← Table of contents
De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2

Van de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.

Reading edition

Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naar Tolédo gegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.

Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega’s vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik was een intendant, zooals men er geen beteren vindt.

Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.

Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.

Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt en dat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.

Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. ’s Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.

Mijn handelwijze verraste hem. “Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?”

“Mijnheer de barbier,” zei ik, “ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt.”

De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: “Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!”

Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: “Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen.”

Illustration from De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier

“Ik zie wel,” hernam hij, “dat ik verplicht ben te spreken, om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken.” Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.

Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.

Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: “Mijnheer de intendant, zeg mij als ’t u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?”

De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.

“Ik geloof,” zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, “dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier.”

Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: “Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven.”

Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijn gezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.

Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. “Dat verwondert u,” voegde hij eraan toe, “maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna’s in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is.”

Ik antwoordde hem: “Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan.”

Don Alphonse wilde daarvan niet weten. “Neen, neen,” riep de edelmoedige zoon van don César. “Laat mij Séraphine tot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven.” Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamer liet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings