DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
J. Clant van der Mijll-Piepers translation
PERSONEN:
Aase, de weduwe van een boer.
Peer Gynt, haar zoon.
Twee oude vrouwen, met korenzakken.
Aslak, een smid.
Bruiloftsgasten.
De Keukenmeester.
De Speelman enz.
Een nieuw aangekomen boerenechtpaar.
Solvejg en de kleine Helga, hun dochters.
De Boer van Haegstad.
Ingrid, zijne dochter.
De Bruidegom en zijn ouders.
Drie berghut-meiden.
Een in ’t groen gekleede vrouw.
De Koning van Dovre.
Een Hofkabouter. Verschillende andere Kabouters.
Jeugdige Kabouters van beiderlei kunne. Een paar Heksen, Aardgeesten, Dwergen, Aardmannetjes, enz.
Een leelijke Jongen.
Een Stem in het duister.
Vogelgeschreeuw.
Kari, een boerenvrouw.
Mister Cotton, Monsieur Ballon, die Herren von Eberkopf en Trumpeterstraale, reizigers.
Een dief en een heler.
Anitra, de dochter van een Bedoeïnen-stamhoofd.
Arabieren, Slavinnen, dansende Meisjes, enz.
De Memnonzuil (zingende) en de Sfinx van Gizeh (zwijgende figuur).
Begriffenfeldt Professor, dr. Phil., directeur van het Krankzinnigengesticht te Kaïro.
Hoehoe, een taalhervormer van de kust van Malabar.
Hoessein, een Oostersch Minister.
Een Fellah met een koningsmummie. Verscheidene krankzinnigen met hun oppassers.
Een Noorsch Scheepskapitein en de bemanning van zijn schip.
Een vreemde Passagier.
Een Geestelijke.
Een Begrafenisstoet.
Een Ambtenaar.
Een Knoopengieter.
Een magere persoon.
De handeling, die plaats heeft in ’t begin der 19de eeuw, en eindigt omstreeks het jaar 1860, wordt gedeeltelijk afgespeeld in het Gudbransdal en zijn bergen, gedeeltelijk aan de kust van Marokko, in de Saharawoestijn, in het gekkenhuis te Kaïro, op zee, enz.
EERSTE BEDRIJF.
Een helling met loofboomen bij Aase’s hoeve. Een beek stroomt schuimend naar beneden. Aan den anderen kant een oude molen. Warme zomerdag.
Peer Gynt, een forsch gebouwde jonge man van twintig jaar komt het voetpad af. Aase, zijn moeder, klein en tenger, komt achter hem aan. Zij is boos en kijft.
Aase.
Peer, je liegt!
Peer Gynt (zonder stil te staan).
Peer, je liegt! Dat doe ik niet!
Aase.
Zoo; nou zweer dan dat ’t zoo is!
Peer Gynt.
Waarom zweren?
Aase.
Waarom zweren? Och, je durft niet!
’t Is weer alles leugenpraat!
Peer Gynt (blijft staan).
’t Is de waarheid … woord voor woord!
Aase (vlak voor hem).
En je schaamt je niet voor mij?
Loopt van huis maar weken lang
Juist in de’allerdrukste tijden,
Om te jagen in de bergen,…
Komt thuis met gescheurden pels,
Half gekleed en zonder wild;…
En ten slot zou je wel denken
Mij je jagers-leugenpraat
Zoo maar op de mouw te spelden!…
Wel, waar was ’t dat je den bok zag?
Peer Gynt.
Op den Gendin.
Aase (lacht spottend).
Op den Gendin. Juist, jawel!
Peer Gynt.
Scherp blies daar de wind van daan;
Achter kreupelhout verborgen
Groef hij in de harde sneeuw
Naar wat mos …
Aase (als voren).
Naar wat mos … Ja, juist, jawel!
Peer Gynt.
’k Hield mijn adem in, stil luistrend,
Hoorde ’t knarsen van zijn hoef,
Zag van één gewei de takken.
Toen, voorzichtig, tusschen steenen,
Sloop ik op mijn buik vooruit.
Daar verborgen gluurde ik opwaarts;…
Zulk een bok, zoo mooi en vet,
Zag je van je leven niet!
Aase.
Neen, dat zal wel niet!
Peer Gynt.
Neen, dat zal wel niet! Eén knal!
En, bons! lag de bok ter aarde.
Maar zoodra hij nederviel
Zat ik op zijn rug al schrijlings,
Greep hem bij zijn linkeroor,
Haalde juist mijn mes al uit
Om ’t hem in den nek te steken;…
Hei! daar gaat hij aan het schreeuwen,
Staat pardoes weer op zijn pooten,
Werpt naar achteren zijn gewei
Dat ’k verlies mijn mes en schede;
Pakt als in een schroef mijn lenden,
Slaat zijn horens om mijn beenen
Dat ’k als in een tang geklemd zit,…
En zoo rent hij met een vaart
Rechtstreeks over Gendinskam!
Aase (onwillekeurig).
Goede hemel …!
Peer Gynt.
Goede hemel …! Heb je wel eens
Ooit den Gendinskam gezien?
’n Halve mijl is die wel lang,
Smal … niet breeder dan een zeis,
Over gletschers, losse steenen,
Scherpe kanten, grauw en steil,
Kan je zien aan beide kanten
’t Zwarte water in de diepte
Slapend, meer dan dertienhonderd
El omlaag, den berg insluitend …
Daarlangs stoven hij en ik
Pijlsnel voort door weer en wind.
Nooit bereed ik nog zoo’n beestje!
Midden door die wilde vaart
’n Knett’ren als van zonnevonken.
Arendsruggen zwommen bruin
In het duizeldiepe ruim,
Halfweg tusschen ons en ’t water,…
Dreven dan weer weg, als schuim.
Drijfijs brak er aan de kanten,
Doch ’t geluid was niet te hooren;
Draaikolks-feeën dansten maar
Zingend, zwierend in het rond,
Voor mijn oogen, en mijn ooren!
Aase (duizelig).
O God, sta mij bij!
Peer Gynt.
O God, sta mij bij! Op eens,
Op een vreeslijk steile plek,
Vliegt daar plotseling een sneeuwhoen
Uit de spleet waarin het zat,
Fladdert kakelend, verschrikt,
Op, vlak voor den bok zijn pooten.
Die maakt snel half-rechtsomkeert,
Jaagt dan met een reuzensprong
Naar beneden in de diepte!
(Aase wankelt en grijpt naar een boomstam. Peer Gynt gaat voort).
Achter ons de zwarte steilte,
Onder ons een grondloos diep!
Eerst ging ’t door een laag van nevels,
Toen door ’n heelen zwerm van meeuwen,
Die naar alle kanten vluchtend,
Krijschend uit elkander stoven.
Voort maar weer! Voort naar beneden!
Maar van uit de diepte schemert
Wit iets, als een rendiersborst …
’t Was ons eigen beeld, o moeder,
Dat, opstijgend uit het bergmeer,
Naar de oppervlakte stormde
In een even wilde vaart
Als die ons joeg naar beneden.
Aase (snakt naar adem).
Peer! God help’ mij …! Zeg het gauw!
Peer Gynt.
Bok van boven, bok van ondren,
Stooten gelijktijdig samen,
Dat het schuim ons wit bespatte.
Ja, daar lagen wij te spartlen …
Na een poosje toch bereikten
Wij een plekje waar wij landden,
’t Rendier zwom, ik aan hem hangend;…
Ik ging huiswaarts …
Aase.
Ik ging huiswaarts … En de bok dan?
Peer Gynt.
Die loopt zeker nog wel rond;…
(knipt met de vingers, draait op zijn hielen en voegt er bij:)
Pak hem, als je ’m nog kunt krijgen.
Aase.
En je nek is niet gebroken?
Beide beenen brak je niet?
En je ruggegraat is heel?
O, mijn God,… ik loof en dank u
Dat mijn zoon gij hebt beschermd …
Wel is toch je broek aan flarden;
Maar dat is niet van beteeknis
Als men denkt wat er veel ergers
Kòn gebeuren op zoo’n tocht …!
(houdt plotseling stil, kijkt hem aan met open mond en groote oogen, kan een heelen tijd geen woorden vinden, en barst eindelijk uit:)
O jij duivels-leugenaar!
Goede God, wat kan jij liegen!
Ik herinner ’t mij nu weer,
Heb het al gehoord als meisje.
Gudbrand Glesne is ’t gebeurd …
Maar niet jou …
Peer Gynt.
Maar niet jou … Jawel, mij ook.
’t Kan wel meer dan ééns gebeuren.
Aase (nijdig).
Ja, een leugen kan je draaien
Om-en-om, versierd, vermooid,
In een gloednieuw pak gestoken
Dat geen mensen haar meer herkent.
En dàt heb jij nu gedaan;
Alles groot en wild gemaakt,
Opgesierd met arendsruggen …
En met al die andre fratsen —
Hier wat bij en daar wat af —
Maak je iemand zoo van streek,
Dat een mensch niet meer herkent
Wat hij jaren lang al wist!
Peer Gynt.
Als een ander zoo iets zei
’k Zou hem ongenadig rans’len!
Aase (huilend).
Och God, was ik toch maar dood;
Lag ik toch maar onder de aarde!
Tranen noch gebeden helpen,…
Peer, je bent en blijft verloren!
Peer Gynt.
Lieve moedertje, och toe,…
Ja, je hebt volmaakt gelijk,…
Wees nu maar weer goed …
Aase.
Wees nu maar weer goed … Och, zwijg toch!
Kan ik zoo maar daadlijk goed zijn,
Met een beest als jij tot zoon?
Is ’t voor mij, een arme weduw’
Zonder steun, geen bitter leed dan?
Altijd schande maar tot loon! (schreit weer)
Wat bleef er voor ons nog over
Van grootvaders rijke dagen?
Waar zijn al de zakken geld
Van den ouden Rasmus Gynt?
Vader bracht het geld aan ’t rollen,…
Strooide ’t rond als ware ’t zand,
Kocht maar grond in ’t heele land,
Reed er met vergulde karren …
Waar is alles wat verdaan werd
Bij het groote winterfeest,
Toen de gasten flesschen, glazen
Neer maar kwakten op de planken!
Peer Gynt.
Sneeuw van ’t vorig jaar, waar is die?
Aase.
Hoû toch je brutalen mond!
Kijk eens rond! Om ’t andre raam is
Er geen heele glasruit meer.
Hek en schutting zijn bezweken,
’t Vee staat maar in weer en wind,
Veld en akker liggen braak,
Iedre maand moet ik beleenen …
Peer Gynt.
Hou toch op met dat gezeur!
Dikwijls als ’t geluk eens uitbleef
Kwam het in galop terug weer!
Aase.
Waar dàt groeide is zout gestrooid nu!
Maar jij bent een kerel, jij,…
Altijd kranig en brutaal,
Welbespraakt als toen de priester —
Die van Kopenhagen kwam
En je naar je doopnaam vroeg —
Zwoer dat menig volbloed prinsje
Zulk een naam zou willen dragen.
En tot dank gaf toen je vader
Paard en slede hem present nog,
Voor zijn allervriendlijkst woord …
Ja; toen was hier pret genoeg!
Proost, kaptein en al hun aanhang
Hingen dagelijks hier om,
Etend, drinkend om het hardst.
Maar in nood kent men zijn vrienden,
’t Werd hier alles leeg en stil
Van den dag, dat “Jon de geldzak”
Met zijn mars de wereld introk.
(droogt haar oogen af met haar schort).
Och, jij bent nu groot en sterk toch
Jij moest staf en steun en hulp zijn
Voor je arme oude moeder,…
Jij moest hoeve en huis besturen,
Zorgen dat er niets verviel;…
(huilt weer).
Lieve God, wat ik aan jou had
Al die jaren lang, schavuit!
Bij den haard blijf je thuis liggen,
Wentelt rond in asch en kolen;
In het dorp jaag je al de meisjes
Uit de danszaal als je komt,…
Maakt mij overal te schande,
Vecht met d’ergste vechtersbazen …
Peer Gynt (loopt weg).
Schei toch uit.
Aase (loopt hem na).
Schei toch uit. Kan jij ’t ontkennen
Dat je nommer één geweest bent
Toen er zoo gevochten is laatst,
Ginds te Lunde … waar je elkander
Gingt te lijf als dolle honden?
Of was jij ’t niet die smid Aslak’s
Arm ontwricht heb op dien dag …
Of was ’t soms één vinger maar?
Peer Gynt.
Wie bracht je die praatjes thuis?
Aase (nijdig).
Buurvrouw hoorde het gejammer!
Peer Gynt (wrijft zijn elleboog).
Ja, maar schreeuwen deed ik zelf.
Aase.
Jij?
Peer Gynt.
Jij? Jawel … ik kreeg de klappen.
Aase.
Wat?
Peer Gynt.
Wat? Die kan je raken, hoor!
Aase.
Wie dat?
Peer Gynt.
Wie dat? Wel, dien Aslak, meen ik.
Aase.
Foei toch, foei! ’k Moest op je spuwen!
Zoo’n opsnijder, zoo’n slampamper,
’n Zuiplap, een aartsleugenaar,
Liet jij je door zoo’n vent slaan?
(huilt weer).
Schande heb ’k al veel geleden;
Maar dat dit gebeuren moest
Is wel de ergste spotternij.
Al is hij dan nog zoo’n baas;…
Moet jij dan de minste zijn?
Peer Gynt.
Of ik klop krijg, of d’r op sla …
Jamren moet je toch altijd.
(lacht).
Troost je moeder …
Aase.
Troost je moeder … Was ’t een leugen
Nou alweer?
Peer Gynt.
Nou alweer? Ja, dezen keer.
Droog dus maar je tranen af;…
(balt zijn linkerhand).
Kijk,… met deze knijptang hier
Hield ’k den heelen smid gebogen;
(balt de rechterhand).
En dit vuistje was mijn hamer …
Aase.
O, jij rekel, brengt je moeder
Nog in ’t graf met je gedrag!
Peer Gynt.
Neen, hoor, jij bent beter waard;
Twintig duizend maal wat beters;
Lieve, booze moeder mijn,
Kom, vertrouw maar op mijn woord,
Heel het dorp zal je nog eeren,
Wacht maar tot ik eens iets groots …
Waarlijk groots volbrengen zal.
Aase (spottend).
Jij!
Peer Gynt.
Jij! Wie weet wat kan gebeuren!
Aase.
Werd je nog maar eens zoo wijs
Dat je zelf weer dicht kon maken
Al de scheuren in je broek!
Peer Gynt (nijdig).
Koning zal ik worden, keizer!
Aase.
Lieve God, daar gaat zijn laatste
Restje van gezond verstand!
Peer Gynt.
Ja, ’t gebeurt! Heb maar geduld!
Aase.
“Heb geduld, dan wordt je prins,”
Heet het, als ’k mij niet vergis!
Peer Gynt.
Wacht maar, moeder!
Aase.
Wacht maar, moeder! Hoû je mond!
Stapelgek ben je gewoon …
Trouwens, eerlijk moet ik zeggen,
Als je niet zoo dag aan dag
Dolle streken deedt, en loog,
Was je goed terecht gekomen.
Die van Haegstad mocht je wel;
Die had jij best kunnen krijgen
Als je ’t goed hadt aangelegd …
Peer Gynt.
Denk je?
Aase.
Denk je? D’oude heeft geen kracht meer
Om zijn dochter te weerstaan;
Wel is hij een echte stijfkop,
Maar zij, Ingrid, geeft geen kamp ook;
En waar zij gaat, strompelt hij
Brommend haar wel achterna dan.
(begint weer te schreien).
Och, mijn Peer, een schatrijk meisje,…
’n Boerendochter! Denk eens aan,…
Als je ’t wijzer aangelegd hadt
Was je al haar bruidegom,…
Jij, die nu hier loopt in lompen!
Peer Gynt (snel).
Kom, ik ga het jawoord halen!
Aase.
Waar?
Peer Gynt.
Waar? Op Haegstad!
Aase.
Waar? Op Haegstad! Arme jij;
Dat is uit, die vrijerij!
Peer Gynt.
En waarom?
Aase.
En waarom? ’t Is om te huilen!
Nu is het te laat … verspeeld al …
Peer Gynt.
Zoo?
Aase (snikkend).
Zoo? Toen jij ginds in de bergen
Door de lucht reedt op je rendier,
Heeft Mads Moën haar gekregen!
Peer Gynt.
Wat? Dat vrouwenschrikbeeld! Hij!…
Aase.
Ja, zij neemt hem nu tot man.
Peer Gynt.
Wacht mij hier tot ik een paard span
Voor de kar … (wil weggaan).
Aase.
Voor de kar … Maak maar geen drukte.
Morgen vieren zij al bruiloft …
Peer Gynt.
Poeh!… maar ik kom nog van avond!
Aase.
Schaam je; wil je dat zij ook nog
Je belachen en bespotten?
Peer Gynt.
Stil maar. Alles gaat wel goed.
(jodelt en lacht tegelijkertijd).
Heisa, zeg! De kar blijft hier;
’t Paard te halen duurt te lang …
(tilt haar op).
Aase.
Laat mij los!
Peer Gynt.
Laat mij los! Neen, op mijn armen
Draag ik je naar ’t bruiloftshuis!
(waadt door de beek).
Aase.
Help! Och Heer wees mij genadig!
Wij verdrinken …
Peer Gynt.
Wij verdrinken … Neen, mij wacht
Een veel hoogre dood …
Aase.
Een veel hoogre dood … Jawel;
Jij komt aan de galg terecht!
(trekt hem aan zijn haar).
O, jij monster!
Peer Gynt.
O, jij monster! Zit nu stil,
’t Is hier glad, de grond is glibb’rig.
Aase.
Ezel!
Peer Gynt.
Ezel! Ja, je mag wel schelden,
Dat brengt niemand van de wijs.
Zoo; nu krabb’len wij weer op …
Aase.
Hoû mij vast toch!
Peer Gynt.
Hoû mij vast toch! Heisa, hop!
Nu wordt ’t Peer-en-rendier spelen;…
(galoppeert).
Ik ben ’t rendier, jij bent Peer!
Aase.
O, ik voel mezelf niet meer!
Peer Gynt.
Zie je, nu zijn wij de beek door;…
(komt aan land).
Zoo, geef nu je bok een kus:
Dat is voor den voerman ’t loon …
Aase (geeft hem een oorvijg).
Ziedaar voor den voerman!
Peer Gynt.
Ziedaar voor den voerman! Au!
Dat ’s een al te karig loon!
Aase.
Laat mij los!
Peer Gynt.
Laat mij los! Eerst naar de hoeve.
Wees mijn voorspraak. Je bent handig;
Spreek met hem, den ouden gek;
Zeg hem dat Mads Moën niets waard is …
Aase.
Laat me los!
Peer Gynt.
Laat me los! En zeg hem ook
Wat Peer voor een kerel is.
Aase.
Ja, daar kan je vast op aan!
’k Zal een boekje opendoen,
’k Zal een mooi tafreel ophangen
Van je fratsen en je streken …
Peer Gynt.
Zoo?
Aase (spartelt van kwaadheid).
Zoo? Ik zal niet eerder zwijgen
Vóór de boer den hond op je afjaagt,
Alsof jij een schooier was!
Peer Gynt.
Hm; dan zal ik maar alleen gaan.
Aase.
Goed, maar ik kom je achterna!
Peer Gynt.
Moederlief, dat kan je niet …
Aase.
Denk je niet? Ik ben zoo woest
Dat ’k wel steenen kon vermorz’len!
Grind zou ’k kunnen eten, bah!
Laat mij los!
Peer Gynt.
Laat mij los! Als je belooft nu …
Aase.
Niets! ik wil mee naar den boer toe,
Weten zal hij wie je bent!
Peer Gynt.
Neen, dan moet je wachten hier.
Aase.
’k Wil niet! Ik wil mee naar boven!
Peer Gynt.
Dat gebeurt niet.
Aase.
Dat gebeurt niet. Wat is dat nu?
Peer Gynt.
’k Zet je op ’t dak hier van den molen
(Zet er haar op. Aase gilt).
Aase.
Haal me er af!
Peer Gynt.
Haal me er af! Als je wilt luistren …?
Aase.
Klets niet!
Peer Gynt.
Klets niet! Moeder wees toch wijs …
Aase (gooit naar hem met een graszode).
Haal me er af, Peer, gauw … terstond!
Peer Gynt.
Als ik durfde deed ik ’t zeker.
(dichterbij).
Blijf nu stil en rustig zitten.
Ga niet spart’len met je beenen,
Ruk en pluk niet aan de steenen,…
Anders, denk er aan, zou ’t mis gaan …
Zou je vallen.
Aase.
Zou je vallen. O, jij beest!
Peer Gynt.
Niet zoo spart’len!
Aase.
Niet zoo spart’len! O, ik wou
Dat de grond je op kon slokken!
Peer Gynt.
Schaam je toch!
Aase.
Schaam je toch! Och wat!
Peer Gynt.
Schaam je toch! Och wat! Geef liever
Mij je zegen op mijn tocht mee.
Wil je? Zeg?
Aase.
Ik zal je rans’len,
Al ben jij ook nog zoo’n baas!
Peer Gynt.
Nou, tot ziens dan, moederlief!
Zit maar stil, ik blijf niet lang weg.
(gaat heen, maar keert zich om, steekt zijn vinger vermanend op en zegt):
Denk er aan dat je niet spartelt!
(af).
Aase.
Peer!… Och God, nu loopt hij weg!
Bokkerijder! Leugenbrok!
Zal je komen!… Neen, daar gaat hij
Er van door …!
(schreeuwend:)
Er van door …! Help! ik word duiz’lig!
(Twee oude vrouwen met zakken op den rug komen het pad af naar den molen).
Eerste oude Vrouw.
Hèh? Wie schreeuwt daar?
Aase.
Hèh? Wie schreeuwt daar? Ik! hier, ik!
Tweede oude Vrouw.
Aase! Wel,… wat zit je hoog …?
Aase.
Dit beteekent nog niet veel …
Als ’t nog lang duurt vaar ’k ten hemel!
Eerste oude Vrouw.
Goede reis dan!
Aase.
Goede reis dan! Haal een ladder;
’k Wil er af! Dat duivelsjong …
Tweede oude Vrouw.
Wie, je zoon?
Aase.
Wie, je zoon? Ja, wat hij uithaalt
Heb je dan nu eens gezien.
Eerste oude Vrouw.
Wij getuigen.
Aase.
Wij getuigen. Help mij maar eens;
Want naar Haegstad moet ik gauw nu …
Eerste oude Vrouw.
Is hij dáár?
Tweede oude Vrouw.
Is hij dáár? Dan kan je lachen;
Want de smid zou ook daar komen.
Aase (wringt de handen).
Lieve God, mijn arme jongen!
Wie weet of ze hem niet doodslaan!
Eerste oude Vrouw.
Ja, zoo iets kan licht gebeuren;
Troost je dan maar dat ’t zijn lot was!
Tweede oude Vrouw.
Zij is dol van woede en angst.
(roept naar boven).
Ejvind, Anders! Komt eens hier!
Een Mannenstem.
Wat is ’t dan?
Tweede oude Vrouw.
Wat is ’t dan? Kijk, moeder Aase
Heeft Peer Gynt op ’t dak gezet daar!…
Een kleine hoogte met struiken en hei. Daar achter, door een hekje afgescheiden, loopt de weg.
Peer Gynt komt een voetpad op, loopt snel naar het hekje toe, blijft staan en kijkt uit waar het uitzicht zich opent.
Peer Gynt.
Daar ligt Haegstad. Nu zal ’k gauw klaar zijn.
(klimt half over het hekje heen; dan bedenkt hij zich).
Wie weet of Ingrid wel alleen zit thuis?
(beschut zijn oogen en kijkt uit).
Neen. ’t Wemelt er van luî met geschenken.
’t Is misschien ’t verstandigst als ik maar omkeer.
(trekt zijn been weer terug).
Altijd fluisteren ze achter je rug,
En spotten dat ’t brandt dwars door je ziel heen.
(gaat eenige stappen terug en plukt zonder nadenken blaren af).
Als je nu maar iets sterks had te drinken,
Of als je ’m kon poetsen onbemerkt …
Of als niemand je kende … Vooral iets sterks
Zou goed zijn, dan schrijnt het lachen zoo fel niet.
(Kijkt opeens als verschrikt rond; dan verbergt hij zich tusschen de struiken. Eenige menschen met eetwaren-geschenken gaan voorbij en dalen dan af naar het bruiloftshuis).
Een Man.
Zijn vader was een zuiplap en zijn moeder is niet wijs.
Een Vrouw.
Nou, dan is ’t ook geen wonder dat de jongen is ’n dwaas.
(De menschen gaan verder. Even daarna komt Peer Gynt te voorschijn en kijkt hen rood van schaamte na).
Peer Gynt (zachtjes).
Hadden die het over mij? (met een woedend gebaar).
Hadden die het over mij? Och, laat ze praten!
Zij kunnen mij daarmee geen kop kleiner maken.
(Laat zich neervallen in de hei, ligt langen tijd op zijn rug met de handen onder zijn hoofd in de lucht te staren).
Wat een zonderlinge wolk! ’t Lijkt wel een paard.
En een man zit er op,… en zadel en teugels …
Daar achter rijdt een heks op een bezemsteel.
(Lacht stil in zich zelf).
Dat ’s moeder. Zij zit te schreeuwen en scheldt: beest
Van een Peer!…
(Even later sluit hij de oogen).
Van een Peer!… Ja, nu is zij bang …
Peer Gynt rijdt voorop, en een heele troep volgt hem …
’t Tuig is verzilverd, goudglanzend de hoeven.
Zelf draagt hij handschoenen, sabel en schede,
’n Mantel heel lang en met voering van zijde.
Dapper zijn zij die vertrouwend hem volgen.
Geen één toch zit er als hij in het zadel,
Geen één toch straalt er als hij in het zonlicht.
Menschen staan ginds aan het hek bij elkander,
Nemen hun hoed af en staren naar boven;
Nijgende vrouwen ook. Allen erkennen
Keizer Peer Gynt en zijn duizenden mannen.
Onder hem schittren als kiezelsteenen
Zilveren munten, die strooide op den weg hij.
Allen in ’t dorp zijn rijk nu als graven.
Peer Gynt rijdt er dwars door de lucht over zee heen!
Engelands prins staat aan ’t strand hem te wachten;
Evenzoo doen alle Engelsche meisjes.
Engelands grooten en Engelands keizer,
Waar Peer voorbij rijdt, staan op van hun zetels.
De kroon van zijn hoofd neemt de keizer af, zeggend.…
Smid Aslak (tegen eenige anderen terwijl zij aan de andere zijde van het hekje voorbij gaan).
Kijk dáár eens, Peer Gynt, dat dronken zwijn!
Peer Gynt (komt half overeind).
Wat, Keizer!
De Smid (leunt over het hek, sarrend:)
Wat, Keizer! Sta toch op, jongenlief!
Peer Gynt.
Wat duivel! De smid! Zeg? Wat mot jij nou?
De Smid (tegen de anderen:)
Z’n roes van Lunde zit hem nog in den kop.
Peer Gynt (springt op).
Ga nou maar dóór, hè!
De Smid.
Ga nou maar dóór, hè! Ik ga al, ja!
Maar zeg, waar kom jij nu ’t laatst van daan?
Zes weken weg … behekst in de bergen?
Peer Gynt.
Ja, smid, ’k heb wonderlijke dingen gedaan!
De Smid (knipoogt tegen de anderen).
Laat eens hooren, Peer!
Peer Gynt.
Dat gaat niemand aan.
De Smid (na een oogenblikje).
Ga je nu naar Haegstad?
Peer Gynt.
Ga je nu naar Haegstad? Neen.
De Smid.
Ga je nu naar Haegstad? Neen. Men zei
Dat vroeger jij die meid daarginder wel mocht.
Peer Gynt.
Jij zwarte raaf …!
De Smid (wijkt een beetje terug).
Jij zwarte raaf …! Word nou niet kwaad, Peer;
Heeft Ingrid jou versmaad, er zijn ’r nog meer …;
Er komen daar jonkies en weeuwen allebei …
Peer Gynt.
Loop naar de hel!
De Smid.
Loop naar de hel! Kom, licht wil ’r een je nog hebben …
Goên avond! Ik zal vast de bruid van je groeten.
(af, lachend en fluisterend).
Peer Gynt (kijkt hem een poos na, maakt een minachtend gebaar en keert zich half om).
Voor mijn part kan die Haegstad-meid trouwen
Met wien ze lust heeft, ’t Raakt mij geen zier!
(kijkt langs zijn beenen).
M’n broek aan flarden. Smerig en kaal,…
Had ik maar iets nieuws om aan te trekken.
(stampt op den grond).
Kon ik maar met één rake greep
Hun eens die minachting uit ’t hart rukken!
(kijkt plotseling in het rond).
Wat is dàt? Wie staat daar te grinniken ginds?
Hm, het leek mij toch net … Neen er was toch niemand …
’k Ga naar moeder thuis.
(gaat den weg op, maar blijft weer staan en luistert naar den kant van het feesthuis).
’k Ga naar moeder thuis. Nu begint de dans!
(staart en luistert; gaat stap voor stap weer terug; zijn oogen schitteren; hij wrijft langs zijn beenen).
Wat een gewemel van meiden! Zes … acht wel de man!
O, haal mij de duivel,… daar doe ik aan mee!…
Maar moeder, die nog zit op het molendak …
(weer dwalen zijn oogen naar beneden; hij springt en lacht).
Ja, die Guttorm speelt flink er op los!
Dat stampt en dat bruist als een vallende stroom.
En dan die troep heerlijke, frissche meiden!…
Ja, haal mij de duivel, daar doe ik aan mee!
(is met één sprong over het hek en holt naar beneden).
Het voorplein op Haegstad. Op den achtergrond het woonhuis. Vele gasten. Op het grasveld wordt levendig doorgedanst. De speelman zit op een tafel. De keukenmeester staat in de deur. Keukenmeisjes loopen af en aan tusschen de verschillende gebouwen; oudere menschen zitten hier en daar samen te praten.
Een Vrouw (gaat bij een troepje zitten dat op eenige balken is neer gezegen).
O, de bruid? Ja, die huilt wel een beetje,
Maar wie neemt daar nu notitie van.
De Keukenmeester (in een ander groepje).
Hier is wat te drinken, lieve menschen.
Een Man.
Dank den gever; maar je schenkt wel wat veel.
Een Jongkerel (tegen den fiedelaar, terwijl hij voorbij stuift met een meisje aan de hand).
Heisa, Guttorm, strijk wat je kunt maar!
Het Meisje.
Strijk dat het klinkt ver over de weiden!
Meisjes (in een kring om een jongen die danst).
Mooi was die sprong!
Een Meisje.
Mooi was die sprong! Hij is los in de knieën!
De Jongen (dansend).
Hier is ’t ver van den muur en hoog de zoldring!
De Bruidegom (komt grienend naar zijn vader toe, die met een paar anderen staat te praten, en trekt hem aan zijn buis).
Zij wil niet, vader; zij is zoo stug!
De Vader.
Wat wil ze niet?
De Bruidegom.
Wat wil ze niet? Zij heeft zich opgesloten.
De Vader.
Nou, zie dan den sleutel te vinden.
De Bruidegom.
Ik weet hier den weg niet.
De Vader.
Ik weet hier den weg niet. Je bent een uil!
(keert zich weer tot de anderen. De bruidegom slentert weg over het voorplein).
Een Jongen (van de achterzijde van het huis).
Meisjes! Nu zal het pas goed gaan worden!
Peer Gynt is gekomen!
De Smid (die er zoo even bij gekomen is).
Peer Gynt is gekomen! Wie bracht hem hier?
De Keukenmeester.
Peer Gynt is gekomen! Wie bracht hem hier? Niemand.
(gaat naar het huis toe).
De Smid (tegen de meisjes).
Als hij tegen je spreekt, hoor dan niet naar hem!
Een Meisje (tegen de anderen:)
Neen; wij doen net of wij hem niet kennen.
Peer Gynt (komt verhit en opgewonden aan, blijft midden voor den zwerm staan en klapt in de handen).
Wie van jullie kan het flinkste draaien?
Een enkele (op wie hij toetreedt).
Ik niet.
Een andere (evenzoo).
Ik niet. En ik niet.
Een Derde.
Ik niet. En ik niet. Nou, ik zeker ook niet.
Peer Gynt (tegen een vierde:)
Kom jij dan maar, tot een beetre zich aanmeldt.
Het Meisje (keert zich om).
Ik heb geen tijd.
Peer Gynt (tegen een vijfde:)
Ik heb geen tijd. Jij dan!
Het Meisje (terwijl zij wegloopt:)
Ik heb geen tijd. Jij dan! Ik moet naar huis.
Peer Gynt.
Van avond? Ben je nou heelemaal mal.
De Smid (even later, halfluid:)
Peer, daar gaat zij dansen met een ouwe.
Peer Gynt (wendt zich snel tot een ouderen man).
Waar zijn zij die nog vrij zijn?
De Man.
Waar zijn zij die nog vrij zijn? Zoek zelf maar. (gaat heen).
(Peer Gynt is opeens stil geworden. Hij gluurt schuw onderuit naar de groep. Allen kijken naar hem, maar niemand zegt iets. Hij gaat naar andere groepjes toe. Waar hij komt wordt het stil; als hij zich verwijdert, glimlachen zij en kijken hem na).
Peer Gynt (zachtjes).
Blikken, gedachten en lachjes als pijlen,
Dat krast en knarst als zaaghout onder vijlen!
(Hij sluipt langs het hek. Solvejg, met de kleine Helga aan de hand, komt het voorplein op, vergezeld van haar ouders).
Een Man (tegen een anderen, dicht bij Peer Gynt).
Dat zijn de nieuwe menschen.
De Andere.
Dat zijn de nieuwe menschen. Die luî daar?
De Eerste.
Komen uit het Westen.
De Andere.
Komen uit het Westen. Juist! Jawel.
Peer Gynt (treedt de komenden in den weg, wijst op Solvejg en vraagt aan den man:)
Mag ’k met je dochter dansen, zeg?
De Man (zacht:)
Mag ’k met je dochter dansen, zeg? Zeker; maar eerst
Moeten wij de menschen binnen begroeten.
(zij gaan binnen).
De Keukenmeester (tegen Peer Gynt, terwijl hij hem te drinken aanbiedt:)
Als je hier bent moet je de kruik eens aanspreken!
Peer Gynt (kijkt onafgewend naar de binnengaanden).
Dank je; ’k wil dansen. Ik heb nu geen dorst.
(De keukenmeester gaat weg; Peer Gynt kijkt naar het huis en lacht).
Hoe blank! Neen, zoo iets zag ik nog nooit!
Keek neer op haar schoenen en haar witte schortje …!
En terwijl hield zij moeders schortpunt vast,
En droeg een kerkboek in een doek gewikkeld …!
Ik moet dat meisje zien. (wil de kamer in).
Een Jongen (komt met verscheidenen er uit).
Ik moet dat meisje zien. Wel, Peer, ga je al weg
Van ’t dansen?
Peer Gynt.
Van ’t dansen? Neen.
De Jongen.
Van ’t dansen? Neen. Maar dan loop je verkeerd.
(pakt hem bij den schouder om hem om te draaien).
Peer Gynt.
Laat mij toch voorbij!
De Jongen.
Laat mij toch voorbij! Ben je bang voor den smid soms?
Peer Gynt.
Ik bang?
De Jongen.
Ik bang? Ja, je weet wel hoe ’t laatst ging te Lunde?
(het troepje gaat lachend weg naar de dansenden).
Solvejg (in de deur).
Jij bent vast de jongen, die wilde dansen?
Peer Gynt.
Ja, dat ben ik; was je dat al vergeten? (neemt haar bij de hand).
Kom dan!
Solvejg.
Kom dan! Maar niet te lang, zegt moeder!
Peer Gynt.
Zegt moeder? Ben jij dan van gistren, zeg?
Solvejg.
Je lacht me uit …!
Peer Gynt.
Je lacht me uit …! Je bent toch al volwassen;
Hoe oud ben je?
Solvejg.
Hoe oud ben je? ’k Ben aangenomen in ’t voorjaar.
Peer Gynt.
Zeg hoe je heet, dan praten wij gezelliger.
Solvejg.
Mijn naam is Solvejg. En jij, hoe heet jij?
Peer Gynt.
Peer Gynt.
Solvejg (trekt haar hand terug).
Peer Gynt. O hemel!
Peer Gynt.
Peer Gynt. O hemel! Wat moet dàt nu?
Solvejg.
Mijn kouseband is los; dien moet ik vaster gaan binden.
(loopt weg).
De Bruidegom (trekt zijn moeder aan haar rok).
Moeder, zij wil niet!
De Moeder.
Moeder, zij wil niet! Wil zij niet? Wat?
De Bruidegom.
Zij wil niet!
De Moeder.
Zij wil niet! Wat dan?
De Bruidegom.
Zij wil niet! Wat dan? Den sleutel omdraaien.
De Vader (zachtjes en nijdig).
Zij moesten jou aan de ruif vastbinden!
De Moeder.
Och, brom maar niet. Sukkel! ’t Komt wel terecht.
(zij gaan weg).
Een Jongkerel (die met een heelen troep van de dansplaats komt).
’n Slok brandewijn, Peer?
Peer Gynt.
’n Slok brandewijn, Peer? Neen.
De Jongkerel.
’n Slok brandewijn, Peer? Neen. ’n Slokje maar?
Peer Gynt (kijkt hem donker aan).
Heb je dan wat?
De Jongkerel.
Heb je dan wat? Dat kon wel gebeuren.
(haalt een zakflesch te voorschijn en drinkt).
Wat dat ’n mensch òpknapt!… Nou?
Peer Gynt.
Wat dat ’n mensch òpknapt!… Nou? Laat ’ns proeven. (drinkt)
Een Tweede.
Nu moet je ook eens drinken met mij.
Peer Gynt.
Neen!
Dezelfde.
Neen! Och kom, wees nou niet zoo flauw, zeg!
Kom Peer, drink!
Peer Gynt.
Kom Peer, drink! Geef mij dan een dropje. (drinkt weer).
Een Meisje (halfluid:)
Kom, laat ons gaan.
Peer Gynt.
Kom, laat ons gaan. Ben je bang voor mij, deern?
Een Derde Jongkerel.
Wie is nou niet bang voor jou?
Een Vierde.
Wie is nou niet bang voor jou? Je toonde
Laatst nog te Lunde ons wat van je kunsten.
Peer Gynt.
’k Kan meer nog dan dat, als ik eerst maar eens los kom!
Eerste Jongkerel (fluisterend:)
Nu komt hij op dreef!
Verscheidenen (vormen een kring om hem heen).
Nu komt hij op dreef! Vertel; vertel!
Wat kan je?
Peer Gynt.
Wat kan je? Ja, morgen …!
Anderen.
Wat kan je? Ja, morgen …! Neen, van avond nog, Peer!
Een Meisje.
Kan je toov’ren Peer?
Peer Gynt.
Kan je toov’ren Peer? ’k Kan den duivel bezweren!
Een Man.
Dat kon grootmoeder ook al, vóór ik bestond!
Peer Gynt.
Leugens! Wat ik kan dat kan niemand anders.
Ik heb hem één keer toch gejaagd in een noot.
Die was wormstekig, zie je!
Verscheidenen (lachend).
Die was wormstekig, zie je! Dat laat zich begrijpen!
Peer Gynt.
Hij vloekte en jankte en wilde mij geven
Alles en nòg wat …
Eén uit den hoop.
Alles en nòg wat … Maar hij moest er in?
Peer Gynt.
Dat spreekt. Ik stopte ’t gat dicht met een pen.
O! Dat was me een gebrom en gerommel!
Een Meisje.
Verbeeld je!
Peer Gynt.
Verbeeld je! ’t Was net het gegons van een hommel.
Het Meisje.
Zit hij nu nog in die noot, zeg?
Peer Gynt.
Zit hij nu nog in die noot, zeg? Neen.
Nu is hij lang al weer er van door.
Het is zijn schuld dat Aslak zoo ’t land aan mij heeft.
Een Jongkerel.
Hoe zoo?
Peer Gynt.
Hoe zoo? ’k Ging naar de smidse en vroeg
Of hij de noot voor mij wilde kraken?
“Welzeker!” Hij legde ze neer op het aambeeld;
Maar Aslak pakt erg hardhandig aan;…
En slaat er terstond op met zijn hamer …
Een Stem uit de menigte.
Sloeg hij hem morsdood toen?
Peer Gynt.
Sloeg hij hem morsdood toen? Hij sloeg als een man.
Maar slim was de ander, en stoof als een brand
Dwars door het dak heen en scheurde den wand.
Verscheidenen.
En Aslak …?
Peer Gynt.
En Aslak …? Stond met gebrande handen.
Sedert dien dag mag hij mij niet lijden.
(algemeen gelach).
Enkelen.
Die mop is wel goed!
Anderen.
Die mop is wel goed! Dat is wel zijn beste!
Peer Gynt.
Denk jullie dat ik wat verzin?
Een Man.
Denk jullie dat ik wat verzin? O neen,
Dat is niet noodig; ik ken al het meeste
Van vroeger …
Peer Gynt.
Van vroeger … Leugens! ’t Is mij gebeurd!
De Man.
Net zoo als alles.
Peer Gynt (met een handzwaai).
Net zoo als alles. Wat! Ik kan rijden
Dwars door de lucht heen op wilde paarden!
Och, ik kan allerlei dingen doen, weet je.
(weer schaterend gelach).
Een uit de bende.
Rijd eens door de lucht, Peer!
Velen.
Rijd eens door de lucht, Peer! Toe ja, Peer Gynt …
Peer Gynt.
Je hoeft er niet zoo om te bedelen, zeg.
Ik zal rijden als een stormwind over jullie allen!
’t Heele kersspel zal nog te voet mij vallen!
Een oudere Man.
Nu is hij stapelgek al.
Een Tweede.
Nu is hij stapelgek al. Stuk vee!
Een Derde.
Opsnijder!
Een Vierde.
Opsnijder! Leugenbrok!
Peer Gynt (dreigt hen).
Opsnijder! Leugenbrok! Wacht maar, jawel!
Een Man (halfdronken).
Ja wacht; jou krijgen wij wel eens te pakken!
Verscheidenen.
Dan slaan wij je murw! En ’n paar blauwe oogen!
(De troep verspreidt zich, de ouderen kwaad, de jongeren spottend en lachend).
De Bruidegom (vlak bij hem).
Zeg Peer, is het waar, kan je door de lucht rijden?
Peer Gynt (kort).
