.
Versta mij wel, beminde Margariet!
Wie mag hem noemen?
Wie op ’t geloof aan hem zich ooit beroemen?
Wie mensch nog heeten
En zich vermeten
Te zeggen: Ik geloof hem niet?
Hij, de Alomvatter,
Hij, de Albehouder,
Omvat hij en behoudt hij niet
U, mij, zichzelv’?
Welft zich de hemel niet daarboven?
Ligt de aarde niet beneden vast?
En rijzen, vriendlijk blikkend,
Niet eeuwge sterren daar omhoog?
Staar ik niet oog in oog u,
En dringt niet alles
Naar ’t hoofd u en naar ’t harte,
En weeft in eeuwige geheimnis
Onzigtbaar zigtbaar nevens u?
Vervul daarvan uw hart, hoe groot het zij,
En als ge wegsmelt in ’t gevoel van zaligheid,
Noem ’t vrij dan zoo ge wilt:
Noem het geluk, of hart, of liefde, of God!
Ik heb geen naam er voor; gevoel is alles;
De naam is klank en rook, omwolkte hemelgloed.
MARGARETA.
Dit alles is zeer fraai en goed;
Ook drukt de priester ’t mij zoo op ’t gemoed,
Schoon juist niet met de zelfde woorden.
FAUST.
Zoo hier als ook in andere oorden
Belijden het de harten al te maal,
Doch ieder in zijn eigen taal:
Waarom dus ik niet in de mijne?
MARGARETA.
’t Is mooglijk dat het nog iets schijne,
Als men ’t zoo hoort; maar—wees niet boos er om!—
Gij toch, gij hebt geen Christendom.
FAUST.
Maar, kind.…
MARGARETA.
Maar, kind.… Het baart mijn ziel verdriet,
Dat ze u in zulk gezelschap ziet.
FAUST.
Hoe dat?
MARGARETA.
Hoe dat? De man, die altijd bij u is,
Wekt mij slechts haat en ergernis;
Niets heeft nog in geheel mijn leven
Mij zulk een steek in ’t hart gegeven
Als zijn bespiênde en valsche blik.
FAUST.
Mijn lieve kind, verban uw schrik!
MARGARETA.
Zijn bijzijn baart mij veel verdriets.
’k Heb anders tegen niemand iets;
Maar even als ’k naar u verlang,
Zoo word ik altijd voor hem bang.
Dat hij een schelm is, schijnt mij zeker toe,
En God vergeve mij, zoo ik hem onregt doe!
FAUST.
Zulk volkje moet er ook al wezen!
MARGARETA.
Het brengt mij toch in angst en vreezen.
Wanneer hij inkomt ieder keer,
Ziet hij altijd met spot ter neêr
Op alles wat zijn blik ontmoet;
Men ziet dat niets hem aandeel nemen doet.
Het staat op ’t voorhoofd hem geschreven,
Dat liefde hem niet is gegeven.
’t Is mij zoo wél aan uwen arm;
Het hart wordt mij van vreugde warm;
Maar angst baart mij zijn blik, zoo valsch en koel.
FAUST.
O engel, met uw fijn gevoel!
MARGARETA.
Dit denkbeeld tast me altijd zoo aan,
Dat ik, wanneer hij komt, soms waan
U niet te minnen, beste man,
Ja, dat ik zelfs niet bidden kan.
Dit brengt mijn binnenste aan het woelen:
Gij, Hendrik, moet dit ook gevoelen!
FAUST.
Ik weet dat gij niet graag hem ziet!
MARGARETA.
Ik moet nu weg.
FAUST.
Ik moet nu weg. Kan ik dan niet
Een uurtje lang met u alleen zijn,
Opdat we eens zamen mogten één zijn?
MARGARETA.
Ach! zoo ik nu alleen maar sliep,
Dan liet ik u van nacht wel binnen;
Maar als eens moeder ’t hoorde en riep,
O wat, wat zou ik dan beginnen!
Ik was van schrik wis daadlijk dood.
FAUST.
Neen, engel! neen, dat heeft geen nood!
Hier is een fleschje. Een dropje of drie
In haren drank gedaan, en zie!
Zij slaapt gerust en houdt zich stil.
MARGARETA.
Wat doe ik niet om uwentwil!
Het zal haar, hoop ik, toch niet schaden?
FAUST.
Zou ik dan, liefje, u zoo iets raden?
MARGARETA.
Zie ik u, beste man, slechts aan,
’k Weet niet wat mij zoo tot u drijft;
’k Heb reeds zoo veel voor u gedaan,
Dat mij haast niets meer overblijft.
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES, binnenkomende.
Is ’t madeliefje weg?
FAUST.
Is ’t madeliefje weg? Dus weêr gespioneerd?
MEPHISTOPHELES.
Ik heb maar al te wel vernomen,
Dat u de les daar werd geleerd:
Ik hoop, het moge u wel bekomen!
Het schijnt, dat het de meisjes intresseert,
Of iemand van het oud geloof is,
Daar hij dan zeker ook voor haar niet doof is.
FAUST.
Gij, wangedrocht! gij ziet niet in,
Hoe deze ziel, zoo trouw en goed,
Vol van geloof en heilgen zin,
Die haar bezielen, nu bevroedt,
Dat zij mij reeds verloren achten moet!
MEPHISTOPHELES.
Gij bovenzinlijk, zinlijk kreatuur,
Een meisje heeft u bij den sik!
FAUST.
Gij misgeboort’ van drek en vuur!
MEPHISTOPHELES.
De physiognomie verstaat zij op een prik:
Als ik er ben, wordt ze altoos bang te moê,
Zij weet, bekent ze, zelf niet hoe.
’t Schijnt, dat zij een genie in mij bevroedt,
Of zelfs wel denkt, dat ik de duivel wezen moet.
Nu, heden nacht.…?
FAUST.
Nu, heden nacht.…? Dat raakt u niets!
MEPHISTOPHELES.
’k Heb mijn pleizier toch in zoo iets.
Bij den put.
GRETE en LIJSJE, met kruiken.
LIJSJE.
Zeg! Hebt ge dat van Bertha al gehoord?
GRETE.
Ik spreek geen menschen haast; ik hoor geen woord.
LIJSJE.
Sybille deelde mij haar staat meê:
Daar is het nu ook al zoo laat meê!
Ja, ’t ligt er toe!
GRETE.
Ja, ’t ligt er toe! Wat dan?
LIJSJE.
Ja, ’t ligt er toe! Wat dan? O weet,
Zij voedt nu twee, wanneer zij drinkt en eet.
GRETE zucht.
LIJSJE.
Ja, daarop is het eindlijk neêrgekomen.
Hoe lang heeft haar die vent niet ingenomen!
’t Was uitgaan zondags keurigjes en net;
Het kon niet op van al de pret.
Zij waren de eerste van de paartjes,
En dat was altijd wijn en taartjes!
Haar air—o, ’t was niet uit te staan!
Zich niet te schamen—denk eens aan,
Presentjes van hem aan te nemen—
En nu is ’t pruilen, zuchten, teemen!
GRETE.
Dat arme ding!
LIJSJE.
Dat arme ding! Beklaagt ge nog die prij?
Wanneer wij sponnen, ik of gij,
En moeder niemand in woû laten,
Stond zij met haar galant te praten,
En bij de deur of in den gang
Viel beide nooit de tijd te lang.
Nu mag zij vrij, dat komt er van.
Ten kinderdoop gaan zonder man.
GRETE.
’k Denk toch, dat hij haar trouwen zal?
LIJSJE.
Ja, dan was hij wel stapelmal!
Hij is een flinke hekkenspringer,
En krijgt er tien aan ieder vinger.
Ook is hij weg.
GRETE.
Ook is hij weg. Dat is niet mooi.
LIJSJE.
Krijgt zij hem—o, dan heeft men het gegooi!
’k Verzeker u, de jonge snaken
Die zullen ’t kerkgaan zuur haar maken.
Vertrekt.
GRETE, naar huis gaande.
Hoe heb ook ik niet vaak gesmaald,
Als soms een meisje eens had gefaald!
Hoe heb ik bij eens anders zonden
Geen woorden soms genoeg gevonden!
Wat scheen me een misstap zwart en groot,
En toch stond ik er ook voor bloot!
Maar—drukt het nu me ook op ’t gemoed—
Hij was zoo lief! Hij was zoo goed!
Stads-wal.
In eene nis een beeld van de Mater dolorosa, met bloempotten er voor.
GRETE, terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.
Beproefde vrouwe!
Zie in uw rouwe
Genadig neder op mijn nood!
Het zwaard in ’t harte,
Vervuld van smarte,
Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.
Ten Vader wendt gij
En zuchten zendt gij
Omhoog om zijn’ en uwen nood.
O, wie kan voelen
Hoe ’t aklig woelen
Der smart mij dringt door merg en been!
De angst, die mij komt bevangen,
Zijn siddren, zijn verlangen
Kent gij, o vrouwe, gij alleen!
Waarheen ik mij ook wende,
Ellend, ellend, ellende
Aanschouwt alom mijn blik;
En is de dag verdwenen,
Dan moet ik weenen, weenen,
Tot dat ik bijna stik.
’k Bedauwde door mijn tranen,
Tot in de ziel bedrukt,
De vensterruiten, toen ik
Dees bloemen heb geplukt.
Toen reeds de zon vroegtijdig
In mijne kamer scheen,
Zat ik in mijne sponde
Met mijne ellende alleen.
O, red mij toch van schande en dood!
Beproefde Vrouwe,
Zie in uw rouwe
Genadig neder op mijn nood!
Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.
VALENTIJN, soldaat, Margareta’s broeder.
Als ik voorheen zat bij ’t gelag,
Waar menigeen te roemen plag,
Hoe hij met een loszinnig hoofd
Een meisje had haar bloem ontroofd,
En dan, als hij dit had betuigd,
Met vol bokaal werd toegejuicht,
Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,
En liet de snorkers maar begaan.
Maar eindlijk streek ik mij den baard;
Ik vulde ’t glas tot aan den rand,
En sprak: “Er is in ’t gansche land
“Geen, die mijn zuster evenaart,
“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—
“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.
“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.
“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”
Dan zaten al de pogchers stom.
En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,
Of aan den wand zich dood te drukken,
Met steken, zetten, neusophalen
Moet ieder schobbejak mij smalen!
’k Zit als een schuldnaar in de boeijen
En moet bij ieder woordje zweeten,
En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,
Ik kan hen toch geen loognaars heeten!
Wat komt daar aan met zachten treê?
Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.
Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;
Hij komt niet levend uit mijn handen!
