Van wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den graaf-hertog en wat Gil Blas deed.
Reading edition
Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.
Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.
De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.
“Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening.”
“Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen.”
In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.
“Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijke gedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden.”
Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.
Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.
Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.
“Ja,” antwoordde hij, “wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen.”
Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.
In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.