Zeker, Mads! Geloof maar dat ik wat mans ben.
De Bruidegom.
Heb je dan ook den mantel, die maakt onzichtbaar?
Peer Gynt.
Den hoed, bedoel je? Ja, dien heb ik ook.
(keert zich van hem af. Solvejg gaat over de dansplaats met Helga aan de hand).
(Peer Gynt naar hen toe, met stralende oogen).
Solvejg! O, ’t is goed dat je komt, hoor! (grijpt haar pols).
Nu zal ik je draaien lustig in ’t rond!
Solvejg.
Laat mij los!
Peer Gynt.
Laat mij los! Waarom?
Solvejg.
Laat mij los! Waarom? Je bent zoo wild.
Peer Gynt.
Ook het rendier is wild, als de zomer nadert.
Kom toch, deern, en wees niet zoo dwars!
Solvejg (trekt haar arm terug).
’k Durf niet.
Peer Gynt.
’k Durf niet. Waarom niet?
Solvejg.
’k Durf niet. Waarom niet? Je hebt gedronken.
(gaat met Helga weg).
Peer Gynt.
Je mes moest je hun kunnen steken
Dwars door hun korpus … allemaal!
De Bruidegom (stoot hem aan met zijn elleboog).
Kan jij mij niet bij mijn bruid binnen laten?
Peer Gynt (verstrooid).
Je bruid? Waar is die?
De Bruidegom.
Je bruid? Waar is die? In ’t blokhuis.
Peer Gynt.
Je bruid? Waar is die? In ’t blokhuis. Zoo, zoo.
De Bruidegom.
Och toe, Peer Gynt, doe jij eens je best!
Peer Gynt.
Neen, jij moet ’t zonder mijn hulp klaar spelen.
(een gedachte gaat hem door het hoofd; hij zegt zachtjes en heftig:)
Ingrid in ’t blokhuis! (nadert Solvejg).
Ingrid in ’t blokhuis! Heb jij je bedacht, zeg?
(Solvejg wil doorgaan, hij treedt haar in den weg).
Je schaamt je omdat ik wel een schooier lijk.
Solvejg (haastig).
Dat doe ik niet, neen, en dat ’s ook niet waar!
Peer Gynt.
Jawel, en ’n beetje heb ik ’m òm;
Maar dat was uit nijd, omdat jij mij afwees.
Kom nou!
Solvejg.
Kom nou! ’k Mag niet, al zou ik wel willen!
Peer Gynt.
Voor wie ben je bang?
Solvejg.
Voor wie ben je bang? Voor vader ’t meest.
Peer Gynt.
Vader? O, dat is zeker zoo’n stille!
Die ’t hoofd laat hangen? Of niet soms, zeg?
Solvejg.
Wat moet ik zeggen?
Peer Gynt.
Wat moet ik zeggen? Hoor je tot de vromen?
Je vader, je moeder, en ook jij?
Nou, kan je niet spreken?
Solvejg.
Nou, kan je niet spreken? Laat mij met rust.
Peer Gynt.
Neen! (gedempt maar heftig en bangmakend:)
Neen! Ik kom bij je als een booze geest!
Ik kom voor je bed staan, als de klok twaalf slaat van nacht.
Hoor je dan om je heen blazen en sissen,
Dan hoef je niet te denken dat het maar de kat is.
Dat ben ik dan! Ik tap je bloed af in een kop;
En je kleine zusje eet ik heelemaal op;
Ja, je moet ’t maar weten dat ik ’s nachts een weerwolf ben.
’k Zal je bijten in je lenden, je rug …
(slaat plotseling over en smeekt als in angst:)
Dans met mij, Solvejg!
Solvejg (kijkt hem donker aan).
Dans met mij, Solvejg! Hè, dat was slecht!
(gaat de kamer binnen).
De Bruidegom (komt weer aangeslenterd).
Je krijgt van mij een koe, als je me helpt!
Peer Gynt.
Je krijgt van mij een koe, als je me helpt! Dat ’s goed!
(Zij gaan achter het huis. Op ’t zelfde oogenblik komt er een heele troep van de dansplaats; de meesten zijn dronken. Drukte en lawaai, Solvejg en Helga komen met hun ouders en een aantal oudere gasten aan de deur).
De Keukenmeester (tegen den smid die vooraan staat in den troep:)
Bedaard!
De Smid (trekt zijn buis uit).
Bedaard! Neen, nu moet ’t maar uitgemaakt
Worden, Peer Gynt of ik moet ’t veld maar ruimen.
Eenigen.
Ja, laat ze eens vechten!
Anderen.
Ja, laat ze eens vechten! Neen, enkel razen!
De Smid.
Woorden doen niets; de vuist moet het doen.
Solvejg’s Vader.
Kalm toch, man!
Helga.
Kalm toch, man! Moeder, gaan ze ’m slaan?
Een Jongkerel.
Laat ons liever pret maken over zijn leugens.
Een Tweede.
’m Jagen van de dansvloer!
Een Derde.
’m Jagen van de dansvloer! ’m Spuwen in zijn bakkes!
Een Vierde (tegen den smid:)
Blijf jij er bij, zeg?
De Smid (gooit zijn buis uit).
Blijf jij er bij, zeg? ’t Beest wordt geslacht, hoor!
Solvejgs Moeder (tegen Solvejg:)
Nou zie je eens hoe ze dien vent hier achten.
Aase (komt met een stok in de hand).
Is Peer mijn zoon hier? Want nou krijgt hij slaag;
’k Geef hem een rammeling die hem heugen zal!
De Smid (stroopt zijn hemdsmouwen op).
Voor zoo’n schavuit is ’n stok veel te zacht.
Sommigen.
Aslak zal ’m raken.
Anderen.
Aslak zal ’m raken. ’m Beuken!
De Smid (spuwt in zijn handen en knikt Aase toe).
Aslak zal ’m raken. ’m Beuken! ’k Hang hem op!
Aase.
Wat! Ophangen, Peer! Probeer ’t als je durft;…
Tanden en nagels heeft Aase nog wel!
Waar is hij? (roept over de dansvloer) Peer!
De Bruidegom (komt hard aangeloopen).
Waar is hij? (roept over de dansvloer) Peer! Wel, godallemachtig!
Kom, vader, moeder,…!
De Vader.
Kom, vader, moeder,…! Wat is er te doen?
De Bruidegom.
Peer Gynt heeft …!
Aase (gilt).
Peer Gynt heeft …! Hebben ze ’m doodgeslagen?
De Bruidegom.
Neen, Peer Gynt …! Kijkt daar eens op den berg..
De Menigte.
Met de bruid!
Aase (laat den stok vallen).
Met de bruid! Zoo’n schoelje!
De Smid (als uit de lucht gevallen).
Met de bruid! Zoo’n schoelje! Tegen de steilste kanten
Klautert de kerel op als een geit!
De Bruidegom (huilend).
Hij draagt haar, moeder, als een beer een zwijn!
Aase (maakt een dreigend gebaar tegen hem).
O, viel je er maar af, dat je … (gilt in angst:)
O, viel je er maar af, dat je … Wees toch voorzichtig!
De Boer van Haegstad (komt blootshoofds en bleek van woede:)
Ik draai hem den nek om voor deze streek!
Aase.
God neen! ’k Mag sterven als ik dat laat begaan!
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.
Een smal voetpad hoog boven in ’t gebergte. Vroege ochtend. Peer Gynt loopt haastig en boos het pad af. Ingrid, half-gekleed, in bruidstoilet tracht hem terug te houden.
Peer Gynt.
Ga weg!
Ingrid (schreiend).
Ga weg! Na al wat gebeurd is!
Waarheen dan?
Peer Gynt.
Waarheen dan? Waarheen je wilt.
Ingrid (wringt de handen).
Zoo’n bedrieger!
Peer Gynt.
Zoo’n bedrieger! Schelden helpt niet.
Elk gaat nu zijn eigen weg.
Ingrid.
Schuld … ons beider schuld, die bindt ons!
Peer Gynt.
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen …
Uitgezonderd één …!
Ingrid.
Uitgezonderd één …! Wie is dat?
Peer Gynt.
Jij bent ’t niet.
Ingrid.
Jij bent ’t niet. Wie is het dan?
Peer Gynt.
Weg! Ga nu maar weer terug
Naar je vader!
Ingrid.
Naar je vader! Peer, mijn liefste!
Peer Gynt.
Zwijg!
Ingrid.
Zwijg! Je kunt onmooglijk meenen
Wat je zegt.
Peer Gynt.
Wat je zegt. Ja, óf ik ’t meen!
Ingrid.
Lokken eerst, en dan verstooten!
Peer Gynt.
En waarmee wou jij mij binden?
Ingrid.
Haegstad-hoeve en nog veel meer.
Peer Gynt.
Heb jij een gezangboek bij je?
Heb jij lange gouden haren?
Kijk jij blozend langs je schortje?
Hoû jij vast je moeders rokken?
Zeg?
Ingrid.
Zeg? Neen; maar …?
Peer Gynt.
Zeg? Neen; maar …? Ben jij van ’t voorjaar
Aangenomen?
Ingrid.
Aangenomen? Och maar, Peer …?
Peer Gynt.
Kan jij zedig voor je kijken?
Kan jij afslaan als ’k wat vraag?
Ingrid.
Lieve Heer, hij is krankzinnig!
Peer Gynt.
Wordt hij rein, die naar je kijkt?
Zeg!
Ingrid.
Zeg! Neen, maar …
Peer Gynt.
Zeg! Neen, maar … Wat blijft dan over! (wil weggaan).
Ingrid (treedt hem in den weg).
Weet je dat ’t je dood kan zijn
Als je weggaat?
Peer Gynt.
Als je weggaat? ’t Is best mooglijk!
Ingrid.
Geld en goed en eer verkrijg je
Als je mij neemt …
Peer Gynt.
Als je mij neemt … Dank je wel.
Ingrid (barst in tranen uit).
O, jij lokte …!
Peer Gynt.
O, jij lokte …! En jij woû wel.
Ingrid.
’k Was wanhopend!
Peer Gynt.
’k Was wanhopend! Ik was dol.
Ingrid (dreigend).
Goed; ik zet het je betaald!
Peer Gynt.
’t Duurste is dan nog goedkoop.
Ingrid.
Blijf je er bij dus?
Peer Gynt.
Blijf je er bij dus? Muurvast, ja.
Ingrid.
Best; wij zullen zien wie ’t wint dan! (gaat het pad af).
Peer Gynt (is een poos stil, dan roept hij luid).
Naar den duivel met dat alles!
Naar den duivel alle vrouwen!
Ingrid (draait haar hoofd om en roept smalend naar boven:)
Uitgezonderd één!
Peer Gynt.
Uitgezonderd één! Ja, één.
(Zij gaan ieder huns weegs).
Langs een bergmeer; de grond rondom is week en moerassig. Een onweer komt op.
Aase, wanhopig, roept en kijkt naar alle kanten in ’t rond. Solvejg heeft moeite haar bij te houden. Hare ouders en Helga komen een eind achter hen aan.
Aase (slaat om zich heen en trekt zich de haren uit het hoofd).
Alles werkt mij tegen met boos geweld,
Water en bergen en onweerslucht!
Nevels balt de hemel om hem te doen dwalen!
Het valsche meer wil hem ’t leven benemen!
Rolsteenen en sneeuwval willen hem neerslaan;
En dan de menschen! Als die hem eens krijgen …!
Maar ’t zal hun niet lukken! ’k Kan hem niet missen nog
Dat de duivel hem dat nu ook inblazen moest!
(keert zich tot Solvejg).
Ja, wie kon zoo iets nu ooit denken, niet waar …?
Hij, die enkel zwetsen en liegen kon,
En alleen dapper was met zijn mond;
Hij, die nog nooit iets flinks heeft gedaan;…
Hij …! Je zoudt wel kunnen huilen en lachen …!
Och, zooveel hebben wij al doorstaan!
Ja! Want mijn man, weet je, was aan den drank,
Haalde overal dolle streken uit;
’t Geld werd verkwist, er kwam armoe en gebrek.
Intusschen bleven wij samen thuis zitten
En deden ons best de ellende te vergeten;
Want er tegen vechten dat kon ik niet goed.
Het is zoo hard zijn lot te zien onder de oogen;
En een mensch wil toch ook zijn verdriet wel eens verzetten,
En zien hoe hij zijn gedachten ’t best kan afleiden.
De een doet ’t met brandewijn, de ander met verdichtsels;
Och ja! Zoo namen wij sprookjes dan
Van prinsen en geesten en allerlei meer.
Ook bruidenroof soms. Maar wie had gedacht
Dat zoo iets nu nog spoken zou in hem? (weer angstig).
Huuh, wat een schreeuw! Dat ’s een watergeest of dwerg …
Peer! Peer!… Daar boven op den berg …!
(Loopt hard een kleine hoogte op en kijkt over het water, de anderen komen bij haar).
Aase.
Volstrekt niets te zien!
De Man (stil).
Volstrekt niets te zien! ’t Is het ergst voor hem.
Aase.
Och mijn Peer! Mijn verloren lam!
De Man (zucht zachtjes).
Ja, juist. Verloren.
Aase.
Ja, juist. Verloren. Neen, zeg dat toch niet!
Hij is zoo’n kerel. Geen een is als hij.
De Man.
Wat ben je toch dwaas, vrouw!
Aase.
Wat ben je toch dwaas, vrouw! Och ja, och ja;
Ik ben dwaas; maar mijn jongen is goed!
De Man (altijd gedempt en met zachte oogen).
Zijn ziel is verloren en zijn hart verhard.
Aase (angstig).
Neen toch! Zoo hard zal de Heer niet zijn!
De Man.
Kan hij misschien nog zijn zondenschuld boeten?
Aase (ijverig).
Neen, maar hij kan op een bok door de lucht rijden!
De Vrouw.
Mensch, ben je dol?
De Man.
Mensch, ben je dol? Wat praat je daar toch?
Aase.
Niets ter wereld dat hij niet kan.
Je zult zien, als hij maar in ’t leven mag blijven.
De Man.
’t Beste was dat je ’m aan de galg zal hangen.
Aase (gilt).
Heere Jezus toch!
De Man.
Heere Jezus toch! Heeft de beul hem in handen,
Wie weet of hij dan nog niet komt tot inkeer.
Aase (duizelig).
O, ik word gek nog van je praatjes!
Komt mee! ’t Geldt …
De Man.
Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil.
Aase.
Komt mee! ’t Geldt … Zijn zieleheil. En ook zijn lijf!
Zit hij in ’t moeras, dan trekken wij hem op;
Is hij behekst, dan laten we ’m overluiden.
De Man.
Hm!… Hier is ’n veeweg …
Aase.
Hm!… Hier is ’n veeweg … God mag ’t je loonen
Dat je helpt hem te zoeken!
De Man.
Dat je helpt hem te zoeken! Dat is christenplicht.
Aase.
Zoo? Nou, dan zijn ’t heidenen, al die anderen!
Er was er geen een die mee wilde zoeken …
De Man.
Zij kennen hem te goed.
Aase.
Zij kennen hem te goed. Hij was hun te knap! (wringt de handen).
Bedenkt toch,… zijn leven staat op ’t spel!
De Man.
Hier is ’t spoor van ’n mannevoet!
Aase.
Hier is ’t spoor van ’n mannevoet! Nu hier gaan zoeken.
De Man.
Bij onze berghut zullen we ons verdeelen.
(Hij en zijn vrouw gaan vooruit).
Solvejg (tegen Aase).
Vertel mij nog wat meer.
Aase (droogt haar oogen af).
Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon?
Solvejg.
Vertel mij nog wat meer. Meer van mijn zoon? Ja;…
Alles!
Aase (glimlacht en heft trotsch haar hoofd op).
Alles! Alles? Moe werd je er van!
Solvejg.
Eer zou je moe worden van ’t vertellen,
Dan ik van te luisteren.
Lage, boomlooze heuvels onder het hooggebergte; verder achter bergtoppen. De schaduwen zijn al lang; ’t is al laat op den dag.
Peer Gynt (komt met groote sprongen aan en blijft staan aan de helling).
’t Heele dorp zit mij achterna!
Met geweren en knuppels gewapend zijn zij.
D’ouden Haegstad kan je vóórop hooren brullen …
Alom is ’t bekend: Peer Gynt is er van door!
Dat ’s toch wat anders dan te vechten met een smid!
Dat ’s leven! ’k Voel me als een beer in elk lid.
(slaat in ’t rond en maakt een luchtsprong).
Neerslaan! Smijten! Den waterval stuiten!
Dennen uitrukken met wortel en al!
Dat is leven! Dat sterkt en hardt en maakt vroolijk!
Naar de hel met al die flauwe leugens!
Drie berghutmeiden (loopen over de heuvels schreeuwend en zingend).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters! Wil je bij ons komen slapen?
Peer Gynt.
Wie roep je daar zoo?
De Meiden.
Wie roep je daar zoo? Kabouters! Kabouters!
Eerste Meid.
Trond! Kom, wees smachtend!
De Tweede.
Trond! Kom, wees smachtend! Baard! Kom, wees woest!
De Derde.
Verlaten staan alle bedsteden ginder!
De Eerste.
Woest is smachtend!
De Tweede.
Woest is smachtend! En smachtend is woest!
De Derde.
Zijn er geen jongens, dan neem je een berggeest!
Peer Gynt.
Waar zijn dan de jongens?
Alle Drie (stiklachend).
Waar zijn dan de jongens? Die kunnen niet komen!
De Eerste.
De mijne, die noemde mij z’n liefje, zijn schat;
Nu is hij getrouwd met een halfsleet weeuwtje.
De Tweede.
De mijne ontmoette ’n Zigeunerin in ’t Noorden.
Nu zwerven zij samen als landloopers rond.
De Derde.
De mijne, die maakte ons kleintje dood.
Nu staat zijn kop op een paal te grijnzen.
Alle Drie.
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters, wil je bij ons komen slapen?
Peer Gynt (staat met een sprong ineens tusschen hen in).
Ik ben een kabouter en sta je alle drie!
De Meiden.
Ben jij zoo’n kerel, zeg?
Peer Gynt.
Ben jij zoo’n kerel, zeg? Dat zal je eens zien!
De Eerste.
Kom mee dan! Kom mee dan!
De Tweede.
Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’!
Peer Gynt.
Kom mee dan! Kom mee dan! Er is meed’! Schenk ze in stroomen!
De Derde.
Dezen nacht zal geen enkele bedstee hier leeg staan!
De Tweede (kust hem).
Hij knettert en sputtert als ’t gloeiende ijzer.
De Derde (evenzoo).
Als ’n kinderoog uit den donkersten vijver.
Peer Gynt (danst in hun midden).
Droef het hart en dol de kop;
Met lachend oog; de keel gesnoerd!
De Meiden (trekken lange neuzen tegen de bergtoppen, schreeuwen en zingen).
Trond in de Valbergen! Baard en Kaare!
Kabouters!… Zou je bij ons willen slapen?
(Zij dansen de heuvels over met Peer Gynt in hun midden).
In het Rondgebergte. Zonsondergang. Lichtende sneeuwtoppen rondom.
Peer Gynt (komt verward en verwilderd op).
Kasteelen verrijzen al hooger!
O, wat een schittrende poort!
Sta toch! Blijf staan! Het wijkt al
Verder en verder terug!
Hoog op den toren slaat er
’t Haantje zijn vleugels al uit;.…
Verblauwend in verre kloven
Vliedt alles … de berg ’s weer dicht.
Wat zijn dat voor stammen en wortels.
Opschietend uit spleten daar?
Dat zijn reuzen met reigerpooten!
Nu zinken die ook weer weg.
Als regenboog-strepen daast het
Vlijmend in oog en brein.
Wat is dat voor klokkengelui nu?
Wat drukt ’t op mijn oogen zwaar!
O, hoe het woelt in mijn voorhoofd …
Die ring, die mij brandt als vuur …!
Ik kan mij maar niet meer bezinnen
Wie duivel mij dien óm bond!
(zinkt neer).
’t Rijden over den Gendin
Leugens en zinsbedrog?
Op tegen muursteile wanden
Met de bruid … en ’n dag lang in roes
Jagende valken en gieren,
Dreigend kaboutervolk,
Scharrelen met dolle meiden;…
Leugens en zinsbedrog!
(staart lang in de hoogte).
Daar zie ik twee arenden drijven.
Naar ’t Zuiden de ganzen gaan.
En ik moet hier zwoegen en ploetren
In modder en vuil, kniehoog! (springt op).
Ik wil mee! Ik wil wasschen mij rein in
Der scherpste winden bad!
Ik wil óp! ’k Wil mij vermooien
In stralenden zonneglans!
Ik wil weg, ver over de bergen,
’k Wil rijden tot ’k alles vergeet;
Ik wil voort over zilte zeeën,
En hoog over Engelands prins;
Ja, kijkt maar naar boven, meisjes;
Wat ik doe gaat niemand aan;
Wat sta je beneden te wachten …?
Ja, misschien val ik toch wel omlaag.
Waar zijn nu die arenden heen weer?…
De duivel heeft ze gehaald!…
Daar rijst nu een hooge gevel;
Al grooter wordt ’t puntige dak;
Uit steengruis groeit ’t heele huis op;…
Kijk, wijd open staat de deur
Ha, nu herken ik het huis wel,
Dat is grootvaders nieuwe plaats!
Weg is het oude kavalje,
Weg ’t hek, dat op vallen stond.
En blinken doen alle ruiten;
Er is feest in de groote zaal.
Daar hoorde ik tegen zijn glas juist
Den proost tikken met zijn mes;…
Daar smijt de kaptein zijn flesch weg …
Dat de spiegel in scherven springt;
Laat gaan maar! Laat alles gaan maar!
Stil moeder; het doet er niet toe!
De rijke Jon Gynt viert er feest nu;
Hoera voor ’t geslacht der Gynts!
Wat ’s dat voor een joelen en schreeuwen?
Wat voor een rumoer en lawaai?
De kapitein roept om Peer-zoon,…
De proost wil drinken op mij.
Vooruit, Peer Gynt, naar binnen,
Daar klinkt de uitspraak dan:
Peer, jij bent van groote afkomst,
En wat groots zal je worden eenmaal!
(Hij rent vooruit, maar loopt met zijn neus tegen een rotsblok, valt en blijft liggen).
Een berghelling met groote ruischende loofboomen. Sterren blinken door het loof heen; vogels zingen in de toppen. Een in ’t groen gekleede vrouw loopt over de helling. Peer Gynt loopt haar achterna met allerlei verliefde gebaren.
De In-’t-groen-gekleede (blijft staan en keert zich om).
Is het waar?
Peer Gynt (strijkt als snijdend langs zijn keel).
Is het waar? Zoo waar als ik Peer heet;…
Zoo waar als jij een prachtige vrouw bent!
Wil je mij, zeg? Je zult zien hoe netjes ik ben;
Je zult niet hoeven te weven of te spinnen.
Eten zal je hebben, zooveel als je maar òp kunt.
Nooit zal ik je bij je haren trekken …
De In-’t-groen-gekleede.
En mij niet slaan ook?
Peer Gynt.
En mij niet slaan ook? Neen; dacht je dat?
Een koningszoon zal toch geen vrouwvolk slaan.
De In-’t-groen-gekleede.
Ben je een koningszoon?
Peer Gynt.
Ben je een koningszoon? Ja.
De In-’t-groen-gekleede.
Ben je een koningszoon? Ja. Ik ben ’t kind van Dovre’s koning.
Peer Gynt.
Ben je? Wel, kijk eens, hoe prachtig dat treft.
De In-’t-groen-gekleede.
Binnen in Rondeberg is vaders slot.
Peer Gynt.
Dat van moeder is grooter, zoover ik zien kan.
De In-’t-groen-gekleede.
Ken je mijn vader? Hij heet koning Brose.
Peer Gynt.
Ken je mijn moeder? Zij heet Koningin Aase.
De In-’t-groen-gekleede.
Als vader raast, dan splijten de bergen.
Peer Gynt.
Zij gaan duik’len als moeder maar aan ’t kijven gaat.
De In-’t-groen-gekleede.
Vader kan ’t hoogste gewelf wel omspannen.
Peer Gynt.
Moeder kan den snelsten stroom wel doorrijden.
De In-’t-groen-gekleede.
Heb je anders geen kleeren dan die lompen daar?
Peer Gynt.
O, je moest mijn zondagsche pak maar eens zien!
De In-’t-groen-gekleede.
Ik loop door de week ook in goud en zijde.
Peer Gynt.
Maar dit lijkt toch meer op bladen en stengels.
De In-’t-groen-gekleede.
Ja, er is één ding, onthoud dat vooral;
Dat is bij het Rondevolk zoo gebruik:
Al ons eigendom heeft twee kanten.
Als je meegaat naar mijn vaders slot
Kon ’t gebeuren, dat je op den schijn afgaande,
Meenen zoudt in een kale steenwoestijn te staan.
Peer Gynt.
Ja, dat ’s nu eigenlijk precies zoo bij ons!
’t Verguldsel zou lijken vol roest en roet,
En misschien zou je wel de glinstrende ruiten
Voor opgestopt houden met lappen en lompen.
De In-’t-groen-gekleede.
Zwart lijkt er wit en leelijk mooi.
Peer Gynt.
Groot lijkt er klein, en smerig lijkt rein.
De In-’t-groen-gekleede.
Ja, Peer, ik zie wel dat wij bij elkaar passen!
Peer Gynt.
Als ’t been bij de broek, als de kam bij de haren.
De In-’t-groen-gekleede (roept achterom naar den berg).
Bruidspaardje! Bruidspaardje! Kom dan toch, mijn paardje!
(Een reusachtig groot varken komt aangeloopen met een touw als tuig en een ouden zak als zadel. Peer Gynt springt er met een zwaai op en neemt de vrouw vóór zich).
Peer Gynt.
Heisa! Wij rijden door de Rondepoort binnen,
Spoed je, spoed je, mijn vurig ros!
De In-’t-groen-gekleede (teeder).
Ach, gistren nog liep ik zoo moe en mat;…
Je weet toch maar nooit wat gebeuren kan!
Peer Gynt (zweept het varken dat weg draaft).
De koningshal van den Kabouterkoning. Groote bijeenkomst van Hofkabouters, Berggeesten en Aardmannetjes. De Koning op een troon, met kroon en scepter. Zijn kinderen en naaste bloedverwanten aan zijn beide zijden. Peer Gynt staat vóor hem. Groote beweging in de zaal.
De Hofkabouters.
Slacht hem! De christenzoon heeft verdwaasd
Des Kabouterkonings lieflijkste maagd!
Een jonge Kabouter.
Mag ’k hem in zijn vinger snijden?
Een Tweede.
Mag ’k hem in zijn vinger snijden? Mag ’k hem trekken aan zijn haar?
Een Kaboutermeisje.
Huuh! Laat mij hem bijten in zijn dijen!
Een Heks (met een schuimspaan).
Wordt er pekelvleesch van hem gemaakt?
Een Tweede (met een slachtmes).
Moet ik hem aan ’t spit braden of in de pan smoren?
De Kabouterkoning.
Doet wat ijs in je bloed!
(wenkt zijn getrouwen naderbij).
Doet wat ijs in je bloed! Laat ons niet zoo brallen.
’t Is met ons achteruit gegaan de laatste jaren;
Wij hebben den rechten houvast verloren,
En hulp van ’t volk moeten wij niet versmaden.
Daarbij schijnt het jongmensch zonder gebreken;
En sterk gebouwd ook, zoover ik kan zien.
Waar is ’t dat hij maar één enkel hoofd heeft;
Maar och, mijn dochter heeft er ook al niet meer;
Driehoofds-kabouters gaan uit de mode,
Zelfs tweehoofd’ge krijgt men haast niet meer te zien;
En dan zijn die hoofden toch nog maar zoo-zoo.
(tegen Peer Gynt).
Het is dus mijn dochter die je begeert?
Peer Gynt.
Uw dochter en ’t rijk als bruidsschat er bij.
De Kabouterkoning.
Het halve krijg je nu bij mijn leven,
En de andre helft als ’t met mij eens gedaan raakt.
Peer Gynt.
Daar ben ’k mee tevreê.
De Koning.
Daar ben ’k mee tevreê. Ja, stop, mijn zoon!…
Jij moet ook nog een paar beloften geven;
Alles is verbroken, als je er een verbreekt,
En je komt niet levend meer hier van daan dan …
Allereerst moet je beloven, dat je nooit meer omkijkt
Naar wat er ligt buiten de grenzen van Ronde;
Dag en daad moet je schuwen,… elk plekje licht.
Peer Gynt.
Noemt men mij maar koning, dan valt mij dat licht.
De Koning.
En dan,… nu zal ’k op den tand je voelen …
(staat op van zijn troon).
De Oudste Hofkabouter (tegen Peer Gynt).
Laat zien of je hebt genoeg verstand
En ’s konings raadselnoot weet te kraken!
De Koning.
Waarin verschilt ’n kabouter van een man?
Peer Gynt.
Er is heel geen verschil, zoo ver ik zie.
Grooten willen knijpen en kleinen wringen;…
Net zooals bij ons, als zij maar durfden.
De Koning.
Zeer waar; daarin zijn we ’t eens, en in meer.
Maar ochtend is ochtend, en avond, avond,
Dus verschil blijft er alevel toch.
Nu zal ik je zeggen waarin dat dan zit:
Daarbuiten, onder het lichtend gewelf,
Onder menschen heet ’t: Man, wees je zelf!
Hier binnen bij ons, bij ’t kaboutervolk
Daar heet ’t: “Wees je zelf … genoeg!”
De Hofkabouter.
Vat je den zin wel?
Peer Gynt.
Vat je den zin wel? ’t Lijkt mij wat duister.
De Koning.
“Genoeg” mijn zoon, dat afsnijdend, sterke
Woord, moet voortaan je lijfspreuk worden.
Peer Gynt (krabt zich achter het oor).
Ja, maar …
De Koning.
Ja, maar … Dat moet, als je hier zult regeeren!
Peer Gynt.
Nou goed; vooruit maar; dat is niet het ergste.…
De Koning.
Daarbij moet je leeren en stellen op prijs
Onze eenvoudige, huis’lijke levenswijs.
(Hij wenkt; twee kabouters met varkenskoppen, witte slaapmutsen enz. brengen spijs en drank).
De koe geeft koeken en de os geeft meed’;
Vraag niet of ze smaken zuur of zoet;
Hoofdzaak is, en dat ’s niet te vergeten,
Dat het thuis toebereid is.
Peer Gynt (duwt de dingen weg).
De duivel haal’ jullie huismanskost!
’k Wen zeker nooit aan dat landsgebruik.
De Koning.
De nap hoort er bij en die is van goud.
En wie dien bezit heeft mijn dochters gunst.
Peer Gynt (huilend).
Er staat geschreven: gij zult uzelven dwingen;
Op den duur lijkt misschien die drank minder zuur.
Komaan! (geeft toe).
De Koning.
Komaan! Kijk, dat ’s een verstandig woord.
Spuw je?
Peer Gynt.
Spuw je? Ik moet maar hopen dat ’t wennen zal.
De Koning.
Dan ook moet je afleggen al je christlijke kleeren;
Want dit moet je weten ons Dovre ter eere,
Hier is alles bergarbeid, niets komt uit het dal,
Behalve de zijden strik aan ’t eind van den staart.
Peer Gynt (nijdig).
Ik heb geen staart!
De Koning.
Ik heb geen staart! Dien kan je krijgen.
Kamerheer, bind hem mijn zondagschen staart aan.
Peer Gynt.
Probeer ’t niet! Wat denk je wel … dat gaat te ver!
De Koning.
Vrij nooit naar mijn dochter met naakt achterstel.
Peer Gynt.
Menschen maken tot een dier!
De Koning.
Menschen maken tot een dier! Mijn zoon, je dwaalt!
Ik maak je gewoon tot een hoofschen vrijer.
Je krijgt een hèl-gelen strik te dragen,
En dat geldt nu hier voor de grootste eer.
Peer Gynt (nadenkend).
Men zegt toch, een mensch is maar een zucht.
En men moet zich wat schikken naar ’t gebruik.
Bind maar aan!
De Koning.
Bind maar aan! Je bent ’n geschikte knaap.
De Hofkabouter.
Probeer nu ook eens hoe mooi je kunt kwisp’len!
Peer Gynt (nijdig).
Zeg, wil je mij tot nog meer dingen dwingen?
Eisch je soms ook nog mijn christengeloof?
De Koning.
Neen, dat mag je houden, wees maar gerust.
Geloof is hier vrij, daar legt niemand beslag op;
Aan handel en wandel herkent men den kabouter.
Als wij ’t maar eens zijn over doen en laten,
Mag je wel geloof noemen, wat bij ons vrees heet.
Peer Gynt.
Je bent toch, je vele fratsen ten spijt,
Een verstandiger kerel dan men zou denken.
De Koning.
Mijn zoon, wij zijn beter dan onze reputatie;
Dat is ook al een verschil tusschen jullie en ons …
Maar laat het nu met den ernst gedaan zijn;
Nu gaan wij ooren en oogen vergasten.
Speelmeisje, voor! Laat de Dovre-harp klinken!
Kom, dansmeisje! Toon hoe in Dovre men danst!
(Spel en dans).
Hofkabouter.
Wat dunkt je er van?
Peer Gynt.
Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!…
De Koning.
Wat dunkt je er van? Wat? Ja … hm!… Spreek zonder vrees.
Wat zie je, zeg?
Peer Gynt.
Wat zie je, zeg? Een afschuwelijk spel.
Met ’r hoeven slaat een bellenkoe op darmsnaren los;
In ’n kniebroekje trippelt een bigge daarbij.
Hofkabouters.
Verslindt hem!
De Koning.
Verslindt hem! Bedenkt, hij heeft menschenzinnen!
Vrouwelijke Kabouters.
Ooren af, oogen uit moet je hem rukken!
De Dochter (huilend).
Huhu! Dat moeten tot loon wij hooren,
Als ik en mijn zusje spelen en dansen!
Peer Gynt.
Och kom, was jij het? Nou, een grapje,
Dat weet je wel, is niet zoo kwaad gemeend.
De Dochter.
Kan ’k daarop vertrouwen?
Peer Gynt.
Kan ’k daarop vertrouwen? Zoowel dansen als spelen
Was, haal mij de koekoek, allerliefst.
De Koning.
’t Is wat wonderlijks met der menschen aard;
Die blijft zoo merkwaardig lang soms hangen;
Krijgt die een knauw bij ons in d’ omgang
Wordt ’t wel een litteeken, maar geneest heel gauw.
Mijn schoonzoon is nu zoo schappelijk als mooglijk;
Goedschiks trok hij zijn christenpak uit;
Goedschiks heeft hij van de mede gedronken,
Goedschiks laten aanbinden zelfs zijn staart …
Zoo gewillig in ’t kort, voor al wat ik hem vroeg,
Dat ’k stellig al dacht, de oude Adam
Was eens en voor altijd de poort uitgejaagd;
Maar kijk, daar op-eens is hij weer terug.
Ja, ja, dan is er noodig een kuur
Voor die hardnekkige menschennatuur.
Peer Gynt.
Wat wil je dan doen?
De Koning.
Wat wil je dan doen? In ’t linker oog
Geef ’k even ’n sneetje; dan kijk je scheel;
Maar al wat je ziet lijkt dan gaaf en mooi.
Dan snijd ik je rechter kijkglas uit …
Peer Gynt.
Ben je dronken?
De Koning (legt eenige scherpe instrumenten op tafel).
Ben je dronken? Hier zie je mijn instrumenten;
Oogkleppen krijg je als een ouwe knol;
Dan zal je haar prachtig vinden, je bruid,…
En nooit maken je oogen je dan meer wat wijs
Van tripp’lende biggen en ’n bellenkoe …
Peer Gynt.
Dat is gekkenpraat!
De Oudste Hofkabouter.
Dat is gekkenpraat! Dat is echte koningstaal.
Hij is de wijze, jij bent de gek!
De Koning.
Bedenk voor hoevele verdrietelijkheden
Je daardoor bewaard blijft je heele leven.
Zie het toch in dat je oogen de bron zijn
Van ’t bijtende, kwellende tranenloog.
Peer Gynt.
Heel waar. En ik ken ook den bijbeltekst:
Ergert uw oog u, ruk het dan uit.
Maar zeg eens! Wanneer geneest dat dan weer,
Wordt ’n menschenoog weer?
De Koning.
Wordt ’n menschenoog weer? Dat wordt het nooit meer.
Peer Gynt.
Zoo! Ja, dan zal ik maar dankje zeggen.
De Koning.
Wat wil je gaan doen?
Peer Gynt.
Wat wil je gaan doen? ’k Ga er van door.
De Koning.
Neen, halt! ’t Is gemaklijk hier binnen te komen!
Maar Dovre-konings poort laat niemand meer uitgaan.
Peer Gynt.
Je zult mij toch niet met geweld willen dwingen?
De Koning.
Hoor eens, wees nu verstandig, prins Peer!
Je hebt aanleg voor kabouter. Niet waar, hij doet
Zich nu al zoo taamlijk kabouterachtig voor.
En dat wil je immers ook?
Peer Gynt.
En dat wil je immers ook? Ja, zeker, dat wil ’k.
Voor een bruid en een koninkrijk op den koop toe,
Kan ik mij wel ’t een en ander getroosten.
Maar maat moet er in alle dingen toch zijn.
Den staart nam ik aan, dat ’s volkomen waar:
Maar ik kan losmaken wat een ander bond.
Mijn broek gooide ik uit; hij was oud en gelapt;
Maar dien krijg ik desnoods wel weer dicht geknoopt.
En mooglijk zie ’k ook nog wel kans vrij te komen
Van die kaboutersche levensmanier.
Ik wil graag ook zweren dat een koe een meisje is,…
Een eed kan je altijd wel stil weer opslikken;
Maar dat je nooit van je leven weer vrij komt,
Dat je niet kunt doodgaan als ’n fatsoenlijk mensch,
Kabouter moet blijven al je levensdagen …
En vooral dat je dus nooit meer terug kunt treden …
Zooals ’t boekje zegt: mij daarop toe te leggen,
Dat ’s iets waar ik voor pas, moet ik je zeggen.
De Koning.
Nu word ik waarachtig toch nijdig, hoor;
En dan valt er voorwaar niet te spotten met mij.
Jij, bleeke melkmuil! Weet jij wel wie ik ben?
Eerst vergrijp jij je aan mijn dochter hier …
Peer Gynt.
Dat ’s gelogen, zeg ik!
De Koning.
Dat ’s gelogen, zeg ik! Je moet haar toch trouwen.
Peer Gynt.
Durf je te beweren dat …?
De Koning.
Durf je te beweren dat …? Wat? Kan je ontkennen
Dat je haar begeerde en achterna liep?
Peer Gynt (fluit).
Anders niet? Alsof dàt iemand zon binden!
De Koning.
Die menschen blijven toch altijd zich gelijk.
De bedoeling erken je volmondig genoeg;
Maar van kracht is alleen wat tastbaar is te grijpen;
Dus jij denkt dat begeeren maar niets beteekent?
Wacht maar; jou zal gauw een licht opgaan …
Peer Gynt.
Mij vang je toch niet met je leugenaas!
De Dochter.
Mijn Peer, vader wordt je vóór ’t eind van ’t jaar.
Peer Gynt.
Doe open; ’k wil er uit!
De Koning.
Doe open; ’k wil er uit! In ’n bokkevel
Krijg jij ’t jong thuisgestuurd.
Peer Gynt (wischt zich het zweet af).
Krijg jij ’t jong thuisgestuurd. Was ’k maar weer wakker!
De Koning.
Moet ’t naar ’t koningspark?
Peer Gynt.
Moet ’t naar ’t koningspark? Stuur ’t aan ’t kerspel!
De Koning.
Goed, prins Peer, dat is dan jouw zaak.
Maar zooveel is zeker: gedaan is gedaan,
En ook dat je telg opgroeien zal;
Zoo’n tweeslachtig ding groeit verbazend snel op …
Peer Gynt.
Toe, oude, wees nou niet zoo’n koppige os;
Meisje, wees wijs! En luister naar rede.
Je moet weten dat ’k geen prins ben en ook niet rijk;…
En of je mij nu wilt meten of wilt wegen,
Je zult er niets bij winnen, al hoû je mij vast.
(De dochter valt flauw en wordt door kaboutermeisjes weggedragen).
De Koning.
Kwakt hem tot moes tegen den bergwand, kindren!
Kleine Kabouters.
Toe, laat ons eerst met hem spelen? Kat en muis!
Wolf en schaap! ’m Bijten en jagen in ’t nauw!
De Koning.
Goed, vooruit! Ik ben nijdig en slaaprig. Goênacht! (af).
Peer Gynt (opgejaagd door de kleine kabouters).
Laat los, duivelstuig!
(wil door den schoorsteen naar boven).
Kleine Kabouters.
Laat los, duivelstuig! Aardmannetjes! Dwergen!
Bijt hem van achtren!
Peer Gynt.
Bijt hem van achtren! Au!
(wil door het keldergat naar beneden).
Kleine Kabouters.
Bijt hem van achtren! Au! Sluit alle spleten!
Hofkabouter.
Wat hebben die kleintjes een pret!
Peer Gynt (vechtend met een kleinen kabouter die zich in zijn oor heeft vastgebeten).
Wat hebben die kleintjes een pret! Laat je los, smeerlap!
Hofkabouter (slaat hem op zijn vingers).
Pas op wat, vlegel, ’t is een koningskind!
Peer Gynt.
Een rattenhol! (loopt er heen).
Kleine Kabouters.
Een rattenhol! Dwergbroertje! Dat moet je stoppen!
Peer Gynt.
De oude was een fielt, maar de jongen zijn erger!
Kleine Kabouters.
Verscheurt hem!
Peer Gynt.
Verscheurt hem! Ach, was ’k maar zoo klein als een muis!
(loopt rond).
Kleine Kabouters (draaien om hem heen).
Sluit den kring! Sluit den kring!
Peer Gynt (huilend).
Sluit den kring! Sluit den kring! Ach, was ’k maar een luis!
(valt neer).
Kleine Kabouters.
Nou op zijn oogen aan!
Peer Gynt (begraven onder den hoop kabouters).
Nou op zijn oogen aan! Help moeder! Ik sterf!
(Klokgelui in de verte).
Kleine Kabouters.
Klokken in ’t gebergte! De zwartrok trekt uit!
(De kabouters vluchten onder gehuil en gebrul. De hal stort in; alles verzinkt).
Stikdonker. Peer Gynt slaat om zich heen en houwt in ’t rond met een grooten tak.
Peer Gynt.
Antwoord! Wie ben je?
Een Stem-in-de-duisternis.
Antwoord! Wie ben je? Ik zelf.
Peer Gynt.
Antwoord! Wie ben je? Ik zelf. Uit den weg!
De Stem.
Ga buitenom, Peer! Er is ruimte genoeg.
Peer Gynt (wil er door op een andere plek, maar wordt gestuit).
Wie ben je?
De Stem.
Wie ben je? Ik zelf. Kan jij ’t zelfde zeggen?
Peer Gynt.
Ik kan zeggen wat ik wil; en mijn zwaard kan raken!
Pas op! Hola hei! Daar valt het al suizend!
Saul versloeg honderd; Peer Gynt slaat er duizend.
(slaat en houwt).
Wie ben je?
De Stem.
Wie ben je? Ik zelf.
Peer Gynt.
Wie ben je? Ik zelf. Die domme praat
Hoû maar vóór je; dat heldert de zaak niet op!
Wát ben je?
De Stem.
Peer Gynt.
Wát ben je? De groote Böjgen2. Och kom!
Eerst was ’t raadsel zwart; nu lijkt het al grijs.
Uit den weg, Böjgen!
De Stem.
Uit den weg, Böjgen! Ga buitenom, Peer!
Peer Gynt.
Er door heen! (slaat en hakt) Hij valt!
(wil vooruit maar stoot weer op tegenstand).
Er door heen! Hoho! Zijn er meer?
De Stem.
Böjgen, Peer Gynt! Eén enkele maar.
Böjgen, die ’n slag kreeg, en toch niet gewond is.
Böjgen, die dood is, en Böjgen die toch leeft.
Peer Gynt (gooit den tak weg).
’t Wapen is behekst; maar ’k heb nog knuisten!
(slaat zich door).
De Stem.
Ja, steun op je knuisten maar, op je lichaam.
Hihi, Peer Gynt, dan bereik je den top wel.
Peer Gynt (komt terug).
Heen of terug, het is even lang …
Er uit of er in, ’t is een zelfde gang!
Dáár is hij! En dáár! Overal rondom!
Zóó als ik er uit ben, sta ’k weer in den kring …
Noem je! Laat mij je zien! Wát ben je dan toch?
De Stem.
Böjgen.
Peer Gynt (tast in ’t rond).
Böjgen. Niet dood; niet levend. Een nevel. Een damp.
Geen gestalte. Ontastbaar! Het is als grijpen
In een hoop brommende halfwakk’re beren! (schreeuwt).
Sla van je af!
De Stem.
Sla van je af! Böjgen is niet gek.
Peer Gynt.
Sla!
De Stem.
Sla! Böjgen slaat niet.
Peer Gynt.
Sla! Böjgen slaat niet. Vecht! Je moet!
De Stem.
De groote Böjgen wint ’t wel zonder vechten.
Peer Gynt.
Was hier maar een dwerg die mij eens kon prikken!
Was hier maar ’n kabouter niet ouder dan één jaar!
Maar iets om mee te vechten. Maar dat is hier niet …
Nou snurkt hij! Böjg!
De Stem.
Nou snurkt hij! Böjg! Wat?
Peer Gynt.
Nou snurkt hij! Böjg! Wat? Gebruik geweld!
De Stem.
De groote Böjgen wint alles met zachtheid.
Peer Gynt (bijt zich in armen en handen).
Klauwen in ’t vleesch, verscheurende tanden!
Ik moet zien een druppel van mijn eigen bloed!
(Men hoort als den vleugelslag van groote vogels).
Vogelgeschreeuw.
Böjg, komt hij?
De Stem.
Böjg, komt hij? Ja! voet voor voet.
De Vogels.
Zusters allen, in de verte! Vliegt hier naar toe!
Peer Gynt.
Wil je mij redden, deern, doe het dan gauw.
Kijk niet zoo schuw en bedroefd voor je uit
Je kerkboek! Smijt het hem vlak in zijn oogen!
De Vogels.
Hij wankelt!
De Stem.
Hij wankelt! Wij hebben ’m.
De Vogels.
Hij wankelt! Wij hebben ’m. Zusters! Gezwind!
Peer Gynt.
Te duur gekocht is het leven zoo,
Met zulk een uur van moordend spel.
(zakt in elkaar).
De Vogels.
Böjg, daar valt hij! Grijp hem! Grijp hem!
(in de verte klinkt klokgelui en psalmgezang).
Böjgen (lost zich op in niets en roept in een doodssnik).
Hij was te sterk. Er stonden vrouwen naast hem.
Zonsopgang. In het gebergte vóór Aase’s berghut. De deur is gesloten; alles stil en leeg.
Peer Gynt ligt te slapen tegen den buitenmuur van de hut.
Peer Gynt (ontwaakt, kijkt rond met tragen slaperigen blik. Hij spuwt).
Hè, ’k wou dat ’k een gezouten haring had!
(spuwt weer, ziet meteen Helga, die met een mand vol etenswaren aankomt).
Ha, kleintje, ben jij daar? Wat wou je hier, zeg?
Helga.
’t Is Solvejg …
Peer Gynt (springt op).
’t Is Solvejg … Waar is zij?
Helga.
’t Is Solvejg … Waar is zij? Hier achter de hut.
Solvejg (verscholen).
Als je hierheen komt, zet ik ’t op een loopen.
Peer Gynt.
Ben je misschien bang dat ik je eens zal pakken?
Solvejg.
Schaam je!
Peer Gynt.
Schaam je! Weet je waar ik was van nacht?…
De kabouterprinses hing aan mijn lijf als een klit.
Solvejg.
Dan was ’t maar goed dat in ’t dorp klokken luidden.
Peer Gynt.
Peer Gynt is de kerel niet dien zij lokken,…
Wat zeg je, hè?
Helga (huilend).
Wat zeg je, hè? O, daar loopt ze al hard weg! (loopt haar na).
Wacht even!
Peer Gynt (houdt haar bij een arm vast).
Wacht even! Kijk eens, wat ’k heb in mijn zak!
Een zilv’ren knoop, zeg! Die is voor jou …
Doe een goed woord voor mij!
Helga.
Doe een goed woord voor mij! Toe, laat mij gaan!
Peer Gynt.
Daar heb je ’m.
Helga.
Daar heb je ’m. Laat los! Daar staat de mand met eten!
Peer Gynt.
God help’ je, als je niet …!
Helga.
God help’ je, als je niet …! Laat mij los! Ik ben bang!
Peer Gynt (zacht; laat haar los).
Ik wou zeggen; vraag haar mij niet te vergeten!
(Helga loopt hard weg).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.
Diep in het pijnbosch. Grauw herfstweer. Sneeuwval. Peer Gynt staat in zijn hemdsmouwen hout te kloven.
Peer Gynt (hakt een groote den met kromme takken om).
Ja, ja, je bent taai, jij ouwe vriend;
Maar dat helpt je niets, je moet er toch aan.
(hakt weer).
Ik zie wel, je draagt een pantserhemd;…
Maar dat sla ’k wel kapot, al was ’t ook nog zoo sterk …
Ja, ja, je schudt je knoestigen arm;
’t Is begrijplijk genoeg, je bent kwaad, hebt ’t land;
Maar hoe ’t ook zij, je moet bukken voor mij …!
(breekt plotseling af).
Zinsbedrog! ’t Is maar een oude boom.
Zinsbedrog! ’t Is geen pantserhemd;
Het is maar een pijnboom met ruigen bast …
Het is inspannend werk, dat boomen hakken,
Maar waanzin te hakken en daarbij nog te droomen.
Dat moet uit zijn nu,… in den mist te staren
En zich klaar wakker te laten wegdrijven …
Verbannen ben je! Een ’t bosch in gejaagde.
(hakt een tijdlang hard door).
Verbannen. Je hebt geen moeder meer
Om je eten te brengen, je tafel te dekken;
Wil je eten, kerel, help dan je zelf maar,
Haal je wat rauws uit bosch of beek.
Zoek je wat rijshout en steek het in brand,
Pruts wat en kook wat en maak maar wat klaar.
Wil je warme kleeren, vang dan een rendier;
Wil je een huis bouwen, houw dan blokken steen;
Wil je ’t opbouwen, moet je balken zagen
En zelf ze op je rug naar de plaats toe dragen.…
(zijn bijl zinkt neer, hij staart voor zich uit).
Mooi zal het worden. ’n Toren met vaan
Zal er op het dak staan en uitsteken hoog;
En op den gevel, van hout gesneden,
Een zeemeermin, met ’n vischstaart in plaats van beenen.
Koper moet er zijn aan het slot en het vaantje.
Glas moet ik ook zien te krijgen nog;
Vreemden zullen dan vragen, verbaasd,
Wat daar zoo schittert verweg in de bergen.
(lacht grimmig).
O helsche leugens! Daar zijn ze weer.
Je bent ’n banneling, kerel!
(hakt weer met woede).
Je bent ’n banneling, kerel! Een dak van schors
Beschut ook voldoend tegen wind en vorst.
(kijkt op naar den boom).
Nu staat hij te wank’len. Kom, nog maar één houw!
Dan valt hij, zoo lang als hij is, van zelf al;
Het trilt al in ’t jonge hout, ruischend en klagend!
(wil beginnen den stam van zijn takken te ontdoen; op-eens luistert hij en blijft stilstaan met opgeheven bijl).
Daar komt iemand achter mij!… Doe je het zóó,
Jij Haegstad-boer;… dat is een valsche streek.
(schuilt weg achter den boom en gluurt).
Een kerel! Maar één. Hij lijkt wel bang.
Schuw kijkt hij in ’t rond. Wat verbergt hij
Onder zijn buis? Een sikkel! Hij staat stil en gluurt,
Legt zijn vuist op zijn stok neer … en nu? Wat is dat?
Waarom staat hij nu stil en grijpt zijn sikkel?
O jé! Daar hieuw hij zijn vinger af!
Zijn heelen vinger! Hij bloedt als een varken!
Daar gaat hij er van door met zijn vuist in een doek.
(staat op).
Die lijkt wel bezeten! Een onmisbare vinger!
Er af! En zonder dat iemand hem dwingt …
Wacht! Nu begrijp ik ’t …! Dat is het eenige
Middel om van den dienst vrij te komen.
Dat is ’t. Zij wilden hem in d’oorlog sturen,
En de kerel natuurlijk, wou niet graag weg …
Maar afhakken …? Hem verliezen voor goed …?
’t Te bedenken, te wenschen, te willen zelfs;
En ’t te doen! Neen, dat begrijp ik toch niet!
(Schudt even het hoofd, dan gaat hij weer aan het werk).
Een kamer in Aase’s huis. Alles is in wanorde; kisten staan open; daagsche kleeren liggen uitgespreid in het rond; een kat in het bed. Aase en de buurvrouw druk bezig met bij elkaar te pakken en op te ruimen.
Aase (loopt naar den éénen kant).
Kari, hoor eens!
Kari.
Kari, hoor eens! Wat is ’t?
Aase (aan den anderen kant).
Kari, hoor eens! Wat is ’t? Hoor eens …!
Waar ligt …? Waar kan ’k vinden …? Zeg eens, waar is …?
Waar zoek ik toch naar? Ik ben als versuft!
Waar is de sleutel van de kist?
Kari.
Waar is de sleutel van de kist? Die steekt er op.
Aase.
Wat rammelt zoo buiten?
Kari.
Wat rammelt zoo buiten? De laatste vracht.
Wordt naar Haegstad gebracht.
Aase (schreiend).
Wordt naar Haegstad gebracht. O, ik zou blij zijn
Als ’k zèlf in de zwarte kist werd uitgedragen!
Och, hoevéél moet een mensch toch lijden en uitstaan!
God zij mij genadig! ’t Heele huis is leeg!
Wat de Haegstad-boer liet staan, nam de deurwaarder mee.
Zelfs de kleeren aan ’t lijf bleven niet gespaard.
’t Is schande een mensch zoo te behand’len!
(gaat op den rand van het bed zitten).
Nu is alles, huis, hof en land verloren;
Hard was de oude, maar harder het gerecht;
Er was geen hulp meer en ook geen genade;
Peer was er niet, en niemand kon mij bijstaan.
Kari.
Hier in huis mag je nu toch blijven tot je dood.
Aase.
Ja, de kat en ik, wij krijgen genadebrood!
Kari.
Ja, moeder, ’t was Peer die je duur kwam te staan!
Aase.
Peer? Zeg, ben je nu heelemaal mal!
Ingrid kwam immers heelhuids weer thuis.
Zij hadden zich bij den duivel moeten houden;…
Hij is de schuldige, hij, en niemand anders;
De booze dreef mijn armen jongen er toe!
Kari.
Zou je niet liever eens om den priester sturen?
’t Gaat hem slechter dan je misschien wel denkt.
Aase.
Om den priester? Och ja, dat was zoo kwaad niet.
(richt zich op).
Maar neen! dat kan ik niet! Ik ben z’n moeder toch;
Ik zal helpen; dat ’s niet meer dan mijn moederplicht;
Doen zooveel ik kan, als geen ander iets doet.
Dat buis hier, mag hij hebben. Dat zal ik lappen.
’k Wou dat ik hun ook dat vel durfde afsnappen!
Waar zijn de kousen?
Kari.
Waar zijn de kousen? Dáár, bij den anderen rommel.
Aase (rommelt er in).
Wat vind ik daar? Och neen maar, een ouden
Gietlepel, Kari! Daarmee heeft hij gespeeld
Knoopen-gieten, smelten en stemplen.
Eens, toen hier feest was, kwam de jongen thuis
En vroeg zijn vader om een klomp tin;
Geen tin, zei Jon, maar koning Christiaans munt,
Zilver; men moet zien dat je een zoon bent van Jon Gynt
God vergeve het Jon; maar dronken was hij,
En dan lette hij op geen goud of geen tin.
Hier zijn de kousen. O, wat een gaten!
Dat geeft stopwerk, Kari!
Kari.
Dat geeft stopwerk, Kari! Dat ’s noodig, dunkt mij.
Aase.
Als dat gedaan is, ga ’k maar naar bed;
Ik voel mij zoo zwak en ziek en benauwd …
Twee wollen hemden; die hebben zij vergeten!
Kari.
Ja, dat hebben zij nèt.
Aase.
Ja, dat hebben zij nèt. Dat treft juist goed.