FAUST en MEPHISTOPHELES.
FAUST.
Gelijk door ’t venster van de sacristy
Daarginds het eeuwge lampje flonkert,
Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkert
Tot duisternis en woestenij—
Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!
MEPHISTOPHELES.
Mij is ’t zoo als een katje smacht,
Dat zachtjes over daken kruipt,
En dan weêr langs de muren sluipt:
Ik blijf ook braaf en deugdzaam bij
Een beetje stelenslust, een beetje schelmerij.
Zoo spookt mij reeds door al de leden
De heerlijke Walpurgisnacht,
Die ons komt na en nader treden,
En overmorgen wordt verwacht.
FAUST.
Komt dan de schat intusschen voor den dag,
Dien ik daarginder blinken zag?
MEPHISTOPHELES.
Gij kunt weldra de vreugd beleven,
Dat u het potje wordt gegeven.
Ik keek er zoo eens even in:
’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?
FAUST.
Geen halssieraad, geen speld of ring,
Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?
MEPHISTOPHELES.
Ik zag daarbij wel zoo een ding,
Dat me aan een parelsnoer deed denken.
FAUST.
Dat is heel goed zoo; zonder iets
Kom ik niet graag; want niets is niets.
MEPHISTOPHELES.
Maar ’t moet u daarom niet verdrieten
Ook zonder dat iets te genieten.
Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,
Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.
Ik zing haar een regt zedig lied,
Om haar te wisser te bekoren.
Zingt bij den citer.
Wat wilt gij nu,
Dat vraag ik u,
Zoo vroeg alreê beginnen?
Geen boerterij!
Gij laat hem blij,
Geloof me vrij,
Als meisje zeker binnen.
Neem u in acht!
Als ’t is volbragt,
Dan goeden nacht,
Gij arme, onnoozle dingen!
Haat ge ongerief,
Schenk dan uw lief
Niets als een dief,
Maar wisselt eerst de ringen!
VALENTIJN treedt voor.
Wien lokt gij hier, vervloekte vent,
Vermaledijde rattenvanger?
Eerst naar den duivel ’t instrument!
Dan naar den duivel ook de zanger!
MEPHISTOPHELES.
De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.
VALENTIJN.
Nu zal ik u den mantel vegen!
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Heer doctor, niet geweken! Sta!
Sluit aan, en hij zal u niet deren.
Trek uit uw degen! geen genâ!
Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.
VALENTIJN.
Pareer dan!
MEPHISTOPHELES.
Pareer dan! Wel, wat gij daar zegt!
VALENTIJN.
Ook die?
MEPHISTOPHELES.
Ook die? Gewis!
VALENTIJN.
Ook die? Gewis! ’k Geloof, de duivel vecht.
Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!
MEPHISTOPHELES, tot FAUST.
Stoot toe!
VALENTIJN valt.
Stoot toe! O wee!
MEPHISTOPHELES.
Stoot toe! O wee! Nu is de lummel mak!
Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;
Dus weg, en wel met allen spoed.
Ik weet van de politie mij heel goed,
Maar niet mij van de bloedban af te maken.
Beide vertrekken.
MARTHA, aan het venster.
Sta bij! sta bij!
MARGARETA, aan het venster.
Sta bij! sta bij! Welk een geweld!
MARTHA, als boven.
Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!
VOLK.
Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.
MARTHA, de deur uitkomende.
Waar zijn de moordenaars gebleven?
MARGARETA, mede buiten komende.
Wie ligt daar?
VOLK.
Wie ligt daar? Wel, uw broeder Valentijn.
MARGARETA.
O Hemel, welk een nieuwe pijn!
VALENTIJN.
Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,
En ligter nog gedaan.
Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?
Komt hier, en hoort mij aan!
Men schaart zich om hem heen.
Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—
Nog geen ervaring opgedaan
En weet niet wat gij doet.
Ik zeg hier in vertrouwen u:
Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,
Zoo wees het dan ook goed.
MARGARETA.
O broeder! God! versta ’k u wel?
VALENTIJN.
Laat God den Heer hier uit het spel!
Gedaan, helaas, is nu gedaan,
En zoo het gaan moet, zal het gaan.
Gij vingt het met een enklen aan:
Weldra komt twee en drie ter baan;
En hebt ge eens een dozijn gehad,
Dan heeft u ook de heele stad.
Als eerst de schande wordt geboren,
Wordt zij in stilte voortgebragt;
En zie, den sluijer van den nacht
Trekt men haar over kop en ooren;
Ja, zelfs wil men van kant haar maken.
Maar wast zij op en wordt zij groot,
Dan gaat zij over dag ook bloot,
Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;
Want leelijker wordt haar gezigt,
Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.
Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,
Dat alle brave burgerliên,
Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,
Als voor de pest op zijde wijken.
De wroeging zal aan ’t hart u knagen,
Wanneer zij u in de oogen zien;
Gij zult geen gouden tooi meer dragen,
En ook het bedehuis ontvliên,
Met kanten kraag noch andre zaken
U ooit weêr bij den dans vermaken,
Maar bij geboefte in achterhoeken
Al sidderend een schuilplaats zoeken;
En moge u dan ook God vergeven,
Vervloekt toch zijt gij in dit leven!
MARTHA.
Legt gij nu alles uit ten kwade?
Beveel uw ziel in Gods genade!
VALENTIJN.
Kon ik, o koplares, terstond
De tong u rukken uit den mond,
Ik had voorwaar voor al mijn zonden
Vergiffenis bij God gevonden!
MARGARETA.
O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!
VALENTIJN.
Ik bid u, laat die tranen daar!
Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,
Was de ergste hartsteek, die mij trof.
Ik ga nu met een vast gelooven
Als braaf soldaat naar God hierboven.
Hij sterft.
Hoofdkerk.
Dienst. Orgel en gezang.
MARGARETA onder de menigte. BOOZE GEEST achter haar.
BOOZE GEEST.
Hoe anders, Grete, was ’t u,
Toen gij nog vol onschuld
Hier bij het altaar tradt,
En uit het oude boekje
Gebeden laast,
Half kinderspel,
Half God in ’t hart,
Grete!
Hoe staat u ’t hoofd?
En in uw harte,
Welke misdaad!
Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,
Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?
Wier bloed kleeft op uw drempel?
En wat draagt ge onder ’t harte?
Zeg, wat beweegt zich daar,
En ziet, vol angst en vrees,
De toekomst te gemoet?
MARGARETA.
Wee, wee!
Hoe raak ik van die angsten vrij,
Die mij bevangen, en zich tegen mij
Doen hooren!
KOOR.
Dies irae, dies illa
Solvet seclum in favilla.
Orgelspel.
BOOZE GEEST.
Hoor, vol ontzetting,
’t Bazuingeschal;
De graven beven,
En uw hart,
In asch begraven,
Tot helsche pijnen
Weêr opgedolven,
Beeft ook!
MARGARETA.
Was ik maar hier van daan!
’t Is of het orgelspel
Den adem mij beneemt,
’t Gezang mijn hart
In mij doet smelten!
KOOR.
Judex ergo cum sedebit,
Quidquid latet adparebit,
Nil inultum remanebit.
MARGARETA.
’t Wordt mij benaauwd!
De muurpilaren
Beknellen mij!
’t Gewelf omhoog
Valt op mij neder!—Lucht!
BOOZE GEEST.
Verberg u! Zonde en schande
Blijft niet verborgen.
Lucht! Licht!
Wee u!
KOOR.
Quid sum miser tunc dicturus?
Quem patronum regaturus?
BOOZE GEEST.
Hun aanschijn wenden
De zaalgen van u af
De reinen vreezen
U aan te raken.
Wee!
KOOR.
Quid sum miser tunc dicturus?
MARGARETA.
Buurvrouw, uw fleschje!
Zij bezwijmt.
Walpurgisnacht.
Hartsgebergte.
FAUST en MEPHISTOPHELES.
MEPHISTOPHELES.
Verlangt gij niet een bezemstok?
Ik wenschte wel een fermen bok;
Wij zijn zeer ver nog van het doel.
FAUST.
Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,
Word ik door ongeduld niet aangepord.
Wat helpt het, of men zich den weg verkort?
In deze kronkelende dalen
Of in die rotsen te verdwalen,
Van waar de bergstroom nederstort,
Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.
De lente weeft reeds in de berken,
En zelfs de pijnboom voelt haar al;
Zou zij dan ook op ons niet werken?
MEPHISTOPHELES.
Voorwaar, ik merk nog niemendal;
Ik heb den winter nog in ’t lijf,
En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.
Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijf
Omhoog der laat reeds opgekomen maan,
En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tred
Ligt tegen boom of rots-uitstek belandt.
Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!
Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.
Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?
Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.
Och, licht eens hier naar dezen kant!
DWAALLICHT.
Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukken
Mijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;
Maar onze loop zwaait als een lanterfant.
MEPHISTOPHELES.
Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!
Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,
Ik blaas uw licht uit, kort en goed!
DWAALLICHT.
Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,
En ’k wil mij gaarne naar u schikken;
Maar denk, de berg is heden dol en mal,
En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,
Moet ge alles zoo precies niet wikken.
FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT, in beurtzang.
In de droom- en tooverspheer
Zijn wij, schijnt wel, nu getreden.
Leid ons goed, dit zij uwe eer!
Dat wij zonder tegenheden
Spoedig bij de heksen komen!
Zie die boomen achter boomen
Schielijk ver en verder rukken!
En die klippen, zie ze eens bukken!
En die lange steenrots-neuzen,
Hoor ze eens snorken, net als reuzen!
Door de steenen, die zij kneuzen,
Snellen beek en beekje neder.
Hoor ik liedren, zacht en teeder?
Hoor ’k daar zoete minneklagten
Juist als in dien heiltijd smachten?
Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!
En ons hopen en ons minnen
Alles kaatst ons de echo weder.
Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;
Steenuil, kaauw en meerkol bassen;
Allen zitten in die struiken.
Zie ’k geen mooliken daar duiken?
Lange beenen, dikke buiken!
En die wortels, als de slangen,
Winden zich uit zand en rotsen,
Maken wonderlijke potsen,
Om ons, zoo verschrikt, te vangen;
En uit levende eikenloten
Strekken de polypenpooten
Naar den wandelaar zich uit.
En die duizendkleurge muizen,
Die door heide en mos verhuizen!
En die glimmerwormpjes zweven
Wolk bij wolk als voortgedreven,
Dat het ons om de ooren fluit.
Maar zeg nu eens of wij stilstaan,
Dan wel verder op den dril gaan?
Alles schijnt in ’t rond te draaijen;
Rotsen, boomen, allen trekken
Malle tronies, scheeve bekken.
Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!
MEPHISTOPHELES.
Pak mij stevig bij den staart!
Hier is juist een gat in de aard,
Waar men ginder in ’t verschiet
’t Gloeijen van den Mammon ziet.
FAUST.
Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henen
Een flaauwe, roode morgengloor!
Men ziet, door vreemden glans beschenen,
Tot in het diepst van d’ afgrond door.
Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;
Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;
Nu heeft zijn loop met niets te kampen,
Dan breekt hij als een vuurberg uit.
Hier slingert hij zich, zonder hinder,
Door ’t dal met honderd adren heen,
En dan weêr in dien hoek daarginder
Komt alles tot een klomp bijeen.
Daar spatten allerwege vonken
Als uitgeworpen gouden zand;
Maar zie, daar bij die twee spelonken
Geraakt de rots geheel in brand!
MEPHISTOPHELES.
Verlicht bij feesten, zoo als heden,
Heer Mammon niet zijn prachtig huis?
Maar stil! Ik hoor met veel gedruisch
Alreê de gasten nader treden!
FAUST.
Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!
Zie, hoe die boomen nedersmakken!
MEPHISTOPHELES.
Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,
Daar ge anders in den afgrond nederstort.
Een nevel verdikt nog de nacht;
Het loeijen verheft zich met kracht.
Hoe vliegen en krassen die uilen!
Hoe kraken en breken de zuilen
Van groene paleizen! Hoe huilen
De winden met grootere woede!
Hier wordt men regt aaklig te moede.
Het barst en het knarst en het knettert,
Of alles in ’t rond wordt verpletterd,
En over het puin in de kolken
Daar jagen en gieren de wolken.
Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,
En achter en voor ons ’t gezucht wel?
Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bang
De woedende heksen haar toovergezang.
HEKSEN, in koor.
De heksen naar den Bloksberg spoên;
Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.
De groote hoop zal henengaan;
Voorop ziet men heer Uriaan.
Zoo vliegen over steen en stok
Op bezemsteelen heks en bok.
EENE STEM.
Ook de oude Baubo komt meteen,
En rijdt nu op een zeug alleen.
KOOR.
Zij zij geëerd dan en geacht.
Vrouw Baubo worde voorgebragt!
Een zeug eerst, en haar moêr daarop,
Dan volgt het ovrige in galop.
EENE STEM.
Van waar komt gij?
ANDERE STEM.
Van waar komt gij? Van de Ilzenfest.
Daar keek ik in een uilennest;
Één spalkte wijd zijn kijkers open.
EERSTE STEM.
Wil naar de hel voor mijn part loopen!
ANDERE STEM.
Mij heeft zij geschonden;
Zie maar eens mijn wonden!
HEKSEN, in koor.
De weg is breed, de weg is lang.
Wat is dat voor een dol gedrang?
De hooivork steekt, de bezem knarst,
Het kind verstikt, de moeder barst.
HET HALVE KOOR.
Wij sluipen eerst gelijk de slak;
De vrouwen vormen ’t eerste koor:
Dan gaat het naar den bullebak;
De vrouw heeft duizend schreden voor.
DE ANDERE HELFT.
Laat elk zich op zijn wijze spoên:
De vrouw heeft duizend schreên van doen;
Maar hoe zij ook zich haasten kan,
Een enkle sprong—daar is de man!
EENE STEM VAN BOVEN.
Kom meê, kom meê, gij daar beneên!
STEMMEN VAN BENEDEN.
Wij wilden graag naar boven heen.
Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,
Maar ook onvruchtbaar voor altijd.
BEIDE KOREN.
De wind wordt stil, de sterren vliên;
De maan wordt haast niet meer gezien.
Het tooverheer spat in zijn draf
Wel duizend vonken van zich af.
STEM VAN BENEDEN.
Heidaar! O, wacht eens even!
STEM VAN BOVEN.
Wie maakt daar zulk een leven?
STEM VAN BENEDEN.
Neem mede mij! Ach, doe het maar!
Ik klim nu reeds driehonderd jaar,
En kan den top maar niet bereiken.
Ik was zoo graag bij mijns gelijken.
BEIDE KOREN.
De bezem draagt; ook draagt de stok;
De hooivork draagt, en ook de bok:
Wie nu niet hooger komen kan,
Blijft eeuwig een verloren man.
HALVE HEKS, beneden.
Ik hink zoo lang reeds achteraan.
Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!
Ik heb geen rust, wat ik ook doe,
En kom er hier toch ook niet toe.
KOOR DER HEKSEN.
De zalf geeft alle heksen moed;
Een lap is voor een zeil nog goed,
Voor schip een baktrog, als men ziet;
Wie thans niet vliegt, die kan het niet.
BEIDE KOREN.
Zoodra wij vliegen om den top,
Zet u beneên dan in galop,
En overdekt de heide alom
Met uwen zwerm van ’t heksendom.
Zij dalen af.
MEPHISTOPHELES.
Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,
Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,
Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:
’t Is met regt een heksen-element.
Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!
Waar zijt ge?
FAUST, in de verte.
Waar zijt ge? Hier!
MEPHISTOPHELES.
Waar zijt ge? Hier! Hoe? Reeds in gindsche struiken?
Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!
Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!
Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,
Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!
’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.
Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.
Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,
Dat wij volkomen veilig zijn.
FAUST.
Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.
’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.
Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,
Om daar ons een stil plekje te bereiden.
MEPHISTOPHELES.
Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!
Een vrolijk kransje is daar bijeen:
In ’t kleine is niemand ooit alleen.
FAUST.
Ik was toch liever op dien top.
Hoe kronklen gloed en rook zich op!
Daar ze allen naar den duivel loopen,
Moet menig raadsel zich ontknoopen.
MEPHISTOPHELES.
Maar menig doet zich weder op.
Laat maar de groote wereld draven;
Wij zullen hier in stilte ons laven.
Men weet toch lang en ’t is al oud,
Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.
Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,
En oude, die zich wijselijk bedekken;
Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:
De moeite is klein, de grap is groot.
Ik hoor al menig instrument;
’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.
Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;
Ik ga vooruit en leid u binnen,
En stel u aan ’t gezelschap voor.
Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!
Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,
En honderd vuren lichten als flambouwen.
Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—
Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!
FAUST.
Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,
Als toovenaar of duivel produceeren?
MEPHISTOPHELES.
’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,
Doch op galadag doet men al zijne ordes om.
Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;
Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.
Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?
Het is een slak, zoo als ge ziet.
Zij heeft mij nu alreeds geroken;
Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.
Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;
Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.
Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.
Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?
Gij moest in ’t midden liever komen,
Met jonge heksen om u heen;
Gij zijt genoeg toch te huis alleen.
EEN GENERAAL.
Wie mag op natiën vertrouwen,
Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!
Want bij het volk, als bij de vrouwen,
Staat steeds de jonkheid boven aan.
EEN MINISTER.
Thans is men van het regte spoor, helaas!
Ik prijs den tijd, den goeden ouden,
Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;
Want toen was hij en waren wij de baas.
EEN PARVENU.
En wij, wij waren ook niet dom
En weerden ons in ’t zamenspannen;
Maar nu keert zich het blaadjen om,
En weg zijn onze mooije plannen!
EEN AUTEUR.
Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,
Waar maar een weinig in zit, lezen!
En ’t jonge volkje—lieve tijd!
Zoo neuswijs was het nooit voordezen!
MEPHISTOPHELES, die er op eens zeer oud uitziet.
’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,
Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;
En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,
Zoo loopt de wereld ook ten ende.
EENE OUDSKOOP-HEKS.
O heeren, spoedt u niet zoo voort!
Laat de gelegenheid niet varen!
O, werpt een blik op mijne waren;
Ik heb van allerhande soort.
Toch heb ik niets, hoe men ook smade,
Wat niet eens menschen eerzucht wekt,
En niet eens heeft tot groote schade
Der wereld en den mensch gestrekt.
Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;
Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf
’t Verterend gift niet is gegoten;
Geen tooisel, dat niet een beminnend wijf
Verleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,
Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.
MEPHISTOPHELES.
Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.
Wat vroeger was, is nu gedaan.
Wil liever eens wat nieuws ons geven;
Slechts nieuwigheden trekken aan.
FAUST.
Dat mag ik in mijn zak wel steken;
’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.
MEPHISTOPHELES.
Daar gaat nu heel de troep naar boven;
Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.
FAUST.
Maar wie is dat daarginder? Zeg!
MEPHISTOPHELES.
Maar wie is dat daarginder? Zeg! Beschouw
Haar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.
Neem u in acht voor hare schoone haren;
Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:
Als zij daarmeê een jongling vangen kan,
Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.
FAUST.
Daar zitten twee, een oude met haar jong;
De laatste deed reeds menig sprong.
MEPHISTOPHELES.
Dat heeft van daag geen rust of vreê!
De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.
FAUST, met de jonge heks dansende.
’k Had eens een aangenamen droom.
Ik zag een grooten appelboom;
Twee appels kreeg ik in het oog;
Ik vond ze mooi, en klom omhoog.
DE JONGE HEKS.
Van appels was ’k altijd vriendin,
Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.
’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,
Ook appels in mijn tuintje zien.
MEPHISTOPHELES, met de oude heks.
’k Had eens een onpleiziergen droom.
Ik zag een ouden, dorren boom:
Het scheen wel halve hekserij;
Want ook, hoe oud, beviel hij mij.
DE OUDE HEKS.
Ik bied u gaarne mijnen groet,
Gij, ridder van den paardenvoet!
Vreest gij geen ouden, dorren stam,
Dan ben ook ik u niet te stram.
EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.
Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?
Een geest, gij hadt het weten moeten,
Staat niet op ordinaire voeten:
Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.
DE JONGE HEKS, dansende.
Wat moet die man daar op ons bal?
FAUST, dansende.
Och! die is hier en overal;
Die meent de alwijsheid te bezitten.
Kan hij niet ieder pas bevitten,
Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.
Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.
Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,
Als hij het in zijn ouden molen doet,
Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,
Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.
DE VERSTOPPING-LIJDER.
Zijt gij daar nog, gij hellewicht?
Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.
Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;
Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.
Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!
Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.
DE JONGE HEKS.
Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!
DE VERSTOPPING-LIJDER.
Ik zeg u, geesten, houdt u stil,
Daar ik geen geestendespotisme wil;
Mijn geest kan in dien waan niet deelen.
Er wordt voortgedanst.
Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;
Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,
En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,
Den duivel en de dichters te doen bukken.
MEPHISTOPHELES.
Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,
Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,
En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;
Dan is hij vrij van geesten en van geest.
Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.
Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,
Dat bij den dans zoo aardig zong?
FAUST.
Ach! Midden onder ’t zingen sprong
Een roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.
MEPHISTOPHELES.
Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!
Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,
Zich in een herdersuurtje storen!
FAUST.
Dan zag ik.…
MEPHISTOPHELES.
Dan zag ik.… Wat?
FAUST.
Dan zag ik.… Wat? Mephisto, zie eens aan!
Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?
Zij schijnt haar schreden in te toomen,
En kan haast van de plaats niet komen.
Ik moet bekennen—vindt gij niet?—
’t Is juist alsof men Grete ziet.
MEPHISTOPHELES.
Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;
’t Is maar verbeelding wat gij ziet.
Er op te turen, is niet goed;
Dat geeft maar stremming in het bloed;
Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,
De fabel van Medusa kent gij toch!
FAUST.
Voorwaar, het is een meisje, bij wier dood
Haar de oogen een beminde hand niet sloot.
Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,
Mij alles, alles heeft geschonken!
MEPHISTOPHELES.
Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;
Want ieder komt zij als zijn liefje voor.
FAUST.
O, welk een lijden! welk verrukken!
Ik kan daarvan niet los mij rukken!
En zonderling! Die roode strook
Om haren hals, die, naar ik gis,
Niet breeder dan een mesrug is.…
MEPHISTOPHELES.
Gij hebt gelijk; ik zie het ook.
Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;
Want Perseus heeft het afgeslagen.…
Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!
Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!
Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!
En ben ik niet behekst of blind,
Dan zie ik waarlijk een theater.
Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?
EEN DIENSTDOENDE GEEST.
Dat men zoo aanstonds weêr begint.
Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,
Die wij hier elken avond geven.
Een dilettant heeft het geschreven,
En dilettanten spelen ’t vlug en snel.
Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,
En voor ’t gordijn-ophalen schel!
MEPHISTOPHELES.
Dat ik u hier moet rencontreeren,
Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.
Open veld. Het is een sombere dag.
FAUST en MEPHISTOPHELES.
FAUST.
In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!
MEPHISTOPHELES.
Zij is de eerste niet.
FAUST.
Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!
MEPHISTOPHELES.
Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?
FAUST.
Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!
MEPHISTOPHELES.
Hebt gij nu gedaan?
FAUST.
Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!
MEPHISTOPHELES.
Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden, zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?
Faust staart vol woestheid in het rond.
Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.
FAUST.
Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!
MEPHISTOPHELES.
En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.
FAUST.
En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!
MEPHISTOPHELES.
Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.
FAUST.
Haasten wij ons dan!
Open veld. Het is nacht.
FAUST en MEPHISTOPHELES, op zwarte paarden voortrennende.
FAUST.
Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?
MEPHISTOPHELES.
Ik weet niet wat ze kokkerellen.
FAUST.
Dat komt al heen en weêr gesneld!
MEPHISTOPHELES.
’t Zijn heksen en haar medgezellen.
FAUST.
Dat is dus ook al hekserij?
MEPHISTOPHELES.
Voorbij maar gaauw! Voorbij!
Kerker.
FAUST, met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.
’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,
En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.
Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;
En ach, haar misdrijf was een goede waan!
Wat aarzelt gij, haar weêr te groeten
Wat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?
Vooruit, of ’t is met haar gedaan!
Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:
Mijn moeder, die hoer,
Die bragt mij om ’t leven;
Mijn vader, die schelm,
Hij heeft mij vergeven!
Mijn zusje, nu dood,
Had ik op mijn schoot,
Maar in een koeler oord;
Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.
Vlieg voort! Vlieg voort!
FAUST, opensluitende.
Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedt
En alles hoort en alles ziet!
Hij treedt binnen.
MARGARETA, zich op hare legerstede verbergende.
Wee! wee! zij komen! Bittre dood!
FAUST, zacht haar toefluisterende.
Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.
MARGARETA, zich naar hem toe wentelende.
Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!
FAUST.
O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!
Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.
MARGARETA, op de knieën.
Wie heeft, o beul! u deze magt
Zoo over mij gegeven?
Gij haalt mij reeds te middernacht;
Ontferm u! Laat mij nog wat leven!
Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?
Zij staat op.
Ik ben zoo jong nog, en zoo vroeg
Moet ik reeds sterven!
Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!
De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.
Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.
Vat mij zoo ruw en woest niet aan!
Spaar mij; wat heb ik u gedaan?
Ontferming smeek ik op mijn kniên!
Ik heb u nooit te voren toch gezien!
FAUST.
Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!
MARGARETA.
Ik ben geheel nu in uw magt.
Maar laat mijn kind toch even komen!
Het was bij mij geheel den nacht;
Men heeft het toen mij afgenomen,
En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.
O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!
Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.
’t Is juist zoo als het sprookje zegt;
Waar heb ik dat ook weêr gelezen?
FAUST, aan hare voeten.
Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,
Om u in vrijheid weêr te stellen.
MARGARETA, zich op hem werpende.
O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!
Ziet gij dien steen omhoog wel steken?
Ziet gij dien drempel wel?
Daar kookt de hel!
Samiël
Begint zijn spel,
Opdat gij ’t wete!
FAUST, uitbarstende.
Grete! Grete!
MARGARETA, opmerkzaam.
Dat was een vriendenstem!
Zij springt op; hare ketenen vallen af.
Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?
Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!
Aan zijn hals wil ik springen,
Aan zijn borst mij wringen.
Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,
Te midden van ’t huilen en woeden der hel,
Te midden van den duivelschen hoon
Herkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.
FAUST.
Ik ben ’t!
MARGARETA.
Ik ben ’t! Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!
Hem vastklemmende.
Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!
Nu zal geen keten mij meer knellen!
Gij komt mij nu in vrijheid stellen—
Ik ben gered!
’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.
En gij zoo vriendelijk mij groette,
En ook het tuintje, waar ’k bij nacht
Met Martha u heb opgewacht!
FAUST, haar naar de deur trekkende.
Kom nu! Kom gaauw!
MARGARETA.
Kom nu! Kom gaauw! O, blijf, mijn vrind!
Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.
Zij liefkoost hem.
FAUST.
Maak voort!
Ontvlieden wij dit oord!
De tijd vervliegt, verloopt intusschen.
MARGARETA.
Hoe? Gij kunt niet meer kussen?
Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,
Hebt gij het kussen afgeleerd?
Het is of angst mij aan uw hals bevong!
Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,
Een gansche hemel mij doordrong,
En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!
O, kus mij nu,
Of anders kus ik u!
Zij omvat hem.
O wee! Uw mond geeft niets weêrom,
Is stom!
Waar is uw min, mijn leven,
Gebleven?
Geen kus tot wellekom!
Zij wendt zich van hem af.
FAUST.
Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!
Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;
Maar laat ons nu dadelijk gaan!
MARGARETA, naar hem toe gewend.
En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?
FAUST.
Ik ben het; kom nu meê!
MARGARETA.
Ik ben het; kom nu meê! Gij werpt mijn ketens neêr,
En ik ben de uwe als vroeger weêr?
Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?
En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?
FAUST.
Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.
MARGARETA.
Mijn moeder heb ik omgebragt,
Mijn kind heb ik verdronken.
O, was ’t niet u en mij geschonken!
U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom!
Geef mij de hand—het is geen droom!.…
Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!
Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,
Kleeft bloed er aan.
Ach, wat hebt gij gedaan!
Steek op den degen!
Ik bid u, kom!
FAUST.
O, van ’t verledene gezwegen!
Gij brengt mij om!
MARGARETA.
Neen, gij moet overblijven.
De graven wil ik u beschrijven;
Voor die moet gij zorgen
Reeds morgen.
Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;
Mijn broeder komt dan vlak daarneven;
Ik ’t verst op de rij,
Maar toch wat nabij.
Mijn kind dan aan mijn regterzij.
Geen ander toch wil bij mij rusten.…
U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …
Maar dit geluk is voor mij al te groot!
Wat zou ik mij daarover kwellen!
’t Is of ’k u altijd na moet snellen,
En gij mij steeds teruggestoot!
En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!
FAUST.
Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!
MARGARETA.
Daarheen?
FAUST.
Daarheen? In vrijheid.
MARGARETA.
Daarheen? In vrijheid. Is het graf daar, dat ons wacht?
Loert daar de dood in eeuwgen nacht?
Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,
En verder ook geen enkle schrede.…
Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!
FAUST.
Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.
MARGARETA.
Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.
Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!
Het is zoo naar, gebedeld eten,
En nog daarbij een kwaad geweten!
Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …
En toch, zij zullen me achterhalen!
FAUST.
Ik blijf waar gij u ook bevindt.
MARGARETA.
O spoedig! Red mijn arme kind!
Dien weg op! Altijd maar regtuit!
Dat beekje langs, tot dat ge stuit!
Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…
Ziet gij dien plas?
O, grijp het wicht nu ras!
Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;
O, red het! Red!
FAUST.
O, red het! Red! Bezin u toch!
Een enklen stap, en gij zijt vrij!
MARGARETA.
O, waren we eerst dien berg voorbij!
Daar zit mijn moeder op een steen.
Een rilling gaat mij door de leên!
Daar zit mijn moeder op een steen;
Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.
Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;
Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;
Zij sluimert, om ons te verblijden
In de oude gelukkige tijden!
FAUST.
Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,
Dan zal ik u naar buiten dragen!
MARGARETA.
Laat af! Mij geen geweld gedaan!
O, vat mij toch zoo ruw niet aan!
’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!
FAUST.
O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!
MARGARETA.
De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,
Die nu mijn hoogtij wezen mag!
Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.
Wee mijn krans!
’t Is juist geschied!
Ik weet dat gij mij wederziet,
Maar bij geen bruiloftsdans!
Het volk dringt toe; men hoort het niet.
Het vult de straten, de stegen,
En al de wegen.
De doodsklok roept; daar breekt de staf;
O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!
Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!
’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,
Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!
Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.
FAUST.
O, ware ik nooit geboren!
MEPHISTOPHELES, die zich nu vertoont.
Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!
Geen verder praten, klagen, snappen;
Mijn paarden trappen;
Het is reeds morgenstond.
MARGARETA.
Wat rijst daar uit den grond?
Die daar! O, zend hem voort!
Wat wil hij in dit heilig oord?
Mij wil hij!
FAUST.
Mij wil hij! Gij zult leven!
MARGARETA.
Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Kom, of ik laat u beiden in den loop!
MARGARETA.
O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!
Gij engelen, gij heilge scharen,
Omringt mij en wilt mij bewaren!…
O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!
Zij sterft.
MEPHISTOPHELES.
Zij is gevonnisd!
STEM VAN BOVEN.
Zij is gevonnisd! Ze is gered!
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Zij is gevonnisd! Ze is gered! Kom meê!
ECHO VAN DE KERKERMUREN.
Hendrik … Hendrik …!