Van de grootste vreugde, die Gil Blas ooit gekend heeft en van het treurig ongeluk, dat daarop volgde. Van de veranderingen, die aan het hof plaats hadden en waardoor Gil Blas er terugkeerde.
Reading edition
Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.
Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van Scipio Séraphine.
De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.
Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij bood ze mij n.l. met zoo’n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.
Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. “Beste Santillano,” zei hij, “ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen.”

Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.
Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipio over hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.
Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.
Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: “Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filips niet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden.”
Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.
“Welk belang zou ik er in stellen?” vroeg ik. “Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn.”
“Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld,” zei hij. “In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben.”
“Welk verlangen?”
“Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen.”
“Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden.”
“Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden? Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!”
Glimlachend vroeg ik: “Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was.”
Onder dit gesprek kwamen don César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.
Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.
“Wat mij betreft,” zei don Alphonse, “ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte.”
“Ik ben van het zelfde gevoelen,” zei don César, “en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen.”
“Waarlijk heeren!” riep ik, “ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven.”
De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.
Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.
Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.