DRAMATISCH GEDICHT IN VIJF BEDRIJVEN
J. Clant van der Mijll-Piepers translation
PERSONEN:
Brand.
Zijn Moeder.
Ejnar, schilder.
Agnes.
De Baljuw.
De Dokter.
De Proost.
De Koster.
De Schoolmeester.
Gerd.
Een Boer.
Zijn halfvolwassen Zoon.
Een andere Boer.
Zijn Vrouw.
Een andere Vrouw.
Een Klerk.
Geestelijken en Ambtenaren.
Volk, Mannen, Vrouwen en Kinderen.
De Verzoeker in de Woestijn.
Koor van Onzichtbaren.
Een Stem.
Het stuk speelt in onzen tijd, gedeeltelijk in, gedeeltelijk bij een Fjorddorp aan de Westkust van Noorwegen.
EERSTE BEDRIJF.
Boven op de sneeuwvelden van het hooggebergte. Dikke, zware mist. Regenweer en halfduister.
Brand (in ’t zwart gekleed, met stok en randsel, gaat al klauterend westwaarts voort. Een boer en zijn halfvolwassen zoon, die hem vergezellen, komen achter hem aan).
De Boer (roept tegen Brand).
Hei, vreemdeling, loop niet zoo gauw!
Waar ben je?
Brand.
Waar ben je? Hier!
De Boer.
Waar ben je? Hier! Straks dwaal je nog!
Het mist van daag dat iemand haast
Niet verder zien kan dan zijn stok.
De Zoon.
Halt! Hier zijn spleten!
De Boer.
Halt! Hier zijn spleten! Hier zijn kloven!
Brand.
En ieder spoor van pad is weg!
De Boer (schreeuwt).
Blijft staan! God beter ’t … ’t Is een ijskorst
Bros als een glasplaat! Hei, niet stampen!
Brand (luisterend).
’k Hoor ’t bruisen van een waterval.
De Boer.
Een beek heeft er zich door gewrongen;
Hier is een niet te peilen afgrond;…
Dat kost ons ’t leven, alle drie!
Brand.
Ik moet er over, zooals ’k zei.
De Boer.
Er is geen mensch die dat vermag.
Keer om;… de grond is hol en bros …
Blijf staan! Je leven staat op ’t spel!
Brand.
Ik moet; in opdracht van mijn heer.
De Boer.
Hoe heet die heer?
Brand.
Hoe heet die heer? Zijn naam is God.
De Boer.
En wat ben jij?
Brand.
En wat ben jij? Een dienaar Gods.
De Boer.
’t Kan waar zijn; maar dit weet ik wèl,
Dat, was je proost, of bisschop zelfs,
Je vóór het krieken van den dag
Als lijk al in de diepte lag,
Zoo je op die ondermijnde korst
Je verder voorwaarts wagen dorst.
(komt voorzichtig nader, overredend).
Hoor eens, al is een mensch geleerd
En knap, hij kan niet wat niet kàn.
Keer om; wees niet zoo star en stug!
Eén leven heeft een mensch toch maar;
En is dàt weg, wat heeft hij dan?
Hier is geen huis een mijl in ’t rond.…
Die mist wordt zóó dik dat je ’m wel
Zoudt kunnen snijden met een mes.
Brand.
Is dik de mist, dan lokt ons niet
Een dwaallicht van den goeden weg.
De Boer.
Maar ijsmeren zijn hier rondom
Gevaarlijk voor een menschenvoet.
Brand.
Die gaan wij over.
De Boer.
Die gaan wij over.
Die gaan wij over. Gaan? Te voet?
Dat zou je bitter slecht bekomen.
Brand.
Eén deed het toch … is ’t geloof maar echt
Dan komt men droogvoets er wel over.
De Boer.
Ja, eertijds wel,… maar wie ’t nu waagt
Die schiet er ’t hachje vast bij in.
Brand.
Vaarwel! (wil gaan).
De Boer.
Je waagt je leven, hoor!
Brand.
Als God de Heer mijn dood verlangt,…
Dan welkom stortvloed, meer en kloof!
De Boer (zachtjes).
Hij is een ware dolleman!
De Zoon (half schreiend).
Toe, vader, kom toch! Laat ons gaan!
Er komt meer regen nog en wind!
Brand (blijft staan en komt weer naderbij).
Zeg, hoor eens man; je zei daar straks,
Dat aan de fjord je dochter woonde.
Zij liet je zeggen dat zij gauw
Zou sterven … maar als zij je niet
Terug zag, nooit zou zalig rusten?
De Boer.
Ja, dat is waar, God helpe mij!
Brand.
En is ’t van daag de laatste dag?
De Boer.
Ja.
Brand.
Kan ’t niet langer?
De Boer.
Kan ’t niet langer? Neen.
Brand.
Kan ’t niet langer? Neen. Kom dan.
De Boer.
Het is onmooglijk. Keer terug!
Brand (kijkt hem strak aan).
Zeg, zou je honderd daalders geven,
Als zij dan rustig sterven kon?
De Boer.
O ja!
Brand.
O ja! Tweehonderd?
De Boer.
O ja! Tweehonderd? Huis en hof
Zou ik van harte willen afstaan
Als ’t haar ten goede komen kon.
Brand.
Maar ook je leven als het moest?
De Boer.
Mijn leven? Och, mijn waarde!
Brand.
Mijn leven? Och, mijn waarde! Wel?
De Boer (krabt zich achter het oor).
Neen, dat is wel wat veel gevraagd …!
In Jezus naam, wil toch bedenken
’k Heb thuis mijn vrouw en nog meer kinderen.
Brand.
Hij, dien je noemde had een moeder.
De Boer.
Ja, dat is al zoo lang geleden;…
Toen was ’t een tijd van zooveel wondren,
Zooals er nu niet meer gebeuren.
Brand.
Ga heen. Je leven leidt ten dood.
Jij kent God niet, God kent jou niet.
De Boer.
Je bent wel hard!
De Zoon (trekt hem mee).
Je bent wel hard! Kom ga toch mee!
De Boer.
Ja, goed; maar hij moet met ons mee!
Brand.
Moet ik?
De Boer.
Moet ik? Ja, vast, want blijf je hier
In dit Godsgruwelijke weer,
En wordt ’t bekend, wat altijd uitkomt,
Dat wij je hierheen vergezelden,
Dan word ik voor ’t gerecht gedagvaard;
En als je hier in ’t ijs verzinkt
Word ik nog in de doos gestopt …
Brand.
Dan lijd je voor de zaak des Heeren.
De Boer.
Die raakt mij net zoo min als andre;
’k Heb ruim genoeg al aan de mijne.
Kom mee!
Brand.
Kom mee! Vaarwel! (men hoort in de verte dof gerommel).
De Zoon (gillend).
Kom mee! Vaarwel! Dat ’s de lawine!
Brand (tegen den boer die hem bij de kraag gepakt heeft).
Laat los!
De Boer.
Laat los! Neen!
Brand.
Laat los! Neen! Laat me los!
De Zoon.
Laat los! Neen! Laat me los! Kom toch!
De Boer (worstelt met Brand).
De duivel haal mij … neen!
Brand (rukt zich los en gooit hem neer in de sneeuw).
De duivel haal mij … neen! Jawel;
Dat zal hij later ook wel doen! (gaat heen).
De Boer (komt overeind, zijn arm wrijvend).
Au, au; die vent is duivelsch sterk.
Dat noemt hij Godgevallig werk! (roept terwijl hij opstaat).
Heidaar!
De Zoon.
Heidaar! Hij ging de hoogte over.
De Boer.
Ja, ja, ik g’loof dat ’k hem nog zie. (roept weer).
Zeg, hoor eens … weet je misschien nog
Waar wij den weg verloren hebben?
Brand (in den mist).
Geen kruis wijst jou den rechten weg;…
Jij bent al op het breede pad.
De Boer.
God gave dat het waarheid was,
Dan kwam ’k van avond heelhuids thuis.
(Hij gaat met zijn zoon weer oostwaarts terug).
Brand (wordt een eind hooger òp zichtbaar en luistert in de richting waar de boer verdwenen is).
Zij stromplen weg … Jij slappe slaaf,
Welde in je ziel een bron van wil,
Was het alleen de kracht die faalde,
Ik zou den weg je wel verkorten;
Ik had, doodmoe, met wonde voeten,
Je licht en blij wel voortgedragen;…
Maar hulp is aan een man verspild
Die ook niet wil wat hij niet kan. (komt verder naar voren).
Het leven; och … het is wel erg
Hoe lief dat ’t goede menschdom is!
Hoe iedre stumperd zooveel hecht
Aan ’t leven, alsof ’s werelds lot,
Of aller menschen zieleheil
Hem op de schrale schouders rust.
Zij willen offren, o, welzeker!
Maar ’t leven, neen, dat moet men sparen! (glimlacht als bij een herinnering).
Als jongen, waren er twee dingen
Die mij stuiplachend deden krimpen,
En ook bezorgden een pak slaag,
Van de oude schoolmamsel, die brompot.
’k Dacht aan een uil die schuwde ’t donker,
En aan een visch met watervrees.
Ik lachte luid, wou ’t beeld verjagen,
Maar ’t klampte in mijn geest zich vast …
Hoe kwam die stuiplach in mij op?
Door ’n duister nog gevoelde kloof,
Die scheidt de dingen als zij zijn,
Van wat de dingen moesten wezen,…
Daartusschen: dat wij dragen moeten,
En onze last te zwaar ons blijkt …
En allen haast hier, ziek of frisch,
Zijn als een uil of als een visch.
Een, tot een duister werk geschapen,
Is ook bestemd in nacht te leven,…
En ’t is juist dáárvoor dat hij vreest.
Hij fladdert angstig langs het strand,
Hij schuwt zijn eigen sterrencel
En roept om licht en zonneschijn!
(blijft een oogenblik staan, schrikt en luistert).
Wat was dat daar? ’t Klonk als gezang,
Ja, ’t is gezang gemengd met lachen.
Hoor,… nu een hoera, en een tweede …
Een derde … vierde … vijfde maal!
De zon breekt door. De mist wordt lichter.
Ik zie alweer de wijde vlakten.
Daarginder staat het vroolijk troepje
In ’t morgenlicht, op hooge bloemwei;
Naar ’t Westen valt de breede schaduw.
Nu neemt men afscheid met een handdruk.
Nu scheiden zij. De andren keeren
Naar ’t Oosten; westwaarts gaan er twee:
Daar wuiven zij tot laatsten groet
Met hoeden, sluiers, doeken, handen.
(De zon breekt hoe langer hoe meer door den mist heen. Hij staat een tijd lang naar de van beneden opkomenden te kijken).
’t Is of er licht straalt om die twee daar,
Alsof de mist zich openscheurt,
De hei hun voeten zacht omhult
En of de zon hun tegenlacht!
Vast broer en zuster, hand in hand
Gaat ’t huplend over heidestruiken.
Kijk, ’t meisje raakt den grond maar nauwlijks,
En hij is lenig als een rijs.
Daar loopt zij weg! Weg is zij weer
Nu fluks hij meende haar te vangen …
Hun loopen wordt een vroolijk spel …
En hoor, hun lachen klinkt als zingen!
(Ejnar en Agnes, in luchtige reiskleeren, beiden warm, met blozende wangen, komen al spelend over de hoogte naar voren. De mist is opgetrokken. Een heldere zomermorgen licht over de bergen).
Ejnar.
Agnes, mijn wondermooie kapel,
Al spelend wil ik je vangen!
Ik spin van kleine mazen een net,
En de mazen, dat zijn mijn zangen.
Agnes (danst achterwaarts voor hem uit en ontsnapt hem voortdurend).
Ben ik een kapelletje, klein en teer,
Dan wil ik aan de heibloempjes hangen,
En ben jij een jongen, die houdt van spel,
Jaag mij op … maar je mag mij niet vangen!
Ejnar.
Agnes, mijn wondermooie kapel,
Het mazennet is al gesponnen;
Je fladdrend vluchten helpt je niet meer,
Weldra heeft het net je overwonnen.
Agnes.
Ben ik een kapelletje jong en fijn,
Dan wil ik ook spelen en zweven;
Maar vang je mij in ’t gesponnen net,
Dan moet voor mijn wiekjes ik beven!
Ejnar.
Neen, behoedzaam zet ik je op mijn hand,
Zal diep in mijn hart je bewaren,
Daar kan je spelen je leven lang,
Blij als ooit in je kinderjaren!
(Zonder het te zien zijn zij bij een steilen afgrond gekomen en staan nu vlak aan den rand).
Brand.
Halt! Halt! Daar is een afgrond!
Ejnar.
Halt! Halt! Daar is een afgrond! Hè?
Wie roept daar?
Agnes (wijst naar boven).
Wie roept daar? Kijk!
Brand.
Wie roept daar? Kijk! Berg u bijtijds nog!
U staat aan ’t randje van een afgrond;…
’t Is losse sneeuw maar die er op ligt!
Ejnar (slaat de armen om Agnes heen en lacht).
Dat heeft geen nood voor haar en mij!
Agnes.
Voor ons ligt ’t leven als een spel!
Ejnar.
Ons is een zonneschijn gegund,
Die over honderd jaar pas uitdooft.
Brand.
Is dan pas ’t spel uit? Zoo, och kom!
Agnes (wuift met haar sluier).
Dan gaan in ’t hemelblauw wij spelen!
Ejnar.
Eerst honderd jaar in roes van vreugde,
Met feestverlichting iedren nacht,…
Een honderdjarig liefdespel …
Brand.
En dan …?
Ejnar.
En dan …? Dan huiswaarts weer ten hemel!
Brand.
Zoo, komt u daar nu net van daan?
Ejnar.
Natuurlijk; van waar anders dan?
Agnes.
Ja, dat ’s te zeggen, ’t allerlaatst
Zijn wij ginds uit het dal gekomen.
Brand.
Ik meende al straks u te zien staan
Daar aan de watergrens beneden.
Ejnar.
Ja juist, daar scheidden wij ons straks
Van onze vrienden en vriendinnen,
Bezeeglend dierbare herinring
Met handendruk, omhelzing, kus.
Kom bij ons hier! ’k Zal u vertellen
Hoe goed God voor mij is geweest,…
Dan zal u mijn geluk begrijpen …!
Toe, sta daar niet als steenen beeld!
Komaan, herleef!… Zoo mag ik ’t lijden.
Ik ben dan schilder, moet u weten,
En het was al een mooie gave,
Aan mijn gedachten macht te geven
Om kleurrijk ’t leven uit te beelden,
Zoo als hij vlinders maakt uit larven.
Maar ’t allermooiste was van God
Dat hij mij Agnes gaf tot bruid!
’k Ben pas terug uit ’t zonnig Zuiden,
Waar ’k reisde met mijn schilderdoos …
Agnes (vol vuur).
Blij als een koning, frisch, vol moed …
En kent wel duizend nieuwe liedjes!
Ejnar.
Juist toen ik hier het dal doortrok
Was zij hier ook bij een vriendin.
Zij had behoefte aan frissche lucht
En zon en dauw en dennengeur.
Mij dreef een drang op naar de bergen.
Het zong in mij: Op! zoek de schoonheid
In hei en dennen, bosch en stroom,
In ’t wolkenspel, en ’t blauw gewelf!…
Toen heb ’k mijn meesterstuk geschilderd!
Een rozenblozen op haar wang,
Een oogenpaar geluk uitstralend,
Een glimlach die in ’t harte drong …
Agnes.
Doch half maar zag je wat je maakte,…
Je zwelgde blindlings in genot,
En stond weer op een mooien dag
Ten tocht bereid, met staf en randsel …
Ejnar.
Toen dacht ’k op eens: Wel, die is goed!
’k Heb haar niet eens formeel gevraagd!
Hoera! Ik vroeg haar, kreeg haar antwoord,
En daarmee was de zaak gezond nu!
Onze oude dokter was zoo blij
Dat hij haast niet wist wat te doen.
Drie dagen lang werd er gefeestvierd,
Met zang en dans ter onzer eere;
Autoriteiten, geestlijkheid,
En al wat jong was kwam te gast.
Van nacht verlieten wij de plaats.
Maar ’t feest was daarom nog niet uit;…
Met vlag en wimpel, groenbekranst,
Het bosch in en de bergen op,
En heel de troep toog met ons mee.
Agnes.
Die tocht naar buiten was een dans.
Dan twee aan twee … dan in een rij.
Ejnar.
Wij dronken wijn zoo zoet als most …
Agnes.
En ons gezang klonk door den nacht …
Ejnar.
En zelfs de mist, zoo dik en dicht
Week voor onze’ optocht zoet terug!
Brand.
En waarheen nu …?
Ejnar.
En waarheen nu …? Rechtstreeks vooruit,
Naar stad toe.
Agnes.
Naar stad toe. Naar mijn ouders thuis.
Ejnar.
Maar eerst de laatste toppen over;
Dan naar beneden, ’t westen in;
Op Aegirs stoomros, dampend, snuivend,
Gaan wij naar huis voor ’t huwlijksfeest;…
En dan naar ’t Zuiden met ons beiden,
Als zwanen op hun eerste vlucht …!
Brand.
En daar …?
Ejnar.
En daar …? Een vroolijk huwlijksleven,
Mooi als een droom, als ’n sprookje teer;
Want, weet u, op dien zondagmorgen,
Ook zonder priester, werd gewijd
Op ’t vrije veld, ons jonge leven
Tot jubelfeest, van zorgen vrij.
Brand.
Door wien?
Ejnar.
Door wien? Door al de goede vrienden.
Zij deden iedre onweerswolk,
Die ’t groene hutje mocht bedreigen,
Al drinkend, klinkend in den ban.
En ieder woord dat manend repte
Van storm of strijd, werd weggekust;
Zoo werden wij met groen en bloemen
Tot blijheids kindren gewijd.
Brand.
Vaartwel dan nu! (wil gaan).
Ejnar (blijft staan en bekijkt hem nauwkeuriger).
Vaartwel dan nu! Neen, wacht nog wat!
Mij dunkt u heeft zoo iets bekends
In uw gezicht …
Brand (koel).
In uw gezicht … Neen, ’k ben u vreemd.
Ejnar.
En toch is ’t of van school of thuis
Ik me uw gezicht herinren kan …
Brand.
Van school, jawel, wij waren vrienden,
Toen ’k jongen was; nu ben ’k een man.
Ejnar.
’t Kan toch niet zijn dat u is …? (schreeuwt het in-eens uit).
’t Kan toch niet zijn dat u is …? Brand!
Ja, jij bent ’t waarlijk! Ik herken je!
Brand.
Ik had terstond jou wel herkend.
Ejnar.
Dat ’s een ontmoeting! Welkom hier!
Kijk me eens aan! Ja, nog de oude,
Nog altijd aan jezelf genoeg,
Als toen je schuw vermeedt de spelen
Van kameraden wild en druk.
Brand.
’k Was ook een vreemde in den troep.
Toch hield ik, meen ik, wel van jou,
Maar al die andren uit het zuiden
Zijn van een ander erts dan ik,
Die ’t licht zag op een steile landtong,
Beschaduwd door een naakte rots.
Ejnar.
Je dorp ligt immers ergens hier?
Brand.
Mijn weg gaat juist nu er doorheen.
Ejnar.
Er juist doorheen? Dus? Verder weer?
Brand.
Ja, verder weg … mijn thuis voorbij.
Ejnar.
Wat ben je dan?
Brand.
Wat ben je dan? Vicaris ben ’k.
Zooals de haas in ’t dennenbosch
Ben ik dan hier dan daar tehuis.
Ejnar.
En waar gaat nu de reis naar toe?
Brand (snel en hard).
Vraag mij dat niet!
Ejnar.
Vraag mij dat niet! Waarom?
Brand (op anderen toon).
Vraag mij dat niet! Waarom? Nu ja!
Het schip dat ginds je beiden wacht
Zal ook mij voeren ver van hier.
Ejnar.
Mijn Aegirs stoomros? Wel komaan!
Zeg, Agnes, hij reist met ons mee!
Brand.
Ja, maar een lijkmaal is mijn doel.
Agnes.
Een lijkmaal?
Ejnar.
Een lijkmaal? Wie wordt dan begraven?
Brand.
De God, dien jij zoo hoog vereert.
Agnes (wijkt terug).
Kom Ejnar!
Ejnar.
Kom Ejnar! Brand!
Brand.
Kom Ejnar! Brand! Die dwingeland,
Die slavengod der slavenkudde,
Wordt opgeborgen in het graf,
En liefst op klaar-licht-heldren dag.
’t Is meer dan tijd, voor iemand die
Al sukkelt meer dan duizend jaar.
Ejnar.
Brand, je bent ziek!
Brand.
Brand, je bent ziek! Gezond en frisch
Als gindsche spar, als ’t bloeiend bosch,
Maar ’t is het hedendaagsch geslacht
Dat ziek, genezing noodig heeft.
Jij wilt maar scherts en spel en lach,
Een beetje g’looven maar niet zien,…
Wilt leggen alle lust en wee
Op hèm, die kwam, is je verteld,
En ’t straffend oordeel op zich nam.
Hij droeg voor jou een kroon van doornen,
En daarom kan jij nu vrij dansen;…
Ja, dansen … maar waar dans je heen?
Dat, vriendlief, staat nog te bezien!
Ejnar.
’k Begrijp het al! ’t Is ’t nieuwe lied
En veelgeliefd in dorp en stad.
Je bent vast van de nieuwe leer
Die ’t leven stof en onzin noemt,
Die menschen bang maakt voor de hel,
En hen in zak en assche jaagt.
Brand.
Neen, boetapostel ben ik niet.
Ik spreek ook niet in naam der kerk;
’k Weet nauwlijks, bèn ik wel een christen;
Maar wel weet ik, dat ’k ben een man,
En zeker ook dat ik de kwaal zie
Die ’t heele land zijn merg ontsteelt.
Ejnar (glimlacht).
Dat heb ik toch nog nooit gehoord,
Ons goede land opeens befaamd
Voor overmaat van levenslust!
Brand.
Neen, juublen doen zij niet te veel …
Was dat maar zoo, dan was het goed,
Laat iemand slaaf zijn van ’t genot,…
Maar dat hij ’t dan ook blijvend zij.
Wees niet van daag en gistren dit
En weer wat anders ’t volgend jaar.
Wees wat je bent, voluit, geheel,
Niet half, niet stuksgewijs verdeeld.
Een zuiver beeld is een bacchant,
Een dronkelap zijn spottrawant …
Silenus is een prachtfiguur,
Een drinker zijn karikatuur.
Ga maar eens rond hier in dit land
Met open oor en open oog,
En je zult zien hoe iedereen
Van alles maar zoo’n beetje is.
Op Zondag wel een beetje ernstig,
Een beetje vroom … naar oud gebruik,
Een beetje tuk op slemppartijen,…
Dat waren onze vaadren ook,…
Een beetje warm als er gefeest wordt
En liedren klinken voor het kleine
Maar rotsgetrouwe rotsenvolk,
Dat nooit zich kromde onder ’t juk …
Een beetje luchtig met beloften,…
Een beetje listig als hij nuchter
’t Gegeven woord gestand moet doen,
Dat bij een drinkgelag hij gaf.
Maar alles in een minimum.
Zijn fouten, deugden gaan niet ver;
Hij is een breuk in ’t groot en ’t klein;
Maar ’t ergste is,… van iedre breuk
Heft ieder deel de rest weer op.
Ejnar.
Nu goed; je klachten over ’t volk
Dáárop wil ’k ja en amen zeggen;
Maar ’k zie niet wat dat heeft te maken
Met hem, dien je begraven wilt,…
Den God, dien ’k nog altijd vereer.
Brand.
Je bent toch schilder, is ’t niet zoo?
Toon mij den God van wien je spreekt.
Je hebt hem, hoor ik, uitgeschilderd,
Tot veler menschen diepe ontroering.
Hij ’s zeker oud, of heb ik ’t mis?
Ejnar.
Nu ja …?
Brand.
Nu ja …? Natuurlijk. En ook grijs?
En dun van haar, als grijsaards zijn,
Met ’n baard als zilverdraad of ijs,…
Welwillend, maar toch streng genoeg
Om ’n kind te jagen naar zijn bed.
Of je hem ook pantoffels gaf
Dat laat ik in het midden nu;
Maar ’k zette hem ook een bril nog op
En een kalotje op zijn hoofd.
Ejnar (boos).
Wat moet dat nu?
Brand.
Wat moet dat nu? Dat is geen spot;
Want zoo precies ziet hij er uit,
De huisgod van ons land, ons volk.
Zooals de Roomschen van hun Heiland
Een zuigling maken, maakt men hier
De Godheid tot een stumprig oudje,
Al bijna kindsch van ouderdom.
Zooals de Paus op Petrus’ stoel
Welhaast alleen nog heeft de sleutels,
Sluit men hier ’t wereldkoninkrijk
Van onzen Heer, in kille kerken.
Men scheidt geloof en leer van ’t leven,
En niemand streeft naar ’t ware wezen;
Men tracht zich geestlijk te verheffen,
Maar niet voluit en vrij te leven.
Voor zulk gedraai heeft men dan noodig
Een God, die zien kan door de vingers;…
Een God die grijs wordt als de menschen,
Een beeltnis met kalotje en manen …
Maar die God is de mijne niet!
De mijne is storm, de hunne wind,…
Onbuigzaam, waar de hunne is doof,…
Allievend, waar de hunne is stomp.
En jong is hij, als Herkules,…
Geen oude, grijze Grootpapa!
Zijn stem weerklonk als donderslag
Toen hij, in ’t brandend bosch, als vuur
Voor Mozes stond op Horebs top,
Gelijk een reus voor ’t dwergenvolk.
Stil stond de zon op zijn bevel
In ’t dal van Gibeon. Wondren veel
Deed hij, en zou hij nog wel doen,
Waar’ maar ’t geslacht niet laks als jij!
Ejnar (met een onzeker lachje).
Dus anders moet dat worden nu?
Brand.
Dat zal het, hoor, zoo zeker als
Ik weet, dat ik ter wereld kwam
Als dokter voor zijn ziekte en nood.
Ejnar (schudt het hoofd).
Doof niet de vlam, al mag zij walmen
Eer ’t licht je duidlijk wees den weg;
Wisch uit de taal niet de oude woorden
Eer je de nieuwe hebt gemaakt!
Brand.
’t Is mij niet om iets nieuws te doen.
Het recht van ’t eeuw’ge wil ’k alleen.
Geen dogma’s zijn het, en geen kerken
Die ’k hoog wil houden met mijn werken;
Want beiden hadden een begin,
En daarom kon het ook wel zijn
Dat er een eind aan beiden kwam …
Al wat eens werd moet eens vergaan;—
Het zij door wormen of door mot—
En volgens den normalen gang
Plaats maken voor een nieuwen vorm.
Maar daar is iets dat blijft bestaan;…
Dat is de nooit geschapen geest,
Verloren eens in ’t Paradijs,
Verlost door hem, die onvervaard,
In heilig gelooven, sloeg de brug
Van ’t vleesch naar de oerbron van den geest.
Nu is ook die verslapt, verpoend,…
Dank zij der menschen kijk op God;…
Toch moet uit deze zielestompen
Uit deze brokken van den geest
Uit deze hoofden, deze handen,
Weer een geheel ontstaan, dat God
Zijn man herkent, zijn mooiste werk,
Het stamhoofd Adam, jong en sterk!
Ejnar (afbrekend).
Vaarwel. Het best is dat wij nu
Maar afscheid nemen.
Brand.
Maar afscheid nemen. Ga jij westwaarts,
Dan ik naar Noord. Twee wegen leiden
Naar ’t doel, en beide even smal.
Vaarwel!
Ejnar.
Vaarwel! Vaarwel.
Brand (keert zich om terwijl Ejnar daalt).
Vaarwel! Vaarwel. Scheid licht van damp.
Bedenk dat leven is een kunst.
Ejnar (afwerend).
Zet jij den boel maar op zijn kop;
Ik hoû mij bij mijn ouden God!
Brand.
Beeld jij hem maar met krukken af.
Ik ga hem stoppen in zijn graf! (gaat de hoogte over).
Ejnar (staat Brand zwijgend na te kijken).
Agnes (staat een oogenblik als wezenloos; dan schrikt zij in-eens op, kijkt onrustig rond en vraagt:)
Is de zon weg?
Ejnar.
Is de zon weg? ’t Is maar een wolk
Die haar verborg; nu schijnt zij weer.
Agnes.
De wind is koud.
Ejnar.
De wind is koud. ’t Was maar een vlaag,
Die over hoogen top heenjoeg.
Hier dalen we af.
Agnes (naar ’t zuiden wijzend).
Hier dalen we af. Zoo zwart en hoog
Stond toch die berg daar straks hier niet.
Ejnar.
Je zag ’t toen niet door spel en zang,
Vóór hij je vrees en schrik aanjoeg.
Maar laat hem stil zijn gang maar gaan;
Wij nemen ’t oude spel weer op.
Agnes.
Neen, nu niet meer; ik ben zoo moe.
Ejnar.
Ja, eigenlijk ben ik dat ook,…
En bergaf gaat het niet zoo vlot,
Als ginder op het vlakke veld.
Doch wacht maar, zijn we eens in het dal
Dan dansen wij nog eens zoo hard,…
Ja, tienmaal wilder nog dan ooit
Vóór hij ons in den weg kwam hier.
Kijk, Agnes, kijk eens daar, dat blauw
Waarop de zon zoo schittrend schijnt.
Dan ligt ’t gerimpeld, dan weer glad,
In zilverglans of ambergloed;
Dat is de groote frissche zee
Die je daar in de verte ziet!
En zie je ook den donkren rook
Die kronkelend opstijgt in de lucht?
En kan je zien die zwarte stip
Die nu juist ombuigt om de kaap?
Dat is de boot … van jou en mij!
Nu varen zij de fjord juist in!
Van avond varen zij weer weg
Naar zee, met jou en mij aan boord!…
Nu is ’t in nevel weer gehuld …
Zeg, Agnes, heb je wel gezien
Hoe prachtig zee en lucht zich kleurden?
Agnes (kijkt als starend recht voor zich uit en zegt:)
Jawel. Maar zeg mij eens of …?
Ejnar.
Jawel. Maar zeg mij eens of …? Wat?
Agnes (zonder hem aan te zien en gedempt als in een kerk).
’t Was of hij groeide onder ’t spreken!
(Zij daalt het bergpad af. Ejnar volgt haar).
Een weg langs een vooruitspringenden bergwand met een woesten afgrond verder weg rechts. Boven en achter den berg ziet men hooge toppen en sneeuw.
Brand (komt het pad op, begint te dalen en blijft halfweg staan op een vooruitspringend rotsblok en kijkt in de diepte).
Ja, de plaats herken ik weer!
Ieder boothuis, iedre hut,
Hellingen en berkaanplanting,
En het oude bruine kerkje,
Elzenboschjes langs het water …
Alles kan ik mij herinren.
Maar veel grauwer lijkt mij alles,
Kleiner ook, dan toen ’k een kind was;
En het sneeuwdak op den berg ginds
Hangt nog lager over ’t dorp,
Heeft van den benepen hemel
Nog een streepje weggenomen,
Neigt en dreigt, maakt duister, dringt,…
Steelt nog meer weg van de zon.
(gaat zitten en kijkt ver voor zich uit).
En de fjord. Was die toen ook
Al zoo leelijk en zoo nauw?
’t Weer is buiig. Voor den wind.
Loopt een schip met volle zeilen.
Zuidwaarts, achter boot en steiger
Zie ik in de grauwe schaduw
Aan het strand, een roodbruin huis!…
’t Is de hoeve van de weduw’!
Oude hoeve! Eens mijn thuis.
Heel ’t verleden dringt zich op.
Daar aan ’t zeestrand tusschen steenen
Leefde een kinderziel vereenzaamd …
Op mij drukt het als een last
Van beklemming, dat ook ik
Ben verwant nog met den geest die
D’aarde zoekt, niet ’t innigst wezen.
Wat ik heerlijks heb gewild
Zweeft als in een nevel nu.
Moed en kracht zijn mij ontnomen,
Machtloos is mijn ziel, mijn greep;
Hier zoo dicht bij ’t oude huis weer
Zie ’k mijzelf aan als een vreemdling,…
Zoo ontwaakt getemd, geketend,
Simson in Dalila’s schoot.
(kijkt weer in de diepte).
Wat is daar toch voor een drukte?
Overal uit huis en hoeven
Stroomen vrouwen, mannen, kindren …
Achter hellingen en rotsen
Schuiven voort de lange rijen,
Komen weer te voorschijn plots …
Allen voort naar ’t oude kerkje.
(staat op).
O, ik ken je zoo van buiten,
Lakse zielen, traag van geest!
Heel je Onze-Vader bidden
Houdt niet in zich zóóveel wilskracht,
Ja, niet zóóveel zieledrang,
Dat daarvan ten hemel stijgt
Klankrijk als een stem moet klinken,
Iets meer dan de vierde smeekbee!
Die toch is de leus van ’t volk,
Die de strijdkreet thans geworden.
Diep gegrift in alle harten,
Uit ’t verband gerukt, is die nu
Als een door den storm gehavend
Wrak van jullie heele geloof!…
Weg hier uit dien duffen boel!
Weeë lijklucht heerscht in ’t rond hier …
Hier kan nooit een vlaggedoek
Vrijuit, frisch en vroolijk wapp’ren!
(wil weggaan, een steen wordt van boven af gegooid en rolt het pad af tot vlak voor zijn voet).
Brand (roept naar boven).
Hei-dáár! Wie gooit met steenen daar?
(Gerd, een vijftienjarig meisje, loopt boven op den bergrug, haar schort vol steenen).
Gerd.
Ik raakte ’m! Há! (gooit weer).
Brand.
Ik raakte ’m! Há! Kind, staak dat spel!
Gerd.
Daar zit hij waarlijk ongedeerd
Te wieglen op een dorren tak! (gooit weer en schreeuwt).
Daar komt hij weer, ellendig dier!
Help! Huuh! Hij slaat zijn klauwen uit!
Brand.
In ’s hemelsnaam …!
Gerd.
In ’s hemelsnaam …! Stil! Wie ben jij?
Sta stil! Sta stil! Nu vliegt hij weg.
Brand.
Wie vliegt?
Gerd.
Wie vliegt? Zag je dien havik niet?
Brand.
Hier? Neen.
Gerd.
Hier? Neen. Dien woesten vogel niet?
Dien, met zijn kuif als uitgestreken,
En oogen rood en geel omrand!
Brand.
Waar ga je heen?
Gerd.
Waar ga je heen? ’k Ga naar de kerk.
Brand.
Dan kunnen wij wel samen gaan.
Gerd.
Wij samen? Neen, mijn weg gaat dáár. (wijst naar boven).
Brand (wijst naar beneden).
Maar dáár ligt toch de kerk?
Gerd (kijkt hem verachtelijk lachend aan en wijst naar beneden).
Maar dáár ligt toch de kerk? Die dáár?
Brand.
Ja zeker. Kom.
Gerd.
Ja zeker. Kom. Daar is ’t benauwd!
Brand.
Benauwd? Waarom?
Gerd.
Benauwd? Waarom? ’t Is er zoo klein.
Brand.
Waar heb je een grootere gezien?
Gerd.
Een groot’re? O, die weet ik goed.
Vaarwel! (gaat de hoogte op).
Brand.
Vaarwel! Ga je dáárheen ter kerk?
Dat leidt naar hoogen wilden top.
Gerd.
Ga met mij mee, dan zal je zien
Een kerk gebouwd van ijs en sneeuw!
Brand.
Van ijs en sneeuw! Nu weet ik ’t al!
Als jongen hoorde ik er van.
Daar tusschen steile toppen in
Moet er een ijsgrot zijn te vinden.
De ijskerk, meen ik, werd ’t genoemd.
Daarvan werd allerlei verteld;
De grond is een bevroren meer,
Het dak is van lawinesneeuw
Gespannen wijd, van wand tot wand,
Als een gewelf er over heen.
Gerd.
Ja, ’t ziet er uit als ijs en rots …
Mij goed … een kerk is het toch.
Brand.
Ga daar niet heen; één windstoot maar
Dan breekt de korst; ’t gewelf stort in;
Een kreet, een schot is al genoeg …
Gerd (zonder naar hem te luisteren).
Kom mee, een rendierkudde is
Daar afgegleden, komt pas vrij
In ’t voorjaar, met de groote dooi.
Brand.
Ga daar niet heen, daar dreigt gevaar!
Gerd (wijst naar beneden).
Ga daar niet heen; daar is ’t benauwd!
Brand.
God zij met je!
Gerd.
God zij met je! Ga liever mee!
Lawine en waterval zingt daar,
De wind preekt over ’t ijsveld luid,
Dat heet je wordt en dan weer koud.
En nooit komt er de havik in;
Hij strijkt neer op den Zwarten Top,…
Daar zit hij dan, dat galgenaas,
Als ’t haantje op de torenspits.
Brand.
Wild is je pad, en wild je ziel,…
Als klank van een gebarsten luit.
Wat slecht is blijft slecht, kort en goed,…
Kwaad kan in goed verkeeren soms.
Gerd.
Daar hoor ik weer zijn wiekgeruisch!
Nu ga ik weg en gauw naar huis!
Daar in die kerk ben ’k welbewaard …
Vaarwel! Daar komt hij, woedend weer!
Ga weg! Ik gooi met steenen, hoor!
Sla jij naar mij, dan sla ’k weerom! (vlucht den berg op).
Brand.
Dat was nu ook een kind der kerk.
In ’t dal,… of boven, wie doet ’t best?
Wie stuift vooruit met woeste vaart,
Wie zwerft het verst van huis en haard,…
Lichtzinnigheid met groen omkranst,
Die spelend langs den afgrond danst,
Of laksheid traag maar sukk’lend voort,
Omdat ’t nu eenmaal zoo behoort,…
Of dwaling wild en verregaand,
Dat zij het kwade goed haast waant?…
Welaan, ten strijd, ten bittren strijd,
Die Driebond zij ten dood gewijd!
Ik zie mijn roeping, schittrend, fier,
Als zonlicht vallend door een kier!
Ik ken mijn taak; die Driebond moet
Vernield, en ’t wereldwee geboet.
Als die ten grave is gebracht
Wijkt ’s werelds pest van dit geslacht!
Op ziel! Grijp ’t blanke zwaard! Met kracht
Ten strijd voor ’t hemelsch nageslacht!
(hij daalt af naar het dorp).
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.
Beneden aan de door steile bergwanden ingesloten fjord. Op een kleine hoogte dicht bij de fjord, ligt het oude vervallen kerkje. Er komt een onweer op.
Volk, mannen, vrouwen en kinderen, gedeeltelijk op het strand, gedeeltelijk op de hoogten in groepen verzameld. De Baljuw zit op een steen in hun midden. Een klerk staat hem bij in het verdeelen van koren en levensmiddelen. Ejnar en Agnes staan iets verder weg, omringd door een troep menschen. Enkele booten liggen op het door de ebbe droog geloopen zand. Brand komt van den kerkheuvel aaf zonder door de menigte te worden opgemerkt.
Een Man (werkt zich door het gedrang heen).
Op zij!
Een Vrouw.
Op zij! Ik kwam het eerst!
De Man (duwt haar op zij).
Op zij! Ik kwam het eerst! Ga weg!
(dringt vooruit naar den baljuw).
Kijk hier; geef gauw wat in mijn zak!
De Baljuw.
Geduld.
De Man.
Geduld. Onmooglijk; ’k moet naar huis;
Daar snakken er wel vier of vijf!
De Baljuw (schertsend).
Weet je niet eens precies ’t getal?
De Man.
Eén lag te sterven toen ik ging.
De Baljuw.
Maar wacht. Sta jij wel op de lijst? (bladert in zijn papieren).
Neen;… ja, toch wel. Dat ’s je geluk. (tegen den klerk).
Geef nommer dertig eens zijn deel …
Ja, goede menschen, hebt geduld!
Nils Snemyr?
Een Man.
Nils Snemyr? Ja!
De Baljuw.
Nils Snemyr? Ja! Je krijgt van daag
Maar driekwart van wat je anders kreeg.
Er zijn er minder nu.
De Man.
Er zijn er minder nu. Jawel,…
Juist gistren stierf mijn vrouw Ragnhild.
De Baljuw (noteert).
Een minder. Dat is altijd wàt. (tegen den man die weg gaat).
Maar ga nu niet zoo daadlijk weer
Een tweede huwlijk aan!
De Klerk (gichelt).
Een tweede huwlijk aan! Hi, hi!
De Baljuw (scherp).
Waar lacht u om?
De Klerk.
Waar lacht u om? Ik lach omdat
Mijnheer zoo grappig is van daag.
De Baljuw.
Zoo grappig is ’t hier anders niet;
Maar scherts verdrijft wel eens een traan.
Ejnar (komt met Agnes uit de menigte naar voren).
’k Heb al mijn zakken leeggemaakt.
Mijn beurs, mijn zakboek, alles leeg!
’k Kom als een bedelaar aan boord,
Geef mijn horloge maar als pand.
De Baljuw.
Ja, u kwam daar te goeder ure.
Wat ’k in kon zaamlen is niet veel;
Dat reikt niet ver, kan u wel denken,
Waar ’n leege hand, een mond halfvol,
Nog moeten afstaan van hun beetje
Aan wie er niets te bikken heeft.
(krijgt Brand in ’t oog en wijst naar hem).
Nog iemand! Welkom! Hoorde u al
Van hongersnood en overstrooming,
Maak dan uw beurs en randsel open.
Wij nemen gaarne alles aan.
De voorraad is haast uitgeput;…
Vijf vischjes maken nog geen maal
In deze armoed-woestenij.
Brand.
Tienduizend korven uitgedeeld
In naam eens afgods, baten niet.
De Baljuw.
Om woorden heb ’k u niet gevraagd.
Voor ’n leege maag zijn woorden steen.
Ejnar.
Je weet niet wat het volk hier leed
Zoo lang in bitt’ren hongersnood.
Een jaar vol rampen, Brand, en wee,
Er liggen dooden …
Brand.
Er liggen dooden … ’k Zie het wel;
Uit al die ingevallen oogen
Spreekt ’t straffend oordeel van omhoog.
De Baljuw.
En daarbij blijft u hard als steen!
Brand (treedt tusschen de menigte en zegt met nadruk).
Toen ’t leven kalm hier was en schraal,
En traag verliep met daagsch bezwaar,
Had ’k meelij met ’t gezwoeg om brood.
Wie op zijn knieën kruipen moet
Voelt ’t dier ontwaken in zijn ziel.
Vergaan de dagen dof en stil
Als ’n lijkstoet, langzaam, stap voor stap,
Gaat men licht denken: och, wij zijn
Uit ’t boek des Heeren uitgeschrapt.
Maar u betoonde hij zich juist goed,
U joeg hij doodsangst in het bloed,…
En geeselt u met vrees en schrik;
Wat hij u gaf, neemt hij terug …
Verscheidene Stemmen (vallen hem dreigend in de rede).
Hij spot met onzen angst en nood!
De Baljuw.
Hoont hij ons, die u gaven brood?
Brand (schudt het hoofd).
O, kon ’k met al mijn hartebloed
U laven als een levensbron,
Ik liet het vloeien als een stroom,
Tot droog en leeg was iedre aâr.
Maar zonde waar’ ’t te helpen hier!
God wil u heffen uit het slijk;…
Een waar volk,… zij ’t verspreid en zwak …
Put ook uit onheil merg en kracht;
De geest wordt helder, heft zich op,
’t Gesluierd oog wordt scherp van blik,
De slappe wil wordt sterk en flink,
Ziet de overwinning in ’t verschiet;
Maar baart de nood geen eedlen zin,
Is ook het volk zijn heil niet waard!
Een Vrouw.
Een onweer komt op over zee,
’t Is of zijn woord ’t heeft aangelokt!
Een Andere.
Hij tergt den Heer! Wat ik je zeg!
Brand.
Neen, uw God doet geen wondren meer!
De Vrouwen.
Kijk ’t weêr eens! Kijk!
Stemmen in de menigte.
Kijk ’t weêr eens! Kijk! Jaagt hem toch weg
Met steenen! Slaat hem dood, den beul!
(Het volk dringt dreigend op om Brand. De Baljuw treedt tusschen beiden. Een vrouw, verwilderd, met gescheurde kleeren, komt haastig van de hoogte af).
De Vrouw (roept tegen de menigte).
In Jezus naam, wie staat mij bij!
De Baljuw.
Wat is er? Zeg wat er aan scheelt …
De Vrouw.
Ik wil geen geld of brood nu meer!
Mij trof het allerergste lot!
De Baljuw.
Wat dan? Spreek toch! dan? Spreek toch!
De Vrouw.
Wat dan? Spreek toch! dan? Spreek toch! Dat kan ik niet!
Waar vind ’k een priester?… Hulp en troost!
De Baljuw.
Hier is er geen …
De Vrouw.
Hier is er geen … Verloren, God!
O, dat ik nooit geboren waar’!
Brand (komt nader).
Een geestlijke is er mooglijk toch.
De Vrouw (grijpt zijn arm).
Laat hem dan komen, talm toch niet!
Brand.
Zeg wat je scheelt, dan komt hij wel.
De Vrouw.
Ginds over ’t water …
Brand.
Ginds over ’t water … Wel?
De Vrouw.
Ginds over ’t water … Wel? Mijn man …
Drie kindren hongrend … niets in huis,…
Zeg neen, zeg neen,… hij ’s niet verdoemd!
Brand.
Spreek eerst.
De Vrouw.
Spreek eerst. Mijn borst was leeg … verdroogd;
Ons hielp geen mensch, ons hielp geen God.
Het jongste worstlend met den dood …
Hij droeg ’t niet langer … sloeg het dood …!
Brand.
Sloeg ’t dood …!
Het Volk (ontzet).
Sloeg ’t dood …! Zijn kind!
De Vrouw.
Sloeg ’t dood …! Zijn kind! Maar toen, terstond
Zag hij met afschuw op zijn daad!
’t Berouw steeg als een vloedgolf op;
En aan zich zelf sloeg hij de hand …
Kom, red zijn ziel, trots storm en stroom!
Hij kan niet leven, vreest den dood,
Met ’t lijkje in de armen ligt hij daar
En schreeuwt en roept den Booze aan!
Brand (stil).
Ja, dàt is erg.
Ejnar (bleek).
Ja, dàt is erg. Hoe kàn ’t bestaan!
De Baljuw.
De man hoort niet tot mijn district.
Brand (kort tegen het volk).
Maakt los een boot en zet mij over!
Een Man.
Nu, in dit weer! Dat waagt geen mensch hier!
De Baljuw.
Een pad loopt om de fjord …
De Vrouw.
Een pad loopt om de fjord … Neen, neen,…
Dat is nu niet begaanbaar meer;
Ik kwam er langs, maar ’t water sloeg
Vlak achter mij den vlonder weg!
Brand.
Maakt los de boot.
Een Man.
Maakt los de boot. Het kan niet meer;
De vloed slaat over rots en strand!
Een tweede Man (wijst naar den anderen oever).
Daar komt al een stuk berg omlaag!
Vol stof en rook de heele fjord.
Een Derde.
’t Is noodweer, donderslag en storm,
De Proost zelf spreekt u vrij van plicht!
Brand.
Een zondaarsziel, den dood nabij,
Wacht niet op weer, of wind, of tij! (gaat naar beneden in de boot en haalt het zeil op).
Waag je de boot er aan?
De Eigenaar.
Waag je de boot er aan? Jawel …
Brand.
Goed. Wie waagt nu zijn leven ook?
Een Man.
Ik ga niet mee.
Een Andere.
Ik ga niet mee. En ik ook niet.
Verscheidenen.
Je waagt je rechtstreeks in den dood!
Brand.
Och, jullie God helpt niemand voort;
Maar die van mij is mee aan boord!
De Vrouw (handenwringend).
Hij sterft in zonde!
Brand (roept uit de boot).
Hij sterft in zonde! Eén enkel man,
Die ’t water uitschept, ’t zeil hanteert,
Is al genoeg. Kom, geef nog meer
Dan je al deedt, geef je eigen zelf!
Verscheidenen (terugwijkend).
Eisch zoo iets niet!
Een enkele (dreigend).
Eisch zoo iets niet! Kom uit de boot!
Dat is te érg den Heer verzoeken!
Verscheidene Stemmen.
’t Wordt erger nog!
Anderen.
’t Wordt erger nog! De lijn knapt af!
Brand (klampt zich vast met de bootshaak en roept tegen de vreemde vrouw).
Goed; kom jij dan; maar kom dan gauw!
De Vrouw (terugwijkend).
Ik! Als geen een hier …!
Brand.
Ik! Als geen een hier …! Laat hen staan!
De Vrouw.
Ik kan niet!
Brand.
Ik kan niet! Niet?
De Vrouw.
Ik kan niet! Niet? Mijn kindren thuis …
Brand (lacht).
Zand is de grond waarop je bouwt!
Agnes (keert zich met gloeiende wangen snel tot Ejnar, legt haar hand op zijn arm en zegt:)
O Ejnar, hoor je ’t?
Ejnar.
O Ejnar, hoor je ’t? Hij is sterk!
Agnes.
Godlof! Dan ken je ook je plicht! (roept tegen Brand).
Kijk! Hier is iemand! Hij is ’t waard
Met u te gaan voor ’t heilig werk!
Brand.
Kom dan!
Ejnar (bleek).
Kom dan! Ik!
Agnes.
Kom dan! Ik! Ga! Ik geef je weg!
’k Was blind eerst, helder zie ik nu!
Ejnar.
Eer ’k jou ontmoette had ik graag
Mijzelf met hem ten dood gewijd …
Agnes (bevend).
Maar nu …?
Ejnar.
Maar nu …? Is ’t leven te veel waard;…
Ik kàn nu niet!
Agnes (terugwijkend).
Ik kàn nu niet! Wàt zeg je? Niet?
Ejnar.
Ik mag niet!
Agnes (met een kreet).
Ik mag niet! Door dat woord, o God!
Is tusschen ons met stormgeweld
Een woeste wereldzee ontstaan! (tegen Brand).
Ik kom bij u!
Brand.
Ik kom bij u! Goed; ga dan mee!
De Vrouwen (ontsteld terwijl zij in de boot springt).
Help Jezus!
Ejnar (grijpt in wanhoop naar haar).
Help Jezus! Agnes!
De heele menigte (komt toeloopen).
Help Jezus! Agnes! Halt! Terug!
Brand.
Waar ligt je huis?
De Vrouw (wijst).
Waar ligt je huis? Daar, heel aan ’t eind,…
Ginds, hoog, achter die zwarte klip!
(De boot stoot van land).
Ejnar (schreeuwt haar achterna).
Denk aan je moeder, allen thuis!
O, red je!
Agnes.
O, red je! God is mee aan boord!
(De boot zeilt uit. Het volk groepeert zich op de hoogten en kijkt haar na in groote spanning).
Een Man.
Hij klaart den hoek al!
Een Tweede.
Hij klaart den hoek al! Neen!
De Eerste.
Hij klaart den hoek al! Neen! Jawel!
Hij heeft ’m al achter zich aan lei!
De Tweede.
Een valwind! Ha, die pakt hen net!
De Baljuw.
Kijk! Die gaat strijken met zijn hoed!
Een Vrouw.
Als ravenzwarte vlerken slaan
Zijn natte haren in den wind!
De Eerste Man.
En alles kookt en dampt!
Ejnar.
En alles kookt en dampt! Wat was
Die kreet, die door den storm heen sneed?
Een Vrouw.
’t Kwam van de bergen.
Een Tweede (wijst naar de hoogte).
’t Kwam van de bergen. Daar staat Gerd,
Zij lacht en juicht van boven af!
Eerste Vrouw.
Nu blaast zij op een bokkehoorn!
En gooit met steenen naar beneê!
Tweede Vrouw.
Daar gooit zij weer den hoorn weg
En toetert door haar holle hand!
Een Man.
Ja, blaas en schreeuw maar, wilde heks,
Die man weerstaat jouw kunsten wel!
Een Tweede.
Met hem aan ’t roer, durf ik voortaan
In erger weer wel mee te gaan.
De Eerste (tegen Ejnar).
Wat is hij?
Ejnar.
Wat is hij? Geestlijke.
De Tweede.
Wat is hij? Geestlijke. Wat hij
Dan wezen mag,… hij is een man!
In hem steekt moed en kracht en trots.
De Eerste.
Dàt zou voor ons een leeraar zijn!
(Zij verspreiden zich over de hoogten).
De Baljuw (zoekt zijn boeken en papieren bij elkaar).
Onvormlijk is ’t in elk geval
Zich te bemoeien met die zaak,
En zonder noodzaak in te grijpen,
Zijn leven in gevaar te stellen,…
Ik doe waarachtig ook mijn plicht,…
Maar altijd binnen mijn district.
(af).
Buiten de hut op de hooge landtong. Het is helder dag. Het water ligt stil en blank.
Agnes zit beneden aan het strand. Even later komt Brand de deur uit.
Brand.
Hij is dood. Verlost van allen
Schrik en angsten voor het Oordeel,
Ligt hij nu met kalme trekken
Rustig en verlicht daar neer,
Hoe kan toch een ijle illusie
Nacht in zulk een dag herscheppen
Van zijn helsche misdaad zag hij
Enkel maar den buitenkant,…
Dat, wat uit te spreken is,…
Dat, wat handen kunnen grijpen,…
Wat zijn naam een brandmerk opdrukt,…
Zijn vergrijp aan ’t doode kindje.
Maar de twee, die vol van angst
Starende met groote oogen,
Als ineengedoken vogels,
In den schoorsteenhoek gehurkt …
Enkel zagen hoe hij deed
Zonder te begrijpen wàt,…
Zij, wier ziel daar werd een vlek
Ingebrand, nooit uit te wisschen,
Die niet uitslijt door den tijd,
Ook al worden ze eenmaal grijsaards,…
Zij wier levensstroom moet vloeien
Uit die vreeslijke herinring,…
Die in schaduw van zijn wandaad
Moeten groeien, worden mensch,…
Nooit ’t afgrijselijk visioen
Uit hun hersens kunnen branden …
Aan die twee kon hij niet denken,…
Niet aan hen, wie hij zijn erfdeel,
’t Onheilvolle, achterliet …
En van hen gaan wellicht uit
Velen nog tot zonde en schuld …
Waarom? Ondoorgrondlijk woord:
Zij zijn kindren van zijn bloed!
Wat wordt uitgewischt in stilte?
Wat met zachte hand vereffend?
Waar begint toerekenbaarheid
Voor der oudren geestlijk erfdeel?
Welk een rechtsdag, welk een rechter,
Als eens komt de dag des Oordeels!
Wie zal richten, wie getuigen,
Waar een ieder schuldig is;
Wie durft daar vertoonen ’t oude
Uitgesleten document?
Wordt dàn ’t antwoord aangenomen:
Alle schuld ligt bij mijn vader?…
Duizelingwekkend donkre raadsels,
Niemand weet u op te lossen!
Maar de massa zonder denken,
Danst op ’t randje van den afgrond.
Alle zielen moesten beven,…
Maar niet één uit duizend ziet er
Welk een berg van schuld zich ophoopt
Uit het kleine woordje: leven.
(Enkele mannen uit het volk komen van achter het huis te voorschijn en naderen Brand).
Een Man.
We ontmoeten hier elkaar dus weer.
Brand.
Hij heeft geen hulp van noode meer.
De Man.
Zelf is hij nu verlost, gered;
Maar binnen zitten er nog drie …
Brand.
En dan?
De Man.
En dan? Van ’t beetje dat ons zelf
Bedeeld werd, is hier wat voor hen …
Brand.
Gaf je alles ook,… maar niet je leven,
Zoo weet, dan heb je niets gegeven.
De Man.
Zoo hij die nu gestorven is,
Van daag gebrek geleden had,
Om hulp geroepen uit zijn boot,
Mijn leven had ’k voor hem gewaagd.
Brand.
Maar zielenood is dat niet waard?
De Man.
Wij zwoegen hard, bedenk dat wel.
Brand.
Keer dan je heele ziel maar af
Van zonneschijn en sterrenglans;
Kijk niet, als nu, met ’t linkeroog
Omhoog, terwijl je ’t rechter keert
Naar ’t slijk, waar met gebogen rug
Je ’t juk zelf op je schouders drukt.
De Man.
Ik dacht dat u ons raden zou
Ons te bevrijden van het juk.
Brand.
Ja, als ’t maar kon!
De Man.
Ja, als ’t maar kon! ’t Staat in uw macht.
Brand.
Ik zou …?
De Man.
Ik zou …? Zoovelen spraken al
En toonden vroeger ons den weg;…
Zij wezen, maar u ging dien weg.
Brand.
Je meent dat …?
De Man.
Je meent dat …? Duizend woorden niet
Zooveel uitwerken als een daad.
Wij komen hier uit naam van ’t dorp;…
Wat ons ontbreekt is juist een man.
Brand (onrustig).
Wat wil je dan …?
De Man.
Wat wil je dan …? Kom hier bij ons
Als onze leeraar.
Brand.
Als onze leeraar. Ik?
De Man.
Als onze leeraar. Ik? U weet
Toch vast wel dat wij zonder zijn?
Brand.
O ja, ’t is waar …
De Man.
O ja, ’t is waar … In vroeger tijd
Was ’t dorp hier groot, nu is het klein.
Ellende kwam met misgewas,
Door ziekten stierf èn volk èn vee,
En armoe sloeg er allen neer;
De nood zong iedre ziel in slaap.
Toen werd hier ’t eten schaarsch en duur …
En raakten we onzen leeraar kwijt!
Brand.
Vraag wat je wilt, alleen dit niet!
Een zware plicht rust er op mij.
Voor mij, des levens druk bewegen,
Voor mij, der wereld open ooren.
Wat moet ik hier? Hier tusschen rotsen
Gekerkerd, heeft de stem geen macht.
De Man.
Waar ’t woord weerkaatst wordt door de rotsen
Klinkt zijn geluid nog langer na.
Brand.
Wie sluit zich op in donkre groeve
Waar ’t wijde land hem lokt en wenkt?
Wie gaat er zand en steen beploegen
Waar vruchtbaar land ligt voor de hand?
Wie wil van pitten vruchten oogsten,
Waar jonge boomen staan vol ooft?
Wie tobt zich af in daaglijksch zwoegen,
Waar ’t licht eens Zieners in hem gloort?
De Man (schudt het hoofd).
Uw daad begreep ik,… niet uw woord.
Brand.
Vraag mij niets meer! Aan boord, aan boord! (wil gaan).
De Man (treedt hem in den weg).
Is u het werk waarnaar u tracht,
De roeping die daarginds u wacht
Zoo dierbaar dan?
Brand.
Zoo dierbaar dan? Mijn leven zelf
Is mij dat werk!
De Man.
Is mij dat werk! Blijf dan bij ons! (met nadruk).
Gaf je alles ook,… maar niet je leven,
Zoo weet, dan heb je niets gegeven.
Brand.
Iets is er dat men niet kan schenken;
Dat is zijn innigst eigen zelf.
Men mag den stroom niet binden, leiden,
Niet stuiten ’s geestes roepingsdrang,…
Die wil voort, naar de groote zee.
De Man.
Al loopt die dood in een moeras,…
Als dauw bereikt hij toch de zee.
Brand (kijkt hem scherp aan).
Wie leerde je aldus te spreken?
De Man.
Dat deed u zelf in ’t stormgebulder,
Toen wild de zee sloeg over ’t land,
U, storm en zee trotseerend, ’t leven
Vertrouwde aan een dunne plank,
Voor ’n arme zondaarsziel in nood.
Toen heeft er meen’ge ziel getrild,
Dan koud, dan warm, als zon en wind;
Toen was ’t als wekkend klokgelui …
Misschien is ’t alles morgen weg;
Dan halen wij de feestvlag in,
Die u voor ons geheschen heeft.
Brand.
Waar kracht ontbreekt kan niets ontstaan. (hard).
Wie niet kan wezen wat hij moet,…
Zij dan in ernst maar wat hij kan;
Zij dan geheel man van deze aard’.
De Man (kijkt hem een oogenblik aan en zegt:)
Wee u, die weggaand, dooft het licht;
Wee ons, wien even ’t licht opging!
(Hij gaat weg; de anderen volgen hem zwijgend).
Brand (kijkt hen lang na).
Zwijgend, met gebogen nekken,
Gaat de stille troep naar huis.
Zwaar de hoofden, loom de voeten,
Sleepend moe en droef zich voort;
Ieder als belast met droefheid,
Loopt als met een roe bedreigd,
Loopt als aller menschen vader,
Eens verjaagd uit ’t Paradijs,…
Loopt, als hij, met schuldig voorhoofd,
Staart, als hij, in duisternis,…
Draagt, als hij, verworven kennis …
Van zijn blindheid het gemis;
Menschen wilde ik, overmoedig,
Scheppen nieuw en heel en rein;…
Dát … een beeld van schuldbewustheid,
Niet van God … heb ’k voortgebracht …
Weg naar wijder horizonnen,
Voor een held is hier geen ruimte!
(hij wil gaan, maar blijft staan als hij Agnes aan het strand ziet zitten).
Zie haar luisterend daar zitten,
Of zij hoorde harpetonen.
Luistrend zat zij in de boot ook,
Toen die door de branding heensneed,…
Luistrend hield zij vastgeklampt zich,
Luistrend schudde zij het spattend
Zeeschuim van haar reine voorhoofd,
’t Is of zij niet met haar ooren
Maar met de oogen zit te luistren. (nadert haar).
Zijn het, meisje, soms de bochten
Van de fjord, die je oogen volgen …?
Agnes (zonder om te kijken)
Noch van ’t strand hier, noch van ’t water;
Aan mijn oog zijn beide onttrokken.
Maar een grootre wereld zie ik,
Klaarblank tegen ’t blauw zich koeplend.
Zeeën zie ik, breede stroomen,
Zonneschijn door nevel scheemrend;
Zie om wolkomfloersde toppen
Purpervlammen spelend lichten;
Zie een eindloos dorre vlakte,…
Hooge palmen buigen wuivend
Groene kruin in scherpe windvlaag,
Werpen donkre schaduw van zich.
Nergens leven … woest verlaten,
Als een wereld, nieuw, in wording;
En ’k hoor woorden luid-op klinken,
Ik hoor stemmen tot mij spreken:
’t Geldt je dood of je verlossing;…
Voer het uit wat ik je opdraag:
Deze wereld te doen leven!
Brand (meegesleept).
Zeg wat zie je méér nog!
Agnes (legt de handen op haar borst).
Zeg wat zie je méér nog! In mij
Voel ik krachten gistend dringen,
Voel ik bronnen bruisend zwellen,
Zie ’k een nieuwen dag aanbreken.
Als een wijde wereld breidt zich
Uit mijn hart, naar alle kanten,
En ’k hoor stemmen mij bevelen
Déze wereld te doen leven.
Al mijn denken dat zal worden,
Iedre daad die ’k doen zal, leeft er,
Fluistert, ademt, blij ontwakend,
Of het barensuur voorbij was;
En ik voel, méer dan ik zie ginds,
Hem daarboven zich verheffen,
Liefdevol met diepe smart;
Licht en zacht als ’t ochtendblozen,
En bedroefd tot in den dood toch;
En ’k hoor woorden luid-op klinken:
Scheppen moet je en zelf herleven;
’t Geldt je dood of je verlossing …
Voer het uit, wat ik je opdraag!
Brand.
In je, in je! Ja dàt is het!
Dáárheen wijst het. Dat ’s de richting,
’t Eigen hart,… dàt is de wereld,
Die, herboren, rijp voor God is;
Waar des willens gier moet sterven,
Nieuwe Adam ’t licht aanschouwt.
Laat de wereld dan haar gang gaan,
Onder zwoegen of gezang;…
Maar als wij in botsing komen …
Als mijn arbeid zij bedreigt,…
Dan, bij God, dan sla ik toe!
Plaats op heel de wijde aarde
Om geheel zich zelf te zijn,…
Dat mag ieder mensch toch eischen,
En ik vraag geen ander recht!
(denkt een oogenblik na en zegt dan:)
Om geheel zich zelf te zijn!…
Maar zijn erflijke belasting? (staat op en kijkt uit).
Wie is zij die ginder aankomt
Stromplend over ruige hoogten,
Krom en stram, het hoofd gebogen?
Even blijft zij hijgend staan,
Steunt zich om niet òm te vallen,
Grijpt er met de schrale vingers
Haastig in haar diepe zakken,
Of een schat zij bij zich draagt.
Om haar mager, dor gebeente
Slingert slap, als veeren, ’t kleed;
Krom als klauwen zijn haar handen;
Lijkt een arend, vastgespijkerd,
Hangend aan een voorraadschuur.
(plotseling angstig).
Welk een ijskoû van herinring,
Welk een sfeer van ’t droef verleden
Trilt verkillend om die vrouw daar,…
Trilt verkillender nog in mij …?
Groote God! Het is mijn moeder!
Brands Moeder (komt naar boven, blijft op den berg staan, half zichtbaar, houdt de handen beschuttend voor de oogen en kijkt rond).
Hier moet hij wezen. (komt nader). Hè, dat zonlicht!
De duivel haal ’t … ’t maakt mij half blind.
Zoon, ben jij daar?
Brand.
Zoon, ben jij daar? Ja.
De Moeder (knipt met de oogen).
Zoon, ben jij daar? Ja. Huuh, die zon,
Die brandt en steekt de oogen uit;
Je kunt geen mensch meer onderscheiden.
Brand.
Toen ’k thuis was zag ik nooit de zon,
Van ’t najaar tot de koekoek riep.
De Moeder (lacht stil).
Neen, daar is ’t goed. Daar vriest het lekker,
Een ijsklomp wordt je er zelf bijkans;
Dat maakt je sterk, en wàt je ook durft
Dat doe je en vindt dat ’t ook wel mag.
Brand.
Gegroet. Vaarwel. Mijn tijd is kort.
De Moeder.
Ja, jij bent altijd kort geweest.
Als jongen liep je hier van daan …
Brand.
Dat ’k weg ging dunkte u ook het best.
De Moeder.
Ja, ’t was wat anders toen of nu;
’t Was noodig dat je priester werdt.
(bekijkt hem nauwkeuriger).
Nu, hij ’s groot en sterk opgegroeid.
Maar ’k bid je, let nu op mijn woord,…
Pas op je leven!
Brand.
Pas op je leven! Anders niet?
De Moeder.
Je leven, ja? Wat dan nog meer?
Brand.
Ik meen: is u voor dezen raad
Alleen gekomen?
De Moeder.
Alleen gekomen? Weet je er meer,
Zoo volg ze. Maar bewaar je leven
Voor mij; ik heb ’t je toch gegeven. (boos).
’t Is wijd bekend wat je gedaan hebt;
En ’t heeft dood-angstig mij gemaakt.
Op zee van daag! Roekloos te wagen
Wat jij voor mij bewaren moest.
Jij bent van ons geslacht de laatste.
Jij bent mijn zoon, mijn vleesch en bloed.
Jij bent de sluitsteen van ’t gebouw,
Dat ’k stuk voor stuk heb opgetrokken.
Sta vast, wees sterk; hoû vast aan ’t leven
Bewaar het goed! Vergeet je niet!
’t Is voor een erve plicht te leven,…
En jij zult eens de mijne zijn …
Brand.
Zoo? Moest u daarvoor hierheen komen,
En mij met volle zakken lokken?
De Moeder.
Zoon, ben je dol! (wijkt terug).
Zoon, ben je dol! Blijf waar je bent!
Kom niet hierheen! ’k Sla met mijn stok! (kalmer).
Wat wou je daarmee zeggen?… Hoor!
’k Word oud, en ouder ieder jaar;
Dat is per slot de weg naar ’t graf;
Dan krijg jij al wat ik bezit;
Het ligt geteld en afgewogen …
Ik heb niets bij mij!… Thuis ligt alles
Wat ’k heb. En heel veel is het niet;
Maar wie het krijgt is toch geen beedlaar …
Blijf waar je bent! Kom niet hierheen!…
’k Beloof je dat ’k niets zal verstoppen
In spleten, of begraven zal
Op plekken die er niemand kent,…
Of tusschen steenen, onder vloeren,
In muren, iets verbergen zal …
Jij erft, mijn zoon, geheel alleen,
Het heele erfgoed, zonder deelen
Brand.
Op welke voorwaarde?
De Moeder.
Op welke voorwaarde? Op ééne,
Verspil niet roekeloos je leven,
Dat ’t goed kan gaan van zoon op zoon;
Ik eisch er voor geen ander loon.
En zorg er voor dat niets verkwist wordt;…
En niets verdeeld of losgemaakt wordt;…
Vermeerder je bezit of niet;
Maar waak er over, jaar op jaar!
Brand (na een korte pauze).
Eén ding wou ’k opgehelderd zien;
Van jongs af was ’k met u in strijd;…
Gij waart geen moeder, ik geen zoon,
Tot dat u oud was en ik man.
De Moeder.
Ik vraag van jou geen liefgedoe.
Wees wat je wilt; het deert mij niet,
Wees hard, wees ruw, zoo koud als ijs;…
Het raakt mijn koude kleeren niet;
Hoû maar alleen je erfdeel vast …
Als dat maar blijft in ons geslacht!
Brand (komt een stap naderbij).
En als ’k integendeel van plan was
’t In alle winden uit te strooien?
De Moeder (tuimelt achteruit).
Dat wat mij menig zwoegend jaar
Den rug kromde en vergrijsde ’t haar!
Brand (knikt langzaam).
Uitstrooien, ja.
De Moeder.
Uitstrooien, ja. Dan strooi je ook
Mijn ziel in alle winden uit!
Brand.
En als ik het nu toch eens doe?
Als ’k bij uw bed eens ’s avonds sta,
En kaarsen om uw doodsbed branden,
Als u, met ’t psalmboek in de handen,
Den eersten nacht uw doodsslaap slaapt,…
Als ’k dan ga grabb’len, snuflen, zoeken,
En voor den dag haal heel den schat,…
Als ’k dan den brand er eens in steek …?
De Moeder (komt in spanning naderbij).
Hoe kom je aan die gedachte, zeg?
Brand.
Hoe? Zal ik ’t zeggen?
De Moeder.
Hoe? Zal ik ’t zeggen? Ja! Zeg op!
Brand.
Door wat me als kind eens overkwam,
En ’k nooit daarna vergeten kon;
Dat in mijn ziel drong en er bleef
Als de ijzeren pijlpunt in een wond.
’t Was herfst en avond. Vader dood.
U ziek. Ik sloop naar binnen stil,
Waar hij lag, bleek, bij kaarsenschijn.
Ik stond en staarde uit een hoek
Naar hem, met ’t psalmboek in de hand;
Het vreemdste vond ik ’t diepe slapen,
En zijn zoo dun geworden polsen;
En ’k rook den geur der kille lijkwâ;…
Toen hoorde ik loopen op ’t portaal,…
Een vrouw kwam binnen, zag mij niet,…
Liep rechtstreeks op het doodsbed toe.
En grabb’lend ging zij toen aan ’t zoeken;…
Eerst opgelicht ’t hoofd van den doode,
Daar kwamen pakken onderuit,…
Zij telde, fluistrend: meer toch, meer!
Toen groef zij uit de beddekussens
Een pak, met touwen dichtgebonden.
Zij scheurde, trok, met woeste rukken,
Beet met haar tanden ’t touw aan stukken.
Toen groef zij weer. Zij vond nog meer,…
Doch telde fluistrend: meer toch, meer!
Zij schreide, klaagde, vloekte, bad,
Steeds zoekend naar een spoor van meer …!
En vond ze iets,… met een jubelkreet
Schoot ze als een valk los op haar prooi.
Op ’t laatst was iedre schuilhoek leeg.
Als een verdoemde sloop zij heen,
Haar schat geborgen in haar schort.
En steunend zacht: dàt ’s alles dus!
De Moeder.
Groot was mijn vordring, schraal mijn vondst,
En die had ’k meer dan duur betaald.
Brand.
Toch kwam ’t u duurder nog te staan,
Mijn kinderhart ontstal het u.
De Moeder.
Nu ja. Zoo is van ouds ’t gebruik.
Men koopt zijn goed met ziel en bloed.
’k Betaalde een hoogen prijs terstond;
Mijn jonge leven zette ik in.
Ik gaf iets dat nu is verwelkt …
Iets vluchtigs, dunkt me, als zonneschijn,…
Onnoozel ook, maar toch zoo mooi;…
Ik gaf wat ’k nauwlijks nu meer weet,…
’k Geloof dat het liefde werd genoemd …
Ik weet ’t nog goed. Mijn strijd was zwaar;
En ’k weet ook goed nog vaders raad:
Vergeet dien jongen; neem den andren,
Wat deert ’t al is de vent wat oud;
De kerel heeft een goed stel hersens,
Verdubb’len kan hij zijn bezit!…
Ik nam hem, maar kreeg stank voor dank.
Zoo ver heeft hij het nooit gebracht.
Maar ik heb jaren lang gezwoegd,
Zoodat ’t er nu wel bijna is.
Brand.
Bedenkt gij ook, zoo dicht bij ’t graf
Dat gij uw ziel daarbij verkocht?
De Moeder.
Dat ’k dàt bedacht blijkt uit het feit
Dat ik jou priester worden liet.
Als de ure komt, zorg voor mijn heil,
In dank voor wat ik achterlaat.
Mijn is het zuur verdiende goed,
En jij hebt macht en ’t troostend woord.
Brand.
Hoe wijs ook, hebt ge u toch vergist,
Gij zaagt mij nog als eertijds thuis.
Met ouderliefde van die soort
Gaan velen met hun kindren om.
Zij zien in ’t kind maar een beheerder
Van al hun nagelaten rommel.
Een bleeke straal van de eeuwigheid
Gaat langs hun denken nu en dan.
Daar grijpen zij dan naar en denken
Dat zij hem al te pakken hebben;
Dat dood en leven dan vereend zijn
Als ’t erfgoed in ’t geslacht bewaard blijft,
En de eeuwigheid, als som, hun deel wordt
Van de opgelegde reeksen jaren.
De Moeder.
Vorsch niet naar wat je moeder denkt,
Maar neem op tijd je erfgoed aan.
Brand.
En dan de schuld?
De Moeder.
En dan de schuld? Schuld? Welke schuld?
Er is geen schuld.
Brand.
Er is geen schuld. Nu goed; maar als
Er schuld was,… moest ’k die overnemen
En alles afdoen, en vereff’nen.
Een zoon moet op zijn moeders graf
Aan alle vordringen voldoen;
Waar’ ’t huis ook leeg als ik ’t betrok,…
Toch erfde ik uw schuldenboek.
De Moeder.
Dat eischt geen enkle wet.
Brand.
Dat eischt geen enkle wet. Niet een
Geschreven wet met pen en inkt;
Maar in elk eerlijk kinderhart
Staan andre wetten ingegrift,…
En aan die wetten zal ’k voldoen.
Verblinde vrouw, o leer toch zien!
Gods tempel hebt ge in u vernederd,
Uw zieleleen hebt gij verdaan.
Het aardsche beeld, dat hij u schonk,
Met slijk en schimmel oversmeurd;
De geest, die eenmaal was gevleugeld,
Hebt gij gekortwiekt in ’t gedrang.
Dàt is uw schuld. Waar wilt gij heen,
Als God de Heer het zijne opeischt?
De Moeder (schuw).
Waarheen ik wil? Waarheen?
Brand.
Waarheen ik wil? Waarheen? Vrees niet;
Uw zoon neemt al uw schuld op zich.
Gods beeltenis, die gij vertrapt hebt,
Zal in mij, klaar, verreind, verrijzen!
Ga kalm maar rusten bij de dooden,
Mijn moeder zal met schuld niet slapen;…
Ik delg de schuld.
De Moeder.
Ik delg de schuld. Mijn schuld en zonden?
Brand.
Uw schuld alléén. Let op mijn woord.
Uw zieleschuld zal ’k op mij nemen;
Maar voor uw zonden komt gij op.
’t Bedrag van ’t menschelijke Wezen,
Dat onderging in ’t aardsche sloven,
Kan door eens andren goeden wil
Volledig worden afbetaald;
Maar dàt het onderging is zonde;
Alleen berouw helpt daar … of sterven!
De Moeder (onrustig).
Het beste ben ik toch maar thuis
In schaduw van mijn gletscherdak;
Hier in dien zwoelen zonneschijn
Ontkiemen giftige gedachten,
Wier geur een mensch al duiz’lig maakt.
Brand.
Zoek maar de schaduw; ga naar huis.
En voelt ge uw laatste ure komen,
En wilt ge dat ’k u licht zal brengen,
Zend dan om mij, en ik zal komen.
De Moeder.
Ja, jij, met je verdoemingswoorden!
Brand.
Neen, warm als zoon, als priester zacht,
Weer ’k schrik en angsten van u af.
En aan uw sponde, met gezang,
Doof ik den koortsgloed in uw bloed!
De Moeder.
Beloof je mij dat op je woord?
Brand.
Ik kom in de ure van berouw.
(dichter bij haar).
Maar ook één voorwaarde heb ik.
Van wat u nog aan de aarde bindt,
Moet gij vrijwillig afstand doen,
En zonder iets ten grave gaan.
De Moeder (slaat wild naar hem).
Gebied den gloed van ’t vuur te scheiden,
De sneeuw van vorst, van water vocht!
Brand.
Gooi in de fjord al uw bezitting,
En bid dat God die daad moog’ zeegnen.
De Moeder.
Eisch wat je wilt; eisch honger, dorst,…
Maar niet wat ’t allerzwaarste weegt!
Brand.
Wordt ’t zwaarste offer niet gebracht
Dan baat ook ’t mindre iemand niet.
De Moeder.
’k Geef zilver in het offerblok!
Brand.
Alles?
De Moeder.
Alles? Is veel dan niet genoeg.
Brand.
Voor u geen andre boete dan
Als Job te sterven, arm en naakt.
De Moeder (handenwringend).
Mijn tijd verspild, mijn ziel verdoemd,
Mijn geld en goed weldra verstrooid!
Naar huis dan, en aan ’t hart gedrukt
Al wat nù nog mijn eigen is!
Mijn goed, mijn smartekind, mijn goed,…
Voor jou reet ik mijn borst aan bloed;…
Naar huis nu, waar ’k met moederklacht
Bij ’t zieke kindje houd de wacht.
Waarom werd ik in ’t vleesch geboren
Als gaat, door ’t vleesch mijn ziel verloren?…
Blijf in mijn buurt, zoon! ’k weet nog niet
Wat ’k doen zal als mijn ure komt.
Moet ’k bij mijn leven ’t àl verliezen,…
Dan wil ’k toch tot het laatste wachten, (af).
Brand (kijkt haar na).
Ja, je zoon zal bij je blijven,
Wachten op het boete uur,
Zal verwarmen je oude, koude
Hand, als zij wordt uitgestrekt.
(gaat naar Agnes toe).
De avond lijkt niet op den morgen,
Toen was heel mijn ziel vol strijdlust,
Verweg hoorde ik krijgsgezangen,
’t Zwaard des toorns wilde ik zwaaien,
Leugens dooden, ’t kwaad verstikken,
Ja, verpletteren heel de wereld!
Agnes (heeft zich omgekeerd en kijkt hem aan met helderen blik).
’t Ochtenduur was bleek voor mij
Toen ik leugen wilde en spel;
Wilde winnen, wilde scheppen,
Wat gewin was te verliezen!
Brand.
Hooge droomen, mooie droomen,
Vlogen aan als wilde zwanen,
Hieven mij op breede wieken.
Verweg zag ’k mijn levensbanen,
Als der menschen schuldbedwinger
In het drukke wereldwoelen.
Zag processies’ vrome pracht,
Hymnen, wierook, zijden vanen,
Gouden schalen, zegezangen,
’t Juublend roepen van zoo velen,
Schittrend om mijn levenstaak.
Alles lag zoo lokkend, rijk;…
Doch het was maar een visioen,
Maar een lichtend vergezicht,
Half in zon- en weerlichtschijn …
En nu sta ’k waar de avond neerdaalt
Lang vóór nog de dag ten eind is,…
Tusschen hoogen berg en fjord,
Afgesloten van de wereld,
Met een enkel streepje hemel,…
Maar ’k sta op geboortegrond.
’t Zondagslied is uitgezongen;
Afgezadeld wordt mijn strijdros;
Doch ik zie een hooger doel,
Dan een kamp met ’t ridderzwaard,…
Slovend dagwerk, daagsche plicht
Word’ tot Zondagswerk geadeld
Agnes.
En die God die vallen moest?
Brand.
Vallen zal hij even goed,…
Maar nu heimlijk, stil verborgen,
Niet in ’t openbaar voor allen.
Duidlijk zie ’k nu dat ik dwaalde,
Toen ’k langs dien weg heil verwachtte.
Geen luidruchtig, machtig handlen
Brengt het menschdom tot bekeering.
Eigenschappen, rijk, te ontwikk’len
Baat niet voor zijn zielekwalen.
’t Is de wil hier die het doen moet!
Willen doodt of kan bevrijden,
Willen, gansch, in alle dingen,
In het zware, als in het lichte …
(keert zich om naar den kant van het dorp, waarover de avondschaduwen al beginnen te vallen).
Komt dan mannen, moeizaam schrijdend
Door de donkre enge dalen;…
Nauw vereend in samenwerking
Laat ons ’t loutringswerk beproeven,
Halfheid neerslaan, leugen smoren,
Jongen, sterken wil opwekken!
Slaat de hand aan hak of zwaard,
Beide is eervol, mannen waard;
Eén is ’t doel,… wij moeten worden
Taaf’len, waarop God kan schrijven.
(Wil weggaan. Ejnar komt hem tegen).
Ejnar.
Wacht, en geef wéér wat je nam!
Brand.
Meen je haar? Daarginder zit zij.
Ejnar (tegen Agnes).
Kies nu tusschen lichte ruimten
Of dit somber droefheidsoord!
Agnes.
’k Heb geen keuze meer te doen.
Ejnar.
Agnes, Agnes, luister toch!
Denk wat ’t oude spreekwoord zegt:
Licht te heffen, zwaar te dragen.
Agnes.
Al je lokken kan niet baten;
Dragen moet ik tot het einde.
Ejnar.
Denk aan allen die je liefhebt!
Agnes.
Groet mijn moeder, allen thuis;
’k Schrijf zoodra ik woorden vind.
Ejnar.
Buiten op de blanke waat’ren
Zeilen vlugge schepen uit;…
Als verlangens, droomgedachten,
Jagen, vlieden hooge stevens,
Schuimbesprenkeld, om te landen,
Verweg, in een sprookjesland!
Agnes.
Zeil naar ’t Westen of naar ’t Oosten;…
Denk aan mij als waar ’k begraven.
Ejnar.
Agnes, ga mee als mijn zuster!
Agnes (schudt het hoofd).
Tusschen ons zijn wereldzeeën.
Ejnar.
Naar je moeder dan … naar huis!
Agnes (stil).
Weg van leeraar, broer en vriend …?
Brand (komt een stap nader).
Jonge vrouw, bedenk je wel.
Tusschen bergen ingeklemd,
Onder schaduwdak van rotsen,
In der spleten halfnacht-duister,
Zal mijn leven voortaan wezen
Als een sombre winterdag.
Agnes.
’t Duister angstigt mij niet langer,
Sterren breken door de wolken.
Brand.
Weet dat ’k streng ben in mijn eischen,
Alles vorder ik of niets.
Als je afwijkt van den weg,
Is je leven als verong’lukt.
Hoop niet mij iets af te dwingen,
Geen toegeeflijkheid voor zonde;…
Kan het leven niet volstaan,
Moet je ook dàt vrijwillig off’ren!
Ejnar.
O, ontvlucht dat wilde spel!
Vlied den man dier sombre leer,
Leef zooals je leven kunt!
Brand.
Kies;… je staat nu op het kruispunt. (af).
Ejnar.
Kies nu tusschen storm of stilte!
Gaan of blijven is de keus.
Kies nu tusschen vrede en zorgen,
Kies nu tusschen nacht en morgen,
Dood of leven zij je keus!
Agnes (staat op en zegt langzaam).
In den nacht. En door den dood …
Ginds ver schemert morgenrood.
(Zij volgt den weg dien Brand ging).
(Ejnar kijkt haar een oogenblik als verloren na, buigt dan het hoofd en gaat den weg die naar de fjord voert weer af).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
DERDE BEDRIJF.
Drie jaar later. Een klein tuintje door steenen ommuurd bij de pastorie gelegen aan den voet van een hoogen bergrug. De fjord ligt nauw en ingesloten op den achtergrond. De huisdeur opent in den tuin. Namiddag.
Brand staat op de trap voor het huis. Agnes zit op een lagere tree.
Agnes.
Mijn lieve man, alweder dwaalt
Je oog zoo angstig naar de fjord …
Brand.
Ik wacht bericht.
Agnes.
Ik wacht bericht. Je bent onrustig!
Brand.
Van moeder wacht ik steeds bericht.
Drie jaar heb ik nu al vertrouwend
Bericht gewacht, dat nooit nog kwam.
En morgen zoo werd mij gezegd,
Is mooglijk wel haar uur geslagen.
Agnes (zacht en liefdevol).
Je moest maar op geen boodschap wachten.
Brand (hoofdschuddend).
Berouwt zij hare zonden niet
Dan heb ik ook geen woord van troost.
Agnes.
Zij is je moeder.
Brand.
Zij is je moeder. En zou ik daarom
In haar afgoderij aankweeken?
Agnes.
Brand, je bent hard!
Brand.
Brand, je bent hard! Voor jou?
Agnes.
Brand, je bent hard! Voor jou? O, neen!
Brand.
’k Voorzei je een weg vol moeilijkheid.
Agnes (glimlacht).
Het sloeg niet in; je hieldt geen woord.
Brand.
Jawel, het is hier scherp en koud;
Je wangen worden smal en bleek;
Je bent te teer voor dit klimaat.
Niets kan gedijen om ons huis,
Dan ijs en sneeuwval, rots en gruis.
Agnes.
Zooveel te veil’ger ligt het hier.
Zóó ver reikt al de gletscher nu
Dat hij in ’t voorjaar, voortgestuwd
Naar ’t dal, over ons dak heenschrijdt,
En ongedeerd ons huis blijft staan,
Als in een welvend waterhol.
Brand.
En ’t zonlicht dat nooit reikt tot hier.
Agnes.
Dat danst daar toch zoo warm en blij
En tintlend op den bergrug ginds.
Brand.
Drie weken, ja … als ’t zomer is,…
Maar zelfs zijn voet bereikt het nooit.
Agnes (kijkt hem strak aan, staat op en zegt:)
Er is iets dat je angstig maakt!
Brand.
Neen, jou!
Agnes.
Neen, jou! Neen jou!
Brand.
Neen, jou! Neen jou! Je hebt een angst,
’n Geheimen angst.
Agnes.
’n Geheimen angst. En jij ook, Brand!
Brand.
Je duizelt, als voor ’n diep ravijn!
Spreek toch! Wat is ’t?
Agnes.
Spreek toch! Wat is ’t? Ik beef somtijds … (houdt op).
Brand.
Je beeft! Voor wie dan wel?
Agnes.
Je beeft! Voor wie dan wel? Voor Alf.
Brand.
Voor Alf?
Agnes.
Voor Alf? Brand, jij ook!
Brand.
Voor Alf? Brand, jij ook! Somtijds, ja!
Maar neen, dat doet God ons niet aan!
God is toch goed! Mijn kleine vent
Groeit sterk en flink er wel doorheen.
Waar is hij nu?
Agnes.
Waar is hij nu? Hij slaapt.
Brand (kijkt naar binnen).
Waar is hij nu? Hij slaapt. Och, kijk,
Hij droomt niet van ellende en smart;
Zijn handje is mollig, dik en rond.
Agnes.
Maar bleek.
Brand.
Maar bleek. Ja, bleek; maar dat gaat over.
Agnes.
Wat ligt hij rustig nu te slapen.
Brand.
God zegen je! Slaap je gezond!
(sluit de deur).
Met jou en hem, kwam vrede en licht,
Verlichtend al mijn daaglijksch werk.
Wat moeilijk was, elk droevig uur,
Werd met je beiden licht en blij.
Bij jou ontviel mij nooit de moed,
En kracht gaf mij zijn kinderspel.
Als martlaar nam ’k mijn roeping op,
Maar zie, hoe ’t al zich heeft gekeerd,
Hoe nu ’t geluk schijnt op mijn pad …
Agnes.
Ja, Brand, jij bent ’t geluk ook waard,
Je hebt gestreden en ontbeerd,
Geduld, geleden, je afgetobd;
’k Weet dat je, stil, vaak hebt geschreid …
Brand.
’t Is zoo … maar alles leek mij licht;
Met jou trok hier de liefde binnen,
Als warme voorjaars-zonneschijn.
Die had ik nooit nog leeren kennen,
Noch vader gaf mij die, noch moeder.
Liefst doofden zij het enkle sprankje
Dat nu en dan uit de asch opglom.
Het was of al de schat van warmte,
Die ’k stil verborgen in mij droeg,
Was opgespaard tot glorieschijn,
Om hem en jou, mijn lieve vrouw!
Agnes.
Niet om ons beide alleen … om allen
Die nu tot de onzen hier behooren;
Wie droevig is, in nood verkeert,
Wie lijdt of schreit, ’t zij vrouw of kind,
Een ieder wordt gelaafd, gesterkt,
Door wat hun biedt je rijke ziel.
Brand.
Maar toch door jou en hem. Den geest
Van goedheid, zachtheid, bracht je mij.
Geen ziel kan allen liefde geven,
Die niet één enkle liefhad eerst;
’k Moest zóó lang smachten en ontberen,
Dat heel mijn hart werd als een steen …
Agnes.
En nòg … je liefde is nog niet zacht;
Je liefkoozing wordt vaak een slag.
Brand.
Voor jou ook, Agnes?
Agnes.
Voor jou ook, Agnes? Neen, mijn liefste;
Licht was wat jij mij gaf te dragen;…
Maar menigeen, verliet je al,
Om ’t: niets of alles, dat je eischt!
Brand.
Wat er zoo liefde wordt genoemd,
Dat wil ik niet en ken ik niet.
Gods liefde ken ik maar alleen,
En die is zoomin week als zacht;
Die is als doodsverschrikking hard,
En als die liefkoost wordt ’t een slag.
Welk antwoord gaf God in den hof,
Toen hem zijn zoon in doodsangst bad:
Neem weg dien drinkbeker, mijn God!
Ontnam hij hem dien smartkelk toen?
Neen, kind, hij heeft dien gansch geledigd.
Agnes.
Ach, met zulk een maat gemeten
Kan geen enkle ziel bestaan.
Brand.
Geen mensch weet wien verdoemnis treft.
Toch staat in vlammend schrift geschreven:
Wees trouw tot de allerlaatste proef,
Geen halfheid wint de levenskroon!
’t Is niet genoeg ’t angstzweet te voelen,
De vuurproef zelf moet gij doorstaan.
Dat gij ’t niet kunt wordt u vergeven,
Maar nimmermeer dat gij niet wilt.
Agnes.
Ja, zeker, ja, zoo moet het wezen.
O, hef mij op, dat ’k mét je opstijg;
O, leid mij naar je hooge sferen;
Sterk is mijn wensch, maar slap mijn moed.
Vaak grijpt mij de angst, ik voel mij duiz’len,
En moe en aardtraag sleept mijn voet.
Brand.
Kijk, Agnes, voor een ieder geldt
De eisch: geen halfheid laf en slap!
Veroordeeld is àl wat je doet
Als ’t half maar is, of voor den schijn.
Tot wet moet deze leer je worden:
Met woorden niet, maar met het leven.
Agnes (valt hem om den hals).
Waar jij gaat, volg ik op den voet!
Voor twee is er geen rots te steil.
(De dokter is den berg afgekomen en blijft voor de tuinomheining staan).
De Dokter.
Zoo duifjes, hier aan ’t trekkebekken
Op deze woeste, grauwe rotsen?
Agnes.
Mijn oude dokter, is u hier?
O, kom toch binnen!
(loopt naar beneden en opent het hek).
De Dokter.
O, kom toch binnen! Neen, dàt niet!
Je weet wel, ’k ben nog altijd boos!
Gaan wonen hier, op zulk een plek,
Waar sneeuw en ijs en winterstorm
Een mensch door ziel en lichaam snijdt …
Brand.
Niet door de ziel.
De Dokter.
Niet door de ziel. Zoo, niet? Och kom!
’t Is waar, het ziet er haast naar uit,
’t Lijkt waarlijk of je snel verbond
Op hechten, vasten grondslag rust;
Hoewel, zooals het spreekwoord zegt,
Wat snel gebouwd wordt, snel vergaat.
Agnes.
Een zonnekus, een klokkenklank
Kan wekken soms een zomerdag.
De Dokter.
Vaartwel. ’k Moet naar een zieke toe.
Brand.
Mijn moeder?
De Dokter.
Mijn moeder? Ja. Gaat u soms mee?
Brand.
Nu niet.
De Dokter.
Nu niet. Was u er al?
Brand.
Nu niet. Was u er al? Nog niet.
De Dokter.
U is wel hard. Door wind en sneeuw
Kwam ik over den berg gezwoegd,
Ofschoon ik weet dat er van haar
Geen hongerloontje overschiet.
Brand.
God zeegne uw kennis en uw vlijt.
Maak, als u kan, haar ’t sterven licht.
De Dokter.
Gods zegen op mijn wil; ik kwam
Zoodra ’k in nood geroepen werd.
Brand.
Zij zond om u; maar niet om mij;…
Ik wacht, en wacht in zieleangst.
De Dokter.
Wacht langer niet!
Brand.
Wacht langer niet! Vóór ze om mij zendt
Heb ik daar ginder niets te doen.
De Dokter (tegen Agnes).
Jij arm klein vrouwtje, toevertrouwd
Aan zulker harde handen macht!
Brand.
Ik bèn niet hard.
Agnes.
Ik bèn niet hard. Hij gaf zijn bloed
Als ’t voor haar ziel vergifnis bracht!
Brand.
’k Nam als haar zoon en erfgenaam
Vrijwillig al haar schulden op mij.
De Dokter.
Delg uw eigen schuld!
Brand.
Delg uw eigen schuld! Voor God kan
Wel één de schuld van velen delgen.
De Dokter.
Maar niet door één, die zelf een beedlaar,
Tot over de ooren steekt in schulden.
Brand.
Of rijk, of beedlaar;… ’k wil geheel,…
En meer dan dàt behoeft er niet!
De Dokter (kijkt hem strak aan).
Ja, van uw wil het quantum satis
Staat mooi en duidlijk wel geboekt,…
Maar, Brand, uw conto caritatis
Dat is een onbeschreven blad. (af).
Brand (volgt hem een oogenblik met de oogen).
Geen woord werd ooit zoo neergesleurd
In leugens, als men ’t liefde doet;…
Dat leggen zij met Satanslist
Als sluier over slappen wil;
Bedrieglijk dekken zij daarmee
Hun wuft en ijdel levensspel;
Is smal het pad en glad en steil,
In liefde wordt u dat verkort;
Gaat men den breeden zonde-weg
Blijft hoop op liefde toch bestaan,…
Men ziet zijn doel, maar mijdt den strijd …
Door liefde wordt ’t toch nog bereikt;
En dwaalt gij, beter wetend toch,…
In liefde vindt ge een toevluchtsoord!
Agnes.
Ja, dat ’s verkeerd, en toch ik moet
Mij vaak afvragen: is het zoo?
Brand.
Eén ding vergeet je; eerst de wil
Voldoet den dorst der wet naar recht.
Eerst willen moet je, niet alleen
Wat mooglijk is in ’t groot en ’t klein,
Niet enkel waar er aan de daad
Veel moeite vast is en bezwaar,…
Neen, willen moet men sterk en blij,
Door allen schrik en angsten heen.
Niet dàt is martlaarschap, in pijn
Aan ’t kruishout stervend te vergaan,
Maar ’t willen van dien dood aan ’t kruis,
Te willen al dien angst en nood,
Te willen al die zielepijn,
Dat eerst brengt je verlossing aan.
Agnes (vlijt zich dicht tegen hem aan).
Komt eens voor ons de zware proef,…
O spreek dàn, jij, mijn sterke man!
Brand.
Na zulk een zege van den wil
Komt dan der liefde heerlijkheid,
Dan daalt zij neer als witte duif
Met een olijftak, levensboô.
Maar hier, bij ’t slappe, lakse volk,
Is de allerbeste liefde haat! (verschrikt).
Haat! Haat! Een wereldstrijd te willen
Ligt in dit ééne korte woordje!
(gaat haastig het huis binnen).
Agnes (kijkt door de open deur).
Nu knielt hij bij zijn kleinen vent
En wiegelt ’t hoofd als schreide hij;
Hij drukt zich tegen ’t bedje aan
Als iemand die geen uitkomst weet …
O, wat een schat van liefde woont
Er in die sterke manneziel!
Alf heeft hij lief, dat màg, want ’t kind
Is nog door zonde niet besmet. (ontzet opspringend).
Op springt hij … wringt de handen … O!
Wat ziet hij? Hij is doodlijk bleek!
Brand (buiten op de trap).
Kwam niemand nog?
Agnes.
Kwam niemand nog? Neen, nog geen mensch.
Brand (kijkt achterom in het huis).
Zijn huid is gloeiend heet en droog;
Zijn slapen kloppen, polsen jagen …!
Niet bang zijn, kind!
Agnes.
Niet bang zijn, kind! O, die gedachten!
Brand.
Neen, vrees maar niets … (roept over den weg).
Neen, vrees maar niets … (roept over den weg). Daar zie ik iemand!
Een Man (door het tuinhek).
Nu moet u komen!
Brand.
Nu moet u komen! Daadlijk, ja!
Wat is je boodschap?
De Man.
Wat is je boodschap? ’k Weet niet recht;
Zij zat in bed op, boog voorover
En zei: ga nu den priester halen;
Mijn half bezit is voor de kerk
Brand (terugwijkend).
De helft maar! Neen! Zeg neen!
De Man (hoofdschuddend).
De helft maar! Neen! Zeg neen! Dan zou
’k Mijn boodschap niet goed overbrengen.
Brand.
De helft! De helft! ’t Moest alles zijn!
De Man.
Dat kan wel zijn; maar luid en klaar
Zei zij dat woord. ’k Vergis mij niet.
Brand (grijpt zijn arm).
Durf je op den Oordeelsdag getuigen
Voor God, dat zij die woorden zei?
De Man.
Ja.
Brand (vast).
Ja. Ga, en breng dit antwoord over,…
Geen priester komt, geen sacrament.
De Man (kijkt hem onzeker aan).
U heeft mij vast niet goed begrepen,
’t Is van uw moeder dat ik kom.
Brand.
Ik weet van geen tweeledig recht
Voor vreemden of voor eigen volk.
De Man.
Dat woord is hard.
Brand.
Dat woord is hard. Zij weet het wel,
’t Was alles offeren of niets.
De Man.
O!
Brand.
O! Zeg dat ’t kleinste klompje goud
Toch evenzeer een afgod blijft.
De Man.
Zoo zacht als ’k eenigszins maar kan
Breng ’k haar dit geeslend antwoord over.
Haar blijft tot troost dit ééne dan:
Dat God niet zóó hard is als u! (af).
Brand.
Ja, deze troost blies vaak genoeg
Zijn pestlucht door de wereld heen.
Met jammerklacht van ach en wee
Snoert men den rechter dan den mond.
Natuurlijk! Zoo behoort het ook!
Men kent hem immers al zoo lang;…
Men weet zoo goed hoe te allen tijd
Den oude zich beknibb’len laat.
(De man heeft buiten op den weg een anderen ontmoet; zij komen samen terug).
Brand.
Nieuw bericht?
Eerste Man.
Nieuw bericht? Ja.
Brand.
Nieuw bericht? Ja. Wat dan nu?
De Tweede.
’t Zou negen tienden dan nu zijn.
Brand.
Niet alles?
De Tweede.
Niet alles? Neen.
Brand.
Niet alles? Neen. Ik zei het al:
Geen priester en geen sacrament.
De Tweede.
Zij heeft geleden en geboet …
De Eerste.
Kom mee, zij is uw moeder toch!
Brand (knijpt de handen samen).
Ik màg niet met twee maten meten …
Eén maat voor eigen volk en vreemden.
De Tweede.
De zieke lijdt in angst en nood,
Kom, zend haar een verzoenend woord.
Brand (tegen den eerste).
Ga, zeg de zieke wat ’k gebood:
Voor haar wijd ik noch wijn, noch brood.
(De mannen gaan heen).
Agnes (vlijt zich tegen hem aan).
Soms beef ik voor je levenslot:
Je gloeit als ’t vlammend zwaard van God.
Brand (met tranen in zijn stem).
Staat heel de wereld dan ook niet
Vijandig tegenover mij,
En wondt mijn ziel ten bloede toe
Met al haar koppig, laks verzet?
Agnes.
Zwaar zijn de eischen die je stelt.
Brand.
Stel, als je durft, er zachtre voor.
Agnes.
Meet met dien maatstaf wien je wilt
En zie of iemand kan voldoen.
Brand.
Neen, dáárin heb je, eilaas, gelijk.
Zoo dwars, zoo dom, zoo leeg, zoo slecht,
Is ’t heele menschdom tegenwoordig.
Vermaakt iemand bij wilsbeschikking
Doch ongenoemd, zijn geld en goed,
Men prijst hem daadlijk hemelhoog.
Neem weg den naam van menig held,
Laat hem alleen wat hij volbracht,
Doe keizers, vorsten ’t zelfde aan
En zie wat er dan overblijft.
Laat ’n dichter uit hun kooitje heimlijk
Zijn schoonheidsvogels laten glippen,
Dat niemand denk’ dat hij hun gaf
Een stem en gulden veerendos …
Grijp groenen of wel dorren tak:
Opoff’ring vindt men bij geen een.
Door alles heen ’t aardslaafsche denken;…
Elk klampt in wilden angst zich vast
Aan ’t zwakke rankje van zijn leven.
Begeeft hem dit, waar de afgrond gaapt …
Klauwt hij met nagels zich nog vast.
Agnes.
En zulk een diep gevallen volk
Roep je nog toe; het al of niets!
Brand.
Wie zege wil, moet daarvoor strijden;
Wie ’t diepste viel, moet ’t hoogste stijgen …
(zwijgt even; met veranderde stem).
En toch, wanneer ik aan een ziel
Den eisch stel om zich op te heffen,
Is ’t mij als of ik op de golven
In stormweer ronddreef op een wrak.
Stil schreiend beet ik heimlijk vaak
Mijn tong stuk, die kastijden moest,…
En hief tot slaan ik soms den arm,
Naar een omhelzing snakt mijn ziel!…
Ga nu eens kijken naar den kleine;
Zing zoete droomen in zijn slaap;
Een kinderziel is klaar en rein
Als ’t meer in zomerzonneschijn;
Een moeder kan daarover strijken
Als ’n vogel, die in lichten vlucht,
Zich spiegelt in zijn diepste diep.
Agnes (bleek).
Wat is er, Brand, dat je gedachten
Waarheen ze ook gaan, tot hem doet keeren?
Brand.
O, niets. Bewaak hem maar zorgvuldig.
Agnes.
Geef mij een antwoord.
Brand.
Geef mij een antwoord. Forsch?
Agnes.
Geef mij een antwoord. Forsch? Neen, zacht.
Brand (omarmt haar).
Wie zonder schuld is, die zal leven.
Agnes (kijkt hem helder aan, en zegt:)
Eén ding,… màg God niet van ons eischen!
(gaat het huis in).
Brand (kijkt stil voor zich uit).
Maar àls hij ’t deed? Wat God soms eischt
Leert “Abrams offer” van weleer.
(schudt die gedachte van zich af).
Neen, neen! mijn offer heb ’k gebracht,
’k Deed afstand van mijn levensdroom,
Om als de rommelende donder
De slapers hier op aard’ te wekken.
Neen! Daarin lag geen offer meer:
’t Viel weg toen over was de droom,
’k Door Agnes werd gewekt—om mét mij
Te werken samen in ’t verborgen.
(kijkt uit over den weg).
Wat draalt de zieke ginder lang
Eer zij tot boete-doen besluit,
Dat alle schuld te niet zou doen,
Al ’t kwaad uitdelgen van haar ziel!
Wacht!… Neen, het is de baljuw maar,
Welwillend, luchtig, rond, gezond,
De handen in zijn beide zakken,
Als haakjes om een parenthees.
De Baljuw (door het tuinhek).
Goên dag! Wij zien elkaar niet vaak,
En ’k kom misschien wel ongelegen …
Brand (wijst op het huis).
Ga binnen.
De Baljuw.
Ga binnen. Dank u; ’t gaat hier ook;
En als mijn woord maar ingang vindt,
Dan denk ik stellig dat het ook
Wel voor ons beiden goed zal zijn.
Brand.
Laat hooren dan.
De Baljuw.
Laat hooren dan. Uw moeder moet,
Naar ik verneem, haast stervend zijn;…
Dat doet mij leed.
Brand.
Dat doet mij leed. ’k Betwijfel ’t niet.
De Baljuw.
Het doet mij zeer véél leed.
Brand.
Het doet mij zeer véél leed. Welnu!
De Baljuw.
Maar zij is oud; en, lieve Heer,
Wij gaan toch allemaal dien weg,
En daar ’k nu juist voorbij hier kwam,
Dacht ik zoo: ’k kon wel even gaan
Om ’n enkel woord met u te spreken.
Om kort te gaan, ik heb vernomen
Dat u met haar, sinds u hier kwam,
Geleefd heeft in oneenigheid …
Brand.
Oneenigheid?…
De Baljuw.
Oneenigheid?… Men zegt dat zij
Erg vasthoudt aan haar eigendom.
Dat gaat, vindt u misschien, wat ver.
Men wil toch elk zijn eigen voordeel.
Zij is in ’t onverdeeld bezit
Van heel uw vaderlijke erfdeel …
Brand.
In ’t onverdeeld bezit … ’t is waar,
De Baljuw.
Zoo komt het dan allicht tot twist.
En daar ik wel vermoeden kan
Dat u haar einde naadren ziet
Met groote kalmte van gemoed,
Wil ’k hopen dat u zonder wrok
Mij hooren wil, zij dan de tijd ook
Niet erg geschikt.
Brand.
Niet erg geschikt. Nu, of wel later.
Dat komt voor mij op ’t zelfde neer.
De Baljuw.
Nu, dan ter zake, zonder meer.
Zoodra uw moeder dood zal zijn,
En rustig slaapt onder den grond,…
En ’t duurt niet lang meer … wordt u rijk …
Brand.
Rijk, denkt u?
De Baljuw.
Rijk, denkt u? Denk? Neen, ’k weet het zeker.
In alle hoeken heeft zij grond,
Zoo ver ’t gewapend oog kan kijken.
Ik zeg u, rijk!
Brand.
Ik zeg u, rijk! Ook na de scheiding?
De Baljuw (glimlacht).
Wat zou die hier? Er valt te scheiden
Waar vele erfgenamen zijn:
Maar hier wordt niemands deel bedreigd.
Brand.
En als nu toch eens iemand kwam
En van haar goed zijn erfdeel vroeg,
En zei: mij komt het rechtens toe?
De Baljuw.
Dat moest de duivel zelf dan zijn!
Ja, kijk mij nu maar aan … geen mensch
Heeft ’n enkel woord hierin te spreken;
Vertrouw mij maar; ’k ben op de hoogte.
Zoo is ’t dus; u wordt welgesteld,
Een rijk man zelfs; in dezen uithoek
Hoeft u dus waarlijk niet te blijven;
Voor u staat open ’t heele land.
Brand.
Zoo. Is eigenlijk dier woorden zin
In ’t kort niet dit: trek elders heen?
De Baljuw.
Zoowat. Dat waar’ misschien het beste
Voor iedereen. Als u aandachtig
De menschen gâ slaat, voor wie u
De tolk is van Gods heilig woord,
Moet u toch zien, hoe u hier tusschen
Past als een wolf in een troep ganzen.
Begrijp mij goed! U heeft de gaven
Om nut te stichten in het groot.
Maar voor dit volk van bergbewoners,
Als vastgegroeid tusschen hun rotsen,
Sticht u, dunkt mij meer kwaad dan goed.
Brand.
Wat wortels voor een boom zijn, is
Voor een man ’t geboortedorp;…
Zoo hij dáár niet zijn werkkring vindt,
Is wat hij uitvoert niet veel zaaks.
De Baljuw.
In de eerste plaats komt ’t er op aan
Met ’s lands behoefte mee te gaan.
Brand.
Maar die vertoont zich van de hoogte
Niet zoo, als in ’t benauwde dorp.
De Baljuw.
Dat is taal voor verlichte menschen,
Niet voor de arme dalbewoners.
Brand.
Och wat, u met dat grensverschil
Van bergen en het lage land!
U wil de rechten van den rijke,
Maar aan zijn plichten u onttrekken;
En denkt, als u maar hardop roept:
Wij zijn maar arm! dan is ’t genoeg.
De Baljuw.
Er is een tijd voor alle dingen,
En elk geslacht heeft eigen plicht.
Ons dorp droeg ook eens bij zijn scherfje
Tot der geschiedenis groote kas.
Dat was, natuurlijk, lang geleden;
Maar zoo héél klein was ’t scherfje niet.
Nu is het dorp maar onbeduidend,
Toch leeft zijn roem in sagen voort;
Zijn vroegre grootheidsdagen vallen
In koning Beles’ levenstijd;…
Nog hoort men menigmalen noemen
De dappre broeders Wolf en Thor;
Met vele wakkre mannen, die
Naar Bretlands kust heentogen om
Al plundrend af te loopen ’t land.
Het Zuiden kreet, verstijfd van schrik,
God, help ons tegen hun geweld!
En die geweldnaars waren toch
Ontwijfelbaar echt, lui van hier.
En hoe zij zich dan konden wreken
Met moord en doodslag, brand en plundring!
Ja, één is er, van wien de sage
Vertelt dat hij ten kruistocht wou;…
Doch dat hij uittoog meldt men niet …
Brand.
Er stamt voorzeker van dien held
Een heele bende zoons?
De Baljuw.
Een heele bende zoons? Jawel;
Maar hoe weet u …?
Brand.
Maar hoe weet u …? O, omdat mij
Die heldentroep bekend voorkomt,
Belofte-helden van het heden,
Die ook zoo’n kruistocht ondernemen.
De Baljuw.
Ja, dat geslacht is uitgebreid.
Maar bij vorst Beles waren wij!
Eerst dus geraasd in ’t vreemde land;
Toen brachten wij aan bloedverwant
En buur, met bijlslagen bezoek.
Het veld vertrapt, de oogst verwoest,
In brand gestoken kerk en huis,
Zoo vlochten we ons een heldenkrans.
Op al het toen vergoten bloed
Werd later wel wat veel gesnoefd.
Maar, na wat ik nu heb gezegd
Geloof ik, met bescheidenheid,
Op onze macht te mogen wijzen
In heldentijden, lang geleden
En zeggen dat ons dorp eertijds
Zijn deel bijdroeg met vuur en zwaard,
Tot der ontwikling worstelstrijd.
Brand.
Toch lijkt ’t mij dat u pleegt verraad
Aan ’t woord: dat adeldom verplicht,…
Alsof met egge, hak en ploeg
U Beles’ erfgoed stil begraaft.
De Baljuw.
In geenen deele. Kijk maar eens
Bij een gemeentelijk diné,
Waar ik, de koster en de rechter
Op eereplaatsen mee aanzitten.
Dan zal u zien, als komt de punch-bowl,
Dat Beles nog niet is vergeten.
Met klinken, heildronken, gezang,
In toasten kort en toasten lang,
Gedenkt men hem, laat men hem leven.
Ik zelf heb vaak den drang gevoeld
In mij, om van gedachtenspinsel
Voor hem te weven ’n bloemrijk kleed,
En dat heeft menigeen gesticht.
Ik houd wel van wat poëzie.
Dat doen wij trouwens allemaal
Hier in ons dorp;… doch steeds met mate …
Het leven mag die nooit beheerschen,…
Alleen zoo tusschen acht en tien
Uur ’s avonds, als men moe van ’t werk,
En vrij weer van de daagsche taak,
Naar wat verheffing wel verlangt.
Wat u van ons verschillen doet
Is dat u ploegen wil en maaien
Terzelfder stond, en met geweld.
U wil, zoo meen ik te begrijpen,
Dat één zijn zal idee en leven,…
U wil, met ’t zwoegend land-bebouwen
Den strijd voor God vereenigd zien,
Zóó innig één, als kool, salpeter,
En zwavel zich tot kruit vereent.
Brand.
Zoo ongeveer.
De Baljuw.
Zoo ongeveer. Maar dat ’s onmooglijk.
In wijder kringen gaat dat beter;…
Ga daarheen met uw hooge eischen
En laat ons land en zee beploegen.
Brand.
Ploeg allereerst in zee maar onder
Uw pralen op den roem der vaad’ren;
Een dwerg wordt er niet grooter door
Of hij al stamt van Goliath.
De Baljuw.
Er ligt kracht in herinneringen.