Het eene kan je op zijde leggen.
Of wacht, wij moesten ze maar beide houden;
Dat wat hij aan heeft is al zoo dun.
Kari.
Maar, moeder Aase, dat mag toch niet!
Aase.
Nou ja, maar je weet, de priester verkondigt
Vergeving voor dit en meer andere zonden.
Buiten een nieuwgebouwde hut in het bosch. Een rendiergewei boven de deur. De sneeuw ligt hoog. Het schemert al. Peer Gynt staat voor de deur en spijkert een groot houten slot vast.
Peer Gynt (lacht nu en dan hardop).
Een slot moet er zijn; een slot dat houdt buiten
Al de kabouters, mannen en vrouwen.
Een slot moet er zijn, om de hut af te sluiten
Voor al die kwaadaardige, looze dwergen …
Zij komen met ’t donker; zij kloppen en tikken:
Maak open, Peer Gynt, wij zijn vlug als gedachten!
Wij schudden het bed, wij blazen het vuur aan,
Stijgen op door den schoorsteen als vurige draken.
Hihi! Peer, denk je met spijkers en planken
Den toegang voor ’t nijdige dwergvolk te stuiten?
(Solvejg komt op sneeuwschoenen over de heide; zij heeft een doek over het hoofd en een bundel in de hand).
Solvejg.
God zegen je arbeid. Je moet mij niet verstooten.
Ik kom omdat je riep, dus moet je mij nemen.
Peer Gynt.
Solvejg! ’t Is toch niet …! Jawel, ’t is waar!…
En je bent niet meer bang om dicht bij mij te komen!
Solvejg.
Je zondt mij een boodschap door kleine Helga;
Vele bracht nog later heimlijk de wind mij.
’n Boodschap was al wat je moeder vertelde,
’n Boodschap mijn droom als ’k te slapen mij legde.
Nachten zoo droef, en zoo leeg al de dagen,
Zeiden het mij, dat ik nu moest komen.
Als uitgebluscht was het leven daarginder;
Ik kon niet van harte meer lachen of schreien.
Ik wist niet heel zeker wat in jou omging;
Ik wist alleen maar, dat het mij naar je toe drong.
Peer Gynt.
Maar je vader?
Solvejg.
Maar je vader? Op Gods wijde wereld
Heb ’k niemand, die vader of moeder mij is.
Ik ben los nu van allen.
Peer Gynt.
Ik ben los nu van allen. Solvejg, jij lieve,
Om de mijne te zijn?
Solvejg.
Om de mijne te zijn? Ja, alleen de jouwe;
Jij moet alles mij zijn; mijn thuis en familie.
(schreiend).
’t Ergst was het mijn zusje achter te laten;…
Maar erger toch nog van vader te gaan;
Maar ’t allerergst te scheiden van moeders borst;…
Neen, God vergeef mij, ’t ergst nog van alles
Was de smart van ’t heengaan van allen … allen!
Peer Gynt.
En ken je mijn vonnis in ’t voorjaar geveld?
Dat scheidt mij voor goed van huis en hof.
Solvejg.
Denk je soms dat ik voor wereldsche have
Voor altijd van die mij lief waren scheidde?
Peer Gynt.
En weet je ook, dat ik, eens buiten het bosch,
Mag opgepakt worden als iemand mij ziet?
Solvejg.
Op sneeuwschoenen liep ik, en vroeg naar den weg;
Zij vorschten waar ’k heen moest; ik antwoordde: naar huis.
Peer Gynt.
Weg dan met al die spijkers en planken.
Geen grendels nu meer tegen nijdige dwergen.
Durf jij voortaan bij den jager te blijven,
Dan zal mijn hut ook gewijd zijn, dat weet ik.
Solvejg! ’k Moet je aanzien! Niet al te dicht bij!
Aanzien alleen maar! Wat ben je toch stralend blank!
Je óplichten even! Wat ben je toch licht en teer!
Als ik je dragen moet, Solvejg, word ik nooit moe!
’k Zal je niet vuil maken. Met gestrekte armen
Hou ik je voor mij uit, jij lieve, barmhartige!
Wie had ooit gedacht dat ik je zou dragen …!
O maar, naar je verlangd heb ik nachten en dagen.
Hier, zie je, heb ik getimmerd en gebouwd;
Maar dat moet nu weer weg; ’t is hier arm en kaal …
Solvejg.
Of arm of rijk,… het is hier naar mijn zin.
Je ademt zoo vrij in den bergkoelen wind …
Beneden was ’t bedompt; daar had ik het benauwd;
Dát was het óok wel wat uit ’t dorp mij heeft gejaagd.
Maar hier, waar je hoort der dennen geruisch.…
Hier is rust en gezang!… hier voel ik mij thuis.
Peer Gynt.
En weet je ’t ook goed? Je heele leven lang?
Solvejg.
De weg, dien ik ging, voert nooit meer terug.
Peer Gynt.
Ik heb je dus! Kom! Laat ’k je zien in mijn huisje!
Ga binnen! ’k Zal even wat brandhout gaan halen;
Warm en gezellig en licht zal het worden,
Zacht zal je zitten en geen koû zal je lijden!
(doet de deur open; Solvejg gaat binnen. Hij staat een oogenblik stil; dan lacht hij luid van blijdschap en maakt een luchtsprong).
Peer Gynt.
Mijn koningskind! Nu is ’t gevonden en gewonnen!
Neen, nu wordt de slotbouw van nieuw af weer begonnen!
(hij grijpt de bijl en wil teruggaan; op hetzelfde oogenblik komt een oudachtige vrouw in een gescheurden groenen rok uit het kreupelhout. Een leelijke jongen met een bierflesch in de hand hinkt haar achterna, zich aan haar rok vasthoudend).
De Vrouw.
Goên avond, Peer Luchthart!
Peer Gynt.
Goên avond, Peer Luchthart! Hè? Wie ’s dat?
De Vrouw.
Oude vrienden, Peer Gynt! Mijn woning staat dicht bij.
Wij zijn buren.
Peer Gynt.
Wij zijn buren. Zoo? Dat is meer dan ik weet.
De Vrouw.
Al naar je hut oprees, ontstond ook de mijne.
Peer Gynt (wil weg).
Ik heb haast …
De Vrouw.
Ik heb haast … Ja, dat heb je altijd, man;
Maar ik loop je achterna en je raakt mij zoo niet kwijt.
Peer Gynt.
Je vergist je!
De Vrouw.
Je vergist je! Dat heb ik ééns gedaan;
Dat deed ik dien keer toen met beloften jij kwam.
Peer Gynt.
Beloften …? Wat duivel is dat voor praat?
De Vrouw.
Vergeet je den avond bij vader thuis?
Vergeet je …?
Peer Gynt.
Vergeet je …? ’k Vergat wat ik nooit geweten heb.
Waar zagen we elkaar dan den laatsten keer?
De Vrouw.
Waar wij elkaar zagen den eersten keer.
(tegen den jongen).
Laat vader eens drinken; ’k geloof dat hij dorst heeft.
Peer Gynt.
Vader? Je bent dronken! Noem je hem …?
De Vrouw.
Je moest toch het dier aan zijn huid herkennen!…
Heb je geen oogen? Je kunt ’t toch wel zien
Zijn poot is even lam als jouw heele aard is.
Peer Gynt.
Wou je mij wijs maken …?
De Vrouw.
Wou je mij wijs maken …? Wou je uitvluchten zoeken?
Peer Gynt.
Die langbeenige jongen …!
De Vrouw.
Die langbeenige jongen …! Hij is hard gegroeid.
Peer Gynt.
Durf jij mij opdringen, leelijke heks …
De Vrouw.
Hoor eens, Peer Gynt, je bent grof als een os …!
(huilend).
Kan ik het helpen dat ’k niet meer zoo mooi ben,
Als toen je mij lokte over glooiende heuvels?
De duivel, toen ’k baarde in den herfst, trok krom
Mijn rug, en daar wordt je niet beter van.
Maar als je mij mooi weer als vroeger wilt zien,
Wijs dan maar die meid, die daar ginds zit, de deur.
Jaag haar uit je oogen en zinnen maar weg;…
Doe dat, lieve vriend, dan verander ’k van tronie!
Peer Gynt.
Wijk van mij, booze heks!
De Vrouw.
Wijk van mij, booze heks! Maar ik ga niet, hoor!
Peer Gynt.
Ik sla je de hersens in …!
De Vrouw.
Ik sla je de hersens in …! Ja, zie eens of je durft!
Hoho, Peer Gynt, geen slag die mij deert!…
Ik kom hier toch iedren dag weer terug.
Ik kijk door de deur, en begluur je te zamen.
Zit met de deern je dan in ’t schemeruur,…
Wordt je teeder … Peer Gynt … wil je een deuntje vrijen,…
Kom ik bij je zitten en eisch ook mijn deel.
Zij en ik, wij hebben je dan beurt om beurt.
Vaarwel, jongenlief; hoû jij nu morgen maar bruiloft, hoor!
Peer Gynt.
Jij helsche nachtmerrie!
De Vrouw.
Jij helsche nachtmerrie! Maar dat ’s waar ook!
Den jongen, jouw mankepoot, dien voedt jij op!
Duivelskind, wil jij naar je vader toe?
De Jongen (spuwt naar hem).
Duivelskind, wil jij naar je vader toe? Daar!
’k Zal je hakken met een bijl, hoor; wacht maar, mettertijd!
De Vrouw (kust den jongen).
Och, wat een hoofd op dat lichaam toch zit!
Jij maakt je vader nog eenmaal beschaamd!
Peer Gynt (stampvoetend).
O, was je zoo ver …!
De Vrouw.
O, was je zoo ver …! Als wij dichtbij zijn nu?
Peer Gynt (balt de vuisten).
En dat alles …!
De Vrouw.
En dat alles …! Voor zinnenbegeerte alleen!
’t Is zonde van je, Peer!
Peer Gynt.
’t Is zonde van je, Peer! ’t Meest voor een andre!…
Solvejg! mijn parel, zoo zuiver, zoo rein!
De Vrouw.
Ja, ja, zei de duivel, de onschuld moet lijden,
Toen z’n vader zat was en z’n moeder ’m sloeg!
(Zij gaat het kreupelhout weer in met den jongen die hem de bierflesch achterna gooit).
Peer Gynt (na lang zwijgen).
Er omheen, zei Böjg. Ja, nu moet ik ’t doen …
Daar viel mijn koninklijk slot in duigen!
’t Trok een muur op om haar … en ’k was zoo nabij;
Op-eens was hier ’t mooi weg; verlept was mijn blijdschap …
Geef het op, kerel! Er is geen weg
Dwars door dat alles van jou naar haar toe.
Dwars er doorheen? Die moet toch zijn te vinden.
Er staat iets van berouw, als ik mij goed herinner.
Maar wat? Wat staat er? Ik heb ’t boek niet meer,
Heb ’t meeste vergeten, en hier is ook niemand
In ’t wilde bosch, die mij terecht kan helpen …
Berouw? Daar konden wel jaren mee heengaan
Eer ik er doorheen was. Zoo’n leven zou triest zijn.
Kapot slaan wat glanzend en licht en mooi is,
En dan van de scherven weer maken wat nieuws.
Dat gaat met ’n viool maar gaat niet met een klok.
Je moet niet vertrappen wat nog groeien moet.
Maar dat was toch ’n leugen van die heksentronie!
Nu is al dat afschuwlijke weer uit mijn oogen …
Ja; wel uit mijn oogen, maar niet uit mijn hoofd.
Nasluipen zal dat mij toch overal.
Ingrid! En die drie daar boven op den berg!
Moeten die ook meedoen? Met gieren en mal doen
Eischen als zij te worden omarmd,
Voorzichtig en teer te worden gedragen?
Buiten om, Peer; al was je arm zoo lang
Als de slankste den of een pijnboomstam,…
’k Geloof dat ik haar toch nog te dicht bij mij hield
Om haar smetloos en ongedeerd neer te zetten …
Ik moet daar omheen komen, hoe ’t dan ook ga,
Dat ’t mij geen gewin wordt en ook geen verlies.
Je moet zoo iets afschudden tot je ’t vergeet …
(doet eenige stappen naar de hut toe, maar blijft weer staan).
Binnen gaan na dit alles? Zoo vuil en gemeen?
Binnen gaan met al die spoken achter me aan?
(werpt de bijl weg).
’t Is de avond vóór ’t feest. Haar nu aan te vatten
Zoo, als ik nù ben, zou heiligschennis zijn.
Solvejg (in de deur).
Kom je haast?
Peer Gynt (halfluid).
Kom je haast? Buiten om!
Solvejg.
Kom je haast? Buiten om! Wat?
Peer Gynt.
Kom je haast? Buiten om! Wat? Wacht nog even.
’t Is hier donker, en ’k heb nog iets zwaars te halen.
Solvejg.
Wacht; ’k zal je helpen; dan dragen wij ’t samen.
Peer Gynt.
Neen, blijf liever daar! Ik zal ’t alleen wel dragen.
Solvejg.
Maar blijf niet te lang, zeg!
Peer Gynt.
Maar blijf niet te lang, zeg! Geduld maar, meisje!
Of lang of kort,… blijf maar wachten.
Solvejg (knikt hem toe).
Of lang of kort,… blijf maar wachten. ’k Zal wachten!
(Peer Gynt gaat het bosch in. Solvejg blijft in de halfopen deur staan).
Aase’s kamer. Avond. Een rijshoutvuur brandt in den haard en verlicht de kamer. De kat op een stoel aan den voet van het bed. Aase ligt te bed en tast onrustig met de handen over de dekens.
Aase.
Och, lieve Heer, zou hij niet komen?
Het duurt al zoo schrikkelijk lang.
’k Kan niet meer om hem zenden
En zeggen moet ik hem zooveel.
Ik heb niet veel tijd te verliezen!
Zoo plotseling! Wie had dat gedacht!
O, als ik toch maar kon weten
Of ’k niet te streng voor hem was!
Peer Gynt (komt binnen).
Goeien avond!
Aase.
Goeien avond! God zal je zeegnen!
Daar is hij! Mijn jongen! Mijn Peer!
Maar hoe durf je hier je te wagen?
Hier loopt je leven gevaar!
Peer Gynt.
Och, wat kan het leven mij schelen.
Ik moest nu eens naar je toe.
Aase.
Wat zal Kari staan te kijken!
Nu ga ik in vrede heen!