← Table of contents
Faust, Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1]

VOORSPEL OP HET TOONEEL.

H. (Hendrik) Frijlink translation

TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.

DIRECTEUR.

Gij, die mij vaak te helpen plagt,

Wanneer de zorg mij overmande,

Zegt me eens, wat gij wel hier te lande

Van onze nieuwe zaak verwacht!

Zoo graag wilde ik de menigte behagen,

Vooral omdat zij leeft en leven laat;

Reeds is het groot theater opgeslagen,

En men verwacht een kunstwerk inderdaad.

Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,

Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijken

Ik ben wel met den geest des volks bekend,

Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:

Wel zijn zij aan het beste niet gewend,

Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.

Hoe maken wij het nu, dat alles slaagt

En zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?

Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,

Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,

En oud en jong, bij groote hoopen,

Door de enge poort der tent zich binnenwringt,

Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,

Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,

En met de drift van wilde dieren

Om een biljet bijna den hals zich breekt.

Alleen de dichter roept dit wonder in het leven

Bij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even!

DICHTER.

O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,

Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!

O zwijg van al dat golven en dat woelen,

Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!

Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,

Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;

Waar liefde en vriendschap onzen besten zegen

Met godenhand doen kiemen en verplegen.

Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,

Wat soms de tong al weifelend laat hooren,

Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,

Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.

Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,

Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.

Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.

KOMIEK.

Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!

Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,

Wat toch heeft ons geslacht daaraan?

Dat wil en zal zich diverteeren;

En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,

Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,

Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,

Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;

Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,

Om des te meer voor zijn publiek te schittren.

Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:

Laat phantasie, met alle hare koren,

Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,

Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren!

DIRECTEUR.

Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—

Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!

Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,

Zoodat het gapend zich verbazen kan,

Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,

En zijt weldra zijn lievling, beste man!

De massa kunt gij slechts door ’t vele trekken;

Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:

Waar veel is, zal wel iets den kijklust wekken,

En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.

Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:

Zulk een ragout zal nooit mislukken;

Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.

Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?

’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.

DICHTER.

Gij voelt niet, dat met zulke kladderij

Geen echte kunstenaar zich af zal geven;

Maar ’k merk het wel: die morserij

Is bij ulieden lust en leven.

DIRECTEUR.

Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.

Hij, die wil vast en zeker gaan,

Moet steeds den grooten hoop gerieven.

Bedenk welk hout gij hebt te klieven,

En zie maar toe, voor wie gij schrijft!

D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalen

Een ander komt van ’t hartig middagmalen,

En, wat het allerlastigst blijft,

Nog andren komen van het lezen der journalen.

Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,

En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.

De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,

En spelen zonder gage meê.

Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?

Vult uw talent de zaal alleen?

Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:

De helft is koud, de helft gemeen.

Dees zit naar ’t kaartspel te verlangen,

Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;

Die naar zijn liefje dezen nacht:

En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!

Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;

Want hoe gij ook het aan wilt vangen,

Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!

Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!

DICHTER.

Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!

De dichter zou aldus het hoogste regt,

Het menschenregt, hem door natuur geschonken,

Verbeuzelen voor zulk een doel?

Waardoor toch treft hij elks gevoel

En laat geen menschenharte koel?

Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,

En ’t alledaagsche op zijde dringt?

Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,

Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—

Disharmonie van zotten en zottinnen

Vervelend door elkander klinkt,—

Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,

Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?

Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,

Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?

Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?

Wie de avondzon zoo statig ondergaan?

Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,

Den minnenden gelieven op hun paân?

Wie vlecht van groene, onoogelijke bladen

Een eerkrans voor verdienste hier beneên?

Wie, wie bezingt de goden en hun daden?

De dichter slechts—en hij alleen.

KOMIEK.

Dat hij dan al die schoone krachten knede,

En heel die dicht-affaire smede,

Alsof ’t een minnarijtje was.

Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alras

Gevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,

En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …

Maar dat was al te mooi; dus komt er een,

En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.

Laat ons ook zulk een stuk eens geven!

Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!

Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,

En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.

In bonte kleuren weinig klaarheid,

Veel dwaling en een vonkje waarheid,

Zoo wordt het brouwsel toegerigt,

Dat iedereen verkwikt en sticht.

Dan komt de jeugd met gretige ooren,

Om in uw tent orakeltaal te hooren;

Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,

Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;

Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smart

En elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.

Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;

Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:

Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;

Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.

DICHTER.

Geef mij dan ook terug die tijden,

Toen ik nog nieuwling was, mijnheer!

En mij mogt aan de liedren wijden,

Die mij ontstroomden keer op keer!

Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,

De bloesem nog mijn geest verrukte;

Toen ik de duizend bloemen plukte,

Waar dal aan dal meê was gevuld!

Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;

De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.

Geef al wat mij toen streelde of griefde,

Het zalig lijden van weleer,

De kracht des haats, de magt der liefde …

O, geef mij mijne jonkheid weêr!

KOMIEK.

De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.

Als in een slag geen vijand zich laat temmen;

Als om uw hals, met blij gelaat,

Zich allerliefste meisjes klemmen;

Als ge u van verre d’ eerekrans

Van ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;

Als men, na zang en spel en dans,

Den nacht besluit met wijn te schenken.

Doch het bekende snarenspel

Ter hand te nemen onverschrokken,

En uit die reine en zuivre wel

De accoorden spelende te ontlokken—

Dat, oude heeren, is u opgelegd,

En zal onze achting niet voor u vermindren:

De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;

Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.

DIRECTEUR.

Nu is de zaak genoeg bedisseld;

Laat mij nu ook eens daden zien:

Terwijl gij complimenten wisselt,

Kan iets veel nuttigers geschiên.

Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;

Zij laat beschroomden in den steek.

Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,

Dat dan de dichter uit u spreek’!

U is bekend wat wij behoeven:

Men wil iets sterk gepeperds proeven.

Pak onderwijl den boel maar aan!

Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.

Men moet geen enklen dag verzuimen;

Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,

Gaauw bij den kop maar, kort en goed;

Wil dan het wel ter dege schuimen,

En werk maar voort, omdat het moet.

Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,

Probeert een ieder wat hij kan:

Ontzie dus ook op heden dan

Decoratief noch tooverwerken!

Gij kunt vrij over zon en maan

En over starren ook bevelen;

Op water, vuur en rotstooneelen

Of beesten komt het meê niet aan.

Zoo doet in ’t planken heilig koor

Zich heel de schepping aan ons voor,

En wandelt welbedacht en snel

Van ’t hemelrijk door de aard ter hel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings