← Table of contents
De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2

Verhaal van Don Roger de Rada.

Reading edition

Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met dona Estéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef van Estéfania vrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.

Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.

Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist, dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: “Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats.”

“Ik begrijp u al,” viel don Anastasio hem in de rede, “uw nicht is mij ontrouw geworden.”

“Ik erken haar niet meer als mijn nicht,” hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. “Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn.” “Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?” riep de ongelukkige man.

“Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. ’t Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer.”

De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht, zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: “Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren.”

Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: “Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geen reden voor!”

“Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto....”

“O!” viel zij hem in de rede. “Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft.”

“Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!”

“Maar wordt toch kalm,” smeekte zij, “geef mij ten minste tijd om te spreken!”

Hij wilde toesteken.

“Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!”

Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.

De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond niet voor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.

Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.

Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada en Sévilla heb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.

Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio, Estéfania en mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.

Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije. De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.

Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.

Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: “Helaas, ’t is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. ’t Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada”.

“Gerechte hemel,” riep ik uit. “Dan zijt gij mijn vader”. Geheel ontdaan riep hij: “Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?” Ik antwoordde: “Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzame Estéfania ter wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet.”

Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendige belangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.

Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.

De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen.”

De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.

Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: “Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten.”

Